Site-archief

Mijn ziel is op het lijf verliefd

René Verbeeck

.

De naam René Verbeeck (1904-1979) zal niet bij veel mensen een lichtje doen laten branden. Deze Vlaamse dichter was in zijn tijd echter geen onbekende dichter en was op het gebied van de poëzie onder de mensen brengen zeer actief. Hij is de auteur van elf dichtbundels en essayist.

Hij stond mee aan de wieg van de literaire tijdschriften De Tijdstroom (1930-1934) en Vormen (1936-1940) en richtte in 1937 de poëziereeks Bladen voor de Poëzie op. Tussen 1937 en 1943 verschenen in die reeks een zeventigtal dichtbundels, waaronder werk van collaboratiegezinde auteurs als Paul de Vree, Bert Peleman en Blanka Gijselen. Omdat hij samenwerkte met de Duitse bezetter zat hij na de oorlog 22 maanden in de gevangenis.

Samen met dichter als Buckinx en Demedts wordt hij gerekend tot de generatie van dertig, de zogenaamde postexpressionisten die een terugkeer naar de innerlijkheid en persoonlijke uitdrukking voorstonden. Verbeeck debuteerde in 1926 met de bundel ‘Oriëntering’ en pas in de jaren ’60 van de vorige eeuw werd zijn werk weer opgepakt en publiceerde hij een aantal bundels.

In 1973 werd een gedicht van Verbeeck opgenomen in ‘Gedichten 1973’ de poëziereeks van het Davidsfonds te Leuven onder redactie van Jos de Haes en Hubert van Herreweghen. Het gedicht ‘Mijn ziel is op het lijf verliefd’ lees je hieronder.

.

Mijn ziel is op het lijf verliefd

.

Mijn ziel is op het lijf verliefd

zij heeft er alles van ontvangen

.

zij mag in al zijn kamers wonen

in ’t wonder van de warmte binnenin

.

in ’t hart dat haar zo teder dwingt

te paren met de dingen die daarbuiten zijn.

.

zij kan er wandelen in haar ver verleden

over de vruchtbare weiden van de slaap

.

feestvieren in het schuimend bloed, ’t luidruchtig vlees

waarin de beenderen zo stil hun uur verbeiden.

.

zij krimpt ineen soms in de vingers van de pijn

die in de zenuw boort en beitelt

.

verstomt bij ’t instorten van de stem

terwijl vanuit de grond een andre dwingend roept

.

en leert allengs in liefdes lijflijk avontuur

– arm zieltje mij – wat tijd is en verval

.

en wat, wat kan zij later daarmee doen?

.

Rhyme doesn’t pay

Paul van den Hout

.

Paul van den Hout (1939-2015) was een Nederlands dichter (light verse), vertaler en romanschrijver. Hij studeerde Grieks en Latijn in Leiden en Groningen en tijdens zijn studies raakte hij bevriend met voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) en Jean Pierre Rawie (1951).

Als dichter publiceerde Van den Hout in het literaire tijdschrift Kort Verhaal, dat later zou worden omgedoopt tot De Tweede Ronde. Daarnaast verschenen er twee dichtbundels van zijn hand; ‘Oud heden’ (2002) en ‘De muze en de misdaad’ (2010) een verhaal in versvorm. Ook verschenen gedichten van hem in bloemlezingen zoals in ‘Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19e t/m de 21ste eeuw in  2000 en enige gedichten’.

Dat de poëzie geen vetpot is blijkt ook uit het feit dat Van de n Hout voor zijn broodwinning een groot aantal titels uit de Bouquetreeks vertaalde.

In de bundel ‘Reisgenoten op dit narrenschip’ de geestigste gedichten uit vijftig nummers van De Tweede Ronde (1993), bijeengebracht en ingeleid door Jos Versteegen, kwam ik het sonnet ‘Rhyme doens’t pay’ tegen, een mooi voorbeeld van Van den Hout’s kunne.

.

Rhyme doesn’t pay

.

Van alle verzen die hij tobbend, weegt en wikt,

ze toetsend aan het oor, ze op de lippen proevend,

is ’t aantal dat hij overhoudt ronduit bedroevend,

als vel na volgeschreven vel wordt weggemikt.

.

Dan heeft die Dante het ‘m toch maar mooi geflikt,

verzucht hij, met verbeten nijd zijn pen dichtschroevend.

Maar ’s avonds in de kroeg hangt hij weer, dronken snoevend,

de Dichter uit, wat men – mèt zijn jenever – slikt.

