Site-archief

Han van der Vegt

Eenzame goden, een recensie

.

Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.

Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante  verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”

Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.

Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.

In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.

Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?

Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.

Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.

Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.

Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.

.

Babylon

.

bij de rivier van mijn verlies zit ik neer

wat zal ik maken

om wat ik gemaakt heb te vergeten

.

bij de rivier zit ik neer

en luister hoe ze me uitlacht

terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee

.

bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer

ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven

en ik herken ze niet

.

mijn machtige handen

zijn wanstaltige handen

mijn stem die de golven beveelt

versta ik niet langer

.

bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer

wat zal ik maken

om te vergeten dat ik niet maken kan?

.

Ban

Piet Gerbrandy

.

Afgelopen dinsdag was ik te gast in De Chocoladefabriek, de bibliotheek van Gouda, voor een dag over merk-waardige medewerkersreis (een combinatie van marketing/communicatie en HRM) voor mijn werk. In de Chocoladefabriek waren we te gast in het deel waar de Drukkerswerkplaats is gevestigd. Een werkplaats met ouderwetse drukpersen, letterbakken, loden letters en waar de sfeer van een ouderwetse drukkerij hangt.

Maar er was in deze ruimte ook een lijn gespannen met allerlei voorbeelden van het drukwerk dat men daar maakt. En uiteraard, anders was ik er hier niet over begonnen, hing daar ook een fraai vormgegeven en gedrukt gedicht van Piet Gerbrandy (1958) getiteld ‘Ban’. Het gedicht dat in de gelijknamige bundel verscheen, werd door  dichter, classicus en poëzie-recensent Piet Gerbrandy geschreven voor de bibliofiele uitgeverij Sub Signo Leonis van de Drukkerswerkplaats.

De bundel ‘Ban’ dat ik een kleine genummerde oplage van 60 exemplaren verscheen, werd in 2017 feestelijk gepresenteerd en het eerste exemplaar werd overhandigt aan dichter Hedwig Selles.(1968). Het betreft hier een kleine bundel van 14 pagina’s.

Hieronder de foto van het drukwerk en de tekst van dit gedicht.

.

Ban

.

De dichter gaat zwanger van wat Muze of demonen hem opdringen.

Welke stappen zijn er nodig om wat dwars zit uit te bannen en met lezers te delen?

.

De dichter moet baren in ritme en klank, vluchtige taal groeit op

tot een lichaam van zinnen, woorden zoeken een bed van

letters in een hut van papier, waarin de lezer welkom is.

.

Zonder vormgever, zetter, drukker en binder is het gedicht dakloos en kwetsbaar.

.

De zelfverkozen dood

Rogi Wieg

.

Tien jaar geleden (ruim) was het een zwaar jaar voor de poëzie. Binnen een jaar pleegden maar liefst drie bekende Nederlandse dichters zelfmoord; Rogi Wieg (1962-2015), Joost Zwagerman (1963-2015) en Wim Brands (1959-2016). Drie generatiegenoten ook nog. In de geschiedenis zijn zij niet de enige dichters die zich van het leven beroofden, wat denk je van Jan Arends (1925-1974), Halbo C. Kool (1907-1968) en Jan Emmens (1924-1971). De bekendste dichter uit de 19e eeuw is François Haverschmidt (1835-1894) bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. En kijken we nog verder terug dan is er in de 18e eeuw nog de Friese jonker Willem van Haren (1710-1768). 

Uiteraard zijn er ook in het buitenland beroemde dichters die zichzelf van het leven beroofden: de bekendste Vlaming is natuurlijk Jotie ‘T Hooft (1956-1977), en de bekendste Amerikaanse dichter Sylvia Plath (1932-1963). Als je kijkt naar schrijvers (dus geen dichters) dan is de lijst nog veel langer. In 2015 wijdde de Volkskrant nog een artikel aan het fenomeen onder de kop ‘Waarom komt zelfmoord onder schrijvers relatief vaak voor?’. Ik weet niet of dit echt zo is (wie werden er meegenomen in het vergelijkend onderzoek?) maar elke zelfmoord is er een teveel. En de dichters die zelfmoord pleegden worden gemist.

Gelukkig is er altijd het werk van deze dichters. Zoals van Rogi Wieg. In 2015 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ een bloemlezing uit het poëtisch oeuvre van Rogi Wieg, samengesteld en ingeleid door Peter de Rijk. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘In de zin dat ik het sterven niet ken’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘De kam’ uit 2007.

