Site-archief
Dus je wil schrijver/dichter worden?
Charles Bukowski
.
Op zoek naar wat informatie over een van mijn favoriete dichters, de Amerikaanse dichter Charles Bukowski (1920-1994) kwam ik op een website waar een uitspraak gedaan werd over de beste gedichten van Bukowski. Dat waren ‘Bluebird‘, ‘Roll the Dice’, ‘Dinosauria, We’ en ‘So You Want to Be a Writer’. Nu heb ik al vele gedichten van Charles Bukowski gedeeld op dit blog en één van deze vier al in 2015, maar drie dus nog niet. Alle reden om een begin te maken met een vervolg. Daarom vandaag het gedicht ‘So You Want to Be a Writer’ uit zijn bundel ‘sifting through the madness for the Word, the line, the way’ New Poems uit 2003. En voor Writer mag wat mij betreft ook ‘Poet’ worden gelezen.
.
So you want to be a writer
.
if it doesn’t come bursting out of you
in spite of everything,
don’t do it.
unless it comes unasked out of your
heart and your mind and your mouth
and your gut,
don’t do it.
if you have to sit for hours
staring at your computer screen
or hunched over your
typewriter
searching for words,
don’t do it.
if you’re doing it for money or
fame,
don’t do it.
if you’re doing it because you want
women in your bed,
don’t do it.
if you have to sit there and
rewrite it again and again,
don’t do it.
if it’s hard work just thinking about doing it,
don’t do it.
if you’re trying to write like somebody
else,
forget about it.
if you have to wait for it to roar out of
you,
then wait patiently.
if it never does roar out of you,
do something else.
if you first have to read it to your wife
or your girlfriend or your boyfriend
or your parents or to anybody at all,
you’re not ready.
don’t be like so many writers,
don’t be like so many thousands of
people who call themselves writers,
don’t be dull and boring and
pretentious, don’t be consumed with self-
love.
the libraries of the world have
yawned themselves to
sleep
over your kind.
don’t add to that.
don’t do it.
unless it comes out of
your soul like a rocket,
unless being still would
drive you to madness or
suicide or murder,
don’t do it.
unless the sun inside you is
burning your gut,
don’t do it.
when it is truly time,
and if you have been chosen,
it will do it by
itself and it will keep on doing it
until you die or it dies in you.
there is no other way.
and there never was.
.
Al van kleins af aan
Roziena Salihu
.
Als liefhebber mag ik graag rondstruinen op de website van Poetry Circle want daar staat allerlei informatie over getalenteerde, vaak jonge, dichters. Wat me dan ook opvalt is dat al die jonge dichters zichzelf vaak niet zien als dichter maar als woordkunstenaar of als creatieveling in de brede zin des woords. Zo vind ik combinaties in de volgende disciplines: dichter/spoken word artiest/beeldend kunstenaar/filmer/tattoo artist/ schrijver/fotograaf/theatermaker/collage artiest/acteur/verhalenverteller/muzikant en coach.
Aan de ene kant heb ik hier geen mening over in de zin dat ik zelf ook niet alleen dichter ben, maar het verschil is dat ik creatief gezien daarnaast alleen blogger ben en geen andere creatieve aspiraties heb. Het lijkt me dan ook lastig kiezen uit al die mogelijke combinaties. Dat gezegd hebbende zit er erg veel talent tussen de dichters/performers op Poetry Circle. Een aantal van de daar geportretteerde dichters ken ik (bijvoorbeeld van de Poëziebus -Steff Geelen en Rellie Telg-, de Kunstbende – Daniëlle Zawadi- en Raamwerk | Dichtwerk -Benzokarim-) of zijn inmiddels landelijk bekend (Derek Otte en Babs Gons) maar er staan ook namen bij die ik niet ken.
Zoals bijvoorbeeld Roziena Salihu (1994). In 2018 werd haar werk voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘En ze leefde nog’. Ook is ze een van de schrijvers die is opgenomen in de bundel ‘Hardop‘ die in 2019 verscheen, samengesteld door Babs Gons. Ze werd gescout voor het nieuwe talentontwikkelingstraject WOLK, dat tot stand is gekomen door een samenwerking tussen Poetry Circle Nowhere, Tilt en Watershed. Daarnaast schrijft ze proza, maakt ze documentaires en is actrice.
