Site-archief

Polderland

Lou Loeber en Jan Willem Schulte Nordholt

.

Enige tijd geleden was ik in het Stedelijk Museum Schiedam. Voor wie dit museum niet kent, het is een absolute aanrader voor iedereen die van moderne kunst houdt. In het museum was (en nog is meen ik) een tentoonstelling te zien van werken van de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983). Loeber was een sociaal maatschappelijk geëngageerde kunstenaar en lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij). Haar werk werd beïnvloed door het kubismeDe Stijlexpressionismeneoplasticisme en symbolisme maar ze beschouwde zichzelf niet als een abstracte schilder. Al deze elementen en stijlfiguren zijn goed en herkenbaar te zien in de getoonde werken. 

Bij een van de werken van Loeber, het schilderij getiteld ‘Verten’ hing een bordje met enige informatie. Dit schilderij is geïnspireerd door het gedicht ‘Polderland’ uit 1950 van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Schulte Nordholt was dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ‘Het bloeiende steen’ een illegale oorlogsuitgave, onder het pseudoniem W.S. Noordhout. Hierna zouden nog zeven dichtbundels verschijnen en verschillende bloemlezingen. Schulte Nordholt kreeg voor wijn werk als dichter onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1952), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961) en de Zilveren Anjer (1991).

Hieronder de afbeelding van het schilderij van Loeber ‘Verten’ en het gedicht van Schulte Nordholt ‘Polderland’.

.

Polderland

.

De verten komen eindeloos mij tegen,

Gaan door mij heen en achter mij te loor,

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

Recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,

.

Met zoveel wolken en met zoveel dromen,

Met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

Dit is het landschap voor zijn paradijs.

.

Ach, d’avond valt – Rijd ik het donker door,

Dan is het groot geluid van wind en regen

Het enig landschap in mijn diepe oor.

.

Elementen

Garmt Stuiveling

.

In 1931 publiceerde dichter en literator Garmt Stuiveling zijn debuut als dichter getiteld ‘Elementen’. Mijn versie is een derde druk uit 1949 maar zou, qua vorm en ontwerp, ook zomaar van nu kunnen zijn. Stuiveling (1907 – 1985) had al enige werken gepubliceerd voordat hij met deze poëziebundel kwam en ook na deze bundel zouden van hem werken als ‘Rekenschap’ en ‘Een eeuw Nederlandse Letteren’ (beide uit 1941) verschijnen waardoor hij grotere bekendheid kreeg. dat is waarschijnlijk ook de reden dat 18 jaar na het verschijnen van ‘Elementen’ er een derde druk volgde.

In de binnenflap van de bundel is te lezen: “Zijn natuurlyriek, zijn menselijke gevoelens, zijn sociale overtuiging, zijn wijsgerige denkbeelden: zij allen vormen in hun onderlinge samenhang de inhoud van dit werk dat nergens ‘modern’ maar evenmin ergens ‘ouderwets’ aandoet , omdat Stuiveling in zijn rustige en weloverwogen taalbeheersing zomin het experiment om het experiment zoekt, als in versleten retoriek blijft steken”.

Maatschappelijk gezien vervulde Stuiveling een grote rol in de sociaaldemocratische beweging; hij was pacifist, geheelonthouder en al voor de oorlog lid van de SDAP. Hij had een vooraanstaande positie in tal van organisaties, instellingen en verenigingen. Voor de oorlog publiceerde hij onder andere in het literair tijdschrift Forum, na de oorlog verkreeg hij vooral bekendheid als wetenschapper en door zijn rol in het maatschappelijk leven. Uit de bundel ‘Elementen’ koos ik voor het gedicht ‘de stad’.

.

De stad

.

Zo zijt ge, stad: een donker silhouet,

een monster laag en wreed ineengedoken,

met duizend felle klauwen opgestoken

en in het levend hemellicht gezet.

.

Zo zijt ge, stad: een stormend meer van steen,

maar onder wildbewogen dakengolven

weet ik geheel een mensgeslacht bedolven

door elk seizoen en alle tijden heen.

.

Zo zijt ge, stad: uw gevels zij aan zij

weren de zonneschijn en ’t winderuisen,

en grauwe mensen tussen grauwe huizen

bewegen naamloos aan elkaar voorbij.

.

Maar als de avond tot u wederkeert,

bloeit elke straat tot lichtend wonder open,

en door uw wezen komt de gloed gelopen

van brandend leven dat zichzelf verteerd.

.

 

Zwerversverzen

C.S. Adama van Scheltema

.

