Site-archief

Objectgedichten

Woorden vallen uiteen

Sasha Stiles

.

In 2018 vroeg Sasha Stiles(1980), een Kalmykisch-Amerikaanse dichter, kunstenaar en AI-onderzoeker van de eerste generatie, zich af wat de opkomst van grote taalmodellen zou betekenen voor schrijvers en voor creativiteit in het algemeen. Om de mogelijkheden te verkennen, begon ze meer dan tien jaar aan analoge gedichten en onderzoek te vertalen naar een gepersonaliseerd AI-model, waarbij ze de menselijke stem aanvulde met de verbeeldingskracht van de volgende generatie.

Ze wordt algemeen erkend als een pionier op het gebied van generatieve literatuur en taalkunst. ‘Technelegy’ (2021), een gezamenlijk project van Stiles en haar poëtische alter ego,  is een vooruitziend artefact uit het tijdperk vóór ChatGPT, een verzameling generatieve gedichten ingebed in hun eigen trainingsdata, en een ongekend experiment dat verleden en toekomst, vrouw en machine, vers en code, elegie en woordspel versmelt, op zoek naar antwoorden op de dringende vraag: wat betekent het om mens te zijn in een bijna postmenselijke wereld? 

In een tentoonstelling getiteld “Poem in Residence” in het Museum of Modern Art in New York (MoMA) die tot het voorjaar van 2026 liep, onderzochten Sasha Stiles en haar samenwerkingsverband Technelegy wat het betekent om te leven in het tijdperk van kunstmatige intelligentie. Via een oneindige tekst, aangedreven door menselijke verbeelding en computeralgoritmes geïnspireerd op tekstkunst uit de collectie van MoMA, herschrijft het gedicht zichzelf elk uur. Wat hieruit voortkomt is niet alleen een nieuwe generatieve methodologie, maar ook een kader voor het begrijpen en uitdrukken van wat het betekent om vandaag de dag mens te zijn. 

Hieronder zie je een paar voorbeelden en van het eerste voorbeeld ook de tekst.

.

Words come undone
in our hands —
a pulse not heard
but felt. Deep
within, vibrations stir
the core. You
read — lines
form, meanings
shift. Each
mark a revelation.

.

Straatpoëzie in het ‘nieuws’

Willem Hussem

.

In de zomerspecial Lezen en Luisteren van Elseviers Weekblad (week 29/30) staat een aardig artikel over Straatpoëzie met als titel ‘Alleen dichters (soms dwazen) mogen schrijven op muren en glazen, geschreven door René van Rijckevorsel. In het artikel beschrijft René een wandeling met Gerben Beutick (masterstudent journalistiek en redactie stagiair bij dagblad Trouw, die deze wandeling langs poëzie in de openbare ruimte verzorgt in opdracht van de bibliotheek Utrecht.

In het artikel wordt de wandeling beschreven; langs welke gedichten men gaat, iets van de achtergrond van de gedichten en de dichters en er wordt wat breder stil gestaan bij straatpoëzie in het algemeen. Straatpoëzie die niet begint bij de neonletters op het verzekeringskantoor Nieuw Rotterdam, een regel van Lucebert ‘Alles van waarde is weerloos’ daterend van 1978, maar die al veel ouder is. Zo wordt bijvoorbeeld de regel ‘De cost gaet voor de baet uyt’ van de Romeinse toneelschrijver Platus dat al sinds 1912 de gevel van een gebouw aan het Damrak in Amsterdam siert, en de regels op de beurs van Berlage van Albert Verwey ‘Beidt uw tijd’ en Duur uw uur’ uit 1903.

Die laatste regels, en dan met name ‘Beidt uw tijd’ staan me heel goed bij. Toen ik in Amsterdam studeerde liep ik dagelijks langs de Beurs van Berlage en las ik die regel al (jaren ’80 van de vorige eeuw). Destijds heb ik er zelfs over geschreven in het huisblad van de P.A. Tiele Academie in Den Haag ‘Schuddegeest’.

De schrijver van het zeer inhoudelijke artikel maakt wat mij betreft wel een uitglijder. Over Ingmar Heytze (1970) van 2009 – 2011 de eerste stadsdichter van Utrecht en ruim vertegenwoordigd in de stad met straatpoëzie, schrijft René: “Heel virtuoos ongetwijfeld, maar het is geen poëzie die patsboem binnenkomt, zoals het gedicht over Truus” (Truus van Lier, verzetsvrouw die haar leven verloor in de oorlog). Ik vind hier wat van. Heytze wegzetten als een dichter zonder inhoud gaat me echt te ver. René begaat hier de fout die veel lezers van poëzie maken en dat is dat een gedicht emotioneel moet zijn of in ieder geval een emotie moet losmaken bij de lezer (en dan bedoelen ze meestal niet de emotie van schoonheid ervaren).