.

Na jaren van droog brood, huurschuld en bedsermoenen

heeft hij toen op een nacht zijn hele werk verbrand

en, turend in het vuur, vervloekt zijn visioenen.

.

Zijn vrouw is trots op hem; ze kan hem nu wel zóenen:

hij heeft een heuse baan, een rekening courant,

en loopt ook nooit meer naast zijn braaf gepoetste schoenen.

.

 

Polderland

Lou Loeber en Jan Willem Schulte Nordholt

.

Enige tijd geleden was ik in het Stedelijk Museum Schiedam. Voor wie dit museum niet kent, het is een absolute aanrader voor iedereen die van moderne kunst houdt. In het museum was (en nog is meen ik) een tentoonstelling te zien van werken van de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983). Loeber was een sociaal maatschappelijk geëngageerde kunstenaar en lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij). Haar werk werd beïnvloed door het kubismeDe Stijlexpressionismeneoplasticisme en symbolisme maar ze beschouwde zichzelf niet als een abstracte schilder. Al deze elementen en stijlfiguren zijn goed en herkenbaar te zien in de getoonde werken. 

Bij een van de werken van Loeber, het schilderij getiteld ‘Verten’ hing een bordje met enige informatie. Dit schilderij is geïnspireerd door het gedicht ‘Polderland’ uit 1950 van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Schulte Nordholt was dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ‘Het bloeiende steen’ een illegale oorlogsuitgave, onder het pseudoniem W.S. Noordhout. Hierna zouden nog zeven dichtbundels verschijnen en verschillende bloemlezingen. Schulte Nordholt kreeg voor wijn werk als dichter onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1952), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961) en de Zilveren Anjer (1991).

Hieronder de afbeelding van het schilderij van Loeber ‘Verten’ en het gedicht van Schulte Nordholt ‘Polderland’.

.

Polderland

.

De verten komen eindeloos mij tegen,

Gaan door mij heen en achter mij te loor,

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

Recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,

.

Met zoveel wolken en met zoveel dromen,

Met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

Dit is het landschap voor zijn paradijs.

.

Ach, d’avond valt – Rijd ik het donker door,

Dan is het groot geluid van wind en regen

Het enig landschap in mijn diepe oor.

.

Gedichten in het spoorwegmuseum

Gedichtenroute

.

In het spoorweg museum in Utrecht is een gedichtenroute voor alle leeftijden te volgen. ‘Bestijg nooit de trein zonder uw valies met dromen’. Deze eerste regel uit het gedicht ‘Bericht aan de reizigers’ (1934) van Jan van Nijlen (1884-1965) staat groot op de muur van het Maliebaanstation. Op de labels van de koffers onder dit gedicht staan verschillende ander gedichten, geïnspireerd door de trein.

Dat het gedicht ‘Bericht aan de reiziger’ tot allerhande inspiratie heeft geleid blijkt uit het gedicht van voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) met diezelfde titel, of wat dacht je van de bundel ‘Gedicht aan de reizigers‘. En het gedicht van Jan van Nijlen is ook te lezen op het Centraal Station van Antwerpen.

Maar het Spoorwegmuseum gaat verder dan het plaatsen van gedichten over het spoor her en der in het museum. Als je zelf een mooi gedicht geschreven hebt over de trein en je wil dat terugzien in de verzameling labels op de koffers, dan kun je je gedicht doorsturen  per e-mail naar gedichten@spoorwegmuseum.nl

Elk half jaar worden twee nieuwe gedichten gekozen die worden toegevoegd op een label. Let wel, het gedicht mag uit maximaal 50 woorden bestaan en moet over treinreizen gaan. Het moet een zelf geschreven gedicht zijn. Over de selectie van de gedichten wordt niet gecorrespondeerd.

Om in stijl dit bericht te beëindigen een gedicht over treinreizen van dichter Armando (1929-2018) met als titel ‘September in de trein’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.

.

September in de trein

(fragment)

.

– oh, het is hier verboden te roken.

– verboden te roken? ja, verboden te roken.

– ja. het is nu eenmaal verboden, hè.

– er is anders elders nog plaats genoeg.

– nou ja, ik zit nou eenmaal.

– da’s waar.

– als ik zit dan zit ik.

.

Het betekend zelf | een reis

Albert Schaalma

.

