Site-archief

Groeken

Piet Hein

.

Ik kreeg het bundeltje ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken van Piet Hein. Ik was even verward; Piet Hein? Groeken? Was Piet Hein niet onze nationale zeeheld? En wat zijn in hemelsnaam groeken? Om met de eerste vraag te beginnen, ja Piet Hein (1577-1629) is de man van de Zilvervloot, je weet wel, de schepen met zilver (ter waarde van een bedrag van maar liefst 11 miljoen gulden wat een gigantisch bedrag vertegenwoordigde destijds) uit Bolivia dat hij veroverde op de Spanjaarden in 1828.

Maar het betreft hier een heel andere Piet Hein (1905-1996), en ook nog eens geen Nederlander maar een Deens schrijver, natuur- en wiskundige, industrieel ontwerper, uitvinder en dichter die veel publiceerde onder het pseudoniem Kumbel (Oudnoors voor grafsteen). Deze Piet Hein schreef in meer dan 50 jaar duizenden groeken, zogenaamde lyrische aforismen, die hem wereldberoemd maakte.

In 1984 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker dan ook de bundel ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken in een vertaling van Marko Fondse en Peter Verstegen. Deze groeken hebben allerlei onderwerpen en zijn dan weer poëtisch, dan weer humoristisch, ze hebben een luchtige of juist serieuze ondertoon. De groeken van Hein werden vertaald in het Engels, Duits en Esperanto en dus ook in het Nederlands. Hieronder een paar voorbeelden.

.

Bemoediging

.

Is maagzuur al een ergernis

ik denk dat hartzeer erger is.

Dus dank de hemel en wees blij

als je maar lijdt aan één van bei.

.

Gave

.

Prachtige gaven zijn

geest en benul,

maar wat ze nog ver

overtreft,

is de gave om zo’n

ongelooflijke sul

te zijn dat je ’t zelf

niet beseft.

.

Alwetendheid

.

Wie weet wat hij

niet weet, belijdt

in zekere zin

alwetendheid.

.

Roes en memorie

Paul Celan

.

Het zal denk ik ruim twintig jaar geleden zijn dat ik voor het eerst hoorde van de dichter Paul Celan (1920-1970). Het was bij een avond over poëzie in de bibliotheek van Den Hoorn. Ik droeg er met een aantal andere mensen voor en de organisator van de avond, een docente Nederlands als ik me niet vergis van een middelbare school in Delft, vertelde er over poëzie en dan met name over Paul Celan.

Op die avond droeg ze zijn gedicht ‘Todesfuge‘ voor en ze gaf een heel mooie analyse van het gedicht. Afgezien van haar voordracht en analyse was ik meteen zeer onder de indruk van het gedicht, van het onderwerp (de Holocaust) en de poëtische zeggingskracht en ik wilde meer weten over Paul Celan. Ik zocht informatie over hem op Internet en sindsdien heb ik verschillende keren over hem en zijn poëzie geschreven.

Vreemd genoeg bezat ik geen bundel van Celan. In verzamelbundels en bloemlezingen las ik verschillende gedichten van hem en op het internet uiteraard, maar in mijn collectie ontbrak nog een dichtbundel van hem. Daar is nu verandering in gekomen. Sinds een week bezit ik de bundel ‘Roes en memorie’ uit 1995 vertaald door dé Celan-vertaler Ton Naaijkens.

‘Roes en memorie’ of ‘Mohn und Gedächtnis’ zoals de bundel in het Duits is getiteld, maakte van Celan in 1952 in één klap een klassiek auteur. De bundel staat in het teken van rouw en verdriet om de verwoestende kracht van een oorlog. In deze bundel zoekt Celan naar mogelijkheden van verwerking: slaap en herinnering, verdoving en besef, roes en memorie. De eerste gedichten ontstonden aan het einde van de oorlog, andere in de tweede helft van de jaren veertig in Boekarest, Wenen en Parijs. ‘Roes en memorie’ is het derde deel van de integrale vertaling die werd uitgegeven door Picaron Editions. Eerder verschenen ‘De niemandsroos’ (1991) en ‘Ademkeer’ (1992).

Ik koos voor een van de eerste gedichten in de bundel ‘Marianne’ vooral omdat ik (samen met Bart) en haar al jarenlang MUGzine maak.

