Site-archief
Ban
Piet Gerbrandy
.
Afgelopen dinsdag was ik te gast in De Chocoladefabriek, de bibliotheek van Gouda, voor een dag over merk-waardige medewerkersreis (een combinatie van marketing/communicatie en HRM) voor mijn werk. In de Chocoladefabriek waren we te gast in het deel waar de Drukkerswerkplaats is gevestigd. Een werkplaats met ouderwetse drukpersen, letterbakken, loden letters en waar de sfeer van een ouderwetse drukkerij hangt.
Maar er was in deze ruimte ook een lijn gespannen met allerlei voorbeelden van het drukwerk dat men daar maakt. En uiteraard, anders was ik er hier niet over begonnen, hing daar ook een fraai vormgegeven en gedrukt gedicht van Piet Gerbrandy (1958) getiteld ‘Ban’. Het gedicht dat in de gelijknamige bundel verscheen, werd door dichter, classicus en poëzie-recensent Piet Gerbrandy geschreven voor de bibliofiele uitgeverij Sub Signo Leonis van de Drukkerswerkplaats.
De bundel ‘Ban’ dat ik een kleine genummerde oplage van 60 exemplaren verscheen, werd in 2017 feestelijk gepresenteerd en het eerste exemplaar werd overhandigt aan dichter Hedwig Selles.(1968). Het betreft hier een kleine bundel van 14 pagina’s.
Hieronder de foto van het drukwerk en de tekst van dit gedicht.
.
Ban
.
De dichter gaat zwanger van wat Muze of demonen hem opdringen.
Welke stappen zijn er nodig om wat dwars zit uit te bannen en met lezers te delen?
.
De dichter moet baren in ritme en klank, vluchtige taal groeit op
tot een lichaam van zinnen, woorden zoeken een bed van
letters in een hut van papier, waarin de lezer welkom is.
.
Zonder vormgever, zetter, drukker en binder is het gedicht dakloos en kwetsbaar.
.
De zelfverkozen dood
Rogi Wieg
.
Tien jaar geleden (ruim) was het een zwaar jaar voor de poëzie. Binnen een jaar pleegden maar liefst drie bekende Nederlandse dichters zelfmoord; Rogi Wieg (1962-2015), Joost Zwagerman (1963-2015) en Wim Brands (1959-2016). Drie generatiegenoten ook nog. In de geschiedenis zijn zij niet de enige dichters die zich van het leven beroofden, wat denk je van Jan Arends (1925-1974), Halbo C. Kool (1907-1968) en Jan Emmens (1924-1971). De bekendste dichter uit de 19e eeuw is François Haverschmidt (1835-1894) bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. En kijken we nog verder terug dan is er in de 18e eeuw nog de Friese jonker Willem van Haren (1710-1768).
Uiteraard zijn er ook in het buitenland beroemde dichters die zichzelf van het leven beroofden: de bekendste Vlaming is natuurlijk Jotie ‘T Hooft (1956-1977), en de bekendste Amerikaanse dichter Sylvia Plath (1932-1963). Als je kijkt naar schrijvers (dus geen dichters) dan is de lijst nog veel langer. In 2015 wijdde de Volkskrant nog een artikel aan het fenomeen onder de kop ‘Waarom komt zelfmoord onder schrijvers relatief vaak voor?’. Ik weet niet of dit echt zo is (wie werden er meegenomen in het vergelijkend onderzoek?) maar elke zelfmoord is er een teveel. En de dichters die zelfmoord pleegden worden gemist.
Gelukkig is er altijd het werk van deze dichters. Zoals van Rogi Wieg. In 2015 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ een bloemlezing uit het poëtisch oeuvre van Rogi Wieg, samengesteld en ingeleid door Peter de Rijk. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘In de zin dat ik het sterven niet ken’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘De kam’ uit 2007.
.
In de zin dat ik het sterven niet ken
.
Ik zou me niet laten verleiden
door de vrouw, kennis laat me koud.
Het eeuwige leven,
.
in de zin dat ik het sterven niet ken,
een schildpad liggend op zijn rug,
die betekenis ken ik dan niet.
.
De appel niet hebben gezien,
de beet niet hebben gevoeld,
niet weten dat onder de schil de patholoog
aan het werk is.