In een kringloopwinkel in Assen kocht ik de bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ uitgegeven door De Beuk in 1986. Nu zal de naam Albert Schaalma weinigen beklend in de oren klinken. En toch is hij sinds 2000 een der 1300 leden der Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Schaalma (1943) was tot 1986 vooral actief als klarinettist en saxofonist in de jazz muziek, hij speelde zelfs op het North Sea Jazzfestival in Scheveningen. Vanaf 1986 verschijnen zijn gedichtencycli in tijdschriften, in bundels zoals bijvoorbeeld het boek Rondreis (2000) en in bloemlezingen. In 1992 verkreeg hij de tweejaarlijkse Masereelprijs voor Poëzie voor zijn cyclus ‘Het gindse’.

Albert Schaalma was bevriend met de bibliofiele drukker Menno Wielinga uit Bedum, die aldaar uitgeverij Exponent runde. Samen initieerden ze de serie Koppelteken-edities, waarbij eigentijdse Groninger grafiek gekoppeld werd aan moderne poëzie. Schaalma emigreerde in het begin van de 21ste eeuw naar Frankrijk. Hij woont in Aigurande in Midden-Frankrijk. Schaalma was medewerker aan onder meer DW&B en De Revisor. In 1988 verscheen ‘Op mijn schreden terug | naar huis’ in 1989 ‘De woorden zelf | de dingen’ en in 1992 ‘Een reis in de spiegel | de expeditie’.

Over de dubbele titels van zijn bundels zegt Schaalma in een interview in de Poëziekrant jaargang 17 in 1993: “In die dubbele titels zit wat mij bij het schrijven altijd bezighoudt: de dualiteit die een eenheid moet worden, omdat ze dat altijd al is: ruimte | tijd, binnenkant | buitenkant, gedicht | ding, dichtheid | openheid enzovoort.” De bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ kent een cyclisch verloop, van ochtend tot avond, van heenreis tot afscheid. Het is een structurele dichtbundel in de letterlijke zin van het woord. Hierover zegt hij: “Ik schrijf ‘als vanzelf structurerend, dat geldt voor bijna al mijn bundels.”

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Museum’ omdat de aankoop van de bundel meteen na mijn bezoek aan het (Drents) museum was.

.

Museum

.

Ziehier, uw in zichzelf gekeerd domein.

Temidden van uw stille coniferen

moet ik dit alles transformeren

zo, dat dit letterlijk  mijn paradijs zal zijn.

.

Daartoe dien ik dit helder pad te gaan,

beschroomd, met open handen,

om aan het einde klaar te staan

voor het beloofde uit aller landen.

.

En ziet, zoals ik alles vond.

Ik wandel heilig in u rond

van eeuwigheid in eeuwigheid.

En ben verloren en gebenedijd. Altijd.

.

Metamorfose

Glück en Cummings

.

De Poëzieweek 2026 (29 januari – 4 februari) heeft als thema ‘Metamorfose’. Dichter en schrijver Ellen Deckwitz schrijft het poëziegeschenk. Om alvast in de sfeer te komen heb ik een dubbelgedicht gewijd aan dit onderwerp. Twee gedichten van internationale dichters die over metamorfosen schreven. Allereerst de Amerikaanse dichter en essayist Louise Glück (1943-2023).

Louise Glück is een Nobelprijswinnaar voor Literatuur die de moeilijkheden van het leven vaak confronteert met een strakke, precieze schrijfstijl. In haar gedicht ‘Metamorphosis’ beschrijft Glück de diepgaande en pijnlijke transformaties die de dood teweegbrengt, waaronder de mentale aftakeling van haar vader, de verandering in hun relatie en haar eigen angst – en vervolgens acceptatie – voor verlies. Het volledige gedicht bestaat uit drie delen die lees je hier.

Het tweede gedicht is van een van mijn lievelingsdichters E.E. Cummings (1894-1962) en is getiteld ‘Metamorfose’.

 

2. Metamorfose

 

Mijn vader is mij vergeten 

in de opwinding van het sterven. 

Zoals een kind dat niet wil eten, 

hij besteedt nergens aandacht aan.

 

Ik zit aan de rand van zijn bed 

terwijl de levenden ons omringen 

als zoveel boomstronken.

 

Eens, voor de allerkleinsten 

een fractie van een moment, dacht ik 

hij leefde weer in het heden; 

toen keek hij naar mij 

terwijl een blinde man staart 

rechtstreeks in de zon, aangezien 

wat het ook met hem kon doen 

is al gedaan.

