Site-archief

Na de sneeuwstorm

Boris Pasternak

.

In 1991 startte Rob Riemen het tijdschrift Nexus waarna hij in 1994 het Nexus Instituut oprichtte.  Het Nexus Instituut bestudeert het Europese cultuurgoed in zijn kunstzinnige, levensbeschouwelijke en filosofische samenhang, om zo inzicht te bieden in eigentijdse vragen en uitdagend vorm te geven aan het cultuurfilosofisch debat. De missie van het instituut is om de belangrijke traditie van het Europees humanisme – de traditie die de zorg om de ziel centraal stelt en de menselijke maat voor ogen houdt – te behouden en te vernieuwen, vanuit de overtuiging dat dit gedachtegoed bij uitstek ons kan blijven inspireren bij het creëren van een goede samenleving.

Op 21 november organiseert het Nexus Instituut een conferentie in Amsterdam en er is een nieuwe editie van het tijdschrift verschenen met de intrigerende titel ‘What Can Cure a Civilization in Crisis?’. In een deel van de artikelen die in het tijdschrift staan, gaat het over dichter en schrijver Boris Pasternak (1890-1960) en dan met name over zijn (enige) roman ‘Dokter Zjivago’ uit 1957 waarvoor Pasternak in 1958 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. Een zeer interessant artikel met veel achtergrond informatie over het tot stand komen van deze roman en de vriendschap tussen Pasternak en zijn uitgever Giangiacomo Feltrinelli, die de roman als eerste (in het Italiaans) uitgeeft.

In het artikel wordt een aantal maal gewezen op het feit dat Zjivago, opgeleid als arts, zijn ware passie bij de kunst en in het bijzonder bij de poëzie ligt. Dat dat ook voor Pasternak zelf geldt mag duidelijk zijn. Ik schreef al een aantal keer over hem en zijn poëzie en naar aanleiding van deze publicatie wil ik hier graag een gedicht van hem plaatsen. Het betreft hier het gedicht ‘Na de sneeuwstorm’ dat verscheen in De Tweede Ronde, jaargang 23 (2002) in een vertaling van Margriet Berg en Marja Wiebes.

.

Na de sneeuwstorm

.

Nu de sneeuwstorm weer af is genomen,
Wordt het stil om me heen. Met plezier
Hoor ik stemmen van kinderen komen
Van de overkant van de rivier.
.
Ik heb vast geen gelijk, zult u geloven,
‘k Ben verblind en niet bij mijn verstand,
Als een wit gipsen vrouw viel van boven
Winter ruggelings neer op het land.
.
Van omhoog ziet de lucht haar gesloten
Dode oogleden, samengedrukt,
Heel de hof, alle twijgen en loten,
Gaan nu onder een sneeuwlaag gebukt.
.
Greppels, bomen, rivierijs en wegen,
Het perron en de rails van de trein
Hebben zuivere vormen gekregen,
Zonder hoeken, één vloeiende lijn.
.
Als je ’s nachts niet kunt slapen, verlangend,
Vol begeestering opstaan uit bed,
Om ’t heelal in een bladzij te vangen
En te ketenen in een couplet,
.
Om gebeeldhouwde stronken en heggen,
Heel die dakenzee langs de rivier,
Dat besneeuwde heelal vast te leggen,
Heel de stad in de sneeuw, op papier.
.

Herman de Coninck

Intimiteit onder de melkweg

.

Afgelopen weekend was ik in België en daar verbleef ik in een huis met veel boeken. Een van die boeken had meteen mijn aandacht want het was geschreven door een van mijn favoriete dichters Herman de Coninck (1944-1997). Het bleek een bundel uit 1994 met beschouwingen over poëzie te zijn bijeengebracht onder de titel ‘Intimiteit onder de melkweg’, waarvan de meeste in de jaren daarvoor verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, De Morgen of Ons Erfdeel. ‘Over poëzie’, zo luidt ook de ondertitel, hoewel er ook twee stukken instaan over fotografie. Fotografie dan als een soort van taalloze poëzie, hetzelfde maar anders: ‘Poëzie en fotografie gaan over iedereen, altijd, overal. Persoonlijk vond ik deze twee stukken wel interessant om te lezen maar vanuit een poëzie standpunt minder belangrijk.

