Site-archief

Nogmaals Loeber

Afscheid van mijn schildersloopbaan

.

Schreef ik pas geleden nog over een bezoek aan het Stedelijk Museum Schiedam en aan het gedicht ‘Polderland’ van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) waar de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983) een schilderij bij maakte, dit keer een gedicht van de hand van de kunstenaar (Loeber) zelf.

In 1974 maakte Lou Loeber haar laatste schilderij. Zoals het in het Stedelijk Museum Schiedam verwoord stond: “Tegen de achtergrond van subtiel verschillende tinten grijs, creëert ze een opwaartse beweging, bestaande uit eenvoudige blokjes en een licht ronde vorm. ‘Stijging’ noemt ze het schilderij, waarbij ze ook een gedicht schrijft.”

Prachtig hoe ‘kunstmensen’ kunst kunnen beschrijven en bijzonder dat de kunstenaar zelf een gedicht maakt bij (in dit geval) haar laatste schilderij. Hieronder het gedicht ‘Afscheid van mijn schildersloopbaan’ en het schilderij ‘Stijging’.

.

Afscheid van mijn schildersloopbaan

(geschreven in de ongewoon warme aprilmaand in 1974)

.

De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven

naar de zonnige, stralende hemel toe –

Dit is een hemel die veel kan beloven

licht en warmte en lente toe

.

De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven

naar de stormige wolkenhemel toe –

Dit is een hemel die veel kan beloven

regen en koelte en frisheid toe

.

De bloeiende bloemen trekken  mijn ogen naar boven

naar de druilerige grijze hemel toe –

Dit is de hemel die ’t meest kan beloven

stilte en rust  en vrede toe

.

Wie niet lacht, krijgt een 8

Dichter aan huis op herhaling

.

Op 11 augustus jongstleden schreef ik een stuk over een bundel van Dichter aan huis uit 1997 met de titel ‘Alleen de kamer luistert‘ met daaruit het gedicht van Herman de Coninck ‘Ewewig’. Wat schetst mijn verbazing toen ik afgelopen weekeinde in een kringloopwinkel, opnieuw een bundel uitgegeven ter gelegenheid van dit poëzie-evenement, tegen kwam (en kocht uiteraard).

In tegenstelling tot de andere bundeltjes van Dichter aan huis, is dit een afwijkend formaat, waar de andere bundeltjes redelijk klein van formaat zijn, is deze bundel met de titel ‘Wie niet lacht, krijgt een 8’ uit 1995, juist groot, een halve A4 in de lengte. Ontzettend onhandig om een plekje te geven in je boekenkast maar wel mooi overzichtelijk van bladspiegel.

In het voorwoord schrijft Greetje van den Bergh, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, en tevens een van de financiers achter dit project (de Nederlandse Taalunie) het volgende: Dichter aan huis – een 0nvertaalbare naam voor een lovenswaardig initiatief. Onvertaalbaar vanwege de connotatie ‘dichterbij’ die in andere talen niet is te vangen. De dichter komt aan huis en daardoor dichterbij. Hij wordt zichtbaar, hoorbaar en daardoor aanraakbaar. Zoals in de achttiende-eeuwse salons. Ook daar werden ontvangsten thuis gecombineerd met literatuur evenals trouwens met muziek en debat.”

Of het er zo voornaam aan toeging in de Haagse huiskamers in de jaren ’90 van de vorige eeuw weet ik niet, dat men een keur aan dichters had weten te strikken voor dit geweldige poëzie evenement staat als een paal boven water. Naast vele Haags en Nederlandse dichters als H. H. ter Balkt, Benno Barnard, Wiel Kusters, Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min, Rogi Wieg en Simon Vinkenoog, sloten ook Vlaamse dichters aan als Willy Spillebeen, Roel Richelieu Van Londersele, Christine D’haen, Lut De Block en Herman de Coninck. Maar liefst 53 dichters reisden af naar de hofstad voor dit feest der poëzie.

Uit deze bundel koos ik dit keer voor een gedicht van de Vlaamse dichter, schrijver, essayist, publicist en vertaler  Geert Van Istendael (1947) met de titel ‘Groot boerderijdak’.

