Site-archief

Han van der Vegt

Eenzame goden, een recensie

.

Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.

Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante  verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”

Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.

Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.

In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.

Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?

Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.

Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.

Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.

Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.

.

Babylon

.

bij de rivier van mijn verlies zit ik neer

wat zal ik maken

om wat ik gemaakt heb te vergeten

.

bij de rivier zit ik neer

en luister hoe ze me uitlacht

terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee

.

bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer

ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven

en ik herken ze niet

.

mijn machtige handen

zijn wanstaltige handen

mijn stem die de golven beveelt

versta ik niet langer

.

bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer

wat zal ik maken

om te vergeten dat ik niet maken kan?

.

Memento Mori

Emerald Liu

.

Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.

Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.

Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.

.

Memento Mori

.

je staart

komt dichterbij

kijk me aan

bewandel mijn hand

land zacht op mijn hoofd

.

er is geen buigzaam verleden

enkel roest

een kroonblad staat wit op zwart

wankelt wordt wacht neen is

een verrukking

.

kantel je gezicht zo

nu haast een glimlach die balanceert op je

lippen robijnen in een hap van een kers en

barst het is zo voorbij bijt me bont

alsjeblieft is enkel een achtste rust in

de tijd dirigeert onze handen zoeken een

houvast

.

viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood

en bid voor een morgen die we kunnen

delen

het licht kruimelt

en in de verte landt een roetvlok in

de sneeuw

vergaat

.

After hours in Beelden aan Zee

Vleugels

.

Op vrijdag 10 juli vullen museum Beelden aan Zee in Scheveningen en Het Zwarte Schaap het museum met verhalen. Woorden die raken. Klanken die bewegen. Een avond vol voordrachten, muziek, workshops en ontmoetingen. Beelden aan Zee is niet alleen een museum van de beeldhouwkunst maar zoekt regelmatig de verbinding met andere vormen van kunst zoals bijvoorbeeld jazz, woordkunst en poëzie.

Het Zwarte Schaap is het podium voor spoken word en gesproken literatuur uit Den Haag. Hier krijgen zowel beginnende als ervaren makers een plek om te vertellen wat er speelt, om verhalen te laten horen die je nergens anders hoort. Tijdens After Hours brengen ze primeurs, bijzondere samenwerkingen en performances die je laten voelen wat literatuur kan doen.

Op 10 juli kun je onder andere voordrachten zien van Rachel Rumai Diaz (1990) & Maureen Ghazal (1995) en Maryam Abdelalim & Iduna Paalman (1991). Ook is er een Open Mic en kun je poëzie en meditatie doen (en nog veel meer). Tickets kun je hier bestellen. Om alvast in de sfeer te komen hier een gedicht van Maureen Ghazal dat in mei 2025 op de voorpagina van Trouw verscheen getiteld ‘Vleugels’.

.

Vleugels

.

Je weet dat het geen vanzelfsprekendheid is
om over de drempel van je voordeur te stappen.

’s Avonds maak je een wandeling
je loopt de dag door, ademt diep de duisternis in
die kalm is.

De hand van je geliefde laat je zo nu en dan los
morgen zal alles zich hernemen
je staat op uit een warm bed, wast je gezicht.

Je huis bewoon je als een tweede lichaam
je vertrouwt erop dat de muren je ruggengraat vormen
op de houten vloer leg je onbedekt je gemoed neer.

Soms waan je je een vogel al ben je
je ervan bewust dat je vleugels mist
je beweegt horizontaal, ook dat is weelde.

En toch heb je bij alles wat je doet
het idee dat de dingen zich kunnen omkeren
een dag die nacht wordt
de ruimte waarin je beweegt die vernauwt
je handen die andere handen omklemmen
tot ze verbleken en loslaten.

Op je netvlies spelen beelden af uit een ander landschap
de mensen die er wonen leven met ingehouden adem
spreken een taal die de jouwe zou kunnen zijn.