Tijdens het lezen bedacht ik me dat ik dit boek wilde hebben, ook omdat ik niet genoeg tijd had om het uit te lezen. Dus bestelde ik het tweedehands bij een antiquariaat in Rotterdam. Wel noteerde ik al een paar zinnen die ik las en die ik interessant vond. Deze twee zinnen zijn:

‘Poëzie komt pas als het er niet meer op aankomt’  en ‘Door een beschaving van het teveel, sterft de kunst van het weinige uit’.

Over beide zinnen is veel te zeggen. De eerste zin geeft aan dat (in de visie van Herman de Coninck) poëzie niet aan actualiteit hoeft te doen, niet activistisch hoeft te zijn. Pas wanneer er ruimte en tijd is om rustig te contempleren wordt poëzie geboren. Een interessante gedachte en kloppend in wat ik weet van Herman de Coninck en hoe hij poëzie schreef.

De tweede zin is juist weer heel actueel. Poëzie opnieuw is de kunst van het weglaten, het ruimte bieden aan inzichten en ideeën die de dichter niet opschrijft maar waar de dichter wel ruimte toe biedt door het gedicht. De Coninck was ook heel uitgesproken over proza en poëzie; die gaan niet samen. Als je kijkt naar de prozaïsche poëzie die momenteel zo populair is, dan weet ik zeker dat Herman de Coninck daar niet blij van zou worden. Maar deze uitspraak gaat op voor zoveel meer dan alleen de poëzie. Leg zo’n uitspraak tegen de wereld van nu en je begrijpt wat ik bedoel.

De bundel ga ik verder lezen en ik kom er hier vast en zeker nog op terug. Voor nu wil ik eindigen met, uiteraard, een gedicht van Herman de Coninck. Ik koos voor het gedicht ‘Parabel van de verloren vader’ uit zijn bundel ‘Vingerafdrukken uit 1997.

.

Parabel van de verloren vader

.

Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.

Je zal maar jong zijn en meningen hebben
van anderen, en verder niks,
niet eens een dode vader.

‘Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,
en kom over tien jaar eens terug met verdriet
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.’

Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.
En aldus is tien jaar later geschied.

.

Dus je wil schrijver/dichter worden?

Charles Bukowski

.

Op zoek naar wat informatie over een van mijn favoriete dichters, de Amerikaanse dichter Charles Bukowski (1920-1994) kwam ik op een website waar een uitspraak gedaan werd over de beste gedichten van Bukowski. Dat waren ‘Bluebird‘, ‘Roll the Dice’, ‘Dinosauria, We’ en ‘So You Want to Be a Writer’. Nu heb ik al vele gedichten van Charles Bukowski gedeeld op dit blog en één van deze vier al in 2015, maar drie dus nog niet. Alle reden om een begin te maken met een vervolg. Daarom vandaag het gedicht ‘So You Want to Be a Writer’ uit zijn bundel ‘sifting through the madness for the Word, the line, the way’ New Poems uit 2003. En voor Writer mag wat mij betreft ook ‘Poet’ worden gelezen.

.

So you want to be a writer

.

if it doesn’t come bursting out of you
in spite of everything,
don’t do it.
unless it comes unasked out of your
heart and your mind and your mouth
and your gut,
don’t do it.
if you have to sit for hours
staring at your computer screen
or hunched over your
typewriter
searching for words,
don’t do it.
if you’re doing it for money or
fame,
don’t do it.
if you’re doing it because you want
women in your bed,
don’t do it.
if you have to sit there and
rewrite it again and again,
don’t do it.
if it’s hard work just thinking about doing it,
don’t do it.
if you’re trying to write like somebody
else,
forget about it.

if you have to wait for it to roar out of
you,
then wait patiently.
if it never does roar out of you,
do something else.

if you first have to read it to your wife
or your girlfriend or your boyfriend
or your parents or to anybody at all,
you’re not ready.

don’t be like so many writers,
don’t be like so many thousands of
people who call themselves writers,
don’t be dull and boring and
pretentious, don’t be consumed with self-
love.
the libraries of the world have
yawned themselves to
sleep
over your kind.
don’t add to that.
don’t do it.
unless it comes out of
your soul like a rocket,
unless being still would
drive you to madness or
suicide or murder,
don’t do it.
unless the sun inside you is
burning your gut,
don’t do it.

when it is truly time,
and if you have been chosen,
it will do it by
itself and it will keep on doing it
until you die or it dies in you.

there is no other way.

and there never was.

.