.

Groot boerderijdak

.

Het dak ligt op zijn buik. Nee, hààr buik, dak

is moederlijk. Dak mompelt ‘ons’ tot kepers

en vee en kind. Damast of voddenbak,

dak houdt ze droog. Een dak torst zon en regen,

geil en venijn verleent het onderdak.

.

Gebinte vouwt de vingers tot gebeden.

Als eik zo hard is de arbeid van de boer.

Hij dekt zijn dak. Zijn moeder. Dikke hoer.

.

Polderland

Lou Loeber en Jan Willem Schulte Nordholt

.

Enige tijd geleden was ik in het Stedelijk Museum Schiedam. Voor wie dit museum niet kent, het is een absolute aanrader voor iedereen die van moderne kunst houdt. In het museum was (en nog is meen ik) een tentoonstelling te zien van werken van de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983). Loeber was een sociaal maatschappelijk geëngageerde kunstenaar en lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij). Haar werk werd beïnvloed door het kubismeDe Stijlexpressionismeneoplasticisme en symbolisme maar ze beschouwde zichzelf niet als een abstracte schilder. Al deze elementen en stijlfiguren zijn goed en herkenbaar te zien in de getoonde werken. 

Bij een van de werken van Loeber, het schilderij getiteld ‘Verten’ hing een bordje met enige informatie. Dit schilderij is geïnspireerd door het gedicht ‘Polderland’ uit 1950 van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Schulte Nordholt was dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ‘Het bloeiende steen’ een illegale oorlogsuitgave, onder het pseudoniem W.S. Noordhout. Hierna zouden nog zeven dichtbundels verschijnen en verschillende bloemlezingen. Schulte Nordholt kreeg voor wijn werk als dichter onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1952), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961) en de Zilveren Anjer (1991).

Hieronder de afbeelding van het schilderij van Loeber ‘Verten’ en het gedicht van Schulte Nordholt ‘Polderland’.

.

Polderland

.

De verten komen eindeloos mij tegen,

Gaan door mij heen en achter mij te loor,

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

Recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,

.

Met zoveel wolken en met zoveel dromen,

Met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

Dit is het landschap voor zijn paradijs.

.

Ach, d’avond valt – Rijd ik het donker door,

Dan is het groot geluid van wind en regen

Het enig landschap in mijn diepe oor.

.

After hours in Beelden aan Zee

Vleugels

.

Op vrijdag 10 juli vullen museum Beelden aan Zee in Scheveningen en Het Zwarte Schaap het museum met verhalen. Woorden die raken. Klanken die bewegen. Een avond vol voordrachten, muziek, workshops en ontmoetingen. Beelden aan Zee is niet alleen een museum van de beeldhouwkunst maar zoekt regelmatig de verbinding met andere vormen van kunst zoals bijvoorbeeld jazz, woordkunst en poëzie.

Het Zwarte Schaap is het podium voor spoken word en gesproken literatuur uit Den Haag. Hier krijgen zowel beginnende als ervaren makers een plek om te vertellen wat er speelt, om verhalen te laten horen die je nergens anders hoort. Tijdens After Hours brengen ze primeurs, bijzondere samenwerkingen en performances die je laten voelen wat literatuur kan doen.

Op 10 juli kun je onder andere voordrachten zien van Rachel Rumai Diaz (1990) & Maureen Ghazal (1995) en Maryam Abdelalim & Iduna Paalman (1991). Ook is er een Open Mic en kun je poëzie en meditatie doen (en nog veel meer). Tickets kun je hier bestellen. Om alvast in de sfeer te komen hier een gedicht van Maureen Ghazal dat in mei 2025 op de voorpagina van Trouw verscheen getiteld ‘Vleugels’.

.

Vleugels

.

Je weet dat het geen vanzelfsprekendheid is
om over de drempel van je voordeur te stappen.

’s Avonds maak je een wandeling
je loopt de dag door, ademt diep de duisternis in
die kalm is.

De hand van je geliefde laat je zo nu en dan los
morgen zal alles zich hernemen
je staat op uit een warm bed, wast je gezicht.