Voor aan het sympathieke Raadgedicht deed ze mee. Dat gedicht lees je hieronder.
.
Al van kleins af aan
leren ze ons
over moed
we lezen het in boeken
zien het in cartoons
en vlak voor het slapengaan
vertellen ze het ons,
over prinsen, over ridders
over het redden van prinsessen
en in al die verhalen gaat het altijd hetzelfde
.
Moed
daar word je mee geboren
staat gelijk aan het ontbreken van angst
het redden van prinsessen uit hoge torens
doet alleen een moedig man
.
Maar dat is het ding met sprookjes
het is en blijft op fantasie gebaseerd
en de verhalen die wij hoorden als kind
zijn inmiddels enorm gedateerd
.
Want als we de echte verhalen horen
de geschiedenis terug volgen
dan heeft moed niks te maken met wapens of zwaarden
dan komt er geen prinses en geen ridder aan te pas
dan kan iedereen het vinden
terwijl het daarvoor nooit in je zat
.
Want we worden er niet mee geboren
en da’s maar goed ook, liever niet
want moed heb je pas nodig
als het verschrikkelijk tegenzit
.
En soms is het niet groots
en ook niet gewelddadig
soms zit moed gewoon in
het kleine, het alledaagse
.
Er is maar één correcte definitie van moed
dat ondanks dat iets eng is
je het toch gewoon doet.
.
Campusdichters
Martina Pocchiari
.
Op de website van de universiteit van Utrecht verscheen in 2017 een aardig overzicht van Ries Agterberg over campusdichters aan universiteiten in Nederland. Ik weet dat er verschillende campusdichters actief zijn, ik schreef al over campusdichters in Nijmegen (Wout Waanders, Thijs Kersten, Merel van Slobbe), Antwerpen, (Esohe Weyden), Twente, (Egbert van Hattem) en Groningen (Jephta de Visser).
In het artikel van Agterberg lees ik dat er ook campusdichters actief zijn in Tilburg, Rotterdam en Amsterdam (UvA en VU). In 2016 werd de eerste internationale campusdichter geïnstalleerd en wel aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. De Italiaans Martina Pocchiari (1994) was toen masterstudente Marketing Management en inmiddels, 10 jaar later assistent professor aan de Esade Business School in Spanje.
Omdat ze de nieuwe, en eerste internationale, campusdichter van de Erasmus universiteit was, werd in het Erasmusmagazine een interview met haar geplaatst. Daar werd ook een Engelstalig gedicht bij geplaatst ‘Four times December’ dat ik heb vertaald en hieronder te lezen is.
.
Vier keer december Websie
.
Het was kouder, er waaide een fellere wind –
en in de wind gaf ik mijn hart weg.
Alles
is sindsdien veranderd.
Vandaag is de wind zachter;
de kou, gastvrij.
Maar mijn hart is bevroren
en te midden van een storm.
Hoeveel dingen kunnen er gebeuren,
bij een windvlaag.
Hoeveel dingen kunnen veranderen,
zonder dat wij het merken.
Ik verloor mijn hart in de wind, en nu
Ik weet niet waar het is neergezet.
Maar ik zal voortdurend over de wegen van de wereld
lopen om het opnieuw te vinden.
.
Harde en zachte magiesystemen
Maxime Garcia Diaz
.
Na het debuut in 2021 van de Nederlands-Uruguayaanse dichter Maxime Garcia Diaz (1993) met ‘Het is warm in de hivemind‘ schreef ik al dat haar poëzie de grenzen opzoekt en dat ik daar wel van hou, van poëzie die de rafelrandjes opzoekt. En met rafelrandjes bedoel ik de grenzen die dichters in hun poëzie opzoeken en (soms) te buiten gaan. Wat overigens een verschil is met dichters die menen dat proza en poëzie twee dingen zijn die je willekeurig kan uitwisselen. Een prozagedicht okay, een gedicht van 6 pagina’s als een kort verhaal, nee, dat is voor mij een grens die voorbij de poëzie gaat (namelijk proza).
In haar nieuwe bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ gaat Maxime Garcia Diaz verder waar ze was gebleven met ‘Het is warm in de hivemind’. In de recensies die ik tot nu toe heb gelezen van deze nieuwe bundel lees ik woorden als wanordelijk, overdadig, experimenteel maar ook verrassend gevoelig en intiem. In de recensie in de Volkskrant schrijft Daan Doesborgh: “Maxime Garcia Diaz is ongeveer even oud als het moderne internet. Al toen ze succes boekte op de Nederlandse slampodia was haar poëzie doorspekt met de vocabulaire van iemand die veel tijd online heeft doorgebracht”.
