Site-archief

Zij is mijn moeder niet maar zwaait

Kira Wuck

.

Het kan je zomaar gebeuren, je loopt in een park en er zwaait iemand naar je. Iemand die je niet kent. Kira Wuck (1978) schreef er het gedicht ‘Zij is mijn moeder niet maar zwaait’ over. Het komt uit haar bundel ‘Finse meisjes’ uit 2012.

.

Zij is mijn moeder niet maar zwaait

.

Een vrouw met rossig haar

en zwarte rok loopt door het park

zij is mijn moeder niet maar zwaait

.

soms ging ik naar de stad

misschien liep ze tussen de mensen

op haar hoge hakken

een angstige reiger

waaromheen de lucht bevroor

.

ik zocht en zocht tot er niemand meer was

.

misschien huilde ze

misschien was ze gelukkig

.

Blind gepakt

Jive!

.Vandaag ben ik maar weer eens voor een van mijn boekenkasten gaan staan en heb daar, zonder te kijken, een willekeurige dichtbundel uit de kast gepakt. het bleek de bundel ‘Aambeeld‘ van Bernlef (1937-2012) te zijn uit 1998. Op nieuw pakte ik de bundel om deze op een willekeurige pagina topen te slaan en daar stond het gedicht ‘Dansles’. Ook bij dit gedicht had ik meteen een beeld. In een van de laatste afleveringen van ‘So you think you can dance’ werd door een koppel een Jive gedanst. In mijn idee een beetje ouderwetse dans maar na deze uitvoering was ik om: energiek, wild, technisch en prachtig om naar te kijken. De uitroep van het meisje in het gedicht begrijp ik nu ook veel beter.

.

Dansles

.

Leer mij jiven roept het meisje

Leer mij dat!

.

In de vensterbank zit de oude kat

te loeren naar de slanke lijster

.

op de achtegrond het bandje

met de iets te geblondeerde zangeres

‘There’ll Never Be Another You’

.

Leer mij jiven roept het meisje

Leer mij dat!

.

In de vensterban zit

nog steeds de oude kat.

.

Graf te B.

Sjoerd Kuyper

.

Toen ik in de bundel ‘Het heelal van jouw hart‘ de mooiste gedichten uit 2012 van Sjoerd Kuyper (1952) het gedicht ‘Graf te B.’ las moest ik meteen denken aan het gedicht ‘Graf te Blauwhuis‘ van Gerard Reve. Zou Kuyper dit gedicht in gedachten hebben gehad? Waarschijnlijk niet gezien het feit dat Sjoerd in Bergen aan Zee woont (wat een logischer verklaring voor de titel zou zijn). De bundel werd overigens samengesteld door Margje Kuyper (de vrouw van Sjoerd en aan wie de bundel is opgedragen) en Thomas Verbogt.

.

Graf te B.

.

Ik wilde nooit iets worden,

ik wilde liever zijn,

het liefst wie ik al was.

.

Nu wil ik niets geweest zijn.

Het is goed zoals het is:

.

geen grijsaard meer, geen man,

geen kind. Kus me

wind, ik ben het gras.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

Herwig Hensen

.

Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.

In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.

De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.

Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

Grond, wateren, beemden, bomen,

De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,

En ’t land waarvan wij dromen

.

Wat geven wij onze kinderen mee

Behalve spreuken en kogels?

Niet eens het zuivre zout van de zee

En ’t zingen van de vogels

.

Maar wél het gif en het haastige kruit,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

Bedriegers of barbaren?

.

Witte dieren

Ellen Deckwitz

.

Ellen Deckwitz (1982) is geen onbekende op dit blog. Zo schreef ik al over haar bundel ‘Hoi feest?‘ uit 2012, over Das Mag uit 2013, over een bijdrage aan literair tijdschrift Liter uit 2009 en over ‘Nog een lente‘ de bundel van Meander uit 2010 waarin ook een bijdrage van haar was opgenomen. En dit is slechts een keuze uit de berichten, er waren er meer waarin haar naam genoemd werd. Deckwitz is dan ook al ruim 26 jaar actief als dichter, Ze debuteerde in 2007 met een poëziesatire ‘Moordwijven’ samen met  Ruth Koops van ’t Jagt maar haar debuut als solodichter kwam in 2011 met de bundel ‘De steen vreest mij’.