.

Marianne

.

Zonder sering is je haar, je gelaat uit spiegelglas.

Van oog tot oog trekt de wolk, als Sodom naar Babel:

ze stroopt de toren als lover en woedt om de

zwavelstruik.

 

Dan flitst er een schicht rond je mond – die kloof met

de stukken viool.

Met sneeuwige tanden bespeelt er een man de snaren:

o mooier klonk het riet!

.

Geliefde, ook jij bent het riet en wij allen de regen;

een wijn zonder weerga je lijf, en we klinken getienen;

een schuit in het graan is je hart, we roeien haar

nachtwaarts;

een kruikje blauwte, zo dartel je over ons heen, en wij

slapen…

.

Voor de tent trekt het honderdschap op, we dragen je

brassend ten grave.

Nu rinkelt op ’s werelds plavuizen de daalder, de

harde, der dromen.

.

 

Ik wil

Eva Cox

.

De Vlaamse dichter Eva Cox (1970) debuteerde in 2004 met de dichtbundel ‘Pritt.stift.lippe‘ welke genomineerd werd voor de C. Buddingh-prijs en de Vlaamse debuutprijs en werd bekroond met de Prijs van de Provincie Oost-Vlaanderen voor letterkunde in 2008. Voordat zij debuteerde was ze al een graag geziene dichter op diverse podia en in 2001 won ze de eerste Vlaamse Poetry Slam. Vanaf 1999 schrijft ze poëzie en ze was jarenlang actief bij het Poëziecentrum in Gent. Daarnaast studeerde ze Toegepaste Taalkunde aan de Hogeschool-Universiteit Brussel.

Haar tweede bundel ‘een twee drie ten dans’ verscheen in 2009 en werd achtereenvolgens genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, de Ida Gerhardt Poëzie Prijs en de Herman de Coninckprijs. Gedichten van haar hand verschenen in Dietsche Warande & Belfort, Bunker Hill, Parmentier, Revolver, Komkommer & Kwel, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Brakke Hond, Yang en Poëziekrant. Een aantal van haar teksten is vertaald naar het Engels, Frans en Duits, maar ook naar het Turks, Arabisch en Russisch.

Vreemd genoeg kan ik na 2009 niets meer van haar of over haar vinden. De website die haar naam draagt is ook uit de lucht. In haar tweede bundel ‘een twee drie ten dans‘ is ‘een kleine stoet poëzie, (ultra) kort proza, vertalingen, pastiches en een duet voor één stem’ opgenomen. Een wonderlijke bundeling van teksten en gedichten waar ik het gedicht ‘Ik wil’ uit heb gekozen om hier te delen.

.

Ik wil

.

een stad voor mijn verjaardag

met mensen huizen en een plein

een vijver met daarin een zwijn van

steen een kleine perenboom vol merels

en kerels wil ik van die potige met

kisten op hun schouders oude laarzen

en meisjes met mutsen van konijnenbont

en harde wimpers en gezoete lippen en

stippen wil ik in plaats van strepen

nee zebrapaden zijn zo dun dat

je hun ribben door het asfalt ziet

en brievenbussen wil ik niet en regen

vuilnisbakken kan ik heel slecht tegen en

baby’s die ruiken naar poeder en verdriet

nee ook baby’s kale bleke baby’s niet

.

Albert Hagenaars

Snijpunt Snijvlak

.

Albert Hagenaars (1955) ken ik al lang als dichter, schrijver en recensent van NBD Biblion (werk dat, schande!, tegenwoordig door AI wordt gedaan), zo schreef hij de aanschaf informatie voor mijn bundel ‘Zoals de wind in maart graven beroert’.  Maar ik ken hem ook uit Bergen op Zoom waar hij zijn culturele activiteiten als beeldend kunstenaar en galeriehouder begon (en waar ik regelmatig een gevelgedicht van hem tegen kom).
In 1980 koos hij echter voor de literatuur. Literair werk van zijn hand verscheen in tijdschriften als De Tweede Ronde, Literair Akkoord, Maatstaf en Raster. En nu ook in MUGzine nummer 25

Enkele bundels verschenen integraal in een andere taal: het Engels, Frans, Indonesisch en Roemeens, losse gedichten ook in het Duits, Pools en Spaans.
In MUGzine #25 verschenen twee nieuwe gedichten (een dubbelgedicht) van hem getiteld ‘Snijpunt Snijvlak’ te lezen op mugzines.nl  en uiteraard in de papierenversie van MUGzine. Omdat niet iedereen dit leest hieronder deze gedichten.