Je huis bewoon je als een tweede lichaam
je vertrouwt erop dat de muren je ruggengraat vormen
op de houten vloer leg je onbedekt je gemoed neer.

Soms waan je je een vogel al ben je
je ervan bewust dat je vleugels mist
je beweegt horizontaal, ook dat is weelde.

En toch heb je bij alles wat je doet
het idee dat de dingen zich kunnen omkeren
een dag die nacht wordt
de ruimte waarin je beweegt die vernauwt
je handen die andere handen omklemmen
tot ze verbleken en loslaten.

Op je netvlies spelen beelden af uit een ander landschap
de mensen die er wonen leven met ingehouden adem
spreken een taal die de jouwe zou kunnen zijn.

Je zou ze vleugels willen geven
in plaats daarvan richt je voor het slapengaan
je handen tot de hemel.

.

Lizzy Sara May

Bijna vergeten dichter

.

Dichter en schrijfster Lizzy Sara May (1918-1988) zal voor de meeste lezers waarschijnlijk geen bekende naam zijn. Wellicht heb je ooit de naam weleens gehoord maar haar werk wordt niet of nauwelijks nog gelezen. Ze werd als Lissie Sara Maij geboren (Lizzy Sara May is een wat internationaler klinkend pseudoniem). Ze was aanvankelijk balletdanseres en mimespeelster, en debuteerde in 1956 met ‘Blues voor voetstappen’ waarin ze duidelijk affiniteit vertoont met het werk van de Vijftigers. De bundel werd opgedragen aan haar overleden joodse ouders. Ook in de daarna volgende dichtbundels experimenteerde ze met rijmloze associatieve verzen. Zoals in ‘Weerzien op een plastic-huid’ uit 1957. Ze werd echter bekender door haar proza, dat deels autobiografisch is en vaak de moeilijke relatie van een vrouw tot haar vader behandelt.

In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw publiceerde ze met regelmaat in literaire tijdschriften als De Gids, De Nieuwe Stem, Maatstaf, en Roeping. In 1988 verscheen voor het laatst een dichtbundel van haar hand getiteld ‘Het depressionisme’. In 1978 werden gedichten van haar gebundeld in ‘Gebruikspoëzie’. Een dichter die werd gewaardeerd maar nooit helemaal is doorgebroken. De relatie tot haar vader, de oorlog en het jood-zijn vormen de centrale thema’s van haar werk.

Dat blijkt ook uit het gedicht ‘Vaderhand’ dat ik las in ‘O wie was mijn vader wie was ik’ gedichten over de vader, bijeengebracht door Lucie Th. Vermij uit 1995. Dat gedicht (met de zin waarnaar de verzamelbundel is genoemd) werd gepubliceerd in ‘Tijd voor magnetisch vuur’ uit 1963.

.

Vaderhand

.

Beter het donkere dorp

dan de lichtende stad die

op elke straathoek vraagt

om vuur

zie mijn vader

.

en mijn vader gaf vuur

.

de hele nacht branden de

reclames gaten in de hemel

het dorp daarentegen ligt over

pasgekarnde aarde te slapen

en melkt zijn dromen

zei mijn vader

.

en mijn vader brandde gaten

.

niemand besloeg het plaveisel

als een held

heldhaftig kroop ik tussen

huizen door tussen steden door

kroop[ ik heldhaftig langs

lange wegen

.

waar was de held die viel

die werd weggedragen

.

mijn vader droeg zichzelf

.

ik keek naar het vuiurwerk

maar er was geen ster zo groot

of er hingen tranen aan

ik keek ik keek ik sprong

door de lichtende duisternis

van mijn kinderjaren

.

o wie was mijn vader woe was ik

.

matrozen liepen door tuinen

soldaten liepen door de goten

ik lag op een speelweide

en zag de grote mensen

.

en de vaderhand

verend gespannen van kracht

werd een mens werd een man

liep fluitend naar een

melodramatisch einde

.

Levensverhaal

Peter Ghyssaert

.

