Site-archief
De lente komt
Ali Şerik
.
Afgelopen week moest ik in de bibliotheek van Utrecht zijn en wanneer ik daar ben loop ik altijd even naar de poëzie afdeling. Om wat tijd te doden nam ik plaats op een deel van de tijdschriften en krantenafdeling op de tweede verdieping en las ik het tijdschrift ‘Schreef’ proza en poëzie door en voor liefhebbers, uitgegeven door Taalpodium, een vereniging van ruim honderd (vrijetijds-)schrijvers en -dichters, waarvan diverse leden hun sporen verdiend hebben met het winnen van dicht- en verhalenwedstrijden, anderen met de uitgave van dichtbundels, verhalenbundels en romans.
In ‘Schreef’ dat vier keer per jaar verschijnt staat poëzie van allerlei dichters die niet of vaak nog maar net gepubliceerd zijn, opgenomen met een gedicht. Een van die dichters is Ali Şerik (1962). Deze uit Turkije afkomstige dichter publiceerde in Turkije drie dichtbundels en in Nederland inmiddels 5 bundels waaronder ‘De zachte veren van de tijd‘ uit 2024.
Voor het Nationale Boekblog schrijft hij van maart 2012 tot augustus 2013 elke vrijdag een gedicht. In 2024 begint hij hier opnieuw mee, nu maandelijks met een gedicht. Op dit moment publiceert hij ook regelmatig gedichten in het blad ‘Dichter’ van Plint. Ook is Ali recensent voor Meander.
In de ‘Schreef’ is het gedicht ‘De lente komt’ van zijn hand opgenomen. En hoewel de zomer bijna een feit is, toch een toepasselijk gedicht voor deze tijd van het jaar.
.
De lente komt
.
Wat zeker is, is dat de lente komt.
Of wij lief voor elkaar zijn
of het tegendeel proberen te bewijzen
de lente komt sowieso, als een eigenwijze kleuter.
.
De kou van de winter ontdooit
bomen schudden zich wakker
de leeuwerik is weer terug om te zingen.
De lente komt als vechtende meerkoeten.
.
De aarde ontwaakt met spinnen en vleermuizen
houten vogelnestjes worden schoongemaakt
winterjassen krijgen een stille plek.
De lente komt als de vleugels van zwanen.
.
Zaad voor nieuw leven ontkiemt
geschreeuw van kinderen steekt de straat over
iemand kust iemand vol op zijn of haar mond.
Wat zeker is, is dat de lente komt.
.
Zij is mijn moeder niet maar zwaait
Kira Wuck
.
Het kan je zomaar gebeuren, je loopt in een park en er zwaait iemand naar je. Iemand die je niet kent. Kira Wuck (1978) schreef er het gedicht ‘Zij is mijn moeder niet maar zwaait’ over. Het komt uit haar bundel ‘Finse meisjes’ uit 2012.
.
Zij is mijn moeder niet maar zwaait
.
Een vrouw met rossig haar
en zwarte rok loopt door het park
zij is mijn moeder niet maar zwaait
.
soms ging ik naar de stad
misschien liep ze tussen de mensen
op haar hoge hakken
een angstige reiger
waaromheen de lucht bevroor
.
ik zocht en zocht tot er niemand meer was
.
misschien huilde ze
misschien was ze gelukkig
.
Blind gepakt
Jive!
.Vandaag ben ik maar weer eens voor een van mijn boekenkasten gaan staan en heb daar, zonder te kijken, een willekeurige dichtbundel uit de kast gepakt. het bleek de bundel ‘Aambeeld‘ van Bernlef (1937-2012) te zijn uit 1998. Op nieuw pakte ik de bundel om deze op een willekeurige pagina topen te slaan en daar stond het gedicht ‘Dansles’. Ook bij dit gedicht had ik meteen een beeld. In een van de laatste afleveringen van ‘So you think you can dance’ werd door een koppel een Jive gedanst. In mijn idee een beetje ouderwetse dans maar na deze uitvoering was ik om: energiek, wild, technisch en prachtig om naar te kijken. De uitroep van het meisje in het gedicht begrijp ik nu ook veel beter.
.
Dansles
.
Leer mij jiven roept het meisje
Leer mij dat!
.
In de vensterbank zit de oude kat
te loeren naar de slanke lijster
.
op de achtegrond het bandje
met de iets te geblondeerde zangeres
‘There’ll Never Be Another You’
.
Leer mij jiven roept het meisje
Leer mij dat!
.
In de vensterban zit
nog steeds de oude kat.
.
Graf te B.
Sjoerd Kuyper
.
Toen ik in de bundel ‘Het heelal van jouw hart‘ de mooiste gedichten uit 2012 van Sjoerd Kuyper (1952) het gedicht ‘Graf te B.’ las moest ik meteen denken aan het gedicht ‘Graf te Blauwhuis‘ van Gerard Reve. Zou Kuyper dit gedicht in gedachten hebben gehad? Waarschijnlijk niet gezien het feit dat Sjoerd in Bergen aan Zee woont (wat een logischer verklaring voor de titel zou zijn). De bundel werd overigens samengesteld door Margje Kuyper (de vrouw van Sjoerd en aan wie de bundel is opgedragen) en Thomas Verbogt.