.

SNIJPUNT

Dit woord of die woorden?

Deze borst en benen of dat lijf?

Taal kent geen grenzen,

zij steekt ze in gedachten over

in andermans verstijven.

Liefde zonder keuze is taal

gezwollen van tekort

in man na man na vrouw,

op het snijpunt van het lot.

Albert Hagenaars

SNIJVLAK

Deze woorden of dat woord?

Dit lijf of die borsten en billen?

Liefde kent grenzen,

hij denkt aan andervrouws taal

tussen zwellende lippen.

Niet talen naar een keurslijf

is graaien voor wie zich verliest

in vrouw na vrouw na man,

op een snijvlak van een toeval.

Albert Hagenaars

.

Theo Thijssenprijs 2024

Edward van de Vendel

.

Deze maand kreeg Edward van de Vendel (1964) de Theo Thijssenprijs 2024, met als ik het juryrapport mag geloven en waarom zou ik dat niet doen, unanieme stem. De Theo Thijssenprijs is een Nederlandse literatuurprijs die wordt toegekend aan een schrijver van oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderliteratuur.

In 1996 debuteerde Van de Vendel met de dichtbundel ‘Betrap me’ waarna hij een bewerking schreef van de Gysbrecht van Aemstel, gevolgd door de jongerenroman ‘De dagen van bluegrassliefde’. Van de Vendel schrijft ook toneel, non-fictie en liedteksten en teksten voor prentenboeken. Een all round schrijver en dichter kortom.

Zijn werk is onder andere vertaald in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans, Noors, Deens, Chinees, Portugees en Georgisch. Zijn prijzenkast is inmiddels zo lang (met onder andere meerdere Zilveren Griffels en Gouden Zoenen en twee nominaties voor de Hans Christian Andersen Award) dat je je afvraagt waarom hij de Theo Thijssenprijs niet eerder heeft gekregen. Dit jaar kreeg hij eerder al de Gouden Poëziemedaille voor de dichtbundel ‘Gelukkig en blij’.

Het juryrapport stelt: Van de Vendel verstaat de kunst van het kijken. Het bijzondere ligt namelijk voor het oprapen, als je het maar wilt zien. Daarmee staat hij in de traditie van dichters als Jan Hanlo of K. Schippers. Ook de taal van Van de Vendel straalt vaak die voor-het-eerst-heid uit, met nieuwe woorden, originele beelden en fonkelende dialogen.

In het bundeltje dat werd uitgereikt tijdens de uitreiking van de Theo Thijssenprijs en waar ik van Marianne (van MUGzine) een exemplaar kreeg, staat, in het dankwoord van Van de Vendel (uiteraard zou ik bijna zeggen) ook een gedicht. Het gedicht is getiteld ‘Wat je moet doen als je moeder huilt’ en komt uit de bundel ‘Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt’ uit 2019.

.

Wat je moet doen als je moeder huilt
.
Ga
naast haar zitten,
tegen haar aan geschoven:
je armen van onder tot boven
dicht op die van haar.
Laat het praten maar aan vaders over,
aan vriendinnen en aan zussen,
en je hoeft de tranen ook niet
van haar slapen af te kussen,
je hoeft niets te begrijpen,
niets te vragen.
Je hoeft haar alleen maar te schragen –
schragen, dat betekent dus steunen,
met je lichaam dus.
Als ze voelt dat ze eventjes op je mag leunen
spoelt er een beetje gedoe
uit haar hoofd.
Hoe?
Dat doet er niet toe.
Iets met draagkrachtverschuiving
en onverwachte aandachtshydrauliek,
Maar de precieze mechaniek
maakt jou en je moeder natuurlijk
niets uit:
je zit huid aan huid
en je merkt
na een fijne, zachte tijd
dat het werkt.
Mama giet eindelijk
geen verdriet meer op de dingen
en buiten begint de zon
Griekse liedjes te zingen.

.

Tot de Duitsers

Friedrich Hölderlin

.