Erik Heyman

Gerard Bodifée

.

Erik Heyman ( 1960-2010) was behalve dichter ook kernfysicus en docent. Hij debuteerde in 1981 met ‘Neergeschreven’ en was medewerker van de tijdschriften ‘Vers’ (dat zijn eerste bundel uitbracht) en ‘¿Quarant Dash?’. Na zijn bundel ‘IJstijd’ (1984) publiceerde hij ‘Dagmaat’ (1994) en ‘Mantis’ (2006).

Heymans poëzie werd bekroond met onder andere de Nationale Poëzieprijs te Harelbeke en een prijs van de Vlaamse Club te Brussel.
Op 25 februari 2010 overleed hij aan de gevolgen van een hersentumor. Erik Heyman was een gedreven leraar en dichter die met steeds groter wordende intervallen vier weldoordacht gecomponeerde bundels met uitgepuurde, gepolijste, poëzie publiceerde.

In de bundel ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers, in het 3e hoofdstuk, ‘Geologie’, introduceert Heyman personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot, van wie hij de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel ‘In haar gebarentaal boots ik haar na’. Zoals in het sonnet dat hij schreef over Vlaanderens bekendste geleerde, astrofysicus, filosoof, essayist en columnist Gerard Bodifée (1946).

 

Bodifée

.

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.

.

Al van kleins af aan

Roziena Salihu

.

Als liefhebber mag ik graag rondstruinen op de website van Poetry Circle want daar staat allerlei informatie over getalenteerde, vaak jonge, dichters. Wat me dan ook opvalt is dat al die jonge dichters zichzelf vaak niet zien als dichter maar als woordkunstenaar of als creatieveling in de brede zin des woords. Zo vind ik combinaties in de volgende disciplines: dichter/spoken word artiest/beeldend kunstenaar/filmer/tattoo artist/ schrijver/fotograaf/theatermaker/collage artiest/acteur/verhalenverteller/muzikant en coach.

Aan de ene kant heb ik hier geen mening over in de zin dat ik zelf ook niet alleen dichter ben, maar het verschil is dat ik creatief gezien daarnaast alleen blogger ben en geen andere creatieve aspiraties heb. Het lijkt me dan ook lastig kiezen uit al die mogelijke combinaties. Dat gezegd hebbende zit er erg veel talent tussen de dichters/performers op Poetry Circle. Een aantal van de daar geportretteerde dichters ken ik (bijvoorbeeld van de Poëziebus -Steff Geelen en Rellie Telg-, de Kunstbende – Daniëlle Zawadi- en Raamwerk | Dichtwerk -Benzokarim-) of zijn inmiddels landelijk bekend (Derek Otte en Babs Gons) maar er staan ook namen bij die ik niet ken.

Zoals bijvoorbeeld Roziena Salihu (1994). In 2018 werd haar werk voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘En ze leefde nog’. Ook is ze een van de schrijvers die is opgenomen in de bundel ‘Hardop‘ die in 2019 verscheen, samengesteld door Babs Gons. Ze werd gescout voor het nieuwe talentontwikkelingstraject WOLK, dat tot stand is gekomen door een samenwerking tussen Poetry Circle Nowhere, Tilt en Watershed. Daarnaast schrijft ze proza, maakt ze documentaires en is actrice.

Voor aan het sympathieke Raadgedicht deed ze mee. Dat gedicht lees je hieronder.

.

Al van kleins af aan

leren ze ons

over moed

we lezen het in boeken

zien het in cartoons

en vlak voor het slapengaan

vertellen ze het ons,

over prinsen, over ridders

over het redden van prinsessen

en in al die verhalen gaat het altijd hetzelfde

.

Moed

daar word je mee geboren

staat gelijk aan het ontbreken van angst

het redden van prinsessen uit hoge torens

doet alleen een moedig man

.

Maar dat is het ding met sprookjes

het is en blijft op fantasie gebaseerd

en de verhalen die wij hoorden als kind

zijn inmiddels enorm gedateerd

.

Want als we de echte verhalen horen

de geschiedenis terug volgen

dan heeft moed niks te maken met wapens of zwaarden

dan komt er geen prinses en geen ridder aan te pas

dan kan iedereen het vinden

terwijl het daarvoor nooit in je zat

.

Want we worden er niet mee geboren

en da’s maar goed ook, liever niet

want moed heb je pas nodig

als het verschrikkelijk tegenzit

.