Je zou ze vleugels willen geven
in plaats daarvan richt je voor het slapengaan
je handen tot de hemel.

.

Voskuil

Dichters op de begraafplaats

.

Gistermiddag was er op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag een bijeenkomst van dichters, georganiseerd door Dichter bij de Dood,  die een gedicht hadden geschreven (en daar voordroegen) over de, in Den Haag geboren, schrijver J.J. Voskuil (1926-2008) naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag (1 juli). Het eerste aardige weetje dat ik tegenkwam over J.J. Voskuil was dat hij ooit debuteerde met een gedicht. Het titelloze gedicht met de beginregel ‘Als ik groot ben’ werd door Voskuil kennelijk tijdens zijn studie geschreven.

In ‘Bij nader inzienstaat beschreven hoe Maarten Koning het aan Chris van Heel schenkt, die het wil opnemen in een bundel met bijlage ‘anonieme poëzie van het volk’. Chris van Geel (1917-1974) publiceerde het uiteindelijk in 1963 in het tijdschrift Barbarber, met vermelding van Voskuils naam. Het gedicht werd opnieuw gepubliceerd in Van Geels bundel ‘Dank aan de koekoek’ (1980) en is opgenomen in Van Geels ‘Verzamelde Gedichten’.

-Als ik groot ben
als ik groot ben
wil ik kousen
weet je van die hele blote
strak getrokken om m’n poten
-kousen, kousen, gekke kind
zorg maar eerst eens voor een vrind
zo maar kousen is zo zonde
.
Ook ik ben gevraagd door de organisator van de bijeenkomst over Voskuil een gedicht te schrijven. Dat heb ik uiteraard gedaan en dat gedicht is getiteld  ‘Daarbuiten’ .
.

Daarbuiten

 

De zon scheen net als de dag ervoor, de bomen en de koppen

als altijd naar buiten gericht, er was geen aanleiding voor een

 

gesprek. Wel vragen, altijd vragen en verwijten en verwachtingen.

Onuitgesproken, onder de huid etterend, een samenleving binnen

 

schijnbaar beschermende muren. Een dag was pas een dag bij het uit-

klokken, bij het fietsenhok, de fijne avond die plichtmatig, speels verveeld

 

uit bekende monden klonk. Daarbuiten lag een wereld te ontdekken, tot

een moment van wekken; 07.00 uur, op weg  naar opnieuw een opstelling,

 

een trekken en duwen, vriendschappelijk toneel, gedwongen enthousiasme,

terwijl daarbuiten de bomen meewarig de kruinen schudden. Het licht

 

in dunne strepen op de vloer. Tot een lamellengordijn ook die rust

verstoort en de aandacht verlegd naar de onrust van tot elkaar verhouden.

.

 

Wij zitten, lul ter hand

Piet Gerbrandy

.

Over de Haagse dichter, classicus en poëzie-criticus Piet Gerbrandy en zijn manier van dichten schreef ik al eerder. Zijn poëzie wordt in verband gebracht met de stroming van hermetische poëzie in het Nederlands taalgebied (samen met andere vertegenwoordigers van deze stroming als Hans Faverey, Cees Nooteboom en Kees Ouwens).

Joris Lenstra schrijft over hermetische poëzie op de website van Meander: “Hermetische poëzie richt zich op de manier waarop mensen lezen, en hoe ze dat wat ze lezen, waarnemen en verinnerlijken. Er komen woorden op de lezer af die geen samenhang vertonen. Er rolt geen verhaal uit. Het is moeilijk, ontoegankelijk en levert dus geen rechtstreekse beloning op. Maar door geconcentreerd te lezen, door betekenissen van woorden op te zoeken, door te herlezen en zodoende in de tekst te duiken, worden bepaalde samenhangen voor de lezer zichtbaar. En zo ontrolt er zich toch een verhaal met een boodschap. Alleen gaat het verhaal hier gepaard met duurzame ervaringen, omdat de lezer moeite heeft moeten doen om er te komen.”