Het gebeurt steeds minder vaak dat ik een nieuwe dichter ontdek die ik niet ken. Tenzij deze uit het niets of debuterend als jong of nieuw talent zich aandient uiteraard. Nee, het betreft hier dichters die al enige tijd meelopen of soms al zijn overleden maar waar ik nog nooit tegen aan ben gelopen.

Zo’n dichter is Peter Ghyssaert (1966) en dat ik zijn naam nu pas leer kennen is vreemd want hij heeft al een behoorlijke staat van dienst. Zo werd zijn werk tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs (‘Kleine lichamen’ uit 2oo5 en ‘Ezelskaakbeen’ uit 2011) , was hij te gast op onder meer Poetry International, Dichter aan Huis, Nacht van de Poëzie en de Maastricht International Poetry Nights.

Deze Vlaamse dichter en musicus studeerde muziekgeschiedenis, viool en kamermuziek aan de conservatoria van Brussel en Antwerpen. Als dichter debuteerde hij in 1991 met de bundel ‘Honingtuin’ en publiceerde sindsdien nog acht dichtbundels, de laatste in 2018 met de wonderlijke titel ‘Laiwarikon’.

Zijn werk werd meermaals bekroond, met onder andere de Poëzieprijs De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Cameo’ (1993) en de Poëzieprijs Antwerpen voor ‘Sneeuwboekhouding’ (1995). Ook verscheen zijn werk in literaire tijdschriften als  Hollands Maandblad, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Dietsche Warande & Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids.

De jury van de VSB Poëzieprijs schreef over zijn poëzie: Doorgaans wordt de poëzie van Ghyssaert geplaatst in de traditie van het estheticisme en de decadentie, zoals die in het fin de siècle gestalte kreeg. Zijn gedichten hebben iets kunstmatigs, maar zonder dat ze daardoor aan natuurlijkheid verliezen. Zijn thematiek is de voornaamste reden om hem decadent te noemen. In zijn gedichten is een obsessieve aandacht voor dood en verval waar te nemen. In de werkelijkheid ziet hij vooral aftakeling, degeneratie en het zieke. Het beschrijven daarvan heeft bij hem een bezwerend karakter.

De zaken die de jury van de VSB Poëzieprijs hierboven benoemen komen terug in het gedicht dat ik uitkoos met de titel ‘Levensverhaal’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Jubileum en andere gedichten’ uit 1997.

.

Levensverhaal

.

Toen hij geboren was begon het al:

zijn moeder had de bijsluiter verloren.

.

Nooit wist hij waartoe dit

of dat dienen moest. Hoewel

hij toch kan raden

liep het steeds verkeerd.

.

Zijn vrienden durfde hij niets vragen:

in hun jeugd hadden die goed

hun eigen voorschriften gelezen

en die toen verbrand.

.

Iedereen hield alles maar geheim

en deed volmaakt wat hij hij niet kon;

ze lachten hem al op de speelplaats uit:

.

een tegenstrijdigheid, verlamd

en huilend in de zon.

.

Roes en memorie

Paul Celan

.

Het zal denk ik ruim twintig jaar geleden zijn dat ik voor het eerst hoorde van de dichter Paul Celan (1920-1970). Het was bij een avond over poëzie in de bibliotheek van Den Hoorn. Ik droeg er met een aantal andere mensen voor en de organisator van de avond, een docente Nederlands als ik me niet vergis van een middelbare school in Delft, vertelde er over poëzie en dan met name over Paul Celan.

Op die avond droeg ze zijn gedicht ‘Todesfuge‘ voor en ze gaf een heel mooie analyse van het gedicht. Afgezien van haar voordracht en analyse was ik meteen zeer onder de indruk van het gedicht, van het onderwerp (de Holocaust) en de poëtische zeggingskracht en ik wilde meer weten over Paul Celan. Ik zocht informatie over hem op Internet en sindsdien heb ik verschillende keren over hem en zijn poëzie geschreven.

Vreemd genoeg bezat ik geen bundel van Celan. In verzamelbundels en bloemlezingen las ik verschillende gedichten van hem en op het internet uiteraard, maar in mijn collectie ontbrak nog een dichtbundel van hem. Daar is nu verandering in gekomen. Sinds een week bezit ik de bundel ‘Roes en memorie’ uit 1995 vertaald door dé Celan-vertaler Ton Naaijkens.