.
God niet hebben gezien of gesproken.
Ik ben een alleswetende slak,
ik zou me niet laten verleiden.
.
Ik alleen heb een
Sasja Janssen
.
Ik lees in de bundel ‘Ik trek mijn species aan’ van Sasja Janssen (1968) uit 2014, en daar blijf ik hangen bij een, op het eerste gezicht erotisch gedicht. Omdat het alweer even geleden is dat ik erotische poëzie deelde op dit blog ga ik dat vandaag met dat gedicht doen. Het gedicht zonder titel mag dan op het eerste gezicht erotisch zijn maar in een commentaar op de bundel van Fleur Speet van Athenaeum Boekhandel, lees ik ‘Dit is zinnelijke oerkrachtpoëzie’.
In 2015 werd ze genomineerd met deze bundel, in het juryverslag lees ik: ‘In deze uitdagend beklijvende bundel heeft Sasja Janssen ‘genoeg over ik gedicht’. In een fabelachtig echt spel tussen begin en einde en alles daartussenin, worden soorten van mensen geboren die vervolgens trachten te overleven. Misschien is seksualiteit het enige houvast, of in elk geval een benadering van identiteit. Zonder de soortnaam vrouw, is er geen beginnen aan. En dan nog: ‘Ik red het niet, dat gedoe over leven en dood’. De zinnen in ‘Ik trek mijn species aan’ prikkelen, pesten, doen lachen en nadenken in een perfect aan elkaar geregen korset van woorden.’
Hoe het ook zij, ik vind dit gedicht intrigerend en dat is voldoende reden om het hier te delen.
.
Ik alleen heb een kutje
als zeewier in bad of om een man gespannen huid
koele tegels, vaker dat vlees
er is dat nauwe, dat zoete, maar liever niet het stuwen
op een harde tl-middag als ik daar ben en jij niet.
.
Ik ben mijn geslacht
weg die kalverpoten die verleiden moesten
geen buik die hijgen gaat, mijn borsten
als ja mijn borsten iets anders doen
dan legt mijn hoofd zich erbij neer van een heel andere orde te zijn.
.
Genoeg
Theo Olthuis
.
Op 3 april verschijnt ‘Tongval van het verdwijnen’ de tweede klimaatdichtersbundel. In deze nieuwe verzameling gedichten van de Klimaatdichters, zoeken vijftig dichters de grenzen van de taal op om dier, plant, schimmel en bacterie een stem te geven. Waarom een groot aantal dichters, woordkunstenaars en spoken-word artiesten zich hebben verenigd in de Klimaatdichters (waaronder ikzelf) mag inmiddels wel duidelijk zijn. De laatste 10 jaar waren de warmste jaren ooit gemeten en wat dat voor consequenties heeft is duidelijk (al zijn er altijd mensen die dit ontkennen, niet gehinderd door enige vorm van kennis).
Toch is het besef dat de wereld risico loopt niet nieuw. In 1968 werd de Club van Rome opgericht en in 1972 bracht deze club het rapport ‘De grenzen aan de groei’ uit. Een alarmistisch rapport waarin al een verband werd gelegd tussen economische groei en de gevolgen hiervan voor het milieu. Hoewel het rapport veel aandacht kreeg en er in de afgelopen 50 jaar wel degelijk actie is ondernomen blijkt dat de mens nog altijd achter de zaken aanloopt.
Dat er destijds ook al oog was voor het milieu (en altijd is geweest) bleek mij opnieuw toen ik in ‘Roltrap naar de maan” Nederlandse kinderliedjes vanaf 1950, voor kleine en grote mensen, uit 1995 aan het lezen was. In het hoofdstuk ‘Anders loopt het in de soep’ liedjes over de wereld, staat een liedtekst van Theo Olthuis (1941-2024) schrijver en dichter. Olthuis schreef heel veel boeken en bundels voor kinderen en volwassenen, theaterstukken, aforismen, scenario’s en liedteksten voor televisie (onder andere voor Sesamstraat en Het Klokhuis).
Ook schreef hij teksten voor volwassenen zoals een liedtekst in deze bundel uit 1990 voor Herman van Veen. Het lied verscheen destijds als CD-single. De tekst doet nu heel lief aan, er is weinig alarmistisch aan maar ik vraag me af of, als Olthuis een dergelijk lied opnieuw had geschreven, dat nu opnieuw zo lieflijk zou zijn geweest.