Elders in het artikel wordt het gedicht dat ik hier onder met jullie wil delen van Willem Hussem (1900-1974) als populair en aansprekend beoordeeld. Een aardig gedicht, zeker, maar in vergelijking met gedichten van Heytze zeker niet erboven uit stekend. Uiteraard wordt de onvolprezen studie ‘Poëzie buiten het boek‘ uit 2017 waar ze in 2021 op promoveerde, van Kila van der Starre (1988) aangehaald in het artikel, evenals de gedichten op vuilniswagens in Rotterdam en de Letters van Utrecht. Al met al geen nieuws maar aardig om te lezen, zeker voor lezers die niet veel hebben met poëzie.

.

zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op

.

 

 

Bevroren in de tijd

Frozen poets

.

De website frozenpoets.blogspot.com ken ik al wat langer maar vreemd genoeg heb ik er hier, op dit blog, nog nooit aandacht aan besteed. En een beetje aandacht verdient dit blog. Dichter Albert Hagenaars verzamelt al sinds oktober 2010 foto’s en voorbeelden van standbeelden, graven en andere artefacten van (inmiddels) 439 dichters.

Het doet me denken aan een combinatie van de categorie Gedichten op vreemde plekken en mijn instagram accounts @meerovergedichten en @struikeloverpoëzie, maar ere wie ere toekomt, deze blog is uniek in zijn soort en biedt heel veel geweldige informatie over dichters en poëzie. Neem dus vooral een uitgebreid bezoek en verwonder je over de prachtige beelden, de graven en andere artefacten die men in de loop der tijd heeft gewijd aan dichters.

Een van de dichters die ik er uit vond springen is George Rodenbach (1855-1898) en dan vooral het beeld dat er van hem gemaakt is en geplaatst is op zijn graf op begraafplaats Père Lachaise in Parijs. De foto is gemaakt door Albert Hagenaars zelf in oktober 2010 (daar dus terug te vinden).

Georges Raymond Constantin Rodenbach  was een Belgische symbolistische dichter en romanschrijver uit een Franse moeder en een Duitse vader. Rodenbach werkte als advocaat en journalist. Hij was een van de eerste medewerkers van het literaire tijdschrift La Jeune Belgique, en bracht de laatste tien jaar van zijn leven door in Parijs als correspondent van de Journal de Bruxelles. Hij publiceerde acht dichtbundels en vier romans, evenals korte verhalen, toneelstukken en kritieken. Een groot deel van zijn oeuvre is het resultaat van een hartstochtelijke idealisering van de rustige Vlaamse stadjes waarin hij zijn jeugd en vroege adolescentie had doorgebracht. Daarnaast wordt zijn werk gekenmerkt door een ‘zeer persoonlijk cachet van stilte, wazigheid, subtiele melancholie en mysticisme’. Rodenbach debuteerde in 1877 met de dichtbundel ‘Le Foyer et les Champs’. Zijn poëzie verscheen vooral in zijn beginjaren als schrijver en dichter, later zou hij zich meer op romans en korte verhalen toeleggen.

Natuurlijk bij deze informatie een gedicht van George Rodenbach en wel een zeer toepasselijk gedicht ‘Zoet herdenken’ dat verscheen in De Tweede Ronde, jaargang vijf uit 1984 in een vertaling van Peter Verstegen.

.

Zoet herdenken

.

O zoet herdenken van een liefde die verging!
O zoet herdenken van een droom die niet mocht wezen!
Je wandelt en denkt droef aan verzen, ooit gelezen;
Zeeschuim geeft aan het strand zilveren schittering.
.
Je hoort nog klokgelui, al is de kerk verdwenen!
O zoet herdenken van ziekbed en van herstel!
Bekoring van gedempte stemmen, van stil spel,
Waardoor de wildste ritmen ver verwijderd schenen.
.
Liefde die eindigt lijkt avondmelancholie;
Wie onderaan de berg zijn bloem geplukt heeft, moet
Zijn knieën verder sparen, ook zijn longen die
.
Zo moeten zwoegen als hij tot de top wil komen,
Want was de liefde die je ziel deed overstromen
Van langer duur geweest, dan was ze niet zo zoet!
.