.

In de zin dat ik het sterven niet ken

.

Ik zou me niet laten verleiden

door de vrouw, kennis laat me koud.

Het eeuwige leven,

.

in de zin dat ik het sterven niet ken,

een schildpad liggend op zijn rug,

die betekenis ken ik dan niet.

.

De appel niet hebben gezien,

de beet niet hebben gevoeld,

niet weten dat onder de schil de patholoog

aan het werk is.

.

God niet hebben gezien of gesproken.

Ik ben een alleswetende slak,

ik zou me niet laten verleiden.

.

Van ver

Johanna Geels

.

Dichter, schrijver, columnist Johanna Geels (1968) komt oorspronkelijk uit het slamcircuit en draagt dan ook graag voor (eventueel met muzikale begeleiding, gitaar, soundscapes). Toch verschenen er van haar al een roman en vier dichtbundels. Haar debuutbundel ‘Tuig’ uit 2008 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hierna volgde ‘Detox’ (2010), ‘Wildberichten’ (2014) en ‘Vuurmakers’ (2015). Zij schrijft voornamelijk over de absurdistische en poëtische kant van het dagelijks bestaan en haar gevecht met chronisch ziek-zijn (h-EDS, een erfelijke bindweefselaandoening).

Op de website van de schrijverscentrale lees ik: Het universum van Geels is niet dat van tv-reclames, spelletjes en zoete koek. De wereld van deze dichter heeft rafels, en barstjes ontsieren het aardoppervlak. Maar juist daardoor kan Geels die wereld in al haar naaktheid en oprechtheid laten zien: “Buitenwijken liegen niet.” Johanna Geels baant zich een weg dwars door de troep, benoemt dat wat pijn doet en spaart ook zichzelf niet. Met als doel van de reis: “een andere vogel. Een nest.”

Alle reden dus om eens aandacht te besteden aan deze dichter. Uit haar tweede bundel ‘Detox’ uit 2010 nam ik het gedicht ‘Van ver’.

.

Van ver

.

Ik kom hier niet voor de gezelligheid.

Valt het u op dat ik niets heb gegeten.

Nooit heb gegeten.

In dit land.

.

Valt het u op dat ik nooit heb gehuild.

Ik temperement altijd fout schrijf.

Omdat ik iets.

Ik wil het goed zeggen.

.

Omdat iets van een zelf.

Van een land ver weg.

Waar mijn stoel stond.

.

Ik kan het niet goed zeggen.

.

Of ik nog iets heb?

Nee dank u.

Niets.

.

Ik alleen heb een

Sasja Janssen

.

Ik lees in de bundel ‘Ik trek mijn species aan’ van Sasja Janssen (1968) uit 2014, en daar blijf ik hangen bij een, op het eerste gezicht erotisch gedicht. Omdat het alweer even geleden is dat ik erotische poëzie deelde op dit blog ga ik dat vandaag met dat gedicht doen. Het gedicht zonder titel mag dan op het eerste gezicht erotisch zijn maar in een commentaar op de bundel van Fleur Speet van Athenaeum Boekhandel, lees ik ‘Dit is zinnelijke oerkrachtpoëzie’.

In 2015 werd ze genomineerd met deze bundel, in het juryverslag lees ik: ‘In deze uitdagend beklijvende bundel heeft Sasja Janssen ‘genoeg over ik gedicht’. In een fabelachtig echt spel tussen begin en einde en alles daartussenin, worden soorten van mensen geboren die vervolgens trachten te overleven. Misschien is seksualiteit het enige houvast, of in elk geval een benadering van identiteit. Zonder de soortnaam vrouw, is er geen beginnen aan. En dan nog: ‘Ik red het niet, dat gedoe over leven en dood’. De zinnen in ‘Ik trek mijn species aan’ prikkelen, pesten, doen lachen en nadenken in een perfect aan elkaar geregen korset van woorden.’

Hoe het ook zij, ik vind dit gedicht intrigerend en dat is voldoende reden om het hier te delen.

.

Ik alleen heb een kutje

als zeewier in bad of om een man gespannen huid

koele tegels, vaker dat vlees

er is dat nauwe, dat zoete, maar liever niet het stuwen

op een harde tl-middag als ik daar ben en jij niet.

.