Toen ik dat gelezen had en ik de bundel doorlas moest ik meteen aan Diana Ozon denken. Zij was in 1994 als dichter nauw betrokken bij De Digitale Stad en in haar poëzie kwamen allerlei termen en woorden voor die heel erg bij die digitale vernieuwing paste. Datzelfde zie ik nu terug in de bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’. En waar Ozon vooral de technische kant van de digitalisering verkende onderwerp Maxime Garcia Diaz haar poëzie aan een onderdompeling in de donkere, absurde en wrede verlokkingen van het internet. In beide gevallen zijn de digitale stad en het internet het decor van de poëzie van deze twee dichters.
Als voorbeeld heb ik het gedicht ‘Harde en zachte magiesystemen’ uit deze nieuwe bundel genomen.
.
Harde en zachte magiesystemen
.
eeuwenoude kernherinnering
vierkamerige harten
rijzende apen en vallende engelen
ik wil alleen zijn in dit lichaam
.
het helderste object in de hemel
(het is een vreselijke taal)
sommige dagen ben ik stomgeslagen
.
lang geleden schreef sylvia
liefs, je holle meisje
ze had een moeder en ging het donker in
jouw donker waar je schoppend en schreeuwend heen ginhg
ik heb niets meer aan spraak
.
mijn geest is zwak
nee mijn geest is georganiseerd
.
schep het zachte ijs
bevries opnieuw voor een paar uur
of tot het stevig is
.
sommige dagen
ben ik stomgeslagen
.
Diana Ozon en de Digitale Stad
Poëzie in Cyberspace en meer
.
Afgelopen vrijdag was ik in de Koninklijke Bibliotheek. In Club Erasmus aldaar werd een activiteite in het kader van de Poëzieweek georganiseerd met de intrigerende titel ‘Poëzie in Cyberspace: Diana Ozon & De Digitale Stad’. Presentator Melissa Giardina interviewde Dichter, schrijver en performer Diana Ozon (1959) pseudoniem van Diana Groenveld, en Lenny Vos, literatuuronderzoeker. Het programma was georganiseerd door Sophie Ham van de KB (conservator digitale collecties).
Het was om meerdere redenen een interessante en leuke middag. Diana Ozon bracht als een van de eerste dichters in Nederland taal en technologie samen. Ze was nauw betrokken bij De Digitale Stad (DDS) opgericht in 1994, waar kunstenaars, hackers, activisten, krakers en nieuwsgierige mensen elkaar konden vinden in een virtuele stad. Speciaal voor deze middag had Diana haar persoonlijk archief (met heel leuke en herkenbare foto’s uit die tijd) geraadpleegd en had ze vele foto’s uit die tijd meegebracht.
Onderwerpen die in het gesprek werden geadresseerd waren hoe technologie en subculturen elkaar beïnvloeden, wat de rol was van de krakersbeweging, hoe de verhoudingen waren destijds als het ging om de verdeling man/vrouw in de poëzie en uiteraard gaf Diana Ozon een performance waarbij ze putte uit haar oudste werk. Opvallend hierin was het gebruik van allerlei technologische en digitale termen, woorden en afkortingen. Zelfs in haar liefdesgedichten.
Al met al was het gesprek tussen de dichter, de interviewer en de literatuurwetenschapper heel interessant voor zowel poëzieliefhebbers als voor zij die geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen van de (digitale) technologie in Nederland en zelfs geïnteresseerden in de subculturen van de jaren ’80 en ’90. In een gesprek dat ik na de activiteit had met Diana Ozon refereerde ze nog aan het project ‘Dichter aan huis’ in Den Haag, waar ze goede herinneringen aan had. In 2003 nam Diana Ozon deel aan Dichter aan huis en uit de gelijknamige bundel nam ik haar gedicht zonder titel over dat oorspronkelijk verscheen in haar bundel ‘Ja, ik wil’ uit 2002.
.
O louterend water
mijn mooi molecule …
.
Jij stijgt tot de lippen
en slaat op de klippen.
Bron van alle leven
en kosmisch gegeven.
Helder van kleur
en reukloos van geur …
.