.
Genoeg
.
Er is op iedereen gerekend
De aarde is gastvrij
Eén grote ronde tafel
Pak een stoel en kom erbij
Tast maar toe, wees niet bang
Er is genoeg voor iedereen
Schep maar op en ga je gang
.
O ja, ‘k zou het haast vergeten
Eén ding moet je even weten
Anders loopt het in de soep
Dan gaat het helemaal mis
Er is genoeg voor iedereen
Maar neem niet meer dan nodig is!
.
Sneldichter
Salomon Cohen.
Van mijn broer kreeg ik het boekje ‘De sneldichter van Delfshaven’ over Salomon Cohen (1908-1985) uitgegeven door het Historisch Museum Rotterdam geschreven door Jan Oudenaarden en Rien Vroegindeweij. Het fenomeen sneldichter ken ik al heel lang, vroeger had je Willy Alfredo (1898-1976) pseudoniem van Willem Jue die tijdens feesten en ook wel op de radio het vak van sneldichter op de kaart zette. Hij deed dat door ‘Roept u maar!’ naar de zaal te roepen en dan gaven de toehoorders hem een thema of onderwerp of naam. Zonder blikken of blozen maakte hij dan een (rijmend) gedicht.
Er zijn door de tijden meer sneldichters gekomen (waaronder dus Salomon Cohen) zoals bijvoorbeeld David Mulder die onder andere op Lowlands stond als sneldichter. Salomon Cohen was een sigarenwinkelier en boekhandelaar uit Rotterdam die in 1954 begon met sneldichten. “Komt U ooit in Rotterdam, U bent hartelijk welkom bij sneldichter Sam!” was een slagzin waarmee Cohen zijn sigarenhandeltje trachtte te promoten. Cohen werd de ‘Sneldichter van Delfshaven’ genoemd.
Omdat Cohen in 2008 100 jaar zou worden werd er een tentoonstelling aan hem gewijd in De Dubbelde Palmboom, die behoort tot het Historisch Museum Rotterdam. Dit was ook de aanleiding tot het maken van het boekje. In het boekje staan verschillende voorbeelden van zijn sneldichten en de aanleiding van de gedichten. Zo hing in de Havenstraat in Delfshaven in de huisartsenpraktijk, waar hij patient was, tien jaar lang op de deur van de praktijk een gedicht dat hij voor de artsen en assistente had geschreven. En hoewel Cohen toen al aan een ernstige vorm van suikerziekte werd behandeld, eindigde het gedicht met de optimistische strofe:
.
De dokter komt ook steeds ter sprake
als je – overal – gesprekken hoort
de dokter kan ons beter maken –
en steeds weer klinkt een schoon
accoord –
als wij de spreekkamer betreden –
dan voelen wij ons gans verlicht –
voor dankbaarheid is alle reden –
je komt en gaat – met blij gezicht –
.
Achterin het boekje is een hoofdstuk opgenomen waar de gedicht staan. Dit gedicht schreef hij op 25 oktober 1968. Uit dit gedicht blijkt dat hij ook een serieuze kant had, als joodse man had hij ondergedoken in de oorlog en uit dit gedicht blijkt dat hij daar nog erg mee bezig was.
.
Pikzwart is de lucht
van de mij omringende
landen
.
benedendijks zijn ze
bezig een weg te
graven – die loopt
naar een diepe put
.
het laatste teken
van leven is
verdwenen –
sedert ik een jongetje
was – heb ik niets
meer vernomen –
.
het koude zweet
breekt mij uit
als ik denk aan
vroeger. –
.
.
Toen.
.
Een groot schrijver
Kees Ouwens
.
Ondanks dat ik op dit blog richting de 6000 berichten ga, kom ik er toch nog regelmatig achter dat ik over bepaalde dichters nog nooit iets geschreven heb. Dat kan allerlei oorzaken hebben maar in het geval van dichter en schrijver Kees Ouwens weet ik eerlijk gezegd niet waarom dit niet zo is. Misschien omdat hij als hermetisch dichter te boek staat (maar dit heeft mij er nooit van weerhouden daarover te schrijven) of dat ik zijn naam misschien niet vaak tegenkom. Hoe dan ook, vandaag gaat dat veranderen.
