Categorie archief: Over Poëzie

Een uitwisseling

Kreek Daey Ouwens

.

Van dichter en schrijver Kreek Daey Ouwens (1942) kreeg ik een bericht dat ze samen met een aantal partners een project gaat doen om mensen met een psychische kwetsbaarheid en met literair talent en ambitie aan het werk te zetten om poëzie en verhalen te gaan schrijven. Ik leerde Kreek Daey Ouwens kennen toen ik haar vroeg om een bijdrage te leveren aan MUGzine #9 in 2021. Daarna heb ik nog een aantal keer over haar en haar werk geschreven en was ik blij verrast toen ze optrad bij de opening van Poetry International in juni dit jaar En nu komt ze, op 84 jarige leeftijd dus met een heel nieuw project dat ze samen doet met de Vlaamse Hugo Franssen, die maandelijks de schrij(f)(vers)groep van Kunsthuis Yellow Art, een groep mensen met psychische kwetsbaarheid en literair talent en ambitie, begeleidt in Geel (België).

In haar verzameld werk ‘Mijnwerk’ Kroniek van een familie in scherven (2023) legt Kreek Daey Ouwens een fragmentarische puzzel van hoe het er bij haar thuis, in een groot mijnwerkersgezin met elf kinderen en inwonende grootouders, aan toe ging in de jaren 50 van vorige eeuw. Voor de schrij(f)(vers)groep heeft ze daar een brede selectie van puzzelstukjes uit geselecteerd met daarbij de uitnodiging er direct vanuit eigen ervaring reflecties over neer te schrijven. Voorjaar 2026 is de oogst daarvan binnengekomen.

De groep gaat er nu mee aan de slag door middel van het maken van een podcast in de vorm van een luisterverhaal, een podcast-reeks waarbij de stemmen van de schrijversgroep en van Kreek Daey Ouwens op zoek gaan naar elkaar en in dialoog gaan. Begin 2027 zal de presentatie zijn van het project waarbij audiofragmenten te horen zullen zijn. Daarnaast wordt er werk voorgedragen en zullen de schrijvers met elkaar in gesprek gaan over het project. De presentaties zullen plaatsvinden in Museum Dr. Guislain in Gent (museum van de geschiedenis van de psychiatrie) en in Eindhoven.

In dit project wordt onder andere samengewerkt met het Poëziecentrum in Gent, de Warande (Cultuurhuis Turnhout), deBuren (Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat) en Uylenspiegel (vereniging van en voor psychiatrische patiënten). Het project wordt ondersteund door Literatuur Vlaanderen.

Geen bericht over een dichter zonder een gedicht van die dichter, daarom een gedicht van Kreek Daey Ouwens uit haar laatste bundel ‘Guillaume’ (De bundel gaat over haar verstandelijk gehandicapte jongere broertje) waar ze de driejaarlijkse KANTL-prijs voor poëzie kreeg en die indirect tot die nieuwe project leidde.

.

Kraai, zegt Vader
Zeg eens kraai!

Bomen helemaal zwart

Vader opnieuw:

Kraai!
Zeg Kraai!

Jouw thuis,
dat was de oude kat,
moeders washandje

te groot kind op een wip

 

We zitten aan tafel. Het hek piept.
Vader komt thuis. Hij is al bijna binnen.
We zijn blij als Vader thuiskomt.
En we zijn ook een beetje bang.
Moeder brengt een lepel pap naar Guillaumes mond.
Zijn tong is dik.
Vader grijpt de lepel.
Rakelings langs Guillaumes oog.
Kun je nog steeds niet praten!

 

 

Poëzie en inhoud

Nieuw gedicht

.

Lezend in ‘Intimiteit onder de melkweg’ de bundel essays over poëzie van Herman de Coninck uit 1994, stuit ik op een alinea waarin de Coninck (1944-1997) schrijft: ‘Wat is inhoud in de poëzie? Kenners zullen zeggen: eigenlijk is inhoud in de poëzie die inhoud op het tweede gezicht, de inhoud die erbij komt. Dat is geen onaardige definitie, een zoveelste: het is goed om er een heel pak van te hebben, want er is geen enkele die klopt. (‘De tijd zit krap in zijn heden’ is dat inhoud op het eerste of op het tweede gezicht?) Juister zou zijn: poëzie is de spanning tussen dat eerste en dat tweede gezicht, zoiets als wisselstroom.’