 

Toen zijn blozende gezicht 

zich van het contact afwendde.

.

Metamorfose

.

We hebben door een vreemde en vermoeiende tijd geploeterd,

Alleen al de kalender noemt het winter;

Wij hebben een aarden poel aanschouwd, diep in slijm,

Stel je een hemel van steen voor.

.

We hebben het leven gevonden, verborgen tussen de plooien van het slijk,

Overal voelde ik leven, overal hoorde ik leven in harmonie.

De aarden schelp kraakt van het verlangen daaronder;

De lente kruipt uit de cocon.

.

Haar nietige vleugels trillen van de wil om te groeien,

Ze klampt zich vast en spreidt zich uit als een oog dat zich opent;

Groter, vaardiger, meer ontwikkeld, zie,

De perfecte vlinder.

.

Bij een graf

P.C. Boutens

.

Vanavond is het alweer zover, de 10e editie van Dichter bij de Dood, een prachtig project waarbij dichters voordragen op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Van origine werd deze activiteit georganiseerd op 2 november (Allerzielen wanneer men de gestorvenen herdenkt) maar door interne verschuivingen bij de begraafplaats is dat sinds 2 jaar nu op Allerheiligen, op 1 november. Omdat deze activiteit in het leven geroepen is om de doden te herdenken en stil te staan bij de dood als onlosmakelijk element van het leven hangen we niet zo sterk aan deze datumverwisseling al is het wel jammer.

Maar vanavond dus aan de Laan van Oud Eik en Duinen. Een keur van dichters staan langs een route afgezet met fakkels en bij elke dichter kan geluisterd worden naar twee gedichten; 1 gedicht over een bekende Nederlander die op de begraafplaats ligt in combinatie met het thema en 1 vrij gedicht. Ik zal het gedicht ‘Bij een graf’ voordragen over P.C. Boutens (1970-1943) en het gedicht dat ik schreef over de NAVO top in Den Haag van afgelopen zomer.

De toegang is uiteraard gratis en voor de liefhebbers is er een gratis bundeltje met de gedichten die worden voorgedragen vanavond. De avond begint 10 18.45 en eindigt om 21 uur. Vanaf de ingang van de begraafplaats rechtdoor lopen tot de aula en daar begint de route. het blijft droog (heel fijn!), trek iets warms aan en kom luisteren naar poëzie en troubadours. Parkeren met de auto kan voor de begraafplaats maar vanaf 18.00 uur is het betaald parkeren.

.

Bij een graf

 

De bloemen van plastic, vergeelde foto, plantjes dood.

Zo dood als jij.

Kopjes gebogen in strijd met de tijd, stenen los van

elkaar als eenheid, ongebroken stralend in de zon, rumoer

van een nabijgelegen balkon, het lied van een merel.

 

Gedachten bij hoe het was en wat je teweegbracht.

Gedachten boven materie, stilte doorbroken door

menselijk handelen, een gevleugelde aria.

 

Tegenstellingen liggen als as uitgestrooid hier los

en vast, stil in beweging, in altijd durende rust, levendig

doorbroken door het lied van een merel.

.

 

Monobaadsters

Tomas Lieske

.

Schrijver en dichter Tomas Lieske (1943) schrijft poëzie, verhalen, essyas en romans. Voor die laatste categorie werd hij maar liefst drie keer genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. In 2001 won hij deze prijs met de roman ‘Franklin’.  Als dichter kende ik hem wel maar het is alweer acht jaar geleden dat ik een blogbericht aan zijn werk wijdde.

In zijn dichtbundel ‘Hoe je geliefde te herkennen’ uit 2007 staan heerlijke, vreemde en sprankelende gedichten. Of zoals achterop de bundel staat: Hoe kunnen  wij Beatrix liefhebben? Tegen wie zeggen wij nee? Wat te antwoorden bij een enquête? Hoe je geliefde te herkennen? en, en dat gedicht wil ik hier graag delen, Hoe preekt kardinaal Simonis tot de Scheveningse monobaadsters?.

Volgens de achterflaptekst probeert Tomas Lieske op deze en veel andere liefdesvragen in tientallen tintelende gedichten een antwoord te formuleren. De tekst wordt besloten met een aanprijzing vanuit De Gids: De gedichten van Tomas Lieske zijn uniek. Ze zijn wonderbaarlijk bizar, eigenzinnig, geestig. Dit moet ik volmondig beamen.