En dan heb ik nog niet gehad over haar bijdrage aan de poëzie, anders dan in dichtbundels of poetry slams, in de vorm van de twee boeken over het lezen van poëzie; ‘Olijven moet je leren lezen’, eerste hulp bij het leren begrijpen van poëzie uit 2016 en ‘Dit gaat niet over grasmaaien’ handboek voor de beginnende poëzieliefhebber. Alle reden dus om nog eens iets van haar hand te delen.

Ik ben even op zoek gegaan naar een van haar bundels in mijn boekenkasten (geen sinecure wanneer je de poëziebundels niet op alfabet of welke andere manier dan ook heb ontsloten) en de eerste bundel die ik tegenkwam was ‘De blanke gave‘ uit 2015.  Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Witte dieren’.

.

Witte dieren

.

Je bent maar even de kamer uit en er zit meteen weer

een vlies op het bad. In de damp lijkt het peertje een mistklok.

.

Door het velletje heen stap je in het water maar je zult

de bodem niet voelen, ik verzeker het je vader.

.

Het was de kuip

waarmee we de beestjes drenketen.

.

Soms stak er een paardenhoofd uit, smekend:

‘Ik ben wat peziger maar ook ik geef melk.’

.

We leidden hen naar de kamer en de haarsprieten

uit je kop, het is riet

.

bij een stilgevallen meer. wat is het water bruin,

zei je, en wat een vreemde ruimte om te slapen.

.

Ik ruik gewoon de weides door de muren heen.

.

De tegels knapten onder je blik. In de verte

zagen wij die velden ook.

.

Flanders Literature

Albert Bontridder

.

Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.

Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’. 

Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.

Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.

.

Overweging

.

De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.

.

 

De keizer van het roomijs

Wallace Stevens

.

De Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955) is geen onbekende op dit blog. Zijn naam wordt genoemd bij berichten over metafysische poëzie, en dichters als Adrienne Rich (1929 – 2012) en Naomi Shihab Nye (1952). Maar tot een blogbericht over deze Amerikaanse modernistische dichter is het (nog) niet gekomen. Daar komt vandaag verandering in.

Wallace Stevens studeerde aan Harvard en vervolgens aan de New York Law School , en bracht het grootste deel van zijn leven door als leidinggevende bij een verzekeringsmaatschappij. Zijn eerste gedichten schrijft hij in die periode in zijn vrije tijd. In 1923 publiceert hij  ‘Harmonium’, gevolgd door een licht herziene en aangepaste tweede editie in 1930. Hierna verschijnen onder andere ‘Ideas of Order’ (1933),  en ‘Transport to Summer’ (1947). In de laatste jaren van zijn leven verschijnen nog ‘The Auroras of Autumn ‘(1950) en  ‘The Collected Poems of Wallace Stevens’ (1954). In totaal verschijnen er bij leven zeven bundels van zijn hand.

Veel van zijn gedichten behandelen de kunst van het maken van kunst en in het bijzonder poëzie. Zijn ‘Collected Poems’ (1954) won in 1955 de Pulitzerprijs voor poëzie. Zijn biograaf noemt als filosofen-dichters waarmee Stevens zich mag meten  Ezra Pound (1885-1972), T.S. Eliot (1888-1965) en  John Milton (1608-1674). E.E. Cummings (1894-1962) wordt door deze biograaf ‘een schaduw van een dichter’ genoemd. Zo zie je maar dat ook biografen het heel erg bij het verkeerde eind kunnen hebben.

Uit de bundel ‘Vir die bysiende leser / Voor de bijziende lezer’ uit 2000 in een vertaling van Tom van de Voorde hier het gedicht ‘De Keizer van het Roomijs’ of The Emperor of Ice-Cream’ zoals de Engelse titel luidt.