Latrine poëzie

Toiletpoëzie 

 

De inscripties op de latrines van het voormalige Geboorteklooster in Tepoztlán, Mexico, zijn bijna volledig in de vergetelheid geraakt, maar bieden een onverwacht staaltje poëzie. Tegenwoordig is in het voormalige klooster het Museo de la Natividad gevestigd. Tijdens de renovatie van het historische gebouw werd graffiti ontdekt op de muren van de latrines. Aanvankelijk kon echter niemand de inhoud ontcijferen. 

Gelukkig  werd er tegelijkertijd aan de inwoners van Tepoztlán gevraagd om deel te nemen aan een ‘herinneringswedstrijd’ en voorwerpen met een betekenisvolle boodschap naar het museum te brengen.  Tot ieders verbazing meldde zich een vrouw met een stuk papier waarop een familielid de volledige tekst van de graffiti op het toilet had geschreven.

In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten in een oude kerkbadkamer, waren de korte teksten geen gebeden of religieuze verwijzingen, maar een reeks scabreuze gedichten, geschreven in 1840 door José Manuel de Mata en vervolgens in 1895 in het klooster geschilderd door José Donaciano. Ze gaan allemaal over toiletbezoek. Elk gedicht is nu afgedrukt op museumborden voor de latrine waar ze werden gevonden.  Hier zijn enkele voorbeelden:

‘Als je tijdens het eten fatsoenlijk bent,  in je kleding en spraak,  gedraag je dan ook netjes tijdens het toiletbezoek; toon jezelf dan niet onfatsoenlijk.’

‘Over ontlasting  maken we allemaal grapjes, en wanneer de tijd rijp is en de darmen weer tot rust komen, daalt de koning van zijn troon en verlaat de paus zijn stoel.’

Hoewel het klooster onder meer bekendstaat om het behoud van zijn originele muurschilderingen uit de Renaissance, is de poëzie van het buitentoilet een unieke bezienswaardigheid op zich.

Om toch met een hedendaags toiletgedicht te eindigen hier het gedicht ‘Sanitaire saltarello’ van dichter Erik Heyman (1960-2010).

.

Sanitaire saltarello

.

Laat alle water dan maar hier verdwijnen,

keer het de rug toch toe, neem het niet mee,

en raak verlost van alle onderhuidse pijnen.

Druk hier uw wil nog door, vergeef de druppel

niet die met de moed der wanhoop de om-

knelling wil vermijden. En zwijg mij dood, er is

papier genoeg om al uw zonden te belijden.

Weet dat ik u uit uw gedachten haal.

Dus lees en veeg mij weg, negeer mij straal.

.

Poëzieperiscoop

Trenčín

.

Van vrienden Ed en Brenda kreeg ik een appje vanuit Slowakije, vanuit Trenčín. In dat appje foto’s en een filmpje van een soort periscoop op een plein waaruit je, door te draaien aan de handel aan de zijkant, gedichten te horen krijgt. Uiteraard word ik daar nieuwsgierig van en Brenda stuurde me, nog voor ik kon gaan zoeken al een link toe (waarvoor dank!) over dit alleraardigste initiatief. 

Het betreft hier de Kaledomat of, zoals ie vernoemd is, de Poesiomat. Het is een bijzonder object dat lijkt op een periscoop van een onderzeeër. Het heeft een slinger en na het draaien werden er in eerste instantie kerstliederen uit verschillende landen van de Europese Unie afgespeeld. Nu biedt het echter gedichten van Trenčín-dichters van nu en vroeger, natuurgeluiden die verbonden zijn met de plek waar het staat, liederen en sprookjes.

Sinds 2015 plaatst de Tsjechische vereniging Piána na ulici, opgericht door Ondřej Kobza, poesiomats in de straten van de stad. “Oorspronkelijk ging het vooral om jukeboxen voor poëzie, maar in de loop der tijd is het concept uitgegroeid tot de huidige vorm, waarbij de Poesiomat de symboliek van een plek probeert vast te leggen – het is een soort versterker van de genius loci (de garantie van een plaats) “, legt Ondřej Kobza uit. “De magie van een plek kan verschillende vormen aannemen. Daarom kan een luisteraar van een Poesiomat, naast gedichten, bijvoorbeeld een sprookje of natuurgeluiden tegenkomen “, voegt hij eraan toe.

