Site-archief

Slaaplied

Erwin Mortier

.

Erwin Mortier (1965) is een Vlaamse schrijver, dichter, essayist en vertaler. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Gent. Van 1991 tot 2001 was hij als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Dr. Guislain Museum, het museum van de psychiatrie in Gent, waar hij werkte op het vlak van de geschiedenis van de psychiatrie. In deze periode publiceerde hij in diverse literaire tijdschriften als De Gids, De Revisor, Het Nieuw Wereldtijdschrift en Optima.

Na 2001 werd hij fulltime schrijver. In 1999 debuteerde hij als schrijver met de roman ‘Marcel’ waar hij de debuutprijs voor kreeg. In 2000 volgde dan zijn debuut als dichter met de bundel ‘Vergeten licht’. Van 2005 tot 2005 was hij stadsdichter van Gent. De stadsgedichten die hij in die periode schreef, werden in de bundels ‘Uit één vinger valt men niet’ (2005) en ‘Voor de Stad en de Wereld’ (2006) gepubliceerd en bij zijn afscheid in januari 2007 in de uitgave ‘Stadsgedichten 2005–2006’ gebundeld. Een rode draad door zijn oeuvre is een grote bekommernis om de taal en de herinnering die erin vervat ligt.

Uit zijn debuutbundel ‘Vergeten licht’ koos ik het gedicht ‘Slaaplied’. Grisaille is een schildertechniek die volledig is uitgevoerd in grijstinten, zwart of andere neutrale monochrome kleuren, vaak bedoeld om driedimensionale stenen of bronzen sculpturen na te bootsen.

.

Slaaplied

.

Zo leeg kan jij alleen mij voelen.

Zo welhaast uitgestorven. Huid

en weefsel dropen van me af

.

als niet je honger om te zijn, te zijn!

me samenbond. Ik heb geproefd

hoe jij dood mengt in mijn

.

leeftocht. Riant tegoeden neemt of

dubieus belegt in leegte en tekort.

Mij hijgen laat, een zuurstofloze holte

.

delft. Mij in grisaille in de schaduw

schetst. En dan, terwijl ik sluimer,

.

me als een zandpatroon verstoort

en voor ik in je diepte stort

.

al mijn cirkels breekt

en slordig opveegt.

.

Dag stad

Twan Vet

.

Dichter, liedtekstdichter, prozaschrijver  en voormalig stadsdichter van Amersfoort (2021-2024) Twan Vet (1998) is geen onbekende. Zo verscheen poëzie van hem in MUGzine #28,  en schreef ik al over zijn debuutbundel ‘Troostpogingen‘ uit 2025. Je kunt je overigens afvragen of debuutbundel wel van toepassing is want in 2024 verscheen van hem de bundel ‘Dag stad’ met daarin een selectie van de stadsgedichten die hij schreef als stadsdichter.

Werk van Twan Vet verscheen ook in literaire tijdschriften en kranten als De Revisor, Het Liegend Konijn, DW B, Deus Ex Machina en NRC. Daarnaast is hij regelmatig te zien en horen op de radio en op festivals als Dichters in de Prinsentuin. Een van mijn favoriete schrijvers, en tegenwoordig presentator van het radioprogramma Taalstaat op radio 1, Ronald Giphart, schreef als aanbeveling over de bundel ‘Dag stad’: “Deze onweerstaanbare bundel van Twan vet heb ik al een tijdje bij me om onderweg in de trein te lezen, of luierend in bed, of op kantoor, in mijn huiskamer en zelfs als ik aan het koken ben. Vets taal is licht, helder en complex tegelijk, zijn trefzekere woorden dagen uit om verder te reizen naar vertrouwde onbekende werelden. Gedichten die je blijven vergezellen”.

Alle reden dus om een gedicht uit deze bundel te kiezen en hier te plaatsen. Ik koos voor het gedicht ‘Er wordt op je gewacht’.

.

Er wordt op je gewacht

.

We stapelden stenen in een stad, gingen ervoor staan,

bogen ons hoofd wat, dachten: het is nog niet af.

.

Er moest nog karakter in, levensdrift,

mensen zoals jij en ik.

.

Hier ligt nu de stad en weten we:

niets is ooit af in dit bestaan.

.

De kroegen, kerken, kunstenaars –

niets is ooit klaar, zelfs niet vandaag.