Dat de Romantische Duitse dichter Hölderlin zich niet slechts tot de dichters richtte maar ook tot zijn landgenoten blijkt uit het gedicht ‘Tot de Duitsers’. In de bundel ‘Weerloos’ Gedichten van Friedrich Hölderlin (1770-1843), vertaald door Piet Thomas en Ludo Verbeeck uit 1987  is het gedicht opgenomen ‘Tot de Duitsers’ in vertaling maar ook in het origineel. Voor de liefhebbers van de Duitse taal heb ik naast de vertaling ook het origineel hieronder geplaatst.

.

Tot de Duitsers

.

Spot met het kind niet dat met zweep en sporen

op ’t hobbelpaard zich groot en moedig waant,

want jullie Duitsers, jullie ook zijn

aan gedachten rijk en arm aan daden.

.

Of flits, zoals een straal uit wolken,

uit de gedachten ook de daad? Leven de boeken straks?

Ja vrienden, grijp me dan maar vast

en leer me voor die laster boeten.

.

An die Deutschen

.

Spottet ja nicht des Kinds, wenn es mit Peitsch’ und Sporn
Auf dem Rosse von Holz mutig und groß sich dünkt,
Denn, ihr Deutschen, auch ihr seid
Tatenarm und gedankenvoll.

.

Oder kommt, wie der Strahl aus dem Gewölke kommt,
Aus Gedanken die Tat? Leben die Bücher bald?
O ihr Lieben, so nehmt mich,
Daß ich büße die Lästerung.

.

Rimbaud

Enid Starkie

.

Ik hou van oude dichtbundels en van oude boeken over poëzie. En soms kom ik in zo’n oud boek brieven of briefjes of krantenknipsels tegen. Zo ook afgelopen week. In een oud boek (ik weet niet eens meer precies wat voor boek, het had niets met poëzie van doen in ieder geval) kwam ik een krantenknipsel tegen met als titel ‘Een dichtersleven’.

Het betreft hier een recensie van ‘Arthur Rimbaud’ van schrijfster Enid Starkie uit 1961. Uit welke krant dit artikel komt is niet duidelijk maar interessant is het wel. Zo lees ik over Rimbaud (1854-1891): Het is het verhaal van een hyperintelligente en bandeloze jongeman, die zijn leven lang door een ware honger naar macht werd voortgedreven, zich een tijdlang reëel verbeeldde God te zijn en op een leeftijd, waarop de meeste toekomstige schrijvers nog een schoolblaadje redigeren, gedichten schreef, die de richting der Europese poëzie geheel zouden veranderen, om tenslotte, nog geen 20 jaar oud, de literatuur en de visoenen vaarwel te zeggen en een avonturier te worden, op zoek naar materieel fortuin.

Na een meer dan heftige relatie met de dichter Verlaine en de publicatie van ‘Une saison en enfer’ in 1876 neemt Rimbaud voorgoed afscheid van de literatuur. Hij zal geen gedicht meer schrijven. Hij begint een zwerftocht door Europa en het Midden-Oosten, leert Engels, Duits, Italiaans, Spaans, Russisch, Grieks en Arabisch, loopt in Italië een zonnesteek op, neemt in Harderwijk dienst als koloniaal (de 300 gulden die hij hiervoor ontving, verbraste hij met Rotte Pietje, een beruchte prostituee), deserteerde op Java, kwam terug naar Europa en had allerlei baantjes. De laatste jaren jaren van zijn leven zijn wazig, hij onderneemt nog trektochten door Afrika, wordt vlijtig en zuinig, accuraat en maakt zich op om te trouwen en als eerzaam burger ergens in Frankrijk te settelen.  Op een goede dag begint zijn knie te zwellen. Doodziek wordt hij naar de kust vervoerd om terug te keren bij zijn moeder. Daar belandt hij met een geamputeerd been en vol zweren in een ziekenhuis in Marseille waar hij zich bekeerdt en op 37 jarige leeftijd overlijdt.