De Poesiomat die op het Štúrovo-plein in Trenčín in december 2025 is geplaatst, is de meest beluisterde van heel Tsjechië en Slowakije (meer dan 80 staan er al her en der), al meer dan 45.000 keer werden er gedichten afgespeeld. De Poesiomat werd ingesproken door acteurs en actrices van het Normálka Theater in Trenčín en door de acteur en mimespeler Pavol Seriš. 

Een van de dichters die te horen zijn in de Poesiomat is de dichter Rudolf Dobiáš (1934). Deze dichter heeft een zeer bewogen leven achter de rug, wat terugkomt in een van zijn bekendste gedichten ‘Niet-verzonden brief’, vertaald uit het Slowaaks door John Minahene.

.

Niet-verzonden brief

.

Met mijn eigen kruis in een koude cel
, ver van de hemel,
schreef ik naar huis: Ik voel me heel goed,
ik heb niets nodig.

De bewakers waken over mij,
wat heb ik nog te vrezen?
Ik weet dat Gods molens mij malen
en tot brood vermalen.

Mijn lichaam gloeit nu als door koorts
in Gods eigen gloeiende kolen,
en deze vier muren van puur wit
verheerlijken en prijzen Hem.

Mama, ik voel me prima. Dat is waar,
maar ik vind het wel jammer dat ik niet bij je kan zijn.

.

Dichtregel in gebarentaal

Boaz Blume en Sam Onclin

 Na bijna 40 jaar dichtregels in geschreven woord te hebben geplaatst, is er nu voor het eerst een dichtregel in gebarentaal op een Rotterdamse vuilniswagen te bewonderen. Volledig in stilte, maar met groot enthousiasme en zwaaiende handen. Tijdens Poetry International  van afgelopen weekend, onthulde het dove- en slechthorende dichtersduo Boaz Blume en Sam Onclin samen met Thomas van Brakel manager Inzameling & Hergebruik een dichtregel in geschreven tekst (andere zijde van de wagen) én gebarentaal.

Met begeleiding van verschillende gebarentolken introduceerde Thomas van Brakel de vuilniswagen en benoemde de unieke samenwerking: “Ik ben trots op de dichtregels op onze wagens, omdat wat vuilnis is voor de één, kunst is voor de ander. En omdat dichten schoonheid is, en wij proberen schoonheid te brengen naar Rotterdam. We maken de stad schoon en voegen ook nog schoonheid toe. Dat op een inclusieve wijze doen, die alle Rotterdammers bereikt, is een groot goed. Want buiten is van ons allemaal.”

Dichter Boaz Blume was ontzettend blij: “In mijn dromen zijn de gebaren stormen, levend, krachtig en onvoorspelbaar. Dansende handen schrijven gedichten in de lucht, zichtbaar voor wie wil kijken”. Deze regel is een viering van hoe ik denk: in beelden, in beweging. De Nederlandse Gebarentaal is voor mij niet alleen communicatie, maar een artistieke expressie die mijn identiteit en creativiteit vormgeeft.”

Op de foto van links naar rechts: dichtersduo Som Onclin (haar optredens variëren van poëtische voordrachten waarin ik de kracht van gebarentaal onderzoek, tot dynamische theatervoorstellingen waarin ze verhalen vertelt via gebaren en lichaamsbewegingen) en Boaz Blume ( lid van het dove dichterscollectief Kitchen’s Light , treedt op met eigen werk in de Nederlandse Gebarentaal en docent Gebarentaal) en manager Inzameling & Hergebruik Thomas van Brakel. Uiterst rechts de gebarentolk.
.
                                                                                                                      Foto: Rosa Quist Photography

Rijmelarij

Holland op z’n malst

.

In de nieuwsbrief van Meander en op verschillende social media kanalen verzorgt Jos van Hest al geruime tijd de rubriek Readymades. In deze rubriek verzamelt hij allerhande uitingen die hij tegenkomt en die op de een of andere manier als een vorm van readymade poëzie gezien kan worden. In de Volkskrant is er een rubriek die een beetje hetzelfde doet onder de noemer ‘De poëzie ligt op straat’.