Neem het gedicht ‘Kardinaal Simonis preekt tegen de Scheveningse monobaadsters’. Om verschillende redenen bleef ik bij dit gedicht hangen toen ik de bundel doorbladerde. Ik woon in Scheveningen, met deze hitte lagen de stranden jaren geleden vol met monobaadsters (of anders gezegd werd er massaal topless gezonnebaad, tegenwoordig is dit nog slechts bij grote uitzondering) en ben ik ooit in een vorig leven door Simonis ‘gevormd’ iets als gedoopt worden maar dan op latere leeftijd. Om al die redenen en omdat het zo’n grappig gedicht is hier gedeeld.

.

Kardinaal Simonis preekt tegen de Scheveningse monobaadsters

.

U etaleert zich gul in overgave voor het stralend oog van God.

Het vlees is blootgesteld. Wat bedekt blijft, mag geen naam meer hebben.

.

U gelooft dat dwars door de zon God naar beneden kijkt; dat God

louter goedheid is; dat het oog van God u nooit wat kwaads kan doen.

.

De afgelopen nacht bezocht ik het rabbinaat. Ik vond Elia

in een provisiekast. Geblakerd als de raven op zijn schouder.

.

Drieduizend jaar geleden aan zijn grote tocht begonnen, die afstanden

tussen de planeten zijn zo groot en Elia reed slechts in een paard-en-wagen.

.

Bovendien: wat hij niet wist. al die planeten draaien door elkaar.

Voortsukkelend naar de zon kwam hij uiteindelijk in de baan van moeder aarde.

.

Elia heeft mij nederigheid geleerd. Ik ben geen vrouwenman.

Maar hij wist dat wie de zon aanbidt, zich blakert

.

in het oog van God. Schikt uw handbreed textiel.

Laat varen uw voorkeur voor het zoute water.

.

Ik zal eerst uw twee zomerfeesten zegenen. Daarna krijgt u de tijd

zich naar Katwijk te wenden. Waarna u gebenedijden aan de beurt zijn.

.

 

Mijn geliefde de zee

Reinaldo Arenas

.

De film ‘Before Night Falls’ is een Amerikaanse biografisch drama uit 2000, geregisseerd door Julian Schnabel . De film is gebaseerd op zowel de gelijknamige autobiografie van Reinaldo Arenas. Ik vermelde Arenas al eerder in een blogbericht, toen over de website lithub.com waar een lijst van films wordt besproken die gebaseerd zijn op dichters of gedichten.

De Cubaanse dichter, roman- en toneelschrijver Reinaldo Arenas (1943-1990) was een groot criticaster van Fidel Castro, de Cubaanse revolutie en de Cubaanse regering. Al op jonge leeftijd sloot hij zich aan bij de communistische vrijheidsstrijders. Door zijn homoseksualiteit werd het leven in Cuba steeds moeilijker voor hem. Zijn geaardheid moest strikt geheim blijven anders wachtte hem het lot dat vele  LGBT- mensen, christenen en vermoedelijke leden van de Cubaanse dissidente beweging ten deel vielen namelijk opsluiting in een militaire eenheid ter ondersteuning van de productie, wat een eufemisme was voor een concentratiekamp.

Zijn schrijfsels en openlijk homoseksuele leven brachten hem in 1967 in conflict met de communistische regering. Hij verliet de Nationale Bibliotheek (waar hij werkte) en werd redacteur van het Cubaanse Boekinstituut tot 1968. Van 1968 tot 1974 was hij journalist en redacteur van het literaire tijdschrift La Gaceta de Cuba. In 1974 werd hij naar de gevangenis gestuurd nadat hij was aangeklaagd en veroordeeld wegens  ‘ideologische afwijking’ en wegens het publiceren in het buitenland (de Verenigde Staten) zonder officiële toestemming. Hij ontsnapte uit de gevangenis en probeerde Cuba te verlaten door zichzelf vanaf de kust te lanceren op een binnenband, maar hij werd opnieuw gearresteerd en gevangengezet in het beruchte El Morro Castle, samen met moordenaars en verkrachters. Hij overleefde door de gevangenen te helpen brieven te schrijven aan vrouwen en geliefden. Op die manier verzamelde hij genoeg papier om zijn schrijven voort te zetten. Zijn pogingen om zijn werk uit de gevangenis te smokkelen werden echter ontdekt en hij werd zwaar gestraft. Met de dood bedreigd, werd hij gedwongen afstand te doen van zijn werk en werd hij in 1976 vrijgelaten.