En ook: “De kracht van hermetische poëzie schuilt in de manier waarop taal de zintuiglijke waarnemingen bespeelt. Deze poëzie is vormgericht en vertoont in eerste instantie vaak weinig samenhang. De woorden moeten op een andere manier begrepen worden en hun samenhang verkrijgen.”

In de bundel ‘Nors en zonder haten’ (1999) is een gedicht opgenomen dat opvalt door de eerste zin. Wanneer je zo’n zin leest krijg je meteen zin om de rest van het gedicht tot je te nemen. Ik lees er allerlei verwijzingen in, van filosofen en grote denkers tot reïncarnatie, kunst, de venus van Milo en de tegenstelling tussen man en vrouw. Wanneer je met zo weinig woorden, die bij een oppervlakkige lezing (nooit doen bij hermetische poëzie of welke poëzie dan ook) willekeurig bij elkaar gezet lijken te zijn, zo veel beelden en ideeën kan oproepen, dan ben je een groot dichter. Alle reden dus om dit gedicht hier te delen.

.

Wij zitten, lul ter hand, op rug
van wijzen danig om ons heen
te denken.

Zo vinden wij de boomgrens
goed geregeld en waarderen
wij ontbreking van de dood.

Dat er de vrouw bestaat
met rondingen van zachtst
graniet, geen koude hoeken

van een zeer kristal, geen
snijdend erts, maar magma
zonder weerga, zint.

Ook dat zij vaak wel weet
waarom iets is.

.

Diana Ozon en de Digitale Stad

Poëzie in Cyberspace en meer

.

Afgelopen vrijdag was ik in de Koninklijke Bibliotheek. In Club Erasmus aldaar werd een activiteite in het kader van de Poëzieweek georganiseerd met de intrigerende titel ‘Poëzie in Cyberspace: Diana Ozon & De Digitale Stad’. Presentator Melissa Giardina interviewde Dichter, schrijver en performer Diana Ozon (1959) pseudoniem van Diana Groenveld, en Lenny Vos, literatuuronderzoeker. Het programma was georganiseerd door Sophie Ham van de KB (conservator digitale collecties).

Het was om meerdere redenen een interessante en leuke middag. Diana Ozon bracht als een van de eerste dichters in Nederland taal en technologie samen. Ze was nauw betrokken bij De Digitale Stad (DDS) opgericht in 1994, waar kunstenaars, hackers, activisten, krakers en nieuwsgierige mensen elkaar konden vinden  in een virtuele stad. Speciaal voor deze middag had Diana haar persoonlijk archief (met heel leuke en herkenbare foto’s uit die tijd) geraadpleegd en had ze vele foto’s uit die tijd meegebracht.

Onderwerpen die in het gesprek werden geadresseerd waren hoe technologie en subculturen elkaar beïnvloeden, wat de rol was van de krakersbeweging, hoe de verhoudingen waren destijds als het ging om de verdeling man/vrouw in de poëzie en uiteraard gaf Diana Ozon een performance waarbij ze putte uit haar oudste werk. Opvallend hierin was het gebruik van allerlei technologische en digitale termen, woorden en afkortingen. Zelfs in haar liefdesgedichten.

Al met al was het gesprek tussen de dichter, de interviewer en de literatuurwetenschapper heel interessant voor zowel poëzieliefhebbers als voor zij die geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen van de (digitale) technologie in Nederland en zelfs geïnteresseerden in de subculturen van de jaren ’80 en ’90. In een gesprek dat ik na de activiteit had met Diana Ozon refereerde ze nog aan het project ‘Dichter aan huis’ in Den Haag, waar ze goede herinneringen aan had. In 2003 nam Diana Ozon deel aan Dichter aan huis en uit de gelijknamige bundel nam ik haar gedicht zonder titel over dat oorspronkelijk verscheen in haar bundel ‘Ja, ik wil’ uit 2002.