‘Roes en memorie’ of ‘Mohn und Gedächtnis’ zoals de bundel in het Duits is getiteld, maakte van Celan in 1952 in één klap een klassiek auteur. De bundel staat in het teken van rouw en verdriet om de verwoestende kracht van een oorlog. In deze bundel zoekt Celan naar mogelijkheden van verwerking: slaap en herinnering, verdoving en besef, roes en memorie. De eerste gedichten ontstonden aan het einde van de oorlog, andere in de tweede helft van de jaren veertig in Boekarest, Wenen en Parijs. ‘Roes en memorie’ is het derde deel van de integrale vertaling die werd uitgegeven door Picaron Editions. Eerder verschenen ‘De niemandsroos’ (1991) en ‘Ademkeer’ (1992).

Ik koos voor een van de eerste gedichten in de bundel ‘Marianne’ vooral omdat ik (samen met Bart) en haar al jarenlang MUGzine maak.

.

Marianne

.

Zonder sering is je haar, je gelaat uit spiegelglas.

Van oog tot oog trekt de wolk, als Sodom naar Babel:

ze stroopt de toren als lover en woedt om de

zwavelstruik.

 

Dan flitst er een schicht rond je mond – die kloof met

de stukken viool.

Met sneeuwige tanden bespeelt er een man de snaren:

o mooier klonk het riet!

.

Geliefde, ook jij bent het riet en wij allen de regen;

een wijn zonder weerga je lijf, en we klinken getienen;

een schuit in het graan is je hart, we roeien haar

nachtwaarts;

een kruikje blauwte, zo dartel je over ons heen, en wij

slapen…

.

Voor de tent trekt het honderdschap op, we dragen je

brassend ten grave.

Nu rinkelt op ’s werelds plavuizen de daalder, de

harde, der dromen.

.

 

De druk van letters op papier…

Dorothy Wong Loi Sing

.

In 1995 verscheen ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie‘ van de oude liedkunst tot de jongste dichters onder redactie van Michiel van Kempen. Een lijvig werk van 700 pagina’s Surinaamse poëzie vanaf de vroegst bekende poëzietekst in het Sranantongo door Hendrik Schouten (1745-1801) tot de jongste dichter Cándani (1965-2021). Natuurlijk is er veel meer poëzie van jonge dichters verschenen tot en na 1995 maar dat heeft dit verzamelwerk niet gehaald. Een belangrijke verzameling poëzie met onder andere veel onvindbare teksten die chronologisch en overzichtelijk gepresenteerd worden in deze Spiegel. Verder is er ook sprake van niet eerder gepubliceerd materiaal. De bloemlezing bevat een deel orale verzen (van Indianen, Marrons, Hindoestanen en Javanen) gevolgd door geschreven verzen.

Van Kempen selecteerde louter op basis van zijn persoonlijke voorkeur en niet omdat het om bekende teksten gaat. De bundel bevat dus geen overzicht van alle Surinaamse dichters. In de inleiding zegt de samensteller dat hij niet alleen geselecteerd heeft uit werk geschreven door dichters geboren in Suriname maar ook uit werk van hen die zich in Suriname vestigden en hun lot definitief met het lot verbonden. De opname van het aantal gedichten correspondeert met het relatieve belang van een dichter in de Surinaamse letteren.

Een van de dichters uit deze Spiegel is Dorothy Wong Loi Sing (1954) schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Ze bracht meer dan vijftien werken in eigen beheer uit, gestencild, gefotokopieerd, in ringbandjes of geniet: poëzie, proza, toneel, zowel voor de jeugd als voor volwassenen. Het meeste succes had ze met haar bundel ‘Zwarte muze, witte creoolse’ (1983) met gedichten in het Sranan, Engels en Nederlands. In 1984 won ze met drie gedichten een prijs in The Black Youth Annual Penmanships Awards te Londen. Na 1991 stopte ze met schrijven. Gelukkig hebben we haar werken nog. Zoals het onderstaande gedicht dat werd opgenomen in ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie’.

.

