Categorie archief: Uit mijn boekenkast
Boottocht met muziek
Anna Enquist
.
Vrijdag dus een greep uit mijn boekenkast. Vandaag pakte ik de bundel ‘Klaarlichte dag’ uit 1996 van Anna Enquist (1945) uit een van mijn boekenkasten. Zonder te kijken opende ik deze bundel op pagina 49 en daar staat het gedicht ‘Boottocht met muziek’.
.
Boottocht met muziek
.
Als het dan moet, dan met twee hoorns
aan boord. Je stapt in de wiegende bek
van de boot, de hoornspelers blazen
een dun accoord, blazen weg wat je weet
langs muren en tuinen, spelen dwars door
het laatste woord. het kan je niet schelen.
.
Hoornblazers dragen het hart op de arm,
zij duwen hun lied met de vuist in de keel
over water voort. Ze voeren je blind naar
het stilste licht, waar geen overkant is.
Als het dan moet, dan tussen boven-
en onderstem, met twee hoorns aan boord.
.
Lernert Engelberts
Nog eens
.
Daar sta ik weer voor mijn almaar uitdijende boekenkast (stapels dichtbundels op dichtbundels). En dit keer pak ik zonder te kijken de bundel ‘Ik heb alleen woorden’ De honderd meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie, uit 1998 . De bundel gedichten werd verzameld door Hans Warren en Mario Molengraaf. Ik open de bundel op een willekeurige bladzijde (pagina 70 dit keer) en daar staat het gedicht ‘Nog eens’ van dichter en televisiemaker Lernert Engelberts (1977) dat werd opgenomen uit de bundel ‘Oedipoes werpt jongen’ uit 1996.
.
Nog eens
.
De dood, de mooiste
van alle mogelijkheden,
laat ook vannacht op zich wachten.
Al ligt het koele mes tegen
zijn pols, zijn vlees lijkt van ijzer.
.
Al heeft hij de afscheidsbrief geschreven
-waarin hij vraagt om begrip niet om compassie-
morgenvroeg wordt hij gewoon weer wakker,
slaat de dekens van zich af,
scheurt de brief tot kleine stukjes,
legt het mes terug in de la.
.
Eerste groet
Lévi Weemoedt
.
Vrijdag dus een keuze uit mijn boekenkast zonder te kijken welke. In dit geval blijkt het de bundel ‘Met enige vertraging’ van Lévi Weemoedt (1948) te zijn uit 2014. De bundel opengeslagen op een willekeurige pagina (23 in dit geval) en daar staat het gedicht ‘Eerste groet’.
.
Eerste groet
.
Komt u uit Limburg, dan is het een eindje reizen,
woont u in Drenthe, dan is het vlak om de hoek,
maar u kunt mij al de eerste eer bewijzen
als u het kerkhofje van Rolde bezoekt.
.
Er ligt daar al een strookje gras te wachten
tot ik de geest geef, als ik zoiets had.
’t Is nu nog heerlijk rustig op dat pad:
ik sta er zelfs soms ook, verzonken in gedachten.
.
Ja, u hoort het goed: u kunt me daar nog ontmoeten,
wat maar de vraag is als u naar de groeve gaat
van andere dichters: Achterberg of Bloem.
.
Ik bedoel maar: hoe vaak zult u het graf bezoeken
van een schrijver die nog levend vóór u staat
en dankt voor uw eerste groet? Ik zou het maar gauw doen.
.
Mattijs Deraedt
De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan
.
Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en pak ik, zonder te kijken, een poëziebundel. Het is de bundel ‘De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan‘ uit 2020 van de Vlaamse dichter Mattijs Deraedt (1993). Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar stuit ik op het gedicht met een hele lange titel ‘Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink’.
.
Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink
.
ik kom en ga als de wind motherfuckers
ik draag hemden met advocadoprints motherfuckers
de pitten hebben lachende gezichten motherfuckers
ik koop mijn sneakers bij een Spaanse start up motherfuckers
ze planten twee bomen en sturen me
de rest van de zaden met de post motherfuckers
ik gooi ze in de vuilnisbak motherfuckers
want daar heb ik toch helemaal geen tijd voor motherfuckers
ik ben een man motherfuckers
ik ben een god motherfuckers
zie me staan op de toog
met een stukgebeten vinylplaat in mijn hand motherfuckers
ik trek de beanies van koppen van stoere jongens motherfuckers
en wordt bijna gelyncht tegen de wasbak motherfuckers
maar niemand kan me iets maken motherfuckers
zeker jij niet motherfucker
mijn hart doet boem boem motherfuckers
mijn vuist doet bam bam motherfuckers
en wanneer ik mijn armen strek, stijg ik op motherfuckers
.
Eden
Jules Deelder
.
Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan en daar, ongezien, de bundel ‘Dag & Nacht‘ van Jules Deelder (1944-2019) uit 2014 (uitgegeven destijds voor zijn 70ste verjaardag) gepakt. De gedichten in deze bundel zijn gekozen en ingeleid door (toen nog) burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb. Zonder te kijken een willekeurige pagina opgeslagen , 82 in dit geval, en daar staat het gedicht ‘Eden’. Deelder is een vaste gast op mijn blog, zo kwam ik erachter dat de eerste keer dat ik over hem schreef al uit 2008 dateert.
.
Eden
.
Het leven in de Hof van Eden
was te mooi om waar te wezen
.
De zon kwam op de zon ging onder
De tijd was nog niet uitgevonden
.