.

Zo is het uitzicht op de dag hier

niet alleen een canvas van wat was,

.

maar vooral van wat nog kan.

Hier ligt dus vandaag voor jou de stad –

.

er wordt op je gewacht.

.

Feniks

Nieuwe stadsdichter

.

Afgelopen donderdag mocht ik, voor de zesde keer alweer, juryvoorzitter zijn van de stadsdichtersverkiezing in Maassluis. Cedric Muchal had de afgelopen twee jaar het stadsdichterschap op geheel eigen wijze voortreffelijk ingevuld en nu waren we alweer twee jaar verder en tijd voor een nieuwe stadsdichter. In Maassluis worden deze verkiezingen georganiseerd door poëziepodium Woordkunst en is er vrije inschrijving. Het is dus altijd maar afwachten hoeveel dichters en wie zich inschrijft. Dit keer waren er drie inschrijvingen: Patricia, Levi en Naomi.

De jury bestond uit de nieuwe wethouder van Cultuur Jurre van de Merwe, voorzitter van Literair de Lier en dichter Jeroen den Harder en ikzelf dus. Het was een mooie avond waar alle stadsdichters die vanaf 2016 deze titel invulling mochten geven, aanwezig waren. De drie kandidaten waren heel verschillend maar hun presentaties waren er niet minder om. De band met de stad was bij alle drie heel goed aanwezig en waar de een meer prozaïsche poëzie bracht en de andere zich juist heel erg richtte op de ervaringen in de stad was er ook een dichter die op de onderdelen Maassluis, gedichten, presentatie en gebruik van poëtische stijlmiddelen alle drie goed scoorde.

Uiteindelijk besloot de jury dat Naomi Jansen de nieuwe stadsdichter van Maassluis 2027-2028 wordt. Naomi (1995) is kunstenaar en docent kunst. Voor een nieuwe dichter (ze droeg op deze avond voor het eerst voor) beschikt zij over de gereedschappen die het stadsdichterschap invulling kan geven op een manier die, aan de ene kant aansluit bij de activiteiten en ontwikkelingen in de stad en aan de andere kant, dit poëtisch kan verwoorden op een heldere en interessante manier.

Als stadsgedicht (de deelnemers wordt gevraagd een stadsgedicht en een vrij gedicht in te sturen bij deelname) stuurde zij het gedicht ‘Feniks’ mee. Een gedicht over de Oude Vliet, een complex met seniorenwoningen die is afgebroken voor nieuwbouw. Ik wens de nieuwe stadsdichter heel veel succes toe en ben benieuwd naar meer van haar werk.

.

Feniks (over De Oude Vliet)

.

Ik heb ijzer in mijn aderen, roest in mijn spieren.

Ik heb blauwe plekken van de slopende kogels.

Ik voel pijn, als ze mijn aderen uit mij trekken.

Ik hoor geknars van steen.

Ik zie delen van mezelf verspreid liggen.

Het is puin, of hoop?

Ik zie mezelf niet meer.

Als gruis voor de zon.

Het enige wat ik nu nog ben, is as.

Het as waaruit nieuw leven zal voortvloeien.

.

Naomi en Cedric

Lagogo Rotte

Poëzie evenement

.

In de afgelopen jaren (2019 en 2020) organiseerde Edwin de Voigt samen met onder andere Jiske van De zoek naar schittering en een aantal vrijwilligers Poëzie Lagogo aan de Bergse Voorplas in Rotterdam. Een vrolijk gevarieerd festival met veel poëzie, dichters dichtbij (in een bootje) en een mooie dwarsdoorsnee van Rotterdamse dichters die zich via dit festival laten horen.

Dit jaar wordt Lagogo opnieuw georganiseerd op 30 augustus maar nu aan de Rotte. Vanaf drie afvaartlocaties: Kerkhoflaan 145, Bergse Rechter Rottekade 1 en de Zaagmolenkade 1. Met onder andere oude bekende en vaste waarde Ingmar Heytze, Joz Knoop, Von Solo, Michline Plukker, Jeroen Naaktgeboren en vele anderen waaronder  muzikanten, schrijvers en cabaretiers.