Ik ben mijn geslacht

weg die kalverpoten die verleiden moesten

geen buik die hijgen gaat, mijn borsten

als ja mijn borsten iets anders doen

dan legt mijn hoofd zich erbij neer van een heel andere orde te zijn.

.

 

Genoeg

Theo Olthuis

.

Op 3 april verschijnt ‘Tongval van het verdwijnen’ de tweede klimaatdichtersbundel. In deze nieuwe verzameling gedichten van de Klimaatdichters, zoeken vijftig dichters de grenzen van de taal op om dier, plant, schimmel en bacterie een stem te geven. Waarom een groot aantal dichters, woordkunstenaars en spoken-word artiesten zich hebben verenigd in de Klimaatdichters (waaronder ikzelf) mag inmiddels wel duidelijk zijn. De laatste 10 jaar waren de warmste jaren ooit gemeten en wat dat voor consequenties heeft is duidelijk (al zijn er altijd mensen die dit ontkennen, niet gehinderd door enige vorm van kennis).

Toch is het besef dat de wereld risico loopt niet nieuw. In 1968 werd de Club van Rome opgericht en in 1972 bracht deze club het rapport ‘De grenzen aan de groei’ uit. Een  alarmistisch rapport waarin al een verband werd gelegd tussen economische groei en de gevolgen hiervan voor het milieu. Hoewel het rapport veel aandacht kreeg en er in de afgelopen 50 jaar wel degelijk actie is ondernomen blijkt dat de mens nog altijd achter de zaken aanloopt.

Dat er destijds ook al oog was voor het milieu (en altijd is geweest) bleek mij opnieuw toen ik in ‘Roltrap naar de maan” Nederlandse kinderliedjes vanaf 1950, voor kleine en grote mensen, uit 1995 aan het lezen was. In het hoofdstuk ‘Anders loopt het in de soep’ liedjes over de wereld, staat een liedtekst van Theo Olthuis (1941-2024) schrijver en dichter. Olthuis schreef heel veel boeken en bundels voor kinderen en volwassenen, theaterstukken, aforismen, scenario’s en liedteksten voor televisie (onder andere voor Sesamstraat en Het Klokhuis).

Ook schreef hij teksten voor volwassenen zoals een liedtekst in deze bundel uit 1990 voor Herman van Veen. Het lied verscheen destijds als CD-single. De tekst doet nu heel lief aan, er is weinig alarmistisch aan maar ik vraag me af of, als Olthuis een dergelijk lied opnieuw had geschreven, dat nu opnieuw zo lieflijk zou zijn geweest.

.

Genoeg

.

Er is op iedereen gerekend

De aarde is gastvrij

Eén grote ronde tafel

Pak een stoel en kom erbij

Tast maar toe, wees niet bang

Er is genoeg voor iedereen

Schep maar op en ga je gang

.

O ja, ‘k zou het haast vergeten

Eén ding moet je even weten

Anders loopt het in de soep

Dan gaat het helemaal mis

Er is genoeg voor iedereen

Maar neem niet meer dan nodig is!

.

Sneldichter

Salomon Cohen.

 

Van mijn broer kreeg ik het boekje ‘De sneldichter van Delfshaven’ over Salomon Cohen (1908-1985) uitgegeven door het Historisch Museum Rotterdam geschreven door Jan Oudenaarden en Rien Vroegindeweij. Het fenomeen sneldichter ken ik al heel lang, vroeger had je Willy Alfredo (1898-1976) pseudoniem van Willem Jue die tijdens feesten en ook wel op de radio het vak van sneldichter op de kaart zette. Hij deed dat door ‘Roept u maar!’ naar de zaal te roepen en dan gaven de toehoorders hem een thema of onderwerp of naam. Zonder blikken of blozen maakte hij dan een (rijmend) gedicht.

Er zijn door de tijden meer sneldichters gekomen (waaronder dus Salomon Cohen) zoals bijvoorbeeld David Mulder die onder andere op Lowlands stond als sneldichter. Salomon Cohen was een sigarenwinkelier en boekhandelaar uit Rotterdam die in 1954 begon met sneldichten. “Komt U ooit in Rotterdam, U bent hartelijk welkom bij sneldichter Sam!” was een slagzin waarmee Cohen zijn sigarenhandeltje trachtte te promoten. Cohen werd de ‘Sneldichter van Delfshaven’ genoemd.

