Site-archief

Wij waren getuigen

Zwarte markt

.

Een paar welken geleden was ik in Antwerpen op een rommelmarkt en daar lag bij een standje een groot boek met een bijzondere tekening voorop. Het bleek een boek met gedichten en tekeningen te zijn over de tweede wereldoorlog dat bij uitgeverij Vrij Nederland verscheen in 1946. Het betreft hier de bundel ‘Wij waren getuigen’. Deze bundel met 30 gedichten van Theun de Vries en tekeningen van Piet Klaasse wordt ingeleid door Jan H. de Groot (1901-1990) en Ed Hoornik (1910-1970). De bundel bevat naast gedichten en tekeningen ook houtsneden en spotprenten die kritiek uiten op of een aanklacht vormen tegen de nazi’s en de Duitse bezetting 1940 – 1945.

Op Bevrijdingsdag leek het me een goed moment om ook op dit blog stil te staan bij herdenken en de gruwelheden van de tweede wereldoorlog. Uit dit boek met gedichten over de oorlog, dat overigens gratis via Delpher te lezen is, koos ik het gedicht ‘Zwarte markt’.

.

Zwarte markt

.

Zijn wij niet nationaal?

Wij spreken Hollands taal

En Leev’ren kaas en boter –

Ons risico is groter

Dan van U allemaal.

.

Zijn wij niet nationaal?

Wij kwanslen ei en aal,

De handel is ons hei;lig;

In onze zak blijft veilig

Het Joodse kapitaal.

.

Zijn wij niet nationaal?

Al scheren wij U kaal:

Bedenk bij al uw plagen

Hoeveel wij voor U wagen,

Zwijg – en betaal.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

Herwig Hensen

.

Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.

In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.

De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.

Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

Grond, wateren, beemden, bomen,

De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,

En ’t land waarvan wij dromen

.

Wat geven wij onze kinderen mee

Behalve spreuken en kogels?

Niet eens het zuivre zout van de zee

En ’t zingen van de vogels

.

Maar wél het gif en het haastige kruit,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

Bedriegers of barbaren?

.

Babel nu

Aad van der Waal

.

In de bundel ‘Daar begint de poëzie’, alweer een bundel met de beste 100 gedichten van de Turing Gedichtenwedstrijd, dit keer uit 2013, lees ik het gedicht ‘Babel nu’ van Aad van der Waal. In dit gedicht klinkt onverholen kritiek op de (perverse) verdeling van geld en welvaart in de wereld door. Benieuwd naar deze dichter ging ik op zoek. Aad van der Waal staat bekend als de meest aanwezige en productiefste stadsdichter van Apeldoorn. Bij zijn afscheid van de functie van stadsdichter (2017-2020) verscheen er een bundel met zijn stadsgedichten (tachtig gedichten) met als titel ‘Apeldoorn tussen twee kussen’. Het eerste gedicht dat Aad van der Waal in 2017 als stadsdichter van Apeldoorn schreef was Kus I; het gedicht waarmee hij drie jaar later afsloot, heet ‘Kus II’.

Aad van der Waal (1963) is naast dichter ook theatermaker, acteur, muzikant, toneelschrijver en oprichter van theater Merlijn in Apeldoorn. De poëzie van van der Waal typeert zich door zijn toegankelijke manier van schrijven, de vele kwinkslagen, treffende woordspelingen, kritische noten en soms ook ontroerende verzen. De twee kussen uit de titel van zijn afscheidsbundel als stadsdichter verwijzen naar 2 kussen. Het eerste gedicht ‘Kus I’ verwijst naar het beeld op het stationsplein in Apeldoorn van Jeroen Henneman ‘De Kus’. Het beeld is geplaatst rond 2007. ‘Kus II’ schreef hij aan het begin van de Coronaperiode toen iedereen anderhalve meter afstand moest houden.