.

De Keizer van het Roomijs

.

Roep de man die dikke sigaren rolt,

Die met al zijn spieren, en zeg hem klop

Ritse klodders room in keukenkommen op.

Laat de deernen dreutelen in het soort kleren

Dat zij gewoon zijn te dragen, en laat de jongens

Bloemen brengen in de kranten van verleden maand.

Laat zijn finale zijn van schijn.

Alleen de keizer van het roomijs kan keizer zijn.

.

Haal uit het dennenhouten dressoir,

Dat drie glazen knoppen mist, het laken

Waarop ze ooit paustaartjes borduurde

En vouw het zo open dat haar gezicht is bedekt.

Als haar eeltige voeten er onder uitsteken, komen z\e

Tonen hoe koud ze is, en stom.

Zorg dat de lamp haar goed beschijnt.

Alleen de keizer van het roomijs kan de keizer zijn.

.

L’homme qui marche II

Dijkshoorn kijkt kunst

.

Afgelopen week las ik ergens een gedicht over een kunstwerk en het was erg grappig. Dat deed me denken aan een bundel die ik ergens in mijn kast heb staan van Nico Dijkshoorn (1960) met de veelzeggende titel ‘Dijkshoorn kijkt kunst’. In deze bundel uit 2012 zijn gedichten opgenomen die Nico Dijkshoorn schreef deze gedichten nadat hij in een museum achter een groep Japanners stond die vrijwel simultaan hun hoofden van links naar rechts bewogen. Dat kwam door de audiotour die de Japanners stuurde. Dat wilde hij ook en samen met het Kröller-Müllermuseum schreef hij bij 25 werken uit de vaste collectie gedichten en sprak deze in. Daarna zag hij hoe zijn stem en zijn gedichten mensen stuurde en aan het lachen bracht.

In ‘Dijkshoorn kijkt kunst’ zijn deze gedichten aangevuld met nog eens 30 nieuwe verhalen en gedichten, opnieuw geïnspireerd door werken uit het Kröller-Müllermuseum. Aangezien ik, naast zoveel andere vormen en stijlen, ook van humor in poëzie hou (light verse bijvoorbeeld) heb ik het boek opgezocht en koos ik een gedicht bij de foto van het beeld ‘L’homme qui marche II’ uit 1960 van Alberto Giacometti (1901-1966) een Zwitserse beeldhouwer, schilder, tekenaar en graficus, en een van de belangrijkste beeldhouwers van de 20e eeuw, wiens werk werd beïnvloed door stromingen als het kubisme en het surrealisme.

.

L’homme qui marche II

.

al dertig jaar

keek ik naar foto’s van dit beeld

ik wist niet waarom

nu ik er vlak voor sta

weet ik wat het is

het is iemand

die

loopt

alsof hij ergens naar toe gaat

.

Poëzieweek 2026, de laatste dag

The pink highlight

.

Afgelopen vrijdag was ik in de koninklijke bibliotheek bij Club Erasmus voor een interview met en een performance van dichter Diana Ozon. Naast de ingang van Club Erasmus was een fraaie tentoonstelling (dat kunnen ze daar wel bij de KB) over vrouwelijke dichters. Beneden, in de gang naar het Nationaal Archief, was echter nog een tentoonstelling in  het kader van de Poëzieweek 2026. Vandaag op de laatste dag van de Poëzieweek wilde ik hier nog aandacht aan besteden. Deze tentoonstelling blijft naar ik aanneem nog wel even hangen.