Het reserveren van een kaartje voor een van de bootjes is gratis maar wacht niet te lang.  Lagogo Rotte begint om 13.00 en duurt tot 19.00 uur. Een van de optredende dichters is Jeroen Naaktgeboren (1977). Jeroen Naaktgeboren is dichter, performer en presentator. Daarnaast is hij ook actief als organisator en docent.
Solo en met zijn poetryrockgroep de WoordDansers heeft hij in de afgelopen jaren vele optredens verzorgd in theaters/ poppodia en (literatuur)festivals. In 2007 werd hij met de Woorddansers de eerste officiële stadsdichter van Rotterdam.

In Onze Taal, jaargang 73 uit 2004 verscheen het gedicht ‘Nacht in Rotterdam’ van de Woorddansers.

.

Nacht in Rotterdam

.

De Maas
slaat gelaten
tegen haar kade.
De stad
recht ruggen,
bruggen, nu en dan
het is nacht in Rotterdam.
De hoek om, het spoor onder, het
Weena op, over het stationsplein,
langs de Kruiskade, over de Wes-
tersingel, de Nieuwe Binnenweg,
voorbij het Boijmans en de Kunst-
hal, over het Vasteland naar het
water, langs de kade tot de touwen
en dan weer terug, het is nacht in
Rotterdam.
Zwarten, bakra’s,
schichtige Chinezen,
kakkers, snollen,
lustloezend kezen,
koelies, doekies,
scooters, skaters,
mokkels, sjonnies,
dopies, zweters,
dozen, yuppies,
dealers, hoolies,
taxi’s, kickers,
hillfiggerflikkers,
vastberaden poederdozen,
van blinkend nat ontladen
nuchtere neuzelaars,
en briesende woordenaars.
De stad
recht ruggen,
bruggen nu en dan
het is nacht in Rotterdam.
Rotterdam, cynische cilinder
van gassen en walmen
die fontanellen bedwelmen,
warme kwalmen, zucht van lucht
de flakkerende fakkels boven
Pernis.
Containers stapelen hoge muren
om de moskeeën, housetempels,
verloederde ALDI’s en de koopgoot.
Slachtafval wordt discreter afge-
voerd
dan de meeste vluchtelingen.
Maar de stad recht haar ruggen,
bruggen tussen nu en dan
het is nacht in Rotterdam.
Een oude man
prevelt een godvergeten gebed
in de taal van zijn moeder.
Een oude vrouw
met een geelgrauwe brandarishuid
jaagt zijn kinderen uit haar portiek.
Uit een passerende trein
schreeuwen de hooligans
Rotterdam Kankerstad
in de oorlog lag je plat
waarop wij antwoorden
Hamas Hamas
joden aan het gas.
Wie niet springt
blijft zeker zitten
Wie niet springt
blijft soms ook staan.
Maar een voorbijganger
is hier geen passant
een grote bek een stap te ver.
Stad van daad, geen gat voor
kwaad,
stad van solidair de straten op-
schonen
Autochtoon en Allochtoon de
schouders recht en rechtdoor
door onterechte berechting en
onverrichte berichten
van recht en ontwrichting.
Deze stad
recht mijn rug,
is mijn brug,
dit is nacht
in Rotterdam.

.

Haagse nacht van de literatuur

René Stoute

.

Zo nu en dan stuit ik in een kringloopwinkel op een kleine verborgen schat. Zo kocht ik voor de luttele som van welgeteld 1 euro de bundel ‘Het laatste woord’ Haagse nacht van de literatuur 1987′ in een kringloopwinkel in de hofstad. Deze bundel is uitgegeven door Stichting de Avonden (jawel) en in het voorwoord, geschreven door Erik Jan Sint en Ritsart Plantenga namens de stichting, schrijven zij: “De Hagenaar lijkt een groot deel van zijn vrije avonden aan lezen te besteden. In weinig steden kan men na 8 uur ’s avonds op straat zo veilig een kanon afschieten. Voor de kunstminnaar valt er in deze stad weinig te beleven. Gelukkig lijkt het culturele klimaat enigszins te veranderen. Experimenten, die wezenlijk zijn voor kunst en cultuur, krijgen een kans. De Haagse Nacht van de Literatuur is één van die experimenten.”