Zelf hou ik enorm van gedichten waarin je bij een eerste lezing een idee of begrip krijgt van wat de dichter ermee bedoelde en bij een tweede (of derde of vierde) lezing juist een nieuw inzicht krijgt van wat de dichter er (nog meer) mee bedoelt. De ultieme vorm is wat mij betreft wanneer een lezer je als dichter vertelt wat je bedoeld hebt met je gedicht, terwijl je hier als dichter nooit aan gedacht hebt (het is me overkomen). Dat maakt de inhoud op het eerste, tweede of elk volgende gezicht dermate inhoudelijk spannend, dat er zelfs voor de dichter nog iets nieuws in te lezen valt.

In het stuk van de Coninck stelt hij zichzelf meermaals de vraag of inhoud in poëzie belangrijk is of juist niet, en zijn conclusie (het zal je niet verbazen) is dat er geen eenduidig antwoord te geven valt op die vraag. Afgelopen week schreef ik een nieuw gedicht getiteld ‘Samara’. Is dit een inhoudelijk gedicht? Zit er in een tweede of volgende lezing meer in dan bij een eerste lezing? Ik denk van niet, het gedicht is een weergave van een moment in taal gegoten. Soms is dat meer dan voldoende.

.

Samara

.

Daar vliegt een helikopter, bestuurd

door een Esdoornpiloot.

De wentelingen van haar rotor-

bladen, onzichtbaar snel aangejaagd

door de zwaartekracht.

.

Tussen loskomen en aarde

tart de wind, kort weliswaar

maar niet onopgemerkt,

de wet van Newton.

.

Dan zet de landing in,

bekwaam professioneel

zoals dat verwacht mag

worden. Van een Esdoornpiloot.

.

Tussen hemel en aarde

Leo Mesman

.

In de bundel ‘Tussen hemel en aarde’ uit 2013 heeft Gerrit Komrij ‘vignetten, voetnoten en verzuchtingen over de poëzie’ opgeschreven. een zeer informatief en vermakelijk boek over poëzie. Zo schrijft hij over een vers van Leo Mesman, getiteld ‘Op de poëzij’ dat je hieronder kan lezen: “het vers mag krom zijn maar de observaties zijn terecht. Het gekibbel der poëten kent geen einde. En je doet er maar het beste aan ervan te genieten, zoals je ook kunt genieten van al het vals gevlei en de jaloezij in de showbiz-wereld of de voetballerij. Wat mij betreft zouden ze morgen moge starten met een RTL Boulevard voorde poëzie (gelukkig ben ik a-typisch).”

Ik merk dat het lezen van beschouwende en inhoudelijke boeken over poëzie me op nieuwe ideeën en inzichten brengt en, niet onbelangrijk, heel erg leuk zijn om te lezen. Zo schrijft Komrij dat hij het gedicht tegenkwam op de website van Leo Mesman (1949). Natuurlijk ben ook ik daar een kijkje gaan nemen en wat blijkt? Zijn blog (want dat is het feitelijk, net als dit blog) is een bron van gedichten in allerlei vormen en verdeeld in vele categorieën. Voor de liefhebber zeker een aanrader om daar eens te gaan kijken. In het gedicht waarover Komrij (1944-2012) schreef ‘Op de poëzij’ komt hij zelf ook aan het woord.

.

Op de poëzij

.

‘Poëzie, ’t is maar aanstellerij’,

zegt de dichter Komrij.

Maar net al hij ben ik toch blij:

het brengt leven in de brouwerij.

.

Niet alleen de poëzij!

.

Je krijgt er ook nog gratis

het gekibbel bij,

met vals gevlei en jaloezij:

‘wie kijkt er meest naar mij?’

.

Nieuwe perspectieven

Kila van der Starre en Jeroen Dera

.