.

O louterend water

mijn mooi molecule …

.

Jij stijgt tot de lippen

en slaat op de klippen.

Bron van alle leven

en kosmisch gegeven.

Helder van kleur

en reukloos van geur …

.

Voor meer dan tachtig procent

weet ik dat jij mij bent.

Je was in de moederbuik

en staat onder het kelderluik.

Je valt uit de hemel

en rijst uit de aarde …

.

O allerhoogste waarde

die men eider gratis gunt

jij vindt vanzelf

je diepste punt.

En jouw stille gronden

uit de hemel gezonden …

.

Kokend als damp of

bikkelhard als ijs

jij zit overal en

bent altijd op reis.

O louterend water

Mijn mooi molecule …

.

We prezen de Aarde,

de hemel, de zon

maar vergaten het water

de oersprong, de bron.

.

 

Strategische alliantie

MUGzine en Meander

.

Toen ik in het begin van het tweede decennium van deze eeuw bij Ongehoord Rotterdam actief werd (en laten de poëziestichting Ongehoord! oprichtte samen met Yvonne, Hein en Corina) was het de gewoonte dat Meander voor elk podium dat er werd georganiseerd, een dichter leverde. Zij (Rob de Vos en Joop Leibrand) kozen en dichter, legde contact met deze dichter en die droeg dan voor op het podium van Ongehoord!. Voorbeelden van dichters door Meander aangedragen zijn Daniel Vis, Kira Wuck, Irene Wiersma ,Barbera Beckers en Hanneke van Eijken.

De podia van Ongehoord! in de bibliotheek van Rotterdam behoren inmiddels helaas tot het verleden. Maar poëziestichting Ongehoord! is nog volop actief maar tegenwoordig meer in Den Haag. Meander leeft als nooit te voren en het leek ons van MUGzines een leuk idee om, in de Poëzieweek 2026 bekend te maken, het initiatief van destijds nieuw leven in te blazen maar dan in een alliantie van MUGzine en Meander. Mugzine probeert naast het plaatsen van poëzie van erkende dichters en wat in de vergetelheid geraakt dichters ook werk van veelbelovende en jonge dichters te plaatsen. In het licht van dat laatste gaan we nu samenwerken met Meander door middel van de Meanderdichter.

Hoe werkt het? Meander draagt per editie een dichter aan die vervolgens door MUGzine wordt benaderd om wat gedichten aan te leveren voor de nieuwste editie van MUGzine. Onder de kop Meanderdichter worden deze gedichten dan geplaatst. Op deze manier versterken we het poëtisch landschap in Nederland en Vlaanderen. In editie 31 van MUGzine, die in februari verschijnt, zullen de prijswinnaars en de eervolle vermeldingen van de Rob de Vosprijs 2025 een plek krijgen. Vanaf #32 zal er een plek zijn voor de Meanderdichter.

Als eerbetoon aan al die dichters die destijds zijn aangedragen aan poëziestichting Ongehoord! en als inspiratie voor de nieuwe Meanderdichters in MUGzine hier een voorbeeld van een gedicht van een voormalig door Meander aangedragen dichter Irene Wiersma uit de bundel ‘Wat u?’ uit 2011 getiteld ‘Verjaardagsfeest’.

.

Verjaardagsfeest

.

Er wordt veel gepraat
maar weinig gezegd.
Iets over de taart
dat-ie – uiteraard – goed smaakt
en over dat die kleine
alweer ra ra groot is geworden.
De woorden glijden traag
over geasfalteerde wegen
van Monden tot Oren
liften soms door naar
het hoger gelegen
Verbaasde Wenkbrauw
en laten zich dan met
het schudden van het hoofd
op de gevloerklede grond vallen
waar grote, lompe schoenen
als afscheid over ze heen walsen.

Arme woorden
inhoudsloos
en dan ook nog
zo’n kort leven.

.

Zonsondergang

Hans Franse

.