De druk van letters op papier
keur ik niet diep genoeg
om in te werken op jouw stramme rug.
De geprononceerde schreeuw van klanken
door een zelfbewuste microfoon
moet, ritmisch een patroon verklankend
zich rijgen aan een houten spit
in jouw doorkerfd evenwicht
en ter plekke de balans verstoren
zodat je hangt, en ligt, en zit
in onmogelijke standen.

In mijn gedichten wil ik jou
in de luren leggen.
Daar lig je dan, als schaschlick,
te marineren,
doordringend stinkend naar mijn ongelijk,
want je moet weten, ik draag de norm
van deze opgelegde maatschappij
met kromgebogen rug.
Zij hebben mij eronder gedouwd,
goed beschouwd:
tot ik gestikt ben in hun geregeld streven.

.

Genoeg

Theo Olthuis

.

Op 3 april verschijnt ‘Tongval van het verdwijnen’ de tweede klimaatdichtersbundel. In deze nieuwe verzameling gedichten van de Klimaatdichters, zoeken vijftig dichters de grenzen van de taal op om dier, plant, schimmel en bacterie een stem te geven. Waarom een groot aantal dichters, woordkunstenaars en spoken-word artiesten zich hebben verenigd in de Klimaatdichters (waaronder ikzelf) mag inmiddels wel duidelijk zijn. De laatste 10 jaar waren de warmste jaren ooit gemeten en wat dat voor consequenties heeft is duidelijk (al zijn er altijd mensen die dit ontkennen, niet gehinderd door enige vorm van kennis).

Toch is het besef dat de wereld risico loopt niet nieuw. In 1968 werd de Club van Rome opgericht en in 1972 bracht deze club het rapport ‘De grenzen aan de groei’ uit. Een  alarmistisch rapport waarin al een verband werd gelegd tussen economische groei en de gevolgen hiervan voor het milieu. Hoewel het rapport veel aandacht kreeg en er in de afgelopen 50 jaar wel degelijk actie is ondernomen blijkt dat de mens nog altijd achter de zaken aanloopt.

Dat er destijds ook al oog was voor het milieu (en altijd is geweest) bleek mij opnieuw toen ik in ‘Roltrap naar de maan” Nederlandse kinderliedjes vanaf 1950, voor kleine en grote mensen, uit 1995 aan het lezen was. In het hoofdstuk ‘Anders loopt het in de soep’ liedjes over de wereld, staat een liedtekst van Theo Olthuis (1941-2024) schrijver en dichter. Olthuis schreef heel veel boeken en bundels voor kinderen en volwassenen, theaterstukken, aforismen, scenario’s en liedteksten voor televisie (onder andere voor Sesamstraat en Het Klokhuis).

Ook schreef hij teksten voor volwassenen zoals een liedtekst in deze bundel uit 1990 voor Herman van Veen. Het lied verscheen destijds als CD-single. De tekst doet nu heel lief aan, er is weinig alarmistisch aan maar ik vraag me af of, als Olthuis een dergelijk lied opnieuw had geschreven, dat nu opnieuw zo lieflijk zou zijn geweest.

.

Genoeg

.

Er is op iedereen gerekend

De aarde is gastvrij

Eén grote ronde tafel

Pak een stoel en kom erbij

Tast maar toe, wees niet bang

Er is genoeg voor iedereen

Schep maar op en ga je gang

.

O ja, ‘k zou het haast vergeten

Eén ding moet je even weten

Anders loopt het in de soep

Dan gaat het helemaal mis

Er is genoeg voor iedereen

Maar neem niet meer dan nodig is!

.

Vrije gedachte

Denk na!

.

De afgelopen week heb ik me weer verbaasd over hoe de geest van de mens werkt. In een televisieprogramma over sekten waren het mensen die blind en kritiekloos de meest dubieuze sekteleiders volgden, in de politiek stemgerechtigden die blijkbaar zonder enige vorm van kennis dingen zeiden waarvan elk realistisch en objectief denkend mens meteen weet dat het waanideeën of nepnieuws is, op partijen stemden waarin allerhande dubieuze types de lijsten bevolkten (massamoordenaar-verheerlijkers, uitgesproken Nazi’s, post NSB-ers en ga zo maar door), of zomaar teksten bezigden waar geen touw aan vast te knopen was of waar de onzin en onwaarheden strijden om een plaatsje op de eerste rij.