Naast het lezen van gedichten en gedichtenbundels heb ik een voorliefde voor de rafelranden van de poëzie. Wat ik daarmee bedoel is eigenlijk alles wat er zich rond poëzie afspeelt en daar een directe of indirecte relatie mee heeft. Dat kan zijn van verschijningsvormen van poëzie, poëzie en kunt (of in kunst), poëzie in andere culturele uitingen (muziek, dans etc.) of plekken waar je niet direct poëzie verwacht maar waar poëzie wel een (ondersteunende of waarschuwende) rol kan spelen (klimaatverandering, verzet tegen machthebbers of machtssystemen etc.).

Wanneer je alle berichten op dit blog zou lezen (begin er niet aan, het zijn er inmiddels bijna 6.000) dan weet je precies wat ik hiermee bedoel. Of kijk naar de categorieën die ik inmiddels heb aangemaakt om enige ordening te brengen in al die berichten (en waar ik er zonder moeite nog vele aan toe zou kunnen voegen). Wat ik maar wil zeggen, poëzie heeft zoveel kanten waar je je vrolijk over kan maken, aan kan ergeren, je door kan laten inspireren en je van kan leren.

Dat laatste aspect vind ik vaak nog wel de interessantste. Zo las ik onlangs het artikel ‘Nieuwe perspectieven op moderne poëzie’ van Kila van der Starre en Jeroen Dera, een artikel in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 140, 3-4, (2024), pp. 171-177. Het artikel kun je als pdf downloaden via het internet. In dit artikel beschrijven Kila en Jeroen, beide Neerlandici, de afname van het poëzieonderzoek en -onderwijs, de verschuiving van autonome naar contextgerichte benaderingen (voorbeeld: veel minder studies naar het oeuvre, leven of een bundel van een dichter en juist meer aandacht voor zaken buiten de poëzie zoals klimaat, queer theorie en kunstmatige intelligentie in relatie met poëzie) en de twee auteurs pleiten voor meer wetenschappelijke bijdragen aan Nederlandstalige poëzie.

In het artikel wordt ook beschreven dat de twee Neerlandici hebben opgeroepen (Call for Papers) om “bijdragen ‘waarin een tekst- of contextgerichte benadering wordt toegepast op een casus (een gedicht, een bundel, een oeuvre van één dichter of meerdere gedichten, bundels of oeuvres vanuit een comparatief perspectief), bij voorkeur gestuurd door een vernieuwend theoretisch kader dat nieuwe perspectieven op 20e- en 21e-eeuwse poëzie mogelijk maakt’. Hier hebben 15 Neerlandici gereageerd met artikelen over “analyses van 20e- en 21e-eeuwse poëzie vanuit de perspectieven van ecokritiek, disability studies, queer theory, metrumanalyse en affecttheorie, in combinatie met intertekstualiteit, meertaligheid, muziekgeschiedenis, cyberfeminisme en artificiële intelligentie.”

Als rechtgeaarde poëzieliefhebber word ik heel gretig wanneer ik dit lees. Aan het eind van dit artikel wordt poëzieonderzoekers in de neerlandistiek opgeroepen om de komende jaren vooral aan Nederlandstalige vaktijdschriften te blijven bijdragen. Ik kan deze oproep alleen maar steunen. Geen blogartikel zonder gedicht en gezien het onderwerp ben ik bij een gedicht dat over de poëzie gaat uitgekomen. Het betreft hier het gedicht ‘Tweede en laatste brief aan de poëzie’ van Ingmar Heytze (1970) uit zijn laatste bundel ‘Postkamer’ uit 2025.

.

Tweede en laatste gedicht aan de poëzie

.

Zaterdagochtend, ik was bezig om een trein te halen

voor een les in Amsterdam, zag ik haar weer.

Deze keer droeg ze een geel, fluorescerend vest.

.

De meeuw zat op haar hoofd, het leek me dezelfde

als eerst. Ik had geen tijd. Toch stapte ik af en maakte,

op veilige afstand, één foto van hoe ze daar stond

.

alsof ze ergens een ark voor verendragers had,

of beter: alsof ze later, als ze groot was,

door uilen wilde worden weggedragen.

.

Er waren zeker twee keer zoveel vogels als eerst,

meer soorten ook. Ze stond te stralen op haar tapijt

van eenden, ganzen, zwanen.

.

In de trein  bekeek ik mijn foto. Vreemd: haar kruin was leeg.

.