Voor meer dan tachtig procent
weet ik dat jij mij bent.
Je was in de moederbuik
en staat onder het kelderluik.
Je valt uit de hemel
en rijst uit de aarde …
.
O allerhoogste waarde
die men eider gratis gunt
jij vindt vanzelf
je diepste punt.
En jouw stille gronden
uit de hemel gezonden …
.
Kokend als damp of
bikkelhard als ijs
jij zit overal en
bent altijd op reis.
O louterend water
Mijn mooi molecule …
.
We prezen de Aarde,
de hemel, de zon
maar vergaten het water
de oersprong, de bron.
.
Een nieuw seizoen
Antoine Uitdehaag
.
Zoals de regelmatige lezer van dit blog wel weet ben ik altijd op zoek naar dichters die ik nog niet ken. Dat kunnen nieuwe dichters zijn, veelbelovende talenten, of oude dichters die in de vergetelheid dreigen te raken. Dat laatste is natuurlijk nooit helemaal waar, maar dat relateer ik dan aan de aandacht, of juiste het uitblijven van aandacht, aan het werk en of leven van zo’n dichter.
Via de bundel ‘De adem van de zaal’ kwam ik in contact met het werk van dichter, schrijver maar vooral theaterregisseur Antoine Uitdehaag (1951). Dat hij een voor mij onbekende dichter is blijkt niet zo heel verwonderlijk; Uitdehaag is de laatste tientallen jaren vooral actief als regisseur van theaterstukken, opera en toneel. Hij publiceerde drie dichtbundels bij uitgeverij Van Oorschot. In 1994 debuteerde hij met de dichtbundel ‘Levenslang vrij’. Critici spraken van een eigen geluid van een typische parlando-dichter die zijn weemoed om het voorbije meestentijds in gevoelige, ondubbelzinnige bewoordingen uitspreekt.
Uit zijn bundel ‘De adem van de zaal’ uit 1997 nam ik het gedicht ‘Een nieuw seizoen’.
.
Een nieuw seizoen
.
De luxaflex snijdt schijfjes
herfstzon. Ik weet hoe scherp
oktober ruikt naar vorig jaar
.
naar liefde die verkruimelt
in mijn handen, naar verlangen
naar verlangen. Naar verlies.
.
Groots laat ik mij op dit leven
meeslepen, de data liggen vast,
de fijne mazen van het geluk.
.
In handdiep stilstaand water
verdrinken, dat is pas tragisch.
.
Digitaal crisissonnet
Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen
.
Ik kocht de bundel ‘Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen’ dichters tegen racisme uit 1994. De titel stond me meteen aan want als er iets is dat tegenwoordig niet alleen weer de kop opsteekt maar zeker ook bestreden moet worden, dan is het racisme en racistische uitingen. Kijk naar de gewelddadige protesten tegen de komst van AZC’s en wat de meute daar roept, kijk naar het protest op het Malieveld van extreem rechts waar schaamteloos de Hitlergroet werd gemaakt, racisme en fascisme zijn niet alleen aan de orde van de dag maar ook steeds dreigender.
En deze bundel is uit 1994. Toen werd er dus ook al de noodzaak gevoeld door dichters om zich hierover uit te spreken. De bundel werd gemaakt door Jongerenkomitee Tegen Racisme uit Pajottenland, een streek in Vlaams Brabant. Daar werd in 1991 het extreem rechtse Vlaams Blok heel groot (men ging van 2 naar 12 zetels). Tegenwoordig kijken we niet meer op van extreem rechtse partijen en partijtjes (Forum, Ja 21, PVV, BBB) die ineens opkomen maar destijds was dat een nieuw verschijnsel.
Deze nieuwe beweging in Pajottenland werd actief, ging allerlei activiteiten organiseren, waaronder iets met poëzie. Er werd aansluiting gezocht met bestaande initiatieven, met jongeren die iets wilde met poëzie, met zangers en met bekende dichters en zo ontstond deze bundel. Er werden studenten van het Sint Lucas kunsthumaniora gevraagd voor de illustraties en daarmee was de inhoud en vormgeving (EPO) gereed en verscheen in 1994, drie jaar na deze verkiezingswinst van het Vlaams Blok, de bundel ‘Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen’.