Dat het bij een experiment zou blijven bleek uit het feit dat deze nacht slechts éénmalig werd georganiseerd in het Paard van Troje in Den Haag. Wat dat betreft heeft Den Haag een (negatief) imago hoog te houden; ook de Haagse stadsdichter werd éénmalig benoemd en daarna nooit meer. En het leek zo’n kansrijk idee. In de bundel zijn bijdragen opgenomen van bekende auteurs en van finalisten van onze aanmoedigingsprijs voor literair talent (ook al éénmalig deze prijs). Zo zijn grote namen als Kees van Kooten, Bart Chabot, Boudewijn Büch, Astrid Roemer, Joost Zwagerman, Johnny van Doorn en Kees Stip vertegenwoordigd maar ook Jos de Ree, Maarten Vonder, Sjaak Weg en Bart Brey, voor mij onbekende namen.

Wat ik ook leuk vond om te lezen was dat bij de finalisten van de Avonden-Literatuurprijs 1987 dichter  Pieter Boskma zat (en won). Ik heb uit de bundel voor het gedicht ‘Nazorg’ van René Stoute (1950-2000) gekozen, samen met onder andere Joost Zwagerman, Pieter Boskma, Tom Lanoye en Arthur Lava (ook allemaal vertegenwoordigd in de bundel) lid van dichtersgroep de Maximalen. Met een beetje overdrijving zou je dit een Maximalen bundel kunnen noemen.

.

Nazorg

.

Wij zullen openen

een rusthuis

voor uitgebluste dichters

wij zullen zorgen voor:

trijpen pantoffels

lauwe radiatorbuizen

en elke zaterdag

een glaasje wijn

.

Men zal van ons

niet kunnen zeggen

fat wij de poëzie

een onverschillig hart betoonden

.

Wij zullen eens per maand

de oude dichters

tracteren op wat gaande is

moord & doodslag

en muziek

op de valreep nog een prijs

voor het hele oeuvre

feestelijk voltooide tijd

waarna er tussen 18.00 uur

en 19.00 uur

gelegenheid zal zijn

om nostalgies terug te kijken

.

Dan gooien wij

het graf dicht

en richten op

een zerk met namen

voor onze uitgebluste dichters

die wij tot in lange dagen

een dankbaar hart

toedragen.

.

 

Twee koningen

Tim Pardijs

.

Toen ik mijn kast aan het opruimen was kwam ik de krant van Wintertuin Literair Productiehuis ‘de uitvreters‘ tegen uit 2012. In 2017 deelde ik al eens een gedicht uit deze krant van Rinske Kegel. En toen ik de namen las van de bijdragende dichters en schrijvers vielen me een paar dingen op. Een aantal dichters ken ik, hebben op een podium gestaan dat ik organiseerde, heb ik over geschreven en/of hebben een bijdrage geleverd aan MUGzine (Wout Waanders, Elfie Tromp, Rinske Kegel, Maarten Inghels, Dennis Gaens) maar een aantal, met name dichters, ken ik niet.

En omdat ik altijd nieuwsgierig ben naar nieuwe namen en nieuwe dichters (zelfs al zijn ze van jaren geleden of in het ergste geval al overleden) heb ik de krant opnieuw gelezen. Namen als Johan Roos, Oscar Wyers, Bart van Oost, Bessel en Nasja Covers, allemaal dichters die veelbelovend waren, anders waren ze niet opgenomen in deze krant neem ik aan, maar waar ik dus nog niet eerder heb gehoord. Dat zegt op zichzelf natuurlijk niets. Dichters kunnen een andere weg in zijn geslagen (gaan bijvoorbeeld proza schrijven), stoppen met het schrijven van poëzie of hebben, al dan niet bewust, gekozen voor een bestaan in de schaduw.

Een naam die ik ook las in deze krant, is die van Tim Pardijs (1978), voormalig stadsdichter van Zutphen (2013-2014) en tegenwoordig schrijver, dichter, redacteur bij literair tijdschrift Liter en museumdocent bij CODA. Zijn naam kende ik maar ik had nog niet eerder iets van hem gelezen. Daarom, uit ‘de uitvreters’ het gedicht van zijn hand getiteld ‘2 koningen 13:14-19’.

.

2 koningen 13:14-19

.

Dit is hoe ik heers. Schilden geheven de grenzen bewaakt

met vooral: goede pijlen. Van de twee bomen met veren

van de sterkste vogels. Handenvol schieten mijn

mannen er af en geen pijl vliegt zonder mijn doel.

.

Maar vandaag bezoek ik jou, stervende man van God

met je onmogelijke opdracht. ‘Sla tegen de aarde.’