In mijn boekenkast staan vele dichtbundels en soms als ik bij iemand anders in zijn of haar boekenkast snuffel zie ik ook dichtbundels staan. Zoals bijvoorbeeld een prachtig vormgegeven dichtbundel van C.S. Adama van Scheltema uit 1931, met de nieuwsgierig makende titel ‘Zwerversverzen’.

Carel Steven Adama van Scheltema (1877 – 1924), zoals zijn naam volledig luidt, staat wel bekend als socialistisch dichter. Na zijn studie en kort werkzaam leven in een kunsthandel trad hij toe tot de SDAP en wijdde hij de rest van zijn (korte) leven aan de geëngageerde literatuur.

Hij wilde tot een nieuwe volkskunst komen en bestreed vanuit die gedachte ook de Tachtigers. In ‘De grondslagen eener nieuwe poëzie’ (1907) bestreed hij de “kunst omwille van de kunst”-gedachte, en pleitte in plaats daarvan voor kunst omwille van de mensen om je heen. Zo schreef hij: “Een gedicht moet zijn een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer medemenschen kan worden gevoeld en begrepen”. Zijn gedichten vallen dan ook op door de eenvoud. Zijn politieke gedichten worden tegenwoordig niet of nauwelijks meer gelezen, maar zijn natuurgedichten nog wel door liefhebbers van dit genre.

Toch zijn juist zijn politieke gedichten ook interessant, in sommige gedichten is niet meteen duidelijk dat het hier om politiek geëngageerde gedichten gaat. Juist door de eenvoud van zijn taal, de bijna light verse-achtige bewoordingen vind ik het nog heel goed leesbaar en ook best genietbaar. Een voorbeeld uit de bundel ‘Zwerversgedichten’ dat na zijn dood postuum werd uitgebracht door W.L. & J. Brusse’s uitgeversmaatschappij N.V. te Rotterdam is het gedicht ‘Mijn hospita’.

.

Mijn hospita

.

Mijn hospita is weduwe

Van Duitschen middenstand, –

Zij zellef komt uit Schwabenland,

Haar man kwam van de Veluwe.

.

Mijn hospita heeft twee spruitjes:

Hert meisje dat is blond,

Het jongetje is ongezond

En heeft twee bloote kuitjes.

.

Mijn hospita draagt haar boezem

Al vijf jaar uit den rouw,

Vandaag was ze in lichtlilablauw

Met rose moerbeibloesem.

.

Mijn hospita was vanavond

Bijzonder sentimenteel: –

Haar dooden man gedacht ze veel,

Vertelde ze hoogdravend.

.

Mijn hospita speelt met statie

De lieve “Lorelei”, –

Zij zingt er zoo melancholisch bij –

Toch goed van intonatie.

.

Mijn hospita wil mij verleiden –

Nou weet ik het podorie! –

Verduiveld, dat ik dat nou pas zie!

.  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .

Verbeel je eens – wij beiden – ?

.

Proletarische dichtkunst

Martien Beversluis

.

Afgelopen weekend bracht ik een bezoek aan de nieuwe Paagman vestiging in het centrum van Den Haag in het oude pand van De Slegte. In de boekwinkel zijn nog altijd op de eerste verdieping tweedehands boeken en antiquaren boeken te koop. Ik mag daar altijd graag in de sectie poëzie rondsnuffelen.

In de poëziekast kwam ik een bijzondere dichtbundel tegen. De bundel ‘Arbeiders-noodlot’, Proletarische dichtkunst. Een bloemlezing uit de moderne Duitsche arbeiderspoezie der laatste jaren. In Nederlandsche verzen omgezet door Martien Beversluis. uit 1930, uitgegeven door H. ten Brink in Arnhem.

Martien Beversluis (1894 – 1966) werd in 1922 lid van de SDAP (voorloper van de PvdA) en werd in 1928 literair medewerker voor de VARA. Voor deze omroep verzorgde hij het radioprogramma ‘Internationale socialistische poëzie’. In dit kader moet denk ik ook zijn bemoeienis te plaatsen zijn met de bundel ‘Arbeiders-noodlot’. Duitse Arbeiderspoëzie in Nederlandse verzen omgezet.

In de jaren dertig werd hij lid van de communistische partij en in de oorlog (1941) bij de NSB. In de jaren na de oorlog krijgt hij een publicatieverbod en uiteindelijk blijft hij tot zijn dood actief als dichter van voornamelijk religieus getinte verzen.

Uit deze bundel het gedicht’Aan de draaibank’.

.

boeka

 

boekc

 

boekd

 

boekb