 

Emotiemanagement

Lotte Dodion

.

Op internet zag ik een filmpje over het reguleren van emoties. Ik wist niet dat dat een ding was, je emoties horen bij je, elk mens heeft emoties en die kunnen sterk en minder sterk zijn maar waarom die reguleren? Uiteindelijk begreep ik, is het reguleren van je emoties bedoelt om ze te herkennen, te begrijpen en ze op een gezonde manier te beïnvloeden zonder ze te onderdrukken.

Poëzie en emoties hebben een moeilijke relatie met elkaar. Poëzie die voortkomt uit een (sterke) emotie, is niet altijd de beste poëzie. Waar een emotie een innerlijke beleving van gemoedsbeweging is daar is poëzie juist de vertaling van een emotie of beleving op een manier waarin de emotie niet de bovenliggende partij is. Poëzie gebruikt de gereedschappen die haar is gegeven (klank, rijm, ritme, vorm, muzikaliteit, woordgebruik, zinsindeling etc.) om een bepaalde emotie weer te geven of op te roepen bij de lezer.

Ik moest na het zien van dit filmpje en de gedachten die ik hierbij had denken aan een gedicht dat ik had gelezen in de laatste bundel van de Vlaamse dichter Lotte Dodion (1987) getiteld ‘Verzachtende omstandigheden’ uit 2025. Het betreft hier het gedicht ‘Emotiemanagement’. Een mooi voorbeeld van wat poëzie vermag in relatie tot emoties.

.

Emotiemanagement

.

Het leven is geen ponykamp

fluister ik tegen het paard

dat ik al weken op mijn rug moet dragen,

zijn zwarte manen hangend in mijn hals.

.

Het besprong me in het donker,

zag mij voor zijn nachtmerrie aan.

Ik wilde het verdoven,

maar geen paardenmiddel kon baten.

.

Nu trainen we samen.

Ik schenk het paard

mijn aandachtsveld

en drinkbakken verse tranen.

.

’s Avonds steek ik zacht licht aan,

vraag of het wil dansen

langzaam de nacht door schuifelend

het paard en ik, huiddicht tegen elkaar.

.

Herman de Coninck

Intimiteit onder de melkweg

.

Afgelopen weekend was ik in België en daar verbleef ik in een huis met veel boeken. Een van die boeken had meteen mijn aandacht want het was geschreven door een van mijn favoriete dichters Herman de Coninck (1944-1997). Het bleek een bundel uit 1994 met beschouwingen over poëzie te zijn bijeengebracht onder de titel ‘Intimiteit onder de melkweg’, waarvan de meeste in de jaren daarvoor verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, De Morgen of Ons Erfdeel. ‘Over poëzie’, zo luidt ook de ondertitel, hoewel er ook twee stukken instaan over fotografie. Fotografie dan als een soort van taalloze poëzie, hetzelfde maar anders: ‘Poëzie en fotografie gaan over iedereen, altijd, overal. Persoonlijk vond ik deze twee stukken wel interessant om te lezen maar vanuit een poëzie standpunt minder belangrijk.

Tijdens het lezen bedacht ik me dat ik dit boek wilde hebben, ook omdat ik niet genoeg tijd had om het uit te lezen. Dus bestelde ik het tweedehands bij een antiquariaat in Rotterdam. Wel noteerde ik al een paar zinnen die ik las en die ik interessant vond. Deze twee zinnen zijn:

‘Poëzie komt pas als het er niet meer op aankomt’  en ‘Door een beschaving van het teveel, sterft de kunst van het weinige uit’.

Over beide zinnen is veel te zeggen. De eerste zin geeft aan dat (in de visie van Herman de Coninck) poëzie niet aan actualiteit hoeft te doen, niet activistisch hoeft te zijn. Pas wanneer er ruimte en tijd is om rustig te contempleren wordt poëzie geboren. Een interessante gedachte en kloppend in wat ik weet van Herman de Coninck en hoe hij poëzie schreef.