In 1980 vluchtte hij alsnog met de Mariel Boatlift (een grote vluchtelingen exodus op gang gebracht door de economische malaise in Cuba) naar de Verenigde Staten.In 1987 werd bij Arenas aids vastgesteld, maar hij bleef schrijven en zich uitspreken tegen de Cubaanse regering . Hij was mentor van veel Cubaanse schrijvers in ballingschap. Na zijn strijd tegen aids stierf Arenas  aan een opzettelijke overdosis drugs en alcohol .

.

Mijn geliefde de zee

.

Ik ben dat kind met dat ronde, vuile gezicht
dat je op elke hoek lastigvalt met zijn
“Kun je een kwartje missen?”

Ik ben dat kind met dat vuile gezicht,
ongetwijfeld ongewenst,
dat van verre naar bussen kijkt
waar andere kinderen
in lachen uitbarsten en flink op en neer springen.

Ik ben dat onsympathieke kind,
absoluut ongewenst,
met dat ronde, vuile gezicht,
dat voor de gigantische straatlantaarns of
onder de eveneens verlichte grootmoeders
of voor de kleine meisjes die lijken te zweven,
de belediging van zijn vuile gezicht projecteert.

Ik ben dat boze en eenzame kind van altijd,
dat je de belediging van dat boze kind van altijd toewerpt
en je waarschuwt:
als je me hypocriet over mijn hoofd aait,
zou ik die gelegenheid aangrijpen om je portemonnee te stelen.

Ik ben dat kind van altijd
voor het panorama van dreigende terreur,
dreigende melaatsheid, dreigende vlooien,
van overtredingen en de dreigende misdaad.
Ik ben dat weerzinwekkende kind dat een bed improviseert
uit een oude kartonnen doos en wacht,
zeker wetend dat je me zult vergezellen.

.

Kind

M. Vasalis

.

In 2005 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker de verzamelbundel ‘Kinderen’ Meer dan honderd gedichten over hun wondere wereld. Verzameld en toegelicht door Willem Wilmink (1936-2003). In deze bundel is een grote variëteit aan gedichten (over allerlei aspecten en omstandigheden van het kind zijn) opgenomen en het aardige van deze bundel is dat Willem Wilmink bij elk gedicht  een toelichting geeft onder het gedicht.

Over het algemeen vind ik dat dichters die onder hun gedichten allerlei informatie geven over het gedicht, de plank een beetje misslaan. Als een gedicht allerlei informatie nodig heeft, schrijf dan geen gedicht maar een artikel, geef info achterin de bundel, of, in het geval van een woord dat onbekend is, werk met een * en zet dan onder het gedicht deze * met de betekenis maar dan in kleine letters. Goed genoeg mening voor nu en hier, terug naar de bundel ‘Kinderen’.

Willem Wilmink schrijft in korte commentaren iets over wat hem is opgevallen, iets over de dichter of de herkomst van het gedicht. Als lezer van gedichten vind ik dit minder vervelend dan het commentaar van de dichter zelf. Ik neem een voorbeeld dat ik tegenkwam en waar ik, met de informatie die Wilmink bij het gedicht geeft, meteen door geïnteresseerd was.

Het betreft hier het gedicht ‘Kind’ van M. Vasalis (1909-1998) dat genomen werd uit haar bundel ‘De vogel phoenix’ uit 1948. In de toelichting schrijft Wilmink: “De bundel waarin dit gedicht staat, De vogel phoenix, droeg de dichteres op aan haar zoontje, dat in oktober 1943 stierf, anderhalf jaar oud. Vasalis heeft me verteld dat deze bundel verreweg de minst verkochte is van de drie die ze schreef, want de mensen gaan verdriet nu eenmaal uit de weg.” Alle reden dus om juist dit gedicht onder de aandacht te brengen want verdriet is een emotie die je nooit uit de weg moet gaan.

.

Kind

.

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,

als van de aarde ’s avonds, als de zon verdween.

En als de wind in een gordijn, ging licht

zijn adem in en uit zijn lippen heen…

.

Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal

en niets dan leven, tot de rand geschonken

en zonder smet of schaduw neergezonken

en opgestegen in de broze bokaal.

.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven

en hoe toegankelijk voor zijn eb en vloed…

Hoe licht en stil en schoon is met de dood

hij op het lege strand alleen gebleven.

.