En soms is het niet groots

en ook niet gewelddadig

soms zit moed gewoon in

het kleine, het alledaagse

.

Er is maar één correcte definitie van moed

dat ondanks dat iets eng is

je het toch gewoon doet.

.

 

Campusdichters

Martina Pocchiari

.

Op de website van de universiteit van Utrecht verscheen in 2017 een aardig overzicht van Ries Agterberg over campusdichters aan universiteiten in Nederland. Ik weet dat er verschillende campusdichters actief zijn, ik schreef al over campusdichters in Nijmegen (Wout Waanders, Thijs Kersten, Merel van Slobbe), Antwerpen, (Esohe Weyden),  Twente, (Egbert van Hattem) en Groningen (Jephta de Visser).

In het artikel van Agterberg lees ik dat er ook campusdichters actief zijn in Tilburg, Rotterdam en Amsterdam (UvA en VU). In 2016 werd de eerste internationale campusdichter geïnstalleerd en wel aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. De Italiaans Martina Pocchiari (1994) was toen masterstudente Marketing Management en inmiddels, 10 jaar later assistent professor aan de Esade Business School in Spanje.

Omdat ze de nieuwe, en eerste internationale, campusdichter van de Erasmus universiteit was, werd in het Erasmusmagazine een interview met haar geplaatst. Daar werd ook een Engelstalig gedicht bij geplaatst ‘Four times December’ dat ik heb vertaald en hieronder te lezen is.

.

Vier keer december Websie

.

Het was kouder, er waaide een fellere wind –

en in de wind gaf ik mijn hart weg.

Alles

is sindsdien veranderd.

Vandaag is de wind zachter;

de kou, gastvrij.

Maar mijn hart is bevroren

en te midden van een storm.

Hoeveel dingen kunnen er gebeuren,

bij een windvlaag.

Hoeveel dingen kunnen veranderen,

zonder dat wij het merken.

Ik verloor mijn hart in de wind, en nu

Ik weet niet waar het is neergezet.

Maar ik zal voortdurend over de wegen van de wereld

lopen om het opnieuw te vinden.

.

Rhizome

Wortel woorden

.

Soms lees ik iets, een zin of een woord in een krant, tijdschrift of op een website waar ik de betekenis niet van ken. Vroeger hadden wij thuis Readers Digest (De Nederlandse versie) en daar stond altijd 1 pagina met moeilijke woorden onder de titel Verrijk uw woordenschat. waarvan je dan de betekenis kon raden. Je kreeg dan 4 mogelijke betekenissen en de juiste zat daarbij. Ik heb daar heel veel woorden van geleerd waar ik later profijt van heb gehad. Ook zoiets als het Woordenboekspel kan je woordenschat behoorlijk vergroten.

Ik moest hier aan denken toen ik in een museum op een verklarend bordje bij een kunstwerk van de Belgische kunstenaar Michel Francois (1956) het woord Rhizome las. Ik vraag me af hoeveel van jullie lezers dit woord kennen? Waarschijnlijk de biologen en botanisten onder ons wel want het woord betekent zoveel als ondergrondse plantenstengel die wortels en scheuten uit zijn knopen laat groeien . Rizomen worden ook wel kruipende wortelstokken of gewoon wortelstokken genoemd. 

Wanneer je het woord opzoekt staat er ook een verwijzing bij naar de betekenis die het heeft in de filosofie: een concept in het poststructuralisme dat een samenstelling beschrijft die verbindingen mogelijk maakt tussen alle samenstellende elementen, ongeacht een vooraf bepaalde ordening, structuur of ingangspunt. Je begrijpt meteen waarom de filosofen deze term hebben omarmt. 

Zoekend naar een gedicht over Rhizome of het rizoom kwam ik terecht bij de dichter Forester McClatchey (@forestermcclatchey op Instagram) die een gedicht heeft geschreven over dit fenomeen (of toch in de sfeer van dit fenomeen) getiteld ‘Root Words’. McClatchey (1994) publiceerde gedichten in tijdschriften als ’32 Poems’, ‘The Hopkins Review’ en ‘Literary Matters’. Hij is naast dichter ook kunstenaar, schrijver, criticus en recensent. In februari van dit jaar debuteerde hij met de bundel ‘Killing Orpheus’ waarin hij de confrontatie aangaat met leven en dood vanuit het perspectief van beroemde sprekers uit de geschiedenis en literatuur, van Penelope tot het monster van Frankenstein. Het gedicht ‘Root Words’ is ook op de website ‘Versecraft‘ gedeeld en besproken.