Mijn brandende ogen kijken naar onze handen op de

boog. Het touw snijdt als je woorden door mijn schild.

.

Hoe vaak kan je met een bos pijlen op de grond

slaan voordat de witte veren groezelig worden,

de blanke schachten versplinteren? Hoe leeg

.

wil je mijn handen hebben? Ik voel je

zachte vingers nog op de mijne,

iedere keer als ik een boog span.

.

Tymen Trolsky

Breekbare kruik

.

Schrijver en dichter Jasper Mikkers (1948) debuteerde in 1974 bij De Bezige Bij met de roman ‘Hyacintha en Pasceline’ onder het pseudoniem Tymen Trolsky. Hij publiceerde ook onder het pseudoniem Artur Raven en na 1990 weer onder zijn eigen naam (tussen 1976 en 1990 lag zijn productie stil). Van 2013 – 2015 was Mikkers stadsdichter van Tilburg.

Zijn gedichten worden geschaard onder de Neoromantiek, vooral de gedichten in zijn debuutbundel als dichter ‘Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin’, ook uit 1974. Ze zijn te typeren als een verlangen naar iets groots, meestal de liefde. Het gewone leven is te gewoon, er moet iets groters zijn. De neoromantiek is een reactie op het naturalisme waarbij noodlot centraal staat. Het noodlot is iets bovennatuurlijks en geheimzinnigs, waar de mens geen invloed op kan hebben. Je ziet ook dat neoromantische schrijvers een voorkeur hebben voor het geheimzinnige en fantastische in hun boeken en bundels.

In de bundel ‘Ontmoet de dichters’ uit 1977 van De Bezige Bij, zijn allemaal dichters uit dat fonds opgenomen met een gedicht en enige (bibliografische) informatie. Bijzonder is dat bij Tymen Trolsky als geboortejaar 1950 genoemd staat terwijl op zijn eigen website heel duidelijk 1948 wordt genoemd. Uit deze verzamelbundel nam ik het gedicht ‘Breekbare kruik’.

.

Breekbare kruik

.

Het oliepitje brandt, de waanzin flakkert.

Jij ligt lui in de kuil van je kussen,

je ogen diep en  donker als een put,

je lichaam een kleine, heimelijke kelder,

volgetast met tedere dranken,

ritselend van geuren.

.

De maan, Spaanse gitana, danst

naakt en zingt

onhoorbaar.

Een krekel die zijn  horloge opwindt.

.

Als boer vermomd begeef ik mij

op jouw erf, naar jouw put,

om een emmer mosgroene tederheid uit je op te takelen.

Bedroefd en dronken als een waard

daal ik in jouw kelder af

om je met mijn tong af te stoffen

en behoedzaam aan te breken:

.

Breekbare kruik op een wankele plank.

.

Straatpoëzie in het ‘nieuws’

Willem Hussem

.

In de zomerspecial Lezen en Luisteren van Elseviers Weekblad (week 29/30) staat een aardig artikel over Straatpoëzie met als titel ‘Alleen dichters (soms dwazen) mogen schrijven op muren en glazen, geschreven door René van Rijckevorsel. In het artikel beschrijft René een wandeling met Gerben Beutick (masterstudent journalistiek en redactie stagiair bij dagblad Trouw, die deze wandeling langs poëzie in de openbare ruimte verzorgt in opdracht van de bibliotheek Utrecht.

In het artikel wordt de wandeling beschreven; langs welke gedichten men gaat, iets van de achtergrond van de gedichten en de dichters en er wordt wat breder stil gestaan bij straatpoëzie in het algemeen. Straatpoëzie die niet begint bij de neonletters op het verzekeringskantoor Nieuw Rotterdam, een regel van Lucebert ‘Alles van waarde is weerloos’ daterend van 1978, maar die al veel ouder is. Zo wordt bijvoorbeeld de regel ‘De cost gaet voor de baet uyt’ van de Romeinse toneelschrijver Platus dat al sinds 1912 de gevel van een gebouw aan het Damrak in Amsterdam siert, en de regels op de beurs van Berlage van Albert Verwey ‘Beidt uw tijd’ en Duur uw uur’ uit 1903.