Omdat Cohen in 2008 100 jaar zou worden werd er een tentoonstelling aan hem gewijd in De Dubbelde Palmboom, die behoort tot het Historisch Museum Rotterdam. Dit was ook de aanleiding tot het maken van het boekje. In het boekje staan verschillende voorbeelden van zijn sneldichten en de aanleiding van de gedichten. Zo hing in de Havenstraat in Delfshaven in de huisartsenpraktijk, waar hij patient was, tien jaar lang op de deur van de praktijk een gedicht dat hij voor de artsen en assistente had geschreven. En hoewel Cohen toen al aan een ernstige vorm van suikerziekte werd behandeld, eindigde het gedicht met de optimistische strofe:

.

De dokter komt ook steeds ter sprake

als je – overal – gesprekken hoort

de dokter kan ons beter maken –

en steeds weer klinkt een schoon

accoord –

als wij de spreekkamer betreden –

dan voelen wij ons gans verlicht –

voor dankbaarheid is alle reden –

je komt en gaat – met blij gezicht –

.

Achterin het boekje is een hoofdstuk opgenomen waar de gedicht staan. Dit gedicht schreef hij op 25 oktober 1968. Uit dit gedicht blijkt dat hij ook een serieuze kant had, als joodse man had hij ondergedoken in de oorlog en uit dit gedicht blijkt dat hij daar nog erg mee bezig was.

.

Pikzwart is de lucht

van de mij omringende

landen

.

benedendijks zijn ze

bezig een weg te

graven – die loopt

naar een diepe put

.

het laatste teken

van leven is

verdwenen –

sedert ik een jongetje

was – heb ik niets

meer vernomen –

.

het koude zweet

breekt mij uit

als ik denk aan

vroeger. –

.

.

Toen.

.

 

Een groot schrijver

Kees Ouwens

.

Ondanks dat ik op dit blog richting de 6000 berichten ga, kom ik er toch nog regelmatig achter dat ik over bepaalde dichters nog nooit iets geschreven heb. Dat kan allerlei oorzaken hebben maar in het geval van dichter en schrijver Kees Ouwens weet ik eerlijk gezegd niet waarom dit niet zo is. Misschien omdat hij als hermetisch dichter te boek staat (maar dit heeft mij er nooit van weerhouden daarover te schrijven) of dat ik zijn naam misschien niet vaak tegenkom. Hoe dan ook, vandaag gaat dat veranderen.

Kees Ouwens (1944-2004) debuteerde in 1968 met de dichtbundel ‘Arcadia’ en er zouden tot na zijn dood 10 poëziebundels van hem verschijnen. Ouwens schreef ook proza maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Op zijn Wikipediapagina lees ik: “Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij weleens als ‘hermetisch’ dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.”

Ondanks, of misschien wel dankzij zijn zoektocht kreeg hij bij leven verschillende literaire prijzen toegekend zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1976), de Jan Campert-prijs (1985), de Herman Gorterprijs (1998), de VSB Poëzieprijs (2001) en de Constantijn Huygens-prijs (2002), voorwaar een indrukwekkende reeks prijzen.

Uit de bundel ‘Alle gedichten tot dusver’ uit 2002 nam ik het gedicht ‘Een groot schrijver’ waarin de dichter zichzelf kritisch bekijkt en de lezer achterblijft met de vraag ‘ziet de dichter zichzelf hier nu als groot schrijver of juist niet?’ En waarin de dichter speelt met verwijzingen naar de christelijke religie (stille nacht, schrift, de sterren). Op het eerste oog een kort en bondig gedicht waar heel veel uit te halen valt. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Intieme handelingen’ uit 1973.

.

Een groot schrijver

.

Ik legde mijn pen neer en begaf mij

naar buiten.

Daar keek ik omhoog en zag de sterren.

Het was een stille nacht.

Ik ben een groot schrijver,

dacht ik.

.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,

om die regel op te schrijven

en er schoot mij een traan te

binnen, die op mijn schrift viel.

Ik huilde om de waarheid.

.

Verknoping

Sandra Roobaert

.

In 2023 debuteerde de Vlaamse dichter Sandra Roobaert (1968) bij uitgeverij De Zeef met de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’. De bundel kreeg goede recensies. Zo schrijft Tom Veys op de website van Meander: “De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. ‘De inventaris van wat blijft’ is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.”

