Site-archief

Al van kleins af aan

Roziena Salihu

.

Als liefhebber mag ik graag rondstruinen op de website van Poetry Circle want daar staat allerlei informatie over getalenteerde, vaak jonge, dichters. Wat me dan ook opvalt is dat al die jonge dichters zichzelf vaak niet zien als dichter maar als woordkunstenaar of als creatieveling in de brede zin des woords. Zo vind ik combinaties in de volgende disciplines: dichter/spoken word artiest/beeldend kunstenaar/filmer/tattoo artist/ schrijver/fotograaf/theatermaker/collage artiest/acteur/verhalenverteller/muzikant en coach.

Aan de ene kant heb ik hier geen mening over in de zin dat ik zelf ook niet alleen dichter ben, maar het verschil is dat ik creatief gezien daarnaast alleen blogger ben en geen andere creatieve aspiraties heb. Het lijkt me dan ook lastig kiezen uit al die mogelijke combinaties. Dat gezegd hebbende zit er erg veel talent tussen de dichters/performers op Poetry Circle. Een aantal van de daar geportretteerde dichters ken ik (bijvoorbeeld van de Poëziebus -Steff Geelen en Rellie Telg-, de Kunstbende – Daniëlle Zawadi- en Raamwerk | Dichtwerk -Benzokarim-) of zijn inmiddels landelijk bekend (Derek Otte en Babs Gons) maar er staan ook namen bij die ik niet ken.

Zoals bijvoorbeeld Roziena Salihu (1994). In 2018 werd haar werk voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘En ze leefde nog’. Ook is ze een van de schrijvers die is opgenomen in de bundel ‘Hardop‘ die in 2019 verscheen, samengesteld door Babs Gons. Ze werd gescout voor het nieuwe talentontwikkelingstraject WOLK, dat tot stand is gekomen door een samenwerking tussen Poetry Circle Nowhere, Tilt en Watershed. Daarnaast schrijft ze proza, maakt ze documentaires en is actrice.

Voor aan het sympathieke Raadgedicht deed ze mee. Dat gedicht lees je hieronder.

.

Al van kleins af aan

leren ze ons

over moed

we lezen het in boeken

zien het in cartoons

en vlak voor het slapengaan

vertellen ze het ons,

over prinsen, over ridders

over het redden van prinsessen

en in al die verhalen gaat het altijd hetzelfde

.

Moed

daar word je mee geboren

staat gelijk aan het ontbreken van angst

het redden van prinsessen uit hoge torens

doet alleen een moedig man

.

Maar dat is het ding met sprookjes

het is en blijft op fantasie gebaseerd

en de verhalen die wij hoorden als kind

zijn inmiddels enorm gedateerd

.

Want als we de echte verhalen horen

de geschiedenis terug volgen

dan heeft moed niks te maken met wapens of zwaarden

dan komt er geen prinses en geen ridder aan te pas

dan kan iedereen het vinden

terwijl het daarvoor nooit in je zat

.

Want we worden er niet mee geboren

en da’s maar goed ook, liever niet

want moed heb je pas nodig

als het verschrikkelijk tegenzit

.

En soms is het niet groots

en ook niet gewelddadig

soms zit moed gewoon in

het kleine, het alledaagse

.

Er is maar één correcte definitie van moed

dat ondanks dat iets eng is

je het toch gewoon doet.

.

 

Randschade

Een recensie

.

Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:

Is het mijn sterfdag?

Vergeet engelen en psalmen

Ik wil het vanille van een oud boek

Ik wil een koud flesje bier

en ik wil jou, nog één keer.

De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de  bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.

In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.

In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.

Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.

Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.

.

Uitzicht

.

De middag zet zijn ramen open:

een tuin vol weegbree, paardenbloem

en kattenpis. Een kraai verdwijnt in

de schaduw van een haag.

.

Daarachter zwijgzame huizen

voorbijschuivende silhouetten

een passant die de dag vervloekt

het niet begrijpende kind

dat hem vergezelt.

.

In hun voetafdruk hangt randschade.

.

De kamer vult zich met het oog

dat kijkt. Licht valt op het lege doek.

Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit

de tuin een strook, het kind een kras.

.

Pompejaans rood en nachtzwart

rollen erdoor heen. Feest

op de rand van een vulkaan.

.

Twaalf niet zo moeilijke gedichten

Hans Vlek

.