Maar het gedicht waar hij in 2013 meedeed aan de Turing Gedichtenwedstrijd staat los van zijn stadsdichterschap. Een gedicht met twee gezichten, aan de ene kant de welvarende, rijke Westerling, afgewisseld met arme ‘Oosterlingen’ die geen cent te makke hebben.

.

Babel nu

.

Jan Willem wil ‘m medium gebraden
en na ’t dessert een bolknak met cognac
Romano slaat geen acht meer op de maden
en schraapt zijn kostje uit een vuilnisbak

Gerardus wil het nieuwste apparaatje
en Katja; mode van het duurste merk
Nawal begraaft haar uitgedroogde maatje
Vasil verliest zijn jeugd in mannenwerk

Andréas krijgt een Rolex van zijn oma
Rashid; een schijntje voor zijn rechter nier
Marina sleept een cruise uit haar diploma
Mei-lan verkoopt haar lijfje per kwartier

Er gapen tussen talloze verhalen
vaak kloven die geen tolk meer kan vertalen

.

Vrije gedachte

Denk na!

.

De afgelopen week heb ik me weer verbaasd over hoe de geest van de mens werkt. In een televisieprogramma over sekten waren het mensen die blind en kritiekloos de meest dubieuze sekteleiders volgden, in de politiek stemgerechtigden die blijkbaar zonder enige vorm van kennis dingen zeiden waarvan elk realistisch en objectief denkend mens meteen weet dat het waanideeën of nepnieuws is, op partijen stemden waarin allerhande dubieuze types de lijsten bevolkten (massamoordenaar-verheerlijkers, uitgesproken Nazi’s, post NSB-ers en ga zo maar door), of zomaar teksten bezigden waar geen touw aan vast te knopen was of waar de onzin en onwaarheden strijden om een plaatsje op de eerste rij.

Waarom deze wat lange inleiding? Binnen de groep van de zoogdieren neemt de mens een bijzondere postie in. Op vele terreinen maar wat ik zelf altijd de meest bijzondere eigenschap van de mens heb gevonden ten opzichte van zijn soortgenoten, is het gegeven dat wij mensen over een (vrije) eigen wil beschikken en uitzonderlijk functionerende  hersenen hebben Hoewel andere zoogdieren ook complexe hersenen hebben, bezit de mens een ongekend grote en complexe neocortex, wat resulteert in abstract denken, zelfbewustzijn, complexe taal en probleemoplossend vermogen.

De laatste tijd (het speelt vaker op) vraag ik mezelf af of we onze hersenen überhaupt wel gebruiken? Vraag ik mezelf af of mensen niet gewoontedieren zijn die het liefst de makkelijkste weg nemen en elkaar domweg napraten, nog louter hun onderbuik laten beslissen over wat te denken of te zeggen, niet meer nadenken, geen zelf gevormde gedachten hebben gebaseerd op nieuwsgierigheid en onafhankelijk denken. Dit waren allemaal gedachte die door mijn hoofd speelde toen ik in de bundel ‘Licht’ Het museum van de poëzie, 125 dichters uit meer dan vijftig landen aan het lezen was. Bij verschillende gedichten kwamen deze gedachten boven.

Dat is dan ook de reden dat ik twee van de gedichten uit deze bundel hier als dubbelgedicht wil plaatsen. Het eerste gedicht is van de Sloveense dichter Boris Novak (1953) en is getiteld ‘Beslissingen’ in een vertaling van Daan Bronkhorst uit 1995. Het tweede gedicht is van Ramsey Nasr (1974) en is getiteld ‘Tafelgenoten’. Het komt uit zijn bundel ‘Mi have a droom‘ uit 2013.

.

Beslissingen

.

Tussen twee woorden

kies het stilste.

.

Tussen woord en stilte

kies luisteren.

.

Tussen twee boeken

kies het stoffiger.

.

Tussen de aarde en de hemel

kies de vogel.

.

Tussen twee dieren

kies die je meer nodig hebt.

.

Tussen twee kinderen

kies beide.

.