De bundel is verdeeld in veertien hoofdstukken met als thema’s bijvoorbeeld vooroordelen, nationalisme, op de vlucht, de geschiedenis herhaalt zich, migrant en rijkdom van het multiculturele. Uit het hoofdstuk ‘de geschiedenis herhaalt zich’ koos ik voor het gedicht ‘Digitaal crisissonnet’ van Mark van Tongele (1956-2023).
.
Digitaal crisissonnet
.
Stempelende druppels vullen
de tijdvaten van verveling.
Regen op asfalt, rioolroosters
slikken ondrinkbaar leven door.
.
In sloppen schuld geschopt blijft
de dag een doodskist. Vochtmuren
schimmelende brooddozen. Wij
glazig en oneetbaar wachten.
.
Macht slijpt op het machowiel
van de economie blanke messen
om hulpeloze kelen af te snijden.
.
Gelkdkadans kadavert liefde stuk.
Als een deurwaarder ons honds-
dol afblaft, huivert het huis.
.
Boris Ryzji
BAM
.
Momenteel lees ik ‘Bam’ een reis van niets naar niets van Jelle Brandt Corstius (1978) uit 2019. Samen met kunstenaar Aldo van den Broeck en grafisch ontwerper Fabian Hahne reizen ze als ‘kunstproject’ de 4287 kilometer lange Bajkal-Amoer Magistrale (BAM) spoorlijn af, een alternatief voor de Trans-Siberische spoorweg, die volgens de Sovjetregering van Leonid Breznjev in de jaren ’60 te dicht in de buurt van de Chinese grens lag en daarmee een strategische achilleshiel vormde.
Een van de redenen dat Brandt Corstius zo enthousiast is om deze reis te maken is dat hij, net als ik trouwens, liefde koestert voor lelijkheid en vergane glorie. De mensen, huizen en fabrieken die hij tijdens zijn reis door Siberië tegenkomt, zijn er inderdaad slecht aan toe. ‘Lelijkheid is schoonheid die niet in de ziel kan blijven,’ citeert Brandt Corstius de Russische dichter Boris Ryzji.
In ‘BAM’ schrijft Brandt Corstius over het moment dat hij fan werd van de Russische dichter Boris Rizji. Arie Boomsma had hem op deze dichter gewezen en na lezing van het gedicht ‘Lego’ dat Ryzji schreef in 2000 voor Poetry International ‘wist hij zelf zeker dat hij een kind wilde’ zo schrijft hij.
Geoloog en dichter Boris Ryzji (1974-2001) woonde in Jekaterinboerg (vroeger Sverdlovsk), een grote industriestad in de Oeral en op dat moment, volgens Brandt Corstius, zo’n beetje de maffia hoofdstad van Rusland. Na een studie geofysica werkte hij bij het Geofysisch Instituut aldaar. Als dichter debuteerde hij in 1994 in het tijdschrift Oeral, later maakte hij ook naam in Moskou en Sint-Petersburg. Hoewel hij uit een ontwikkelde familie kwam leefde hij liever als een straatjongen, een dronkenlap en vechtersjas die aan de zelfkant (criminaliteit) van de maatschappij leefde. In 2001 pleegde hij zelfmoord. Hij leed toen aan een bipolaire stoornis en gebruikte veel drugs. Kort na zijn dood werd hij postuum onderscheiden met de ‘Noordelijke Palmyra’ een van de meest begeerde prijzen in de Russische poëzie, voor zijn bundel ‘Opravdanije zjizni’ (Een reden om te leven).
Ryzji debuteerde in 1994 en in totaal verschenen er drie bundels van hem. Sinds zijn overlijden in 2001 is zijn poëzie geprezen en toegevoegd aan het canon van Russische dichters. Veel van zijn gedichten en bundels zijn de afgelopen jaren toegevoegd aan de verzamelingen van essentiële literatuur, en hij heeft enorme populariteit verworven voor zijn verzen, die soms vulgair en arrogant zijn, soms vormelijk meesterlijk en herinnerend aan de Zilveren Eeuw van Rusland.
Het gedicht ‘Lego’ verscheen in de bundel ‘Wolken boven E’ dat in 2004 verscheen in een vertaling van Anne Stoffel die daarvoor de Aleida Schot-prijs voor haar vertalingen uit het Russisch kreeg (en dan met name voor deze bundel). Het gedicht verscheen ook in De Tweede Ronde, jaargang 24 in 2003.
.
Lego
.
.