De dichter Hans Vlek (1947-2016) is geen onbekende dichter op dit blog. Al een aantal maal kwam hij en zijn poëzie voorbij. Na zijn dood werd in 2024 het Hans Vlek genootschap opgericht met het doel de herinnering aan de dichter Hans Vlek levend te houden en bij te dragen aan de kennis en waardering van zijn werk. Het Genootschap wordt bestuurd door Teunis IJdens, Antoon van Rosmalen, Renske van Dillen en Sander Bax. Ook is er een comité van aanbeveling waar naast dichters Frans Kuipers en Jan Kuijper ook mijn bibliotheek collega en directeur van de bibliotheek in Den Bosch Nan van Schendel, schrijver A. F. Th. van der Heijden en Roos Vlek (dochter van Hans) zitting hebben.

Doel van het Hans Vlek Genootschap is om beschikbare informatie over werk en leven van de dichter toegankelijk te maken; nieuwe informatie te verzamelen en toegankelijk te maken; lezingen, festivals en andere openbare evenementen te (doen) organiseren; studie naar het werk van Hans Vlek en verwante dichters, schrijvers, beeldend kunstenaars en musici te bevorderen; publicaties te (doen) uitgeven.

En dat laatste is nu precies wat het Genootschap gaat doen. Op 4 juli, de Vlekdag, 10 jaar na zijn overlijden, organiseren zij samen met Huis73 (de bibliotheek) onder andere de presentatie van de bundel ‘Twaalf niet zo moeilijke gedichten’ in een oplage van 150 genummerde exemplaren. Deze bundel bevat twaalf eerder gepubliceerde gedichten van Hans Vlek die sinds 2 juli 2025 bij zes zogenaamde Vlekflitsen, om de twee maanden, werden voorgedragen op een openbare plek in Den Bosch. Meer informatie over het Genootschap vind je op hun website hansvlek.nl 

Ik heb de inhoud van deze bundel mogen inzien en ik heb gekozen voor het gedicht ‘Fatum’ dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Iets eetbaars’ uit 1966.

.

Fatum

.

Of ik nu goede gedichten schrijf

of niet, of ik nu 1 liter melk

of bier drink, of als

het ophoudt te regenen

En ga zo maar even door

– Het is een goedkoop thema

zoals ook lucht goedkoop is

maar onmisbaar

ik weet het –

.

Mijn haren zullen schaarser

m’n brilleglazen dikker

en m’n ogen kleiner worden.

Ook zal ik niet meer door

voor aanstormende auto’s weg te sprinten

veilig de overkant bereiken.

.

Ik bedoel dichters

gaan ook dood. Iets anders

houd ik niet voor mogelijk

.

Wim T. Schippers overleden

Helaas dood

.

Gisteren werd bekend dat programmamaker, acteur, stemacteur, schrijver, dichter, presentator en beeldend kunstenaar Wim T. Schippers (1942-2026) is overleden. Er is ontzettend veel te vertellen over Wim T. Schippers maar ik zal me beperken tot de keren dat hij en zijn werk op dit blog een plek kregen. De eerste keer was in 2014, ik schreef toen een stuk over deel 3 in de Ronflonflon reeks (verwijzend naar het gelijknamige radioprogramma Ronflonflon met Jacques Plafond, dat Wim T. Schippers in de jaren 1984-1991 op radio 3 en radio 5 presenteerde en waar de huisdichter Wilhelmina Kuttjke (met twee T een prominente plaats innam) met als titel ‘Kuttje compleet’ gedichten van Wilhelmina Kuttje uitgelegd aan Jacques Plafond.

De keer daarna was in 2019 bij het overlijden van Janine van Elzakker, die de rol van Wilhelmina Kuttje vervulde in Ronflonflon met Jacques Plafond. In de overlijdensadvertentie stond toen de tekst: Helaas dood. Een typische Wim T. Schipperiaanse opmerking. In 2021 schreef ik over een verzamelbundel ‘Congressen‘ van de dienstenbond FNV waarin een van de verassende keuzes van Cox Habbema, de samensteller, van Wim T. Schippers was.