Het hele stuk leest als een sensationeel levensverhaal waarvan ik het deel over zijn relatie met Verlaine nog heb weggelaten. Dat Rimbaud nog steeds gelezen wordt en in Frankrijk nog altijd geëerd en bewonderd, blijkt uit de vele standbeelden die er van hem zijn, een museum gewijd aan hem en  een bewegwijzerde autoroute-Rimbaud-Verlaine van zo’n 150 km door de Franse Ardennen. In 1992 vertaalde dichter Jan Kal voor De Tweede Ronde drie gedichten van Rimbaud uit diens bundel ‘Une saison en enfer’ getiteld ‘Rêvé pour l’hiver, A… Elle’ of zoals het in het Nederlands is getiteld ‘Droom voor de winter, Aan … Haar’.

.

Droom voor de winter
Aan… Haar

We rijden van de winter in een roze rijtuig
met blauwe kussentjes.
We zitten goed: de hoekjes, als ik mij opzij buig,
zijn nestjes vol gekus.
.
Je sluit je ogen voor de aanblik door de ruitjes
van ’t avondduister, het gespook
van grimmige gedrochten, van die louche luitjes:
zwarte demonen, wolven ook.
.
Dan voel je op je wang iets kriebelen als strootjes:
een kusje, net een spin met wriemelende pootjes,
die langs je halsje daalt.
.
Je zal me zeggen: ‘Zoek!’, en ’t hoofdje laten hangen.
Dan nemen we de tijd om ’t beestje te gaan vangen,
dat zeer reislustig dwaalt…
.
.

Hoe heter hoe beter

Els Moors

.

De Vlaamse dichter en schrijver Els Moors ( 1976) woont en werkt in Brussel. Haar met lof overladen poëziedebuut ‘Er hangt een hoge lucht boven ons’ uit 2009 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. Bij het balanseer verscheen in 2013 de dichtbundel ‘Liederen van een kapseizend paard’. Deze bundel werd bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs 2015 en met de Prijs Letterkunde van de provincie West Vlaanderen. De bundel werd ook vertaald naar het Frans. In 2015 verscheen bij Brueterich Press de naar het Duits vertaalde bundel ‘Lieder vom pferd über Bord’.

Moors is onder meer docent Creative Writing in Brussel, Antwerpen en Arnhem ArtEZ en redacteur van het literaire tijdschrift “nY”. Sinds 2016 is zij een van de Nederlandstalige dichters in de poule van het ambitieuze, Europese poëzieproject ‘Versopolis’. Ook was zij van 2018-2020 Dichter des vaderlands van België. De gedichten die ze ambtshalve schreef, zijn gebundeld in ‘Knalpatronen’, waarin de gedichten ook in het Frans en Duits zijn opgenomen, en soms in het Arabisch en Afrikaans.

Uit deze bundel ‘Knalpatronen’ uit 2020 nam ik het gedicht ‘Hoe heter hoe beter’.

.

Hoe heter hoe beter: klimaatlied

.
auto’s die drijven op een zee van plastiek
naar hete planeten vandaag ben ik ziek
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat
hoe heter hoe beter
en ja ook op straat
zee doet niet mee en is morgen kapot
één chimpansee later en dan ben ik god
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat (x2)

.

                                                                                                                                         Foto: Guy Kokken

Tot de jonge dichter

Friedrich Hölderlin

.

In mijn vakantie kocht ik een fraai uitgegeven bundel ‘Hölderlin De mooiste gedichten, uitgegeven door Davidfonds/Literair in 2000. Toen ik in mijn blog zocht naar deze Duitse dichter bleek dat ik nog nooit een bericht aan hem gewijd had. Zijn naam werd wel genoemd in verschillende berichten maar een gedicht van hem plaatsen daar was (nog) geen sprake van. En dat terwijl Friedrich Hölderlin (1770-1843) toch niet de eerste de beste dichter was.

Hölderlin schreef in zijn leven vooral (romantische) gedichten maar ook een roman (Hyperion) en een treurspel ‘De dood van Empedocles’ dat hij niet voltooide. Daarnaast vertaalde hij een van de drie grote Attische tragediedichters Sophocles en schreef hij beschouwingen over poëzie, filosofie en esthetiek.

In de bundel staan gedichten van Hölderlin vertaald door Piet Thomas en Ludo Verbeeck verfraaid met prenten van William Blake. De gedichten worden voorafgegaan door een inleiding door Ludo Verbeeck.  De gedichten zijn opgenomen in het Duits en in de vertaling. Ik koos voor het gedicht ‘Tot de jonge dichters’ of ‘An die jungen Dichter’ zoals de titel in het Duits is.