.

Root Words

.

They say that trees can feel it when you walk.

Their fungal nerves are shuddering as your foot

thumps earth. They ponder you. A threat? They talk

about you, sending sugar through their roots,

uttering sugar-language, a grammar thick

as honey, in which every word is a root word,

and takes a week to say. A sentence trickles

over months. Conversations ooze in slurred

centuries. Long after you are dead,

they’re still debating you. They recall

the pattern of your feet, the seedlings snapped

by your passage, what little difference you made.

Your name goes dark in human circles first.

It’s held by trees a while. And then dispersed

.

Harde en zachte magiesystemen

Maxime Garcia Diaz

.

Na het debuut in 2021 van de Nederlands-Uruguayaanse dichter Maxime Garcia Diaz (1993) met ‘Het is warm in de hivemind‘ schreef ik al dat haar poëzie de grenzen opzoekt en dat ik daar wel van hou, van poëzie die de rafelrandjes opzoekt. En met rafelrandjes bedoel ik de grenzen die dichters in hun poëzie opzoeken en (soms) te buiten gaan. Wat overigens een verschil is met dichters die menen dat proza en poëzie twee dingen zijn die je willekeurig kan uitwisselen. Een prozagedicht okay, een gedicht van 6 pagina’s als een kort verhaal, nee, dat is voor mij een grens die voorbij de poëzie gaat (namelijk proza).

In haar nieuwe bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ gaat Maxime Garcia Diaz verder waar ze was gebleven met ‘Het is warm in de hivemind’. In de recensies die ik tot nu toe heb gelezen van deze nieuwe bundel lees ik woorden als wanordelijk, overdadig, experimenteel maar ook verrassend gevoelig en intiem. In de recensie in de Volkskrant schrijft Daan Doesborgh: “Maxime Garcia Diaz is ongeveer even oud als het moderne internet. Al toen ze succes boekte op de Nederlandse slampodia was haar poëzie doorspekt met de vocabulaire van iemand die veel tijd online heeft doorgebracht”.

Toen ik dat gelezen had en ik de bundel doorlas moest ik meteen aan Diana Ozon denken. Zij was in 1994 als dichter nauw betrokken bij De Digitale Stad en in haar poëzie kwamen allerlei termen en woorden voor die heel erg bij die digitale vernieuwing paste. Datzelfde zie ik nu terug in de bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’. En waar Ozon vooral de technische kant van de digitalisering verkende onderwerp  Maxime Garcia Diaz haar poëzie aan een onderdompeling in de donkere, absurde en wrede verlokkingen van het internet. In beide gevallen zijn de digitale stad en het internet het decor van de poëzie van deze twee dichters.

Als voorbeeld heb ik het gedicht ‘Harde en zachte magiesystemen’ uit deze nieuwe bundel genomen.

.

Harde en zachte magiesystemen

.

eeuwenoude kernherinnering

vierkamerige harten

rijzende apen en vallende engelen

ik wil alleen zijn in dit lichaam

.

het helderste object in de hemel

(het is een vreselijke taal)

sommige dagen ben ik stomgeslagen

.

lang geleden schreef sylvia

liefs, je holle meisje

ze had een moeder en ging het donker in

jouw donker waar je schoppend en schreeuwend heen ginhg

ik heb niets meer aan spraak

.

mijn geest is zwak

nee mijn geest is georganiseerd

.

schep het zachte ijs

bevries opnieuw voor een paar uur

of tot het stevig is

.

sommige dagen

ben ik stomgeslagen

.

Diana Ozon en de Digitale Stad

Poëzie in Cyberspace en meer

.

Afgelopen vrijdag was ik in de Koninklijke Bibliotheek. In Club Erasmus aldaar werd een activiteite in het kader van de Poëzieweek georganiseerd met de intrigerende titel ‘Poëzie in Cyberspace: Diana Ozon & De Digitale Stad’. Presentator Melissa Giardina interviewde Dichter, schrijver en performer Diana Ozon (1959) pseudoniem van Diana Groenveld, en Lenny Vos, literatuuronderzoeker. Het programma was georganiseerd door Sophie Ham van de KB (conservator digitale collecties).