Die laatste regels, en dan met name ‘Beidt uw tijd’ staan me heel goed bij. Toen ik in Amsterdam studeerde liep ik dagelijks langs de Beurs van Berlage en las ik die regel al (jaren ’80 van de vorige eeuw). Destijds heb ik er zelfs over geschreven in het huisblad van de P.A. Tiele Academie in Den Haag ‘Schuddegeest’.

De schrijver van het zeer inhoudelijke artikel maakt wat mij betreft wel een uitglijder. Over Ingmar Heytze (1970) van 2009 – 2011 de eerste stadsdichter van Utrecht en ruim vertegenwoordigd in de stad met straatpoëzie, schrijft René: “Heel virtuoos ongetwijfeld, maar het is geen poëzie die patsboem binnenkomt, zoals het gedicht over Truus” (Truus van Lier, verzetsvrouw die haar leven verloor in de oorlog). Ik vind hier wat van. Heytze wegzetten als een dichter zonder inhoud gaat me echt te ver. René begaat hier de fout die veel lezers van poëzie maken en dat is dat een gedicht emotioneel moet zijn of in ieder geval een emotie moet losmaken bij de lezer (en dan bedoelen ze meestal niet de emotie van schoonheid ervaren).

Elders in het artikel wordt het gedicht dat ik hier onder met jullie wil delen van Willem Hussem (1900-1974) als populair en aansprekend beoordeeld. Een aardig gedicht, zeker, maar in vergelijking met gedichten van Heytze zeker niet erboven uit stekend. Uiteraard wordt de onvolprezen studie ‘Poëzie buiten het boek‘ uit 2017 waar ze in 2021 op promoveerde, van Kila van der Starre (1988) aangehaald in het artikel, evenals de gedichten op vuilniswagens in Rotterdam en de Letters van Utrecht. Al met al geen nieuws maar aardig om te lezen, zeker voor lezers die niet veel hebben met poëzie.

.

zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op

.

 

 

Jonge stadsdichter

Sonya Wartanjan

.

Sinds februari 2026 is de 19 jarige Sonya Wartanjan junior stadsdichter van Vlaardingen. De komende twee jaar schrijft zij, samen met de eveneens per februari zittende nieuwe stadsdichter van Vlaardingen Sander Groen, in opdracht van de gemeente en lokale organisaties, over het wel en wee in de stad. Haar persoonlijk doel is om vooral jongeren te enthousiasmeren voor poëzie.

Door haar docent Nederlands op het Groen van Prinstererlyceum werd ze gewezen op de oproep van cultureel centrum Kade 40, om zich aan te melden voor de functie. Ze stuurde vier gedichten in (twee was een voorwaarde) en niet snel daarna kreeg ze het bericht dat ze de nieuwe junior stadsdichter was geworden. Voor deze functie hadden niet veel jongeren zich gemeld en dat is voor Sonya een extra motivatie om zich in te zetten voor jongeren. Ze zegt hierover: “Veel jongeren houden van muziek en eigenlijk is dat ook een vorm van poëzie. Ik wil hen stimuleren om hun gevoelens door middel van poëzie onder woorden te brengen.”

Sonya is al haar hele leven creatief bezig, in eerste instantie met tekenen en schilderen en later ook met woorden. Voor een schoolopdracht schreef ze onder andere een stiftgedicht en een collagegedicht. En voor haar profielwerkstuk stelde ze zelfs een eigen dichtbundel samen.

Sonya omschrijft haar stijl van dichten als heel beeldend en sfeervol. “Ik schrijf op een manier waarop je het snel voor je kunt zien. Niet heel letterlijk, maar wel origineel. Het geeft een bepaalde sfeer.” Haar Armeense achtergrond speelt daarin een belangrijke rol. “De Armeense taal is heel nauw verbonden met het beeldend verwoorden. In het Armeens zijn veel woorden geschreven als beeldspraak. Het is een melancholische en poëtische taal, dus via die taal krijg ik ook poëzie mee.”

Tijdens de participatieavond voor omwonenden van de Grote Kerk in Vlaardingen (waar de bibliotheek gevestigd gaat worden) droeg ze het gedicht ‘Waar woorden thuiskomen: de stem van stilte’ voor dat ze voor deze gelegenheid schreef.

.