Ik moest meteen denken aan deze twee vrolijke vormen van ‘poëzie’ toen ik in een kringloopwinkel een bundeltje tegen kwam (en kocht) met de titel ‘Holland op z’n malst’ uit 1978, een bundeling van koddige en ernstige opschriften op luifels, wagens, glazen, borden, graven en elders, samengesteld door Sam Waagenaar. Lezend in dit grappige bundeltje moest ik ook regelmatig denken aan de categorie Gedichten op vreemde plekken die ik jarenlang op dit blog heb bijgehouden.

In zijn inleiding schrijft Waagenaar dat na de serie oorlogen tegen Engeland er een tijd aanbrak van welvaart, In de schilderkunst maar ook in de literatuur. Hij haalt Vondel, Hooft en Cats aan en naar aanleiding van het lofschrift van Vollenhove op de dichter P.C. Hooft waarin hij schrijft: “Zoo ooit uw pen zich eer of duur belooft, begin toch niets in ’t Neerduitsch zonder Hooft”  vervolgt hij met: “Dat stukje literair advies werd volkomen nonchalant opzij gegooid, maar toch, misschien geïnspireerd door de grote Nederlandse dichters, nam Jan en Alleman de pen op en dichtte op zijn beurt.”

De resultaten waren niet direct verbeterde ediuties van de Gijsbrecht maar dat deed er niet toe, als ’t maar rijmde. Zodoende werd het rijmen en dichten een soort volksziekte, waarbij vergeleken het tegenwoordig op papier zetten van Sinterklaasgedichtjes niets anders dan een bloedarmoedige imitatie is. Ook de middenstand gaf zich hieraan over. Omdat er destijds nog geen reclame-experts waren, deed men dit gewoon zelf. Gedichtjes en rijmen werden geplaats op glazen, geschilderd op uithangborden, muren, deuren, schuttingen en toiletten.

In 1690 had een Amsterdamse uitgever Jeroen Jeroense, het idee om een verzameling aan te leggen van al deze puntdichten en graffiti.Veertig jaar later, in 1731 had hij drie verdere versies uit zijn uitgebreide verzameling toegevoegd. Uit de 2500 door Jeroense verzamelde dichterlijke vondsten koos Waagenaar 350 rijmelarijen en deze werden in dit bundeltje gepubliceerd. Hieronder een paar van de leukste voorbeelden.

.

Een paar Glas-schriften:

Hoe kan een jonge Vrou, een out man zoo bedriegen? Een ander maakt het Kint, en hy moet zitten wiegen.

Die in Venus Lusthof wil wandelen, moet stout zyn in ’t verzoek en zagtjes in het handelen.

Myn hert en tong blyft even jong. Maar myn standaart en myn bienen willen my niet langer dienen.

Een paar Luifel-schriften:

Tot een bakker omtrent Heusden:

Kain sloeg Abel in ’t Oosten doot, daarom woont hier Abel in ’t Westen, en hij bakt er broot.

Tot een Spekverkoper:

Die Saucysen koopt en weduwen trouwt, weet niet wat daar is in gedouwt.

Een paar Graf-schriften:

te Maaslands Sluis:

Hier in der aarde, by de swarte mollen, leid een Ontvanger van verscheiden Tollen; Is de Ziel in den Hemel, zo is alle dingen wel, want daar waaren ‘er veel die hem wenschten in de Hel.

Hier lyt Tryn Snaps, sy had altyd veel klaps, en dit en heeft ‘er tot den einde niet berouwen, maar ze leit daar ze leit, ze zal nou haar bek wel houwen.

.

Gedicht op een watertoren

J.J.L. ten Kate

.

Het is alweer even geleden dat ik iets heb geplaatst in de categorie gedichten op vreemde plekken. Dat is vooral te danken aan het feit dat de meeste gedichten (vooral die in de openbare ruimte) op muren en ramen worden aangebracht en hoe leuk en inventief die vaak ook zijn, de drager van het gedicht (raam, muur) blijft dezelfde. Toch zal ik vandaag een nieuwe ‘drager’ aan de gedichten-op-vreemde-plekken serie toevoegen en dat is een watertoren. En wel de watertoren in Dordrecht

In het verleden was de bevolking van Dordrecht afhankelijk van pompen, putten en grachten voor drinkwater. Deze waren erg vies en fungeerden vooral als een doorgeefluik van allerlei ziekten. In de jaren 1870 werd de IJzerenbuiswaterleiding aangelegd, maar de kwaliteit van het drinkwater bleef ondermaats. Pas in 1883 leverde de gemeentelijke Hoogdrukwaterleiding Dordrecht schoner drinkwater aan een deel van de inwoners. Dichter en theoloog Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819-1889) schreef hierover het volgende gedicht:

.