Afgelopen zondag was ik bij een poëziepodium van Dichter bij de Dood in de aula van begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Een van de voordragende dichters was Hans Franse (1940). Ik ken Hans al lang en goed en wist dat een van zijn favoriete gedichten in de Nederlandse taal het gedicht ‘totaal witte kamer’ is van Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Het verbaasde me dan ook niet dat hij juist dit gedicht voordroeg. Gevolgd door een reactie in dichtvorm van hem getiteld ‘Zonsondergang’ dat hij schreef toen Gerrit Kouwenaar overleed.

Omdat ik dit een prachtig gedicht vind vroeg ik hem of ik het mocht hebben (hij had het op papier bij zich) om op dit blog te delen. Het gedicht ‘totaal witte kamer’ uit de gelijknamige bundel uit 2002 waarop dit geïnspireerd is van Kouwenaar vind je hier.

.

Zonsondergang

.

Laten we de zee rood maken.

Laten we de lucht rood maken.

Laat ons nog eenmaal

de lucht en de zee rood maken.

Gerrit Kouwenaar is dood.

.

De letterbak van de taal

van het Woord van de taal

van de taal van zijn Woord

smolt weg in het water

van het westen.

.

Laten wij het Woord licht maken

zoals de kamer wit werd

eindelijk helemaal wit en licht werd

en de peilloze diepte van het Woord

bereikt leek:

levenszee het Woord.

.

Dat woord, zijn Woord

zal de lucht immer rood maken

zolang dat Woord zijn woord

niet achter de horizon verdwijnt.

.

Maar laten wij vooral onze eigen lucht

rood blijven maken,

stralend maken:

met ons eigen woord

maken wij een nieuwe morgen.

.

Helle van Aardeberg

Gedicht bij presentatie

.
Bij de presentatie van de laatste nieuwe bundel van Alja Spaan ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ was een van de door Alja gevraagde dichters Helle van Aardeberg (1962). Helle ken ik al heel lang maar ik had haar ook al lang niet gesproken. Haar werk (ze maakt al sinds jaar en dag de uitnodigingen voor Reuring, het poëziepodium van Alja in Alkmaar) ken ik goed, maar poëzie van haar hand had ik al lang niet meer gelezen. Bij de bundelpresentatie droeg ze haar gedicht ‘On the Liberal Hill overlooking the Bible Belt’ voor en haar voordracht maar ook zeker het gedicht zelf waren weer ouderwets overtuigend. Daarom heb ik haar de tekst van dit gedicht gevraagd die je hieronder kunt lezen.

Helle won in 2011 de Poëziewedstrijd van het Bureau voor Ontwapeningszaken van de Verenigde Naties (UNODA) en ze werd door de Japanse Minister van Buitenlandse Zaken in Den Haag in 2012 onderscheiden met een certificaat voor deze wedstrijd (ik was een van de gelukkigen die Helle destijds had meegevraagd). Ook is zij Erelid voor het Leven van The Literarian Society (sinds 2014) in Richmond, Virginia (Verenigde Staten).