Er was hemel er was aarde
Er was lucht en er was water
.
In het bos de wilde beesten
Er was Adam er was Eva
.
Ze leefden met elkaar in vrede
Zonder doel en zonder reden
.
Ze kenden oorzaak noch gevolg
Er was toekomst noch verleden
.
Ze waren en dat was genoeg
Te zijn zonder het te weten
.
Daar schrik je toch van
Nico Dijkshoorn
.
Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en daar pakte ik, zonder te kijken, de bundel van P. Kouwes , pseudoniem van Nico Dijkshoorn (1960) getiteld ‘Daar schrik je toch van’ de eerste 1000 gedichten (2008), van een plank. Vervolgens (jullie kennen de procedure) op een willekeurige bladzijde geopend en daar stond het gedicht ‘Lenie ’t Hart’.
.
Lenie ’t Hart
.
nadat
de
voorzichtig
vrijgelaten
lenie ’t hart
voor
de zeventiende
maal
binnen
een
week
op haar
buik
zeehondencrèche
pieterburen
weer
binnenkroop
moest
men
constateren
dat
zij helaas
te veel
aan
zeehonden
gewend was
.
Niek Verhaagen
Uit mijn boekenkast
.
Vandaag pakte ik de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944-1984’ uit 1984, uit mijn boekenkast, opende deze op een willekeurige bladzijde (in dit geval pagina 275) en daar staat het gedicht zonder titel dat hieronder is overgenomen van Niek Verhagen (1915-1948). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De laatste Adam’ uit 1944.
Als dichter is Niek Verhaagen vrijwel vergeten, toch kwam ik een aardig stuk tegen over hem en zijn poëzie op het blog van Teunis Bunt. In dat artikel schrijft hij onder andere: “In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse”.
.
Wat wilt Gij?… Dat ik verzen schrijven zal,
die ene deugd die ik misschien nog kende?-
Och, als ik mij aan deze stilte wende
en aan het lege beeld van dit verval,
.
dan zou ik woorden vinden, arm en smal
en haast geluidloos, maar toch allengs stemden
de klanken, die het levensritme remden,
te zamen … Als ik stil ben, klinkt het al.
.
De dood
K. Golesorkhi
.
Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en daar pak ik, zonder te kijken, een bundel uit. Het blijkt de bundel ‘Stem van alarm stem van vuur’ geëngageerde poëzie uit Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Ik open de bundel op een willekeurige pagina ((pagina 34) en daar staat een gedicht getiteld ‘De dood’ van K. Golesorkhi (1944-1974) met wie ik een verjaardag deel. Golsorkhi (zoals zijn naam luidt) was een Iraanse journalist, dichter en marxistisch activist. Golsorkhi was in 1969 hoofdredacteur van de kunstsectie van de krant Kayhan , waar hij populariteit verwierf met zijn linkse en revolutionaire poëzie. In 1974 kreeg hij de doodstraf als marxistisch revolutionair opgelegd door het regime van de Sjah.
.
De dood
.
Vraag mij niet naar liefde;
in dit land van toenemende duisternis
heeft, in de aanwezigheid van angst,
liefde
de Dood getrouwd,
en de Dood,
de bijtende Dood, de vluchtende Dood,
is een buurman voor je eeuwige eenzaamheid
in het wrede angstgif van slangen.
.
Hier is de stem van de mensen gevangene
van hun keel,
en bloed
zie je, wanneer je je ogen ook opent.
Vraag mij dus niet naar liefde;
kijk naar mijn borst
vóór hij verbrand is door kruit.
.
liefdesgedicht
Jean Pierre Rawie
.
Tussen alle bezigheden door ben ik momenteel erg druk met het lezen, ervaren, begrijpen, en genieten van een aantal nieuwe bundels waar ik een recensie over wil schrijven. Recensies van de bundels ‘Spiegel van de ziel’ van Antoon Van den Braembussche, ‘Randschade’ van Johan Clarysse, ‘Eenzame goden’ van Han van der Vegt, ‘Ruisen van berken’ van Jan Kleefstra en ‘Urgent & Uniek’ van Anne Broeksma (in die volgorde ook) komen allemaal in de komende maanden op dit blog.
Omdat ik elke dag iets wil schrijven over poëzie, betekent dat, dat ik soms ga voor het (zonder te kijken) kiezen voor een bundel uit mijn boekenkast, daar een willekeurig gedicht uit te kiezen en dat te delen op dit blog. Dat is dan ook wat ik vandaag gedaan heb. Het is de bundel ‘Wij hebben alles nog te goed‘ de mooiste liefdesgedichten van Jean Pierre Rawie (1951) uit 2001. En hoewel de titel suggereert dat het hier om liefdesgedichten gaat (en eigenlijk is dat ook zo, de liefde kent tenslotte vele gezichten), zijn de gedichten in deze bundel af en toe wrang, negatief, wraakzuchtig en donker.
Ik opende de bundel op pagina 15 en daar las ik het gedicht ‘Spinrag’. Een liefdesgedicht zoals ik ze graag lees.
.
Spinrag
.
Je had iets baan de heg staan te verschikken;
ik haalde de herfstdraden uit je haar,
en wist: dit is éen van die ogenblikken
die ik in mijn herinnering bewaar,
tegen de tijd.
Maar straks, als wij al weg
zijn en geen weet meer van ons tweeën hebben,
straks rukt wellicht in deze zelfde heg
de wind nog aan de spinnewebben.
.