Het betreft hier een tentoonstelling van een fenomeen dat ik al heel lang ken, dat ook al heel lang bestaat maar dat steeds in een nieuw jasje wordt gehesen. Het gaat hier over stiftgedichten. De eerste keer dat ik hierover schreef is alweer uit 2012 waarna nog vele malen volgden. Je zou je dus kunnen afvragen waarom hier opnieuw? Zoals zoveel in de poëzie is ook het maken van stiftgedichten onderhavig aan modetrends en vernieuwingen. Begonnen als blackout poetry kwamen al snel de kunstzinnige manieren van ‘zwart maken’ in zwang. En naar aanleiding daarvan was de sky the limit. Barbara (kunstenaar dus geen achternaam) die The Pink Highlight ‘bedacht’ heeft er haar sausje overheen laten gaan.

Zij werkt met Engelse teksten uit boeken die afschreven zijn ( of gered zoals zij het noemt) en gaat daarin op zoek naar mooie of repeterende woorden, om er een compleet nieuwe tekst mee te maken. Voorwaarden zijn dat de nieuwe tekst grammaticaal correct is (hear hear) en iets leuks, nieuws, inspirerends of liefs oplevert, of in haar geval, iets wat ze wil delen over haat autisme. Omdat vrienden bij het zien van de kleur roze vaak aan haar denken (wat verder niet wordt uitgelegd) gebruikt ze een roze marker als handtekening. In de tentoonstelling bij de KB geeft dat een heel vrolijk effect. Hieronder een voorbeeld en een foto van een wand bij de KB waar haar werk hangt. Overigens wordt de toeschouwer of bezoeker ook uitgenodigd zelf een stiftgedicht te maken. Haar stiftgedichten zijn ook op Instagram te lezen onder dezelfde naam.

.

Verliefd, weer

Jannah Loontjens

.

Jannah Loontjens (1974) werd geboren in Denemarken, woonde in Zweden en is schrijfster, dichter en filosofe. In 2012 promoveerde ze op het onderwerp ‘Popular Modernism’ aan de universiteit van Amsterdam in de Literatuurwetenschap. Voor de Groene Amsterdammer en Awater schreef ze over poëzie en filosofie. Met enige regelmaat schrijft ze opiniestukken voor o.a. Trouw en NRC Handelsblad. Sinds 2019 heeft ze een vaste rubriek in Filosofie Magazine.

In 2001 debuteerde ze met de dichtbundel ‘Spectroscoop’ gevolgd door ‘Varianten van nu’ in 2002. In 2006 verscheen haar bundel ‘Het ongelooflijke krimpen’ waarvoor ze in 2008 de Eline van Haarenprijs kreeg. In 2009 verscheen ‘Be my guest. I prefer to keep the door closed. Untranslatables; A task for poetry’ en in 2013 gevolgd door haar voorlopig laatste dichtbundel ‘Dat ben jij toch’. In de jaren na 2013 legde ze zich helemaal toe op het schrijven van romans en essays met één uitzondering in 2016 toen ze de Melopee Poëzieprijs kreeg voor het gedicht ‘Mijn licht gekwelde melancholische blik’.

Uit haar bundel ‘Het ongelooflijke krimpen’ is het gedicht ‘Verliefd, weer’ genomen.

.

Verliefd, weer

.

Ik wil je dicht, dichter tegen me aan. Mijn buik die een gehunker

door romp en leden pompt. Beleef ik dit? In het echt met jou?

Of is het bovenal mijn hoop op het werkelijk bestaan

van verzonnen beelden. Niet eens altijd die van mijzelf.

.

Ja, ik denk aan je Ina, Michel, Anna, Radha, Noenka. Wie ben ik

en achter wie loop ik aan? Wie bedenk ik in mijn verlangende waan

en hoe verzin ik jou en mezelf. Ideaal samen. Zo volmaakt. Zo traag

en zo intens zoenend, zich eindeloos spiralend herhalend. Uniek

.

in die rommelende schakel van jaren en jaren en jaren.

Dit is wat ons allen met elkaar verbindt. Hierin zijn we één,

zijn we gelijk. Hoe ver ook van mij vandaan, Aramees of Zweeds,

Italiaan of Afrikaan, het smachten delen we. Allemaal. Triljarden

zijn me voorgegaan, onnoembare verliefden komen er nog aan.

.