.2011, 2012

On the Liberal Hill overlooking the Bible Belt
.
“Speak the King’s English!”
.
Fell from her overworked,
underpaid lips
from her place at the kitchen table
hissing out of sociologically
pressure-cooked table manners
southern-fried sit up straights
Sunday supper elbow chasing
throwing us academic lifesavers
hard single-parent lessons.
.
“I will have none of THAT!, No Madame! Not under my roof!”
.
She did not bring us
back to her homeland
to be bastardized
by its use of folk language
of twangs and twongs
grunts and muttering moans.
Calling it intellectual suicide
You will never make anything of yourself
.
“But mama, ain’t it true culture, what refines us all?”
.
“Like yo’ said fo’ yo’self
Never be ‘shamed of yo’ roots
Like you said it’s th’ hatin’,
that’s what’s wrong, the hatin’
and what of my daddy
the brilliant inventor gone ‘n
thems ‘at come before?
Them thar was good folk, fine folk
yes indeedy
They wus Pioneers and War Heroes
Refugees and Trailblazers
Nation builders and fancy genealogy
book figures
Freed’m fighters ‘n freed’m takers”
“I did not raise my children to be ignorant”, she pointed out –
of her generation and sheer sullen wits
.
backed by her study of History
under proud shields
of family heraldry
imprinted in the walls
of William & Mary
In her beautiful maverick way
that galloped
many a battlefield
in its day,
always surviving
against odds, enormous
and yet never ever
winning her true dreams
and built
of sacrifice
.
“Now, mama which King are you tolkin’ ‘bout?”
.
This here s’Merika
We ain’t had no King fo’ a long piece
last I checked just like the hen house
I ain’t gonna tolk no bloody British
Ain’t t’at thar a bit far back down the line?
W’at cent’ry is you livin’ in mama?
I AM tolkin’ the King’s tolk!
The ‘merikan king, Elvis Presley!
.
Ain’t t’at jus the skinny?
dumber than a bag of hammers
and on stage
.
At nine.
.

Land van terugkomst

Willem Brandt

.

Naar aanleiding van de Indische maand in de bibliotheek Vlaardingen en het bericht dat ik daarover schreef over dichter Noto Soeroto, ging ik op zoek naar een bundel Indische poëzie waarover ik al eerder schreef ‘Het land van terugkomst‘ een Indonesisch reisjournaal in poëzie uit 1976 van dichter Willem Brandt (1905-1981).

Bladerend door deze bundel bleef ik wat langer hangen bij het gedicht ‘Hotel des Indes’. Dit omdat dit Indië hotel niet alleen in mijn woonplaats Den Haag is gevestigd maar ook omdat het hotel een bijzondere geschiedenis heeft. Ooit gebouwd als stadpaleis voor Baron van Brienen werd het in 1880 een hotel. Bij de opening in 1881 door Prins Frederik van Oranje, kreeg het gebouw de naam Des Indes, naar het hotel met dezelfde naam in Batavia, Nederlands-Indië. Het wapen van Batavia is tot op heden te zien in de driehoekige versiering boven aan de gevel van Hotel Des Indes en op de overkapping van de entree

Geen hotel kent zo’n indrukwekkende lijst met beroemde bezoekers als Hotel Des Indes. Het gastenboek bevat de illustere namen van koningen, keizers, maharadja’s, presidenten, generaals, componisten, Nobelprijswinnaars, kunstenaars en geestelijke leiders zoals de Dalai Lama.

Ht gedicht van Willem Brandt gaat uiteraard over het hotel met deze naam in Batavia, In 1949 werd daar de Van Roijen-Roem verklaring getekend dat later in 1949 tot de onafhankelijkheid van Indonesië zou leiden.

.

Hotel des Indes

.

Hotel des Indes is er ook niet meer

Poort van het Oosten, daar klopte het hart

van ’t imperieel bestel, en onze maag,

als rijen roodgebiesde wajangprinsen

in witte, smetteloze stijfselpakken

veertig gerechten plechtig binnendroegen,

rank ceremonieel,

een rijsttafel als nergens ooit vertoond.

Tussen de palmen in het schelle licht

een uitzicht op het blank en streng gelaat

der herensociëteit De Harmonie.

O, wat is hier al niet aan groots verricht.

In het bruine water van het molenvliet

wasten de bruine vrouwen bruine sarongs,

lachten en dachten aan de dag van morgen niet.

En wij: dit gaat nu nimmerweer voorbij.

.

Maar toen opeens de bleke journalisten

in zweetpakken, een hyuid vol rode hond.

uit Holland in des Indes binnenvielen

om in dit veilig graf

bloemrijk de revolutie te verslaan,

’t kolonialisme voor ons uit te vinden,

wist ik het al:

dit loopt slecht met ons af.

.