Tussen het kleiner en het groter kwaad

kies geen.

.

Tussen hoop en wanhoop

kies hoop

die is moeilijker te dragen..

.

Tafelgenoten

.

Al wie dit hoort: schrikt niet.

Peinst niet dat ik echt in ’t radiomachien

of in uw woonst verborgen zit – hier klinkt

uw eigen onbekende stem van ether.

Modern-kekke mens, komt toch aan tafel

laat ons een kleine geschiedenis eten.

.

Hangt eerst uw zelfbeeld in de gang.

Legt goede smaak op de bestemde plank.

Veegt voeten, handen, eigenschappen.

Trekt uw beroep uit. Laat u zich gaan.

Staat u mij toe de laatste dromen

en vaste lastjes van u af te slaan.

.

Ik moet u, als in vroeger dagen

vragen het ras voorzichtig los te pellen.

Afkomst verwijderen, kleur ontkennen.

Wandelt nu rond, geheel doorschijnend

door alle lege kamers van het lijf.

Doden gelijk. En o ja: zeg jij tegen mij.

11

We zijn nu bijna zonder opsmuk.

Ontkleed je. Ga tot op de huid.

Kijken we samen naar je buik, je rug

tien vingers, één navel, het vet in je zij

alle botten, wervels en kiezen verzameld

alle trilharen aan tafel. Dat ben jij.

En in deze schaamte zijn we vrij.

.

Ik proost vandaag op onze naaktheid

in de hoop dat niemand ooit

het werelddeel in je ontdekt

je longen bezet, opvult met honger

en zijn geloof in je plant als een schoffel.

.

Zet je schrap tegen mij. Alleen hier

in weerloosheid zijn wij vrij.

.

Ed. Hoornik

Meisje in de tram

.

Er is de laatste tijd weer veel aandacht aan de onveiligheid van vrouwen en meisjes. Op allerlei ongure plekken maar ook gewoon in de buitenruimte, in het openbaar vervoer en in openbare en commerciële gebouwen en etablissementen. Heel terecht en gelukkig is er veel aandacht voor, en helaas is er nog steeds behoefte aan deze aandacht want meisjes en vrouwen ervaren nog steeds de veiligheid die heel natuurlijk zou moeten zijn, niet.

En denk nou niet dat dit iets is van de laatste tijd, al vele decennia ervaren vrouwen deze onveiligheid, misschien is het iets van alle tijden, en is er, door allerlei incidenten zo nu en dan meer aandacht voor. In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1979 van Ed. Hoornik (1910-1970) staat een gedicht dat juist die onveiligheid als onderwerp heeft. En dat is bijna 50 jaar geleden. Alle reden om er bij stil te blijven staan en er iets aan te doen, waarbij ik me realiseer dat dit slechts een kleine druppel op de spreekwoordelijke gloeiende plaats is.

.

Meisje in de tram

.

Mannen kijken mij aan,

kleden mij haastig uit,

breken in in mijn huid,

randen mij overal aan,

kunnen niet verder gaan.

.

Maar het kind dat daarnet,

toen zijn moeder niet keek,

zo maar een krant als steek

op zijn hoofd heeft gezet,

lacht het helemaal weg.

.

Zittend in een tram,

even mezelf ontsnapt,

voel ik soms broederschap.

Warmte trekt door mij heen.

Haastig zet ik mij schrap.

.

Vloek van de oorlog

Li Tai Po

.

De Chinese lyriek behoort, samen met de Hebreeuwse en de Indische lyriek, tot de oudste van de wereldliteratuur (meer dan duizend jaar oud). Maar voor de Chinezen blijft deze literatuur tot op de dag van vandaag actueel en gelezen. En dat betreft vooral de verzen van lyricus, avonturier en drinker uit de T’ang periode Li Tai Po (701-762) of zoals hij tegenwoordig beter bekend is Li Bai. Li Bai wordt ook wel de onsterfelijke dichter genoemd en wordt beschouwd als de grootste Chinese dichter aller tijden.