Het was om meerdere redenen een interessante en leuke middag. Diana Ozon bracht als een van de eerste dichters in Nederland taal en technologie samen. Ze was nauw betrokken bij De Digitale Stad (DDS) opgericht in 1994, waar kunstenaars, hackers, activisten, krakers en nieuwsgierige mensen elkaar konden vinden  in een virtuele stad. Speciaal voor deze middag had Diana haar persoonlijk archief (met heel leuke en herkenbare foto’s uit die tijd) geraadpleegd en had ze vele foto’s uit die tijd meegebracht.

Onderwerpen die in het gesprek werden geadresseerd waren hoe technologie en subculturen elkaar beïnvloeden, wat de rol was van de krakersbeweging, hoe de verhoudingen waren destijds als het ging om de verdeling man/vrouw in de poëzie en uiteraard gaf Diana Ozon een performance waarbij ze putte uit haar oudste werk. Opvallend hierin was het gebruik van allerlei technologische en digitale termen, woorden en afkortingen. Zelfs in haar liefdesgedichten.

Al met al was het gesprek tussen de dichter, de interviewer en de literatuurwetenschapper heel interessant voor zowel poëzieliefhebbers als voor zij die geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen van de (digitale) technologie in Nederland en zelfs geïnteresseerden in de subculturen van de jaren ’80 en ’90. In een gesprek dat ik na de activiteit had met Diana Ozon refereerde ze nog aan het project ‘Dichter aan huis’ in Den Haag, waar ze goede herinneringen aan had. In 2003 nam Diana Ozon deel aan Dichter aan huis en uit de gelijknamige bundel nam ik haar gedicht zonder titel over dat oorspronkelijk verscheen in haar bundel ‘Ja, ik wil’ uit 2002.

.

O louterend water

mijn mooi molecule …

.

Jij stijgt tot de lippen

en slaat op de klippen.

Bron van alle leven

en kosmisch gegeven.

Helder van kleur

en reukloos van geur …

.

Voor meer dan tachtig procent

weet ik dat jij mij bent.

Je was in de moederbuik

en staat onder het kelderluik.

Je valt uit de hemel

en rijst uit de aarde …

.

O allerhoogste waarde

die men eider gratis gunt

jij vindt vanzelf

je diepste punt.

En jouw stille gronden

uit de hemel gezonden …

.

Kokend als damp of

bikkelhard als ijs

jij zit overal en

bent altijd op reis.

O louterend water

Mijn mooi molecule …

.

We prezen de Aarde,

de hemel, de zon

maar vergaten het water

de oersprong, de bron.

.

 

Een nieuw seizoen

Antoine Uitdehaag

.

Zoals de regelmatige lezer van dit blog wel weet ben ik altijd op zoek naar dichters die ik nog niet ken. Dat kunnen nieuwe dichters zijn, veelbelovende talenten, of oude dichters die in de vergetelheid dreigen te raken. Dat laatste is natuurlijk nooit helemaal waar, maar dat relateer ik dan aan de aandacht, of juiste het uitblijven van aandacht, aan het werk en of leven van zo’n dichter.

Via de bundel ‘De adem van de zaal’ kwam ik in contact met het werk van dichter, schrijver maar vooral theaterregisseur Antoine Uitdehaag (1951). Dat hij een voor mij onbekende dichter is blijkt niet zo heel verwonderlijk; Uitdehaag is de laatste tientallen jaren vooral actief als regisseur van theaterstukken, opera en toneel. Hij publiceerde drie dichtbundels bij uitgeverij Van Oorschot. In 1994 debuteerde hij  met de dichtbundel ‘Levenslang vrij’. Critici spraken van een eigen geluid van een typische parlando-dichter die zijn weemoed om het voorbije meestentijds in gevoelige, ondubbelzinnige bewoordingen uitspreekt.

Uit zijn bundel ‘De adem van de zaal’ uit 1997 nam ik het gedicht ‘Een nieuw seizoen’.

.

Een nieuw seizoen

.

De luxaflex snijdt schijfjes

herfstzon. Ik weet hoe scherp

oktober ruikt naar vorig jaar

.

naar liefde die verkruimelt

in mijn handen, naar verlangen

naar verlangen. Naar verlies.

.

Groots laat ik mij op dit leven

meeslepen, de data liggen vast,

de fijne mazen van het geluk.

.

In handdiep stilstaand water

verdrinken, dat is pas tragisch.

.