In 2022 schreef ik over een vakantiegedicht van Ingmar Heytze (zelf een groot bewonderaar van Wim T. Schippers) dat begint met een quote van Wim. En als laatste wijdde ik twee berichten aan de winnaar van de Jana Beranováprijs (waar ik als jurylid deel van uitmaakte). Die prijs werd in 2023 toegekend aan Wim T. Schippers. Wat ik me vooral heel goed herinner is de speech die Wim gaf bij de overhandiging van de prijs in Boekhandel Donner in Rotterdam. Ongelofelijk grappig, eloquent, absurd, typisch maar zo goed, zo typisch Wim T. Schippers. Hij was oprecht blij met de prijs vertelde hij (en iedereen aanwezig geloofde hem) omdat dit de eerste prijs was die hij kreeg voor zijn werk als schrijver/dichter. Hij had vele prijzen gekregen maar allemaal voor zijn werk als kunstenaar en scenarioschrijver.

Ik zal hem altijd onthouden om zijn geweldige shows, zijn programma’s op televisie, zijn radioprogramma’s en zelfs zijn manier van presenteren van Zomergasten bij de VPRO. En als dichter, want dat was hij ook. In 1975 verscheen onder de naam B. Servet (Barend Servet, een van zijn creaties) het bundeltje ‘Eén per pagina’ in een oplage van 1500 stuks. Ergens op internet las ik dat het hier een dichtbundel van de kunstenaar Fluxus betreft, die op amusante wijze aan zijn titel is gekomen doordat de uitgever de instructie om slechts één gedicht per pagina te plaatsen verkeerd begreep en het per ongeluk op de omslag afdrukte. Ik denk dat het allemaal uit het heerlijke absurde brein van Wim T. Schippers kwam.

In dit bundeltje korte gedichtjes, een die nu veel op de social media langs komt; Dood / Niks aan te doen. Een gedichtje dat doet denken aan de overlijdensadvertentie van Janine van Elzakker. Maar ook iets langere gedichtjes. Hier een paar voorbeelden.

.

Het zonnetje

.

Lacht het zonnetje?

of is het zonnetje soms kwaad

of alleen maar verdrietig.

De Maan

lacht de Maan?

een straatbeeld van zegge en schrijve

zeven pond en ruim drie ons

ik dank u wel

ik pas voor dergelijke gortige gedachten

dit soort poeha

staat mij in ’t geheel niet aan

doch mocht ik onverhoopt

op andere gedachten geraken

dan hoort u nog van mij

daar kunt u van op aan

het zij zo

.

Credo

.

daar kom ik ook nog es

aankakken

met wat wazig materiaal

.

Crossend door woestenijen

.

het bekende geëikel

van vallen en opstaan

in een extra dimensie

dit keer

want op weg naar jou, mijn liefste

.

 

De druk van letters op papier…

Dorothy Wong Loi Sing

.

In 1995 verscheen ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie‘ van de oude liedkunst tot de jongste dichters onder redactie van Michiel van Kempen. Een lijvig werk van 700 pagina’s Surinaamse poëzie vanaf de vroegst bekende poëzietekst in het Sranantongo door Hendrik Schouten (1745-1801) tot de jongste dichter Cándani (1965-2021). Natuurlijk is er veel meer poëzie van jonge dichters verschenen tot en na 1995 maar dat heeft dit verzamelwerk niet gehaald. Een belangrijke verzameling poëzie met onder andere veel onvindbare teksten die chronologisch en overzichtelijk gepresenteerd worden in deze Spiegel. Verder is er ook sprake van niet eerder gepubliceerd materiaal. De bloemlezing bevat een deel orale verzen (van Indianen, Marrons, Hindoestanen en Javanen) gevolgd door geschreven verzen.

Van Kempen selecteerde louter op basis van zijn persoonlijke voorkeur en niet omdat het om bekende teksten gaat. De bundel bevat dus geen overzicht van alle Surinaamse dichters. In de inleiding zegt de samensteller dat hij niet alleen geselecteerd heeft uit werk geschreven door dichters geboren in Suriname maar ook uit werk van hen die zich in Suriname vestigden en hun lot definitief met het lot verbonden. De opname van het aantal gedichten correspondeert met het relatieve belang van een dichter in de Surinaamse letteren.