In de bundel ‘Hart van Jade’ Chinese lyriek uit 1978 (derde druk) wordt Li Bai echter steeds opgevoerd als Li Tai Po en leefde hij van 702-763. Dichter Willem Brandt (1905-1981) heeft bijna dertig jaar in het Verre Oosten doorgebracht. Zijn poëzie is als resultaat daarvan sterk door oosterse motieven beïnvloed. Zijn aanrakingen met China gaven hem het gevoel van een bijzondere affiniteit ten aanzien van de klassieke Chine lyriek waarvan hij vele verzen herdicht heeft. Volgens deskundigen komen zijn herdichtingen het origineel op onnavolgbare wijze nabij (aldus de inslagtekst van de bundel).

Omdat Brandt zijn aantekeningen begint met Li Tai Po en omdat dit algemeen wordt gezien als de grootste dichter van China hier een gedicht van hem uit de bundel getiteld ‘Vloek van de oorlog’ een titel die nog steeds helaas heel actueel is.

.

Vloek van de oorlog

.

Een mager paard graast in de sneeuw van Tientsjan;

drie legerscharen roeiden zich hier uit.

Een snoer van bekkenelen op de vlakte,

geschrei van hengsten als een schrille fluit,

en raven rijgen, zwarte kraal na kraal,

zich aan de takken die hun knoken rekken.

Dode soldaten tot in het portaal

van het paleis. Laat nu de generaal

zijn doden wekken!

.

Vervloekt de oorlog, vloek over het zwaard.

Wat is het einde van uw waanzin waard?

.

De wijze zal slechts ’t eigen hart doorkerven

tot offerbloed, opdat de mens ervaart

hoe uit de dood het leven te verwerven.

.

Aan het eind van alles

Edwin Fagel

.

In 2007 publiceerde Edwin Fagel (1973) de bundel ‘Uw afwezigheid‘. Toen ik deze bundel van de week nog eens doorlas (ik was de stapel dichtbundels van de afgelopen maand aan het doorkijken, welke had ik al behandeld, welke nog niet, en vooral; waar zal ik ze opruimen, mijn kasten zijn reeds overvol) kwam ik het gedicht ‘Aan het eind van alles’ tegen. Een gedicht dat de angst van veel mensen over de groei van het fascisme in westerse samenlevingen in een persoonlijk relaas beschrijft. Omdat dit gedicht de actualiteit raakt is het wat mij betreft urgenter dan ooit.

.

Aan het eind van alles

.

Jane, ik weet niet

wat ik moet doen als de

fascisten door de straat marcheren.

Als ik dezelfde wapens had als zij

zou ik ze uitroeien.

.

Ik begraaf mijn boeken

en wacht ze op in bed.

.

Ik vertrelde Menno de anekdote van Alain,

de ‘fils d’auteur’ van vier, die op een middag

langs zijn neus weg zei: ‘Godverdommi, ik verveel mij.’

Hij lachte

.

weg wat hij wist

dat niet weg te lachen valt, hij weet

dat terwijl we sterven van angst

we zullen schrijven, terwijl we schrijven

we zullen sterven van angst, het is

.

een kwestie van tijd nu.

.

De bol is rond

Michael Tedja

.

De in Rotterdam geboren maar in Vlaardingen opgegroeide, schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en curator Michael Tedja (1971) is niet alleen een zeer veelzijdig man maar ook echt een kunstenaar. Ik leid dat af aan zijn oeuvre maar ook aan het feit dat hij in woorden zijn universum heeft benoemd. Of zoals hij het noemt de fictieve ruimte waarbinnen zijn beeldend werk, zijn poëzie en proza samenkomen. Hij noemt dit Het Holarium. Deze virtuele ruimte bestaat uit een systeem opgebouwd uit fragmenten van taal, ritme en onderzoek die samen een coherente entiteit vormen. Het verzamelen van deze fragmenten wordt door hem ‘aquaholisme’ genoemd, net als ‘Holarium’ een samenvoeging van de woorden aquarium en holisme (het zoeken naar verbindingen die losse eigenschappen tot één geheel maken). Het Holarium was ook de titel van zijn eerste solotentoonstelling in Museum Jan Cunen in Oss in 2002.

Tedja debuteerde als dichter in 2005 met de bundel ‘De aquaholist’ bij de Rotterdamse uitgeverij Sea Urchin, een uitgeverij gespecialiseerd in ‘historical avant-garde and counterculture’, met gedichten en prozagedichten. In 2013 verschijnt zijn tweede bundel met de titel ‘Tot hier en verder’. De titel is gebaseerd op de betekenis van de naam Tedja. Deze betekent in het Surinaams: tot hier. Te = tot, en dja = hier. In 2015 verschijnt de bundel ‘Regen’ dat afkomst en racisme als thema heeft.

En nu, dit jaar verschijnt zijn bundel ‘Lift’, een ‘eigenzinnig en gelaagd kunstwerk dat een kritische blik biedt op de samenleving.  Tedja kreeg voor zijn literaire werk de Sybren Poletprijs (2021) en de Jana Beranováprijs 2020. Uit zijn laatste bundel ‘Lift’ heb ik een gedicht gekozen waarin de lift een centrale rol speelt.

.

Het verschil tussen

rijk en arm was als koren op het

mechaniek. De

relaties tussen de flatbewoners.

.

Ik wilde die

relatiegeschiedenis omverwerpen, het mechaniek

van de lift veranderen

en opbouwen

met ronde informatie

in de vorm van een wereldbol

.

De wereldbol was eindig

en oneindig, universeel en persoonlijk.

.

Net zoals de bollen,

die altijd bol waren, waar

ik die ook liet staan of aan ophing.

De cirkel was bol

en die was rond.

.

Question

The Moody Blues

.

Naast dichters zijn er vele muzikanten en tekstdichters van liedjes die in verzet komen tegen ongerechtigheid. De protestliederen uit de jaren ’60 zijn misschien wel de bekendste. Denk aan Bob Dylan en Boudewijn de Groot. Ik schreef al eens over de verschillen tussen gedichten en liedteksten maar er zijn natuurlijk ook onmiskenbaar overeenkomsten. De verschillen zoals genoemd in dat blogbericht zijn ook van toepassing op het nummer ‘Question’ van The Moody Blues uit 1970. Het nummer verscheen eerst als single en later dat jaar stond het op de LP ‘A Question of Balance’.

Zonder dat Vietnam genoemd wordt, ging het nummer over de daar heersende oorlog (de oorlog duurde vanaf 1955 tot uiteindelijk 1975). Gitaris Justin Hayward van de band (die het nummer schreef) zegt daarover: Het werd geschreven in een tijd dat we door Amerika toerden, en veel jongeren van onze generatie in angst leefden om opgeroepen te worden voor een vreselijk conflict (de Vietnamoorlog), dus ik denk dat we in zekere zin namens hen spraken.

In datzelfde jaar (1970) verschenen meerdere protestliedjes over de Vietnamoorlog, denk aan ‘War’ van Edwin Starr en ‘Who’ll stop the rain’ van Creedence Clearwater Revival.

.

Question

.

Why do we never get an answer when we’re knocking at the doorWith a thousand million questions about hate and death and war?‘Cause when we stop and look around us, there is nothing that we needIn a world of persecution that is burning in its greed
.
Why do we never get an answer when we’re knocking at the door?Because the truth, it’s hard to swallow, that’s what the war of love is for
.
It’s not the way that you say itWhen you do those things to meIt’s more the way that you mean itWhen you tell me what will be
.
And when you stop and think about itYou won’t believe it’s trueThat all the love you’ve been givingHas all been meant for you
.
I’m looking for someone to change my lifeI’m looking for a miracle in my lifeAnd if you could see what it’s done to meTo lose the the love I knew could safely lead me through
.
Between the silence of the mountains
And the crashing of the sea
There lies a land I once lived inAnd she’s waiting there for me
But in the grey of the morningMy mind becomes confusedBetween the dead and the sleepingAnd the road that I must choose
.
I’m looking for someone to change my lifeI’m looking for a miracle in my lifeAnd if you could see what it’s done to meTo lose the love I knew could safely lead me toThe land that I once knewTo learn as we grow old the secrets of our souls
.
It’s not the way that you say itWhen you do those things to meIt’s more the way you really mean itWhen you tell me what will be
.
Why do we never get an answer when we’re knocking at the doorWith a thousand million questions about hate and death and war?‘Cause when we stop and look around us, there is nothing that we needIn a world of persecution that is burning in its greed
.
Why do we never get an answer when we’re knocking at the door?
.

Gedichten uit de gevangenis

Etheridge Knight

.

Gevangenissen zijn plaatsen waar veel poëzie gelezen en geschreven wordt. Blijkbaar zijn het plekken waar aan retrospectie gedaan wordt en tijd is er in veel gevallen zeker. In het land waar de gevangenissen boordevol zitten (volgens het Reformatorisch Dagblad bevinden zich in de Verenigde Staten ongeveer 25% van alle gevangenissen wereldwijd en herbergen ze het hoogste aantal gevangenen ter wereld) en waar (en misschien wel omdat) gevangenissen een verdienmodel zijn, zijn er verschillende dichters onder gevangenen opgestaan.

Een van de bekendste is de Afro-Amerikaanse dichter Etheridge Knight (1931 -1991). Hij maakte in 1968 naam met zijn debuutbundel ‘Poems from Prison’. Het boek herinnert in versvorm aan zijn acht jaar durende gevangenisstraf na zijn arrestatie voor een overval die hij in 1960 pleegde. Tegen de tijd dat hij de gevangenis verliet, had Knight een tweede deel voorbereid met zijn eigen geschriften en werk van zijn medegevangenen. Dit tweede boek, voor het eerst gepubliceerd in Italië onder de titel ‘Voce negre dal carcere’ verscheen in 1970 in het Engels als ‘Black Voices from Prison’.

Met deze twee bundels werd Knight één van de belangrijkste dichters van de Black Arts Movement , die bloeide van begin jaren 1960 tot midden jaren 1970. Met wortels in de burgerrechtenbeweging , Malcolm X en de Nation of Islam en de Black Power-beweging, probeerden Etheridge Knight en andere Amerikaanse kunstenaars binnen de beweging politiek geëngageerd werk te creëren dat de Afro-Amerikaanse culturele en historische ervaring onderzocht.

Maar Knight wordt ook beschouwd als een belangrijke dichter in de mainstream Amerikaanse traditie. Na zijn gevangenschap behaalde hij in 1990 een bachelor in Amerikaanse poëzie en strafrecht aan de Martin Center University in Indianapolis. Ook doceerde hij aan de Universiteit van Pittsburgh, de Universiteit van Hartford en de Universiteit van Lincoln.

In de bundel ‘The Essential Etheridge Knight’ uit 1986 staat het gedicht dat hij schreef voor Malcolm X, getiteld ‘For Malcolm, a Year After’. 

.

For Malcolm, a Year After

Compose for Red a proper verse;
Adhere to foot and strict iamb;
Control the burst of angry words
Or they might boil and break the dam.
Or they might boil and overflow
And drench me, drown me, drive me mad.
So swear no oath, so shed no tear,
And sing no song blue Baptist sad.
Evoke no image, stir no flame,
And spin no yarn across the air.
Make empty anglo tea lace words—
Make them dead white and dry bone bare.
Compose a verse for Malcolm man,
And make it rime and make it prim.
The verse will die—as all men do—
but not the memory of him!
Death might come singing sweet like C,
Or knocking like the old folk say,
The moon and stars may pass away,
But not the anger of that day.

.