De tweede zin is juist weer heel actueel. Poëzie opnieuw is de kunst van het weglaten, het ruimte bieden aan inzichten en ideeën die de dichter niet opschrijft maar waar de dichter wel ruimte toe biedt door het gedicht. De Coninck was ook heel uitgesproken over proza en poëzie; die gaan niet samen. Als je kijkt naar de prozaïsche poëzie die momenteel zo populair is, dan weet ik zeker dat Herman de Coninck daar niet blij van zou worden. Maar deze uitspraak gaat op voor zoveel meer dan alleen de poëzie. Leg zo’n uitspraak tegen de wereld van nu en je begrijpt wat ik bedoel.

De bundel ga ik verder lezen en ik kom er hier vast en zeker nog op terug. Voor nu wil ik eindigen met, uiteraard, een gedicht van Herman de Coninck. Ik koos voor het gedicht ‘Parabel van de verloren vader’ uit zijn bundel ‘Vingerafdrukken uit 1997.

.

Parabel van de verloren vader

.

Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.

Je zal maar jong zijn en meningen hebben
van anderen, en verder niks,
niet eens een dode vader.

‘Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,
en kom over tien jaar eens terug met verdriet
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.’

Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.
En aldus is tien jaar later geschied.

.

poëzieprijzen

Een overzicht

Ik hoor weleens dat je als schrijver of dichter pas echt meetelt als je een prijs hebt gewonnen of gekregen. En, wordt er dan vaak achteraan gezegd, dat is vrijwel elke dichter (in dit geval) omdat er zo ontzettend veel poëzie- en dichtersprijzen zijn. Nu kan ik beamen dat er veel prijzen worden uitgereikt in dichtersland maar zo ontzettend veel zijn er nu ook weer niet. Ja er zijn vele kleine prijzen en winnaars van dichtwedstrijden (die zijn er genoeg) maar de prijzen die er toe doen, dat zijn er niet zo vreselijk veel. Ik ben eens gaan zoeken en kwam tot de volgende prijzen in Nederland (NL) en Vlaanderen (V). Ik heb een aantal prijzen overgeslagen die niet meer worden uitgereikt of die overgegaan zijn in een andere prijs (bijvoorbeeld de Turing gedichtenwedstrijd , de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de VSB poëzieprijs).

  • De Grote poëzieprijs voor een Nederlandstalige bundel, opvolger van de VSB Poëzieprijs (NL)
  • Herman de Coninckprijs voor een Nederlandstalige bundel (V)
  • P.C. Hooftprijs. oeuvreprijs wisselend poëzie en proza (NL)
  • Constantijn Huygens-prijs, oeuvreprijs voor poëzie en proza (NL)
  • Prijs der Nederlandse Letteren, driejaarlijkse onderscheiding (NL)
  • Driejaarlijkse cultuurprijs voor letteren (V)
  • Poëzieprijs Melopee, jaarlijkse prijs voor oorspronkelijk Nederlandstalig gedicht (V)
  • C. Buddingh’-prijs, voor een Nederlandstalig poëziedebuut (NL)
  • Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (NL)
  • NK Poetryslam, voor slampoëzie (NL)
  • Belgisch Kampioenschap poetry slam (V)
  • Ida Gerhardt poëzieprijs (NL)
  • Sybren Poletprijs, driejaarlijks voor experimentele literatuur (NL)
  • Jotie ‘T Hooft poëzieprijs (tweejaarlijks) voor het beste neo-romantische gedicht (V)
  • Poëzieprijs Boontje (VL)
  • Adriaan Roland Holstprijs, voor een oeuvre (NL)
  • Johan Polak poëzieprijs (NL)

Daarnaast zijn er nog een aantal regionale en gespecialiseerde prijzen:

  • Kees Stip-prijs
  • Awater poëzieprijs
  • Jan Campert-prijs
  • J.C. Bloem-poëzieprijs
  • Jana Beranová-prijs
  • Theo Thijssenprijs
  • Anna Blamanprijs
  • Rob de Vos-prijs (Meander)
  • Frans Vogel poëzieprijs
  • Granate prijs
  • De Zeef poëzieprijs

En heel veel lokale en kleine dichtersprijzen en gedichtenwedstrijden uiteraard. Maar dat zijn er echt teveel om op te noemen. Alle reden dus om te denken dat je als dichter een vrij grote kans maakt op een prijs. Uit al deze prijzen en winnaars heb ik een dichter, Maaike de Wolf, gekozen die in 2025 de Herman de Coninckprijs won met haar bundel ‘De dansvloer is van iedereen’. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Holte’.

.

Holte

.

Mijn rechterbeen herbergt een banaal soort pijn
die opspeelt als het kouder, nu het ouder wordt.
Wees niet verbaasd als je ziet wie ik ben, mijn hartslag daalt
zo onder de veertig slagen als ik zit, als ik hier blijf, wachtend.
Zie ook de meedogenloze gokker, de obsessief strijkende huisvrouw
die aan mij verloren gingen, talent dat tussen mijn benen ontsnapte.
Nog steeds meisje dat dezelfde wapens als de jongens wil, schrik niet
als ik mijn haren in een neonroze verdwijnpunt verf.
Zoekend naar woorden zak ik een baarmoeder in.
Op de bodem lig ik, badend in belofte.

.

 

De geheimen van wikke en dille

Wiel Kusters en Gerrit Kouwenaar

.

Vandaag, omdat het vrijdag is en ik het erg druk heb gehad, een bundel uit mijn boekenkast ‘blind gepakt’. In dit geval eens geen dichtbundel (verrassing!) maar ‘aantekeningen over poëzie’ van Wiel Kusters met de titel ‘De geheimen van wikke en dille’ uit 1988. In dit boek staan “indrukken die een gewone, aandachtige lezer van poëzie opdoet, verwoord op een manier die andere gewone en aandachtige lezers met gemak kunnen volgen”. Eigenlijk zou dit een motto van mijn blog kunnen zijn.

Maar terug naar Wiel Kusters (1947) en dit boek. Hij begint met een stuk over de dichter Kouwenaar en laat dat nou precies de dichter zijn over wie ik, zonder te kijken, een pagina opende (188). Daar staat het gedicht van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) zonder titel met de  beginzin ‘Men is vandaag ontzettend onsterfelijk’.

.

Men is vandaag ontzettend onsterfelijk

het is eindelijk de echte heldere herfst

die er haast nog niet is.

.

de bladeren vergelen, nog betrekkelijk groen

de wind is nog blauw, wijst geen enkele richting

de grond ligt nog onder het gras

.

men rookt de zwarte sigaar van de dokter

men raakt bezweet door het werpen van darts

men drinkt zijn zevende glas

.

in een ligstoel later men stippelt

onder het genot van dit tijdstip

een reis uit

.

de reis voor de komende heldere winter

en men vindt met de pink weer die heldere weg

naar dat denkbeeldige eindpunt-

.

Wij zitten, lul ter hand

Piet Gerbrandy

.

Over de Haagse dichter, classicus en poëzie-criticus Piet Gerbrandy en zijn manier van dichten schreef ik al eerder. Zijn poëzie wordt in verband gebracht met de stroming van hermetische poëzie in het Nederlands taalgebied (samen met andere vertegenwoordigers van deze stroming als Hans Faverey, Cees Nooteboom en Kees Ouwens).

Joris Lenstra schrijft over hermetische poëzie op de website van Meander: “Hermetische poëzie richt zich op de manier waarop mensen lezen, en hoe ze dat wat ze lezen, waarnemen en verinnerlijken. Er komen woorden op de lezer af die geen samenhang vertonen. Er rolt geen verhaal uit. Het is moeilijk, ontoegankelijk en levert dus geen rechtstreekse beloning op. Maar door geconcentreerd te lezen, door betekenissen van woorden op te zoeken, door te herlezen en zodoende in de tekst te duiken, worden bepaalde samenhangen voor de lezer zichtbaar. En zo ontrolt er zich toch een verhaal met een boodschap. Alleen gaat het verhaal hier gepaard met duurzame ervaringen, omdat de lezer moeite heeft moeten doen om er te komen.”

En ook: “De kracht van hermetische poëzie schuilt in de manier waarop taal de zintuiglijke waarnemingen bespeelt. Deze poëzie is vormgericht en vertoont in eerste instantie vaak weinig samenhang. De woorden moeten op een andere manier begrepen worden en hun samenhang verkrijgen.”