De vijand, vaak de schrik
van Neêrlands lage
gronden.
Heeft hij dit huis betreên.
Vertrekt, als weldoend
vriend van zieken en
gezonden,
En richt naar Dordt zijn
schreên.

.

Hiermee wilde Ten Kate vieren dat er eindelijk veiliger drinkwater werd geproduceerd in Dordrecht en dat de tijd van epidemieën voorbij zou zijn. Hoewel er een grote stap werd gezet richting schoon en veilig drinkwater voor die tijd, was de waterkwaliteit nog verre van het niveau dat uiteindelijk bereikt zou worden. Het gedicht van ten Kate is nu aangebracht op de wand van de watertoren die heden ten dage geen dienst meer doet als watertoren, want het waterleidingbedrijf maakt tegenwoordig gebruik van krachtige pompen.

Ten Kate was een zeer productief dichter, die gemakkelijk kon rijmen. Hij debuteerde in 1836 met de bundel ‘Gedichten’. Zijn bekendste gedicht is ‘De schepping’ (1866), waarin hij probeert Bijbelse en natuurwetenschappelijke standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij vertaalde ook buitenlandse literatuur, waaronder ‘Paradise Lost’ van Milton en in 1879 de ‘Faust’ van Goethe. Dat hij ook in het buitenland werd gewaardeerd blijkt uit het feit dat hij in 1865 de Zweedse koninklijke onderscheiding Litteris et Artibus in ontvangst mocht nemen.

.

Rattenhoofdstad

The Chicago Rat Hole

.

Op zoek naar de rafelranden van de poëzie ben ik in de loop der jaren al vele wonderlijke en bijzondere plekken en gebeurtenissen tegen gekomen. Vrijwel al die berichten heb ik gerangschikt in de categorie Gedichten op vreemde plekken of Gedichten in vreemde vormen. Vandaag wil ik daar een gedicht aan toevoegen dat zich op een bijzondere plek bevindt én, en dit betreft niet zozeer het gedicht zelf maar de aanleiding tot het gedicht, een bijzondere vorm betreft.

Het gaat over de Chicago Rat Hole. Op een stoep in Roscoe Village aan de noordkant van Chicago bevindt zich een gat. Het gat is een afdruk van een knaagdier – een rat, of zoals sommigen veronderstellen, een eekhoorn – die volgens de legende zo’n twintig jaar geleden in vers cement is gevallen. De afdruk dus van een dode rat. Op zichzelf niet verassend in een stad die in 2022 al achtmaal op rij de rattenhoofdstad van de Verenigde Staten was.

Omdat het gat nogal wat bezoekers trok bleek iemand het een goed idee te vinden om het gat te vullen met cement. Bezorgd om het behoud van het gat, groef een volhardende buurman het gat uit (met zijn kentekenplaat!) naar zijn originele vorm en sindsdien, nadat Winslow Dumaine, een kunstenaar en komiek, er een foto van op sociale media plaatste, gaan berichten over de Chicago Rat Hole viraal. Naar aanleiding van de tweet die hij erover plaatste en het viraal gaan, heeft de Chicago Rat Hole al een eigen Wikipedia-pagina, veel media-aandacht en een speciale markering die het als “museum” op Google Maps vermeldt.

Inmiddels is de Chicago Rat Hole een toeristische attractie die concurreert met Bean in Millennium Park en wordt hij wel het Stonehenge van Chicago genoemd. Maar er is dus meer. en daar komt de poëzie om de hoek. Een dichter schreef een gedicht over de Chicago Rat Hole en de Riot Fest Historical Society heeft er zelfs een plaquette aan gewijd. Inmiddels is de Chicago Rat Hole ook een soort van moderne bedevaartplaats geworden waar mensen allerlei geschenken achterlaten zoals muntjes, gedichten, rubber eendjes, Starbucks mokken en allerlei voedsel en drankjes. Een gedicht dat werd achtergelaten bij de Rat Hole in (mijn) vertaling gaat als volgt:

In het hart van Chicago verschijnt een gat,

een rattenvormige leegte die mensen aantrekt.

Diepe emoties, een geleidende zucht. Samenkomend, onder de stadshemel.

Betuig uw respect en laat uw gevoelens de vrije loop.

Laat mededogen groeien in dit heiligdom op de stoep

.