.
Graf te B.
.
Ik wilde nooit iets worden,
ik wilde liever zijn,
het liefst wie ik al was.
.
Nu wil ik niets geweest zijn.
Het is goed zoals het is:
.
geen grijsaard meer, geen man,
geen kind. Kus me
wind, ik ben het gras.
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
Herwig Hensen
.
Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.
In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.
De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.
Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:
Grond, wateren, beemden, bomen,
De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,
En ’t land waarvan wij dromen
.
Wat geven wij onze kinderen mee
Behalve spreuken en kogels?
Niet eens het zuivre zout van de zee
En ’t zingen van de vogels
.
Maar wél het gif en het haastige kruit,
en haat die alom kan passen.
Sindsdien doven de lentes uit
en dorren vroeg de grassen.
Belofte slaat over in ongeduld
voor wie geen hoop meer bewaren.
Wat zijn wij onder zoveel schuld?:
Bedriegers of barbaren?
.
Witte dieren
Ellen Deckwitz
.
Ellen Deckwitz (1982) is geen onbekende op dit blog. Zo schreef ik al over haar bundel ‘Hoi feest?‘ uit 2012, over Das Mag uit 2013, over een bijdrage aan literair tijdschrift Liter uit 2009 en over ‘Nog een lente‘ de bundel van Meander uit 2010 waarin ook een bijdrage van haar was opgenomen. En dit is slechts een keuze uit de berichten, er waren er meer waarin haar naam genoemd werd. Deckwitz is dan ook al ruim 26 jaar actief als dichter, Ze debuteerde in 2007 met een poëziesatire ‘Moordwijven’ samen met Ruth Koops van ’t Jagt maar haar debuut als solodichter kwam in 2011 met de bundel ‘De steen vreest mij’.
En dan heb ik nog niet gehad over haar bijdrage aan de poëzie, anders dan in dichtbundels of poetry slams, in de vorm van de twee boeken over het lezen van poëzie; ‘Olijven moet je leren lezen’, eerste hulp bij het leren begrijpen van poëzie uit 2016 en ‘Dit gaat niet over grasmaaien’ handboek voor de beginnende poëzieliefhebber. Alle reden dus om nog eens iets van haar hand te delen.
Ik ben even op zoek gegaan naar een van haar bundels in mijn boekenkasten (geen sinecure wanneer je de poëziebundels niet op alfabet of welke andere manier dan ook heb ontsloten) en de eerste bundel die ik tegenkwam was ‘De blanke gave‘ uit 2015. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Witte dieren’.
.
Witte dieren
.
Je bent maar even de kamer uit en er zit meteen weer
een vlies op het bad. In de damp lijkt het peertje een mistklok.
.
Door het velletje heen stap je in het water maar je zult
de bodem niet voelen, ik verzeker het je vader.
.
Het was de kuip
waarmee we de beestjes drenketen.
.
Soms stak er een paardenhoofd uit, smekend:
‘Ik ben wat peziger maar ook ik geef melk.’
.
We leidden hen naar de kamer en de haarsprieten
uit je kop, het is riet
.
bij een stilgevallen meer. wat is het water bruin,
zei je, en wat een vreemde ruimte om te slapen.
.
Ik ruik gewoon de weides door de muren heen.
.
De tegels knapten onder je blik. In de verte
zagen wij die velden ook.
.
Flanders Literature
Albert Bontridder
.
Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.
Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens‘, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’.
Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.
Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.
.
Overweging
.
De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.
.
L’homme qui marche II
Dijkshoorn kijkt kunst
.
Afgelopen week las ik ergens een gedicht over een kunstwerk en het was erg grappig. Dat deed me denken aan een bundel die ik ergens in mijn kast heb staan van Nico Dijkshoorn (1960) met de veelzeggende titel ‘Dijkshoorn kijkt kunst’. In deze bundel uit 2012 zijn gedichten opgenomen die Nico Dijkshoorn schreef deze gedichten nadat hij in een museum achter een groep Japanners stond die vrijwel simultaan hun hoofden van links naar rechts bewogen. Dat kwam door de audiotour die de Japanners stuurde. Dat wilde hij ook en samen met het Kröller-Müllermuseum schreef hij bij 25 werken uit de vaste collectie gedichten en sprak deze in. Daarna zag hij hoe zijn stem en zijn gedichten mensen stuurde en aan het lachen bracht.
In ‘Dijkshoorn kijkt kunst’ zijn deze gedichten aangevuld met nog eens 30 nieuwe verhalen en gedichten, opnieuw geïnspireerd door werken uit het Kröller-Müllermuseum. Aangezien ik, naast zoveel andere vormen en stijlen, ook van humor in poëzie hou (light verse bijvoorbeeld) heb ik het boek opgezocht en koos ik een gedicht bij de foto van het beeld ‘L’homme qui marche II’ uit 1960 van Alberto Giacometti
.
L’homme qui marche II
.
al dertig jaar
keek ik naar foto’s van dit beeld
ik wist niet waarom
nu ik er vlak voor sta
weet ik wat het is
het is iemand
die
loopt
alsof hij ergens naar toe gaat
.