In de bundel ‘Nors en zonder haten’ (1999) is een gedicht opgenomen dat opvalt door de eerste zin. Wanneer je zo’n zin leest krijg je meteen zin om de rest van het gedicht tot je te nemen. Ik lees er allerlei verwijzingen in, van filosofen en grote denkers tot reïncarnatie, kunst, de venus van Milo en de tegenstelling tussen man en vrouw. Wanneer je met zo weinig woorden, die bij een oppervlakkige lezing (nooit doen bij hermetische poëzie of welke poëzie dan ook) willekeurig bij elkaar gezet lijken te zijn, zo veel beelden en ideeën kan oproepen, dan ben je een groot dichter. Alle reden dus om dit gedicht hier te delen.

.

Wij zitten, lul ter hand, op rug
van wijzen danig om ons heen
te denken.

Zo vinden wij de boomgrens
goed geregeld en waarderen
wij ontbreking van de dood.

Dat er de vrouw bestaat
met rondingen van zachtst
graniet, geen koude hoeken

van een zeer kristal, geen
snijdend erts, maar magma
zonder weerga, zint.

Ook dat zij vaak wel weet
waarom iets is.

.

Ik ben!

John Clare

.

Ik schreef al eerder over een roman die ik aan het lezen ben ‘Wat we kunnen weten‘ van Ian McEwan. Nu ik de roman heb uitgelezen kan ik alleen maar zeggen: Lees dit fantastische boek! In dit boek zit zoveel; liefde, spanning, kijk op de toekomst en op de tijd van nu, een inkijkje in het literaire leven in Engelse universiteitssteden, een doemscenario, de klimaatverandering, suspense en ga zo nog maar even door. Razendknap gecomponeerd en, de reden dat ik dit boek ben gaan lezen, de zoektocht naar een verloren gewaand gedicht van uitzonderlijke schoonheid.

Ik zal hier niet verklappen hoe het verhaal gaat, maar dat ik vooral het tweede deel van het boek aan één stuk heb uitgelezen, maakt het voor mij een klein meesterwerk. En dan heb ik het nog niet over alle dichters, de stukken en quotes uit gedichten en de verhalen over poëzie en de wereld daarachter. Juist dat element maakte dat ik met enige regelmaat aantekeningen maakte voor dit blog. Wat te denken bijvoorbeeld van een van de hoofdpersonen Vivien die een dissertatie schreef over de Engelse dichter John Cale.

John Clare noemde ik in een post over de bundel ‘Country poems‘ nog een minder bekende naam. Wist ik veel dat John Clare (1793-1864) wordt gezien als een belangrijke 19e-eeuwse Engelse dichter en ook wel de ultieme romantische dichter wordt genoemd. Met bewondering voor de natuur en begrip van de orale traditie, maar met weinig formele scholing, schreef Clare talloze gedichten en prozastukken, waarvan vele pas postuum werden gepubliceerd.

Zijn werken belichten op prachtige wijze de natuur en het plattelandsleven en tonen zijn liefde voor zijn vrouw Patty en voor zijn jeugdliefde Mary Joyce. Hoewel zijn eerste boek ‘Poems Descriptive of Rural Life and Scenery’ (1820) , populair was bij zowel lezers als critici, had Clare het lange tijd moeilijk om professioneel door te breken. Zijn werk werd pas zo’n honderd jaar na zijn dood op grote schaal gelezen. Waarschijnlijk zijn beroemdste gedicht is ‘I am!’ dat verscheen in ‘The life of John Clare uitgegeven een jaar na zijn dood in 1865.

.

I am!

.

I am! yet what I am none cares or knows,

My friends forsake me like a memory lost;

I am the self-consumer of my woes,

They rise and vanish in oblivious host,

Like shades in love and death’s oblivion lost;

And yet I am! and live with shadows tost

.

Into the nothingness of scorn and noise,

Into the living sea of waking dreams,

Where there is neither sense of life nor joys,

But the vast shipwreck of my life’s esteems;

And e’en the dearest—that I loved the best—

Are strange—nay, rather stranger than the rest.

.

I long for scenes where man has never trod;

A place where woman never smil’d or wept;

There to abide with my creator, God,

And sleep as I in childhood sweetly slept:

Untroubling and untroubled where I lie;

The grass below—above the vaulted sky.

.