Waarom deze wat lange inleiding? Binnen de groep van de zoogdieren neemt de mens een bijzondere postie in. Op vele terreinen maar wat ik zelf altijd de meest bijzondere eigenschap van de mens heb gevonden ten opzichte van zijn soortgenoten, is het gegeven dat wij mensen over een (vrije) eigen wil beschikken en uitzonderlijk functionerende  hersenen hebben Hoewel andere zoogdieren ook complexe hersenen hebben, bezit de mens een ongekend grote en complexe neocortex, wat resulteert in abstract denken, zelfbewustzijn, complexe taal en probleemoplossend vermogen.

De laatste tijd (het speelt vaker op) vraag ik mezelf af of we onze hersenen überhaupt wel gebruiken? Vraag ik mezelf af of mensen niet gewoontedieren zijn die het liefst de makkelijkste weg nemen en elkaar domweg napraten, nog louter hun onderbuik laten beslissen over wat te denken of te zeggen, niet meer nadenken, geen zelf gevormde gedachten hebben gebaseerd op nieuwsgierigheid en onafhankelijk denken. Dit waren allemaal gedachte die door mijn hoofd speelde toen ik in de bundel ‘Licht’ Het museum van de poëzie, 125 dichters uit meer dan vijftig landen aan het lezen was. Bij verschillende gedichten kwamen deze gedachten boven.

Dat is dan ook de reden dat ik twee van de gedichten uit deze bundel hier als dubbelgedicht wil plaatsen. Het eerste gedicht is van de Sloveense dichter Boris Novak (1953) en is getiteld ‘Beslissingen’ in een vertaling van Daan Bronkhorst uit 1995. Het tweede gedicht is van Ramsey Nasr (1974) en is getiteld ‘Tafelgenoten’. Het komt uit zijn bundel ‘Mi have a droom‘ uit 2013.

.

Beslissingen

.

Tussen twee woorden

kies het stilste.

.

Tussen woord en stilte

kies luisteren.

.

Tussen twee boeken

kies het stoffiger.

.

Tussen de aarde en de hemel

kies de vogel.

.

Tussen twee dieren

kies die je meer nodig hebt.

.

Tussen twee kinderen

kies beide.

.

Tussen het kleiner en het groter kwaad

kies geen.

.

Tussen hoop en wanhoop

kies hoop

die is moeilijker te dragen..

.

Tafelgenoten

.

Al wie dit hoort: schrikt niet.

Peinst niet dat ik echt in ’t radiomachien

of in uw woonst verborgen zit – hier klinkt

uw eigen onbekende stem van ether.

Modern-kekke mens, komt toch aan tafel

laat ons een kleine geschiedenis eten.

.

Hangt eerst uw zelfbeeld in de gang.

Legt goede smaak op de bestemde plank.

Veegt voeten, handen, eigenschappen.

Trekt uw beroep uit. Laat u zich gaan.

Staat u mij toe de laatste dromen

en vaste lastjes van u af te slaan.

.

Ik moet u, als in vroeger dagen

vragen het ras voorzichtig los te pellen.

Afkomst verwijderen, kleur ontkennen.

Wandelt nu rond, geheel doorschijnend

door alle lege kamers van het lijf.

Doden gelijk. En o ja: zeg jij tegen mij.

11

We zijn nu bijna zonder opsmuk.

Ontkleed je. Ga tot op de huid.

Kijken we samen naar je buik, je rug

tien vingers, één navel, het vet in je zij

alle botten, wervels en kiezen verzameld

alle trilharen aan tafel. Dat ben jij.

En in deze schaamte zijn we vrij.

.

Ik proost vandaag op onze naaktheid

in de hoop dat niemand ooit

het werelddeel in je ontdekt

je longen bezet, opvult met honger

en zijn geloof in je plant als een schoffel.

.

Zet je schrap tegen mij. Alleen hier

in weerloosheid zijn wij vrij.

.