Kees Ouwens (1944-2004) debuteerde in 1968 met de dichtbundel ‘Arcadia’ en er zouden tot na zijn dood 10 poëziebundels van hem verschijnen. Ouwens schreef ook proza maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Op zijn Wikipediapagina lees ik: “Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij weleens als ‘hermetisch’ dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.”
Ondanks, of misschien wel dankzij zijn zoektocht kreeg hij bij leven verschillende literaire prijzen toegekend zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1976), de Jan Campert-prijs (1985), de Herman Gorterprijs (1998), de VSB Poëzieprijs (2001) en de Constantijn Huygens-prijs (2002), voorwaar een indrukwekkende reeks prijzen.
Uit de bundel ‘Alle gedichten tot dusver’ uit 2002 nam ik het gedicht ‘Een groot schrijver’ waarin de dichter zichzelf kritisch bekijkt en de lezer achterblijft met de vraag ‘ziet de dichter zichzelf hier nu als groot schrijver of juist niet?’ En waarin de dichter speelt met verwijzingen naar de christelijke religie (stille nacht, schrift, de sterren). Op het eerste oog een kort en bondig gedicht waar heel veel uit te halen valt. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Intieme handelingen’ uit 1973.
.
Een groot schrijver
.
Ik legde mijn pen neer en begaf mij
naar buiten.
Daar keek ik omhoog en zag de sterren.
Het was een stille nacht.
Ik ben een groot schrijver,
dacht ik.
.
Toen begaf ik mij weer naar binnen,
om die regel op te schrijven
en er schoot mij een traan te
binnen, die op mijn schrift viel.
Ik huilde om de waarheid.
.
Verknoping
Sandra Roobaert
.
In 2023 debuteerde de Vlaamse dichter Sandra Roobaert (1968) bij uitgeverij De Zeef met de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’. De bundel kreeg goede recensies. Zo schrijft Tom Veys op de website van Meander: “De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. ‘De inventaris van wat blijft’ is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.”
Sandra Roobaert won in 2022 met het gedicht ‘Als het trilt’ de Poëzieprijs van de stad Oostende. Ze bedacht Dichter&Dichter waarbij je als dichter (maar ze geeft ook andere beroepsgroepen de mogelijkheid dit te doen) echt in gesprek gaat met een andere dichter, of zoals ze het zelf beschrijft: “Omdat ik hou van gesprekken die veel meer zijn dan praatjes of babbels (maar niks mis met praatjes en babbels hè). Omdat we als auteur / maker / creatieveling voortdurend de boodschap meekrijgen dat een online community en sociale media onmisbaar zijn om te groeien. Ik wil dat niet betwisten of ontkennen, maar wil er graag iets naast zetten.”
In 2023 leverde ze een bijdrage aan ‘Wat maakt een gedicht goed’ een uitgave van Meander, werk van haar verscheen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant en Meander en op Het Gezeefde Gedicht. Van 2020-2022 volgde ze de tweejarige opleiding poëzie aan de Schrijversacademie Antwerpen.
Uit de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’ koos ik het gedicht ‘Verknoping’ . Dit gedicht werd ook opgenomen in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2024’.
.
Verknoping
.
We waden door de wereld als vissers zonder boot
we stevenen door de gangen van de supermarkt met fuiken voor de buik
aanhangsels genaamd armen vangen
van elkaar zien we de blikken erwten de ananas de afro de blokhak
we taxeren stoppels oogwal kleurspoeling.
.
Achter ons trekken we onzichtbare sleepnetten
dat van de man bij de ontbijtgranen bevat diepgevroren het pesten voor de bel
het mijne een uitval in ochtendchaos naar de voeten van een zusje
het rukken aan schoenen maat 33.
.
Wanneer we elkaar naderen raken netten verstrikt
het mijne en het zijne in kortstondige verkoping
zijn kinderangst rolt in mijn oude blauwe jas van zestien
mijn gevit van lang geleden glijdt door zijn mazen.
.
Tegelijk naar hetzelfde pak koffie grijpend gaan we lichtglimlachen.
.
