Het gedicht brengt een boodschap van advies en aanmoediging over aan aspirant-dichters. De toon is formeel en de Hölderlin presenteert zijn aanbevelingen met hartstochtelijke ernst. Inhoudelijk richt Hölderlin zich op ‘jonge dichters’, wat suggereert dat het ‘lyrische zelf’ een oudere, ervaren dichter vertegenwoordigt die zijn wijsheid en advies doorgeeft aan de volgende generatie. Hij spreekt van rijping, zowel in relatie tot de jonge dichters als tot hun kunst. Hölderlin benadrukt het belang van bescheidenheid, respect voor de oude meesters en liefde voor de natuur en de mensheid als fundamentele principes voor goede poëzie. Het advies om advies te vragen aan de natuur benadrukt de diepe verbinding tussen natuur en poëzie.

.

Tot de jonge dichters

.

Beste broers! Misschien rijpt onze kunst.

heeft zij reeds lang zoals de jeugd gegist,

in schoonheid wordt zij weldra stil;

wees vroom, want zo ook was de Griek!

.

Hou van de goden en denk als een vriend aan de mensen!

Haat de roes en de vorst! Leer een beschrijf niet!

Zijn jullie bang voor de Meester,

vraag dan de grote natuur om raad.

.

An die jungen Dichter

.

Lieben Brüder! es reift unsere Kunst vielleicht,
Da, dem Jünglinge gleich, lange sie schon gegärt,
Bald zur Stille der Schönheit;
Seid nur fromm, wie der Grieche war!

.

Liebt die Götter und denkt freundlich der Sterblichen!
Haßt den Rausch, wie den Frost! lehrt, und beschreibet nicht!
Wenn der Meister euch ängstigt,
Fragt die große Natur um Rat.

.

V/9

Patrick Conrad

.

Patrick Conrad (1945) is een Vlaams dichter, scenarioschrijver, filmregisseur en schrijver van (misdaad)romans. Hij was met Nic van Bruggen medestichter van het Antwerpse dichtersgenootschap Pink Poets (1972-1982). Dit was een manifest tegen het realisme, dat Gentse dichters rond tijdschrift Yang voorstonden. Ook speelde het verlangen mee om de stad na de roerige jaren zestig in een tweede avant-gardegolf op te nemen. De roze kleur was geen kenmerk van homoseksuele geaardheid, maar stond voor een hip, elitair tintje, vergelijkbaar met de ‘fine-fleur‘ of ‘the very pink in the mode’.

Tot de groep traden andere dichters toe, bijvoorbeeld Paul Snoek en Hugues C. Pernath. De Pink Poets was een initiatief van de twee dichters. Toen ze er weinig meer in zagen ontbonden ze de club na tien jaar met een eenvoudige persmededeling. Conrad zag zichzelf als dandy stadsdichter, verbonden door een maniëristische, of decadentistische visie op het kunstenaarschap. De gedichten van Conrad van de jaren zestig bestaan uit fragmenten van beelden, geconcentreerd als de aanslag van pianotonen, een kort impromptu, elegische schetsen van een gestileerde erotiek, met fin de siècle bedwelming.

Zijn werk werd vertaald naar onder andere het Engels, het Frans en het Duits. Conrad debuteerde in 1963 met de bundel ‘Cezar en Jezabel’ waarna nog 20 bundels zouden volgen. In 2023 kwam zijn laatste bundel uit getiteld ‘De zwarte zangen’. In het jaar daarvoor de bundel ‘Oude, koude nachten’ memoires in 100 gedichten. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘V/9’.

.

V/9

.

Hij was het oog dat naar de wereld keek,

als naar een landstreek die langsloopt.

Dan naar jou en dan,

als naar een parodie van zichzelf,

naar zichzelf.

.

Zijn takken raken de grond,

zijn schors scheurt en splijt

en uit de barsten in zijn huid van hout

vloeit traag als uit een jonge wonde

het hars van zijn hart.

.

Inkeer vouwt hem dicht als een oude krant

en woorden schieten tekort

om te beschrijven hoezeer hij haar mist

zodra ze beneden op straat de mist ingaat.

.