Een van de dichters uit deze Spiegel is Dorothy Wong Loi Sing (1954) schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Ze bracht meer dan vijftien werken in eigen beheer uit, gestencild, gefotokopieerd, in ringbandjes of geniet: poëzie, proza, toneel, zowel voor de jeugd als voor volwassenen. Het meeste succes had ze met haar bundel ‘Zwarte muze, witte creoolse’ (1983) met gedichten in het Sranan, Engels en Nederlands. In 1984 won ze met drie gedichten een prijs in The Black Youth Annual Penmanships Awards te Londen. Na 1991 stopte ze met schrijven. Gelukkig hebben we haar werken nog. Zoals het onderstaande gedicht dat werd opgenomen in ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie’.

.

De druk van letters op papier
keur ik niet diep genoeg
om in te werken op jouw stramme rug.
De geprononceerde schreeuw van klanken
door een zelfbewuste microfoon
moet, ritmisch een patroon verklankend
zich rijgen aan een houten spit
in jouw doorkerfd evenwicht
en ter plekke de balans verstoren
zodat je hangt, en ligt, en zit
in onmogelijke standen.

In mijn gedichten wil ik jou
in de luren leggen.
Daar lig je dan, als schaschlick,
te marineren,
doordringend stinkend naar mijn ongelijk,
want je moet weten, ik draag de norm
van deze opgelegde maatschappij
met kromgebogen rug.
Zij hebben mij eronder gedouwd,
goed beschouwd:
tot ik gestikt ben in hun geregeld streven.

.

Nacht van de poëzie

Peggy Verzett

.

Vandaag pakte ik, zonder te kijken, uit een reeks dunne dichtbundeltjes de bundel ‘Nacht van de Poëzie, 2006’ uit mijn kast. Deze bundeltjes met gedichten van deelnemende dichters aan de Nacht zijn klein van omvang (22 dichters met bijna allemaal 1 gedicht) dus het was eenvoudig om de bundel ergens halverwege opnieuw ongezien te openen en daar de dichter Peggy Verzett (1958) te ontdekken met een gedicht zonder titel. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in haar bundel ‘Prijken die buik’ (2005) uit de cyclus ‘Cultnat’. Verzett is dichter, beeldend kunstenaar (olieverfschilderijen) docent Nederlands en Beeldende Vormgeving.

In 2010 verscheen van haar de bundel ‘Vissing’, in 2016 de bundel  ‘Haar vliegstro‘, in 2021 de bundel ‘Sneeuweieren / Snow Eggs’ en in 2023 de bundel ‘een ronde bol een ronde bol’. Uit de festival bundel van de Nacht van de Poëzie het volgende gedicht.

.

wij zagen een geborduurde

en een gevorderde winnaar

.

wij kozen de gevorderde

met de verre stad

.

achter droeg een verre stad met een brede rivier

toe-toe-toebedeelde morgens op willekeurige doorsneden

.

onze bladschuiven valhoogten en composieten

de wind weegt het vlees van de hypocrises

.

Anna!

hier is wat fraais begonnen

zet ’t likhout op een kier

.

door de gaten van onze kapsels

helt een lucht van gewelfde zucht

,

tussen de lamplicht en lamplicht

die langs zouden komen

.

Linda Mence

Oud moedertje, oud besje

.

De uit Letland afkomstige Linda Mence (1992) is dichter, beeldend kunstenaar en een van de redacteuren van het literaire tijdschrift Punctum. Ze behaalde een masterdiploma in grafische kunst aan de Kunstacademie van Letland. Ze debuteerde met de dichtbundel ‘Apļi’ (Cirkels) in 2023 en ontving de Ojārs Vācietis Literatuurprijs voor Poëzie en de jaarlijkse Letse Literatuurprijs voor het beste debuut. Linda schreef ook een gedichtenbundel voor kinderen ‘Kosmoss ir virs bēniņiem’ (De ruimte boven de zolder) die verscheen in 2024. Daarnaast vertaalde ze poëzie van Edgar Lee Masters, Christina Rossetti en anderen. Haar werk is gepubliceerd in de tijdschriften Strāva, Žoklis en Domuzīme, evenals in de internettijdschriften Punctum en Satori.

In tijdschrift Terras, waarvan het laatste nummer geheel gewijd is aan de Baltische literatuur, zijn een aantal gedichten van haar hand opgenomen. Omdat twee van deze gedichten een soort zelfde thema hebben dacht ik ze beide te plaatsen en er dan gelijk een dubbel-gedicht van te maken. Vertaald door de Letse vertaalcel zijn dit de gedichten ‘oud besje’ en ‘oud moedertje’.

.

oud besje

.

het oudje gaat langzaam als een treurwilg

het oudