Wat we kunnen weten

D.H. Lawrence

.

Ik lees de roman ‘Wat we kunnen weten’ van Ian McEwan over een verloren gegaan gedicht van de (fictieve) dichter Francis Blundy. Het gedicht in kwestie heet ‘A Corona for Vivien’ en werd geschreven door de dichter Francis Blundy als verjaardagscadeau voor zijn vrouw. Tijdens een feestelijk diner met vrienden droeg Francis Blundy het voor, waarna het nooit meer werd teruggevonden. Althans, dat wordt ons voorgehouden. Het verhaal speelt zich af in het jaar 2119 nadat de wereld grotendeels is overspoeld door het stijgen van de zeespiegel.

In de loop der jaren groeide de legende en de reputatie van het gedicht, wat leidde tot veel speculatie over het lot ervan. Mocht het ooit gevonden worden, dan zou dat niet alleen een literair mysterie oplossen, maar ook de carrière van de academicus die het ontdekt heeft een flinke boost geven. Een verhaal in romanvorm kortom, die ook een liefhebber van poëzie kan bekoren. Tel daarbij op dat ik al langer een liefhebber ben van de romans van Ian McEwan en je begrijpt dat ik me goed vermaak met dit boek.

Het gedicht ‘A Corona for Vivien’ beslaat 210 regels en is geschreven in de vorm van een sonnettenkrans. Een  sonnettenkrans (Het Latijns voor krans is corona) is een reeks van precies vijftien sonnetten met strenge vormeisen. Van de veertien sonnetten is steeds de slotregel de beginregel van het eerstvolgende sonnet, en de slotregel van het veertiende sonnet is gelijk aan de beginregel van het eerste sonnet. Het vijftiende sonnet (het meestersonnet geheten en daarmee de krans van de sonnetten) moet zijn samengesteld uit de beginregels (of eindregels) van de eerste veertien sonnetten in de juiste volgorde.

Geen sinecure dus het schrijven van een sonnettenkrans. In de roman heeft Blundy gekozen voor het Petrarchaanse  sonnet, bestaande uit twee coupletten, waarvan het eerste deel (het octaaf) acht regels en het tweede (het sextet) zes regels telt. Het rijmschema wat werd aangehouden was het traditionele ABBAABBA CDECDE. Of het gedicht wordt teruggevonden (er was slechts één exemplaar op dierenhuid geschreven met inkt en alleen die avond met vrienden voorgedragen) is de vraag, daar gaat het boek over en ik heb het nog niet uit.

In ‘Wat we kunnen weten’ worden regelmatig dichters en gedichten aangehaald. Zoals het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van de Engelse dichter D.H. Lawrence (1885-1930) uit de bundel  ‘Unrhyming Poems (1917-28)’. Hij schrijft: “Hij had haar met hartgrondige afkeer aangekeken, met dezelfde hatelijke blik als waarmee de man met de ossenkar de dichter aankijkt in het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van D.H. Lawrence ‘De bruine ogen, zwart van haat en nijd’ (de 7e strofe). Voor de liefhebbers van fraai geschreven proza over poëzie is dit boek een absolute aanrader.

.

Meeting Among the Mountains

The little pansies by the road have turned
Away their purple faces and their gold,
And evening has taken all the bees from the thyme,
And all the scent is shed away by the cold.
Against the hard and pale blue evening sky
The mountain’s new-dropped summer snow is clear
Glistening in steadfast stillness: like transcendent
Clean pain sending on us a chill down here.
Christ on the Cross! — his beautiful young man’s body
Has fallen dead upon the nails, and hangs
White and loose at last, with all the pain
Drawn on his mouth, eyes broken at last by his pangs.
And slowly down the mountain road, belated,
A bullock wagon comes; so I am ashamed
To gaze any more at the Christ, whom the mountain snows
Whitely confront; I wait on the grass, am lamed.
The breath of the bullock stains the hard, chill air,
The band is across its brow, and it scarcely seems
To draw the load, so still and slow it moves,
While the driver on the shaft sits crouched in dreams.
Surely about his sunburnt face is something
That vexes me with wonder. He sits so still
Here among all this silence, crouching forward,
Dreaming and letting the bullock take its will.
I stand aside on the grass to let them go;
— And Christ, I have met his accusing eyes again,
The brown eyes black with misery and hate, that look
Full in my own, and the torment starts again.
One moment the hate leaps at me standing there,
One moment I see the stillness of agony,
Something frozen in the silence that dare not be
Loosed, one moment the darkness frightens me.
Then among the averted pansies, beneath the high
White peaks of snow, at the foot of the sunken Christ
I stand in a chill of anguish, trying to say
The joy I bought was not too highly priced.
But he has gone, motionless, hating me,
Living as the mountains do, because they are strong,
With a pale, dead Christ on the crucifix of his heart,
And breathing the frozen memory of his wrong.
Still in his nostrils the frozen breath of despair,
And heart like a cross that bears dead agony
Of naked love, clenched in his fists the shame,
And in his belly the smouldering hate of me.
And I, as I stand in the cold, averted flowers,
Feel the shame-wounds in his hands pierce through my own,
And breathe despair that turns my lungs to stone
And know the dead Christ weighing on my bone.
.

Geplaatst op 5 januari 2026, in Dichtbundels, Favoriete dichters, Over Poëzie en getagd als , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , . Markeer de permalink als favoriet. 1 reactie.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.