Waar woorden thuiskomen: de stem van stilte

 

Ooit leefden woorden gevangen in perkament

Tot deze te bereiken vielen

Voor ieder ander

 

Waar eens het Woord de stilte droeg

Vinden nu ontelbare woorden

Een thuis

 

Rustend op planken

 

De gewelven dragen echo’s

Niet alleen van heilig gezang

 

Maar ook van bladerende handen,

Van zoekende, nieuwsgierige geesten

 

Waar vragen voorheen omhoog werden gezonden

Liggen antwoorden nu binnen handbereik

 

Voor geïnteresseerden, ongeïnteresseerden

Kenners van kunde

En onkunde

 

Hedendaags klinken er vele stemmen

 

Reve, Mulisch en Hermans

Maar ook Grunberg, Gül en Bervoets

 

également Japin, évidemment

Schrijvers met een eigen stem,

Zij die hun woorden hebben toevertrouwd aan papier

En gepikeerde hoofden

 

Schrijvers die gedachten delen

En mensen kennis bijbrengen

 

Over het diepe roerselen in henzelf

De drijfveer tot doen

Een frisse blik van inspiratie

 

Fictieve en waarheidsgetrouwe verhalen

Zijn vastgelegd

En worden geschonken aan lezers

 

Toch dobbert de stilte nabij

Die spreekt, bijna zingt

Als lijflied van respect

 

Om zich op minutieus

Menselijk level

Te verwonderen

 

Over al het indringende

En gewone gedachtegoed

 

Dat als reflectie op papier is gefragmenteerd

Waar elk gelezen woord opnieuw tot leven komt

En zich thuis binnenbaant

.

Sonya Wartanjan en Sander Groen

 

Zomereditie MUG

Frouke Arns

.

Zoals ik pas geleden al schreef hebben we voor MUGzine nummer 33 voor het eerst een gastredacteur gevraagd. De eerste gastredacteur is Wim van Til en hij heeft een aantal zeer fijne dichters gevraagd een bijdrage te leveren. Naast gedichten van hemzelf heeft hij twee aanstormende talenten weten te strikken; Famke Houthoff en Solaris, en hij heeft Frouk Arns weten te overreden om een bijdrage te leveren waar ik persoonlijk heel blij mee ben. Ik heb grote waardering voor de poëzie van Frouke. En als klap op de vuurpijl heeft Wim ook nog eens de zeer getalenteerde Julia le Fevre zover gekregen dat zij voor de illustraties zorgde. Al met al een bijzonder geslaagd eerste gastredacteurschap dat zeker navolging gaat krijgt.

We verwachten nummer 33 van MUG in juli te publiceren, de laatste hand wordt momenteel gelegd aan de afwerking. Om alvast in de sfeer te komen heb ik een gedicht van Frouke Arns erbij gepakt uit De Revisor jaargang 2016 getiteld ‘Plattegrond’.  Frouke Arns (1964) is tekstschrijver, redacteur, literair vertaler en dichter. In de periode 2015-2016 was zij Stadsdichter van Nijmegen. Haar gedichten werden gepubliceerd in onder meer de Poëziekrant, Het Liegend Konijn, Schrijven Magazine, Het Parool en nrc.next. Arns viel met haar werk verschillende keren in de prijzen. Zo won ze onder andere de Meander Dichtersprijs, de literaire prijs van de Stad Harelbeke en de jury- en publieksprijs van de Nijmeegse editie van ‘Aan het woord!’. Ook heeft ze inmiddels twee romans gepubliceerd, haar derde roman verschijnt deze zomer.

.

Plattegrond

.

Berlijn was jong aan haar oevers, het bier liep over straat.
Op een bank zat een vrouw te bellen, haar vlees hing
aan alle kanten over, haar stem kristalhelder in de nacht.
.
Ik werd aangesproken in het Spreepark door een Penner
die me wegwijs wilde maken; in ruil daarvoor hield hij zijn hand op.
Bij Zenner dansten dames met watergolven zich terug hun jeugd in.
.
Blote heren lagen in het Tierpark op beladen gras. Augustus, de stad was open-
gebroken en klam, overal resten van muur en wespen. Eentje stak;
ik voelde het gif de hele nacht gonzen.
.
Later zag ik hoog vanuit de koepel wat de stad beneden niet prijsgeeft
– sprakeloos lag zij aan mijn voeten – van scheiding geen sprake.
Wolken dreven de dag uiteen.
.
Bij het monument
had iemand gevraagd wat het gekost heeft en
iemand had geantwoord: miljoenen
.