Sandra Roobaert won in 2022 met het gedicht ‘Als het trilt’ de Poëzieprijs van de stad Oostende. Ze bedacht Dichter&Dichter waarbij je als dichter (maar ze geeft ook andere beroepsgroepen de mogelijkheid dit te doen) echt in gesprek gaat met een andere dichter, of zoals ze het zelf beschrijft: “Omdat ik hou van gesprekken die veel meer zijn dan praatjes of babbels (maar niks mis met praatjes en babbels hè). Omdat we als auteur / maker / creatieveling voortdurend de boodschap meekrijgen dat een online community en sociale media onmisbaar zijn om te groeien. Ik wil dat niet betwisten of ontkennen, maar wil er graag iets naast zetten.”

In 2023 leverde ze een bijdrage aan ‘Wat maakt een gedicht goed’ een uitgave van Meander, werk van haar verscheen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant en Meander en op Het Gezeefde Gedicht. Van 2020-2022 volgde ze de tweejarige opleiding poëzie aan de Schrijversacademie Antwerpen.

Uit de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’ koos ik het gedicht ‘Verknoping’ . Dit gedicht werd ook opgenomen in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2024’.

 

.

Verknoping

.

We waden door de wereld als vissers zonder boot

we stevenen door de gangen van de supermarkt met fuiken voor de buik

aanhangsels genaamd armen vangen

van elkaar zien we de blikken erwten de ananas de afro de blokhak

we taxeren stoppels oogwal kleurspoeling.

.

Achter ons trekken we onzichtbare sleepnetten

dat van de man bij de ontbijtgranen bevat diepgevroren het pesten voor de bel

het mijne een uitval in ochtendchaos naar de voeten van een zusje

het rukken aan schoenen maat 33.

.

Wanneer we elkaar naderen raken netten verstrikt

het mijne en het zijne in kortstondige verkoping

zijn kinderangst rolt in mijn oude blauwe jas van zestien

mijn gevit van lang geleden glijdt door zijn mazen.

.

Tegelijk naar hetzelfde pak koffie grijpend gaan we lichtglimlachen.

.

 

Toasten op de liefde

James Bertolino  

.

Op zoek naar onbekende liefdesgedichten, de mooiste en bekendste zijn er meer dan genoeg, kwam ik op een website over huwelijksgedichten. Nu zijn er vele manieren om met een gedicht een huwelijk op te fleuren maar de meeste zijn op zijn zachtst gezegd nogal ‘plat’ of clichématig. Maar ik kwam ook een gedicht tegen van de Amerikaanse dichter James Bertolino (1942).

Bertolino is de auteur van 30 boeken en chapbooks met poëzie en proza. Hij debuteerde in 1968 met twee chapbooks, ‘Day of Change’ en ‘Drool’. Een chapbook is een klein dun boekje, vaak een verzameling gedichten of korte teksten en bevatten meestal een beperkt aantal pagina’s (vaak tussen de 16 en 40). Ze zijn daardoor ideaal voor het bundelen van een kleine collectie gedichten of een enkele kort verhaal. In zijn latere carrière als dichter zou hij naast een aantal bundels vooral nog vele chapbooks publiceren. Bertolino werd al vroeg in zijn carrière veelvuldig gepubliceerd en in de loop der jaren is zijn werk verschenen in meer dan 100 tijdschriften en meer dan 40 bloemlezingen.

Als redacteur was hij medeoprichter van het literaire tijdschrift Abraxas en de Cincinnati Poetry Review , en was hij lid van de redactieraad van Ithaca House. In 1972 richtte hij Stone Marrow Press op, dat zijn eigen werk en dat van andere dichters publiceerde.

Op de website over huwelijkspoëzie vond ik het gedicht ‘A Wedding Toast’ dat verscheen in zijn bundel ‘Ravenous Bliss’ uit 2014. Dit gedicht overstijgt het cliché van het romantische huwelijksgedicht en kan ook als gewoon liefdesgedicht gelezen worden.

.

A Wedding Toast

.

May your love be firm,
and may your dream of life together
be a river between two shores—
by day bathed in sunlight, and by night
illuminated from within. May the heron
carry news of you to the heavens, and the salmon bring
the sea’s blue grace. May your twin thoughts
spiral upward like leafy vines,
like fiddle strings in the wind,
and be as noble as the Douglas fir.
May you never find yourselves back to back
without love pulling you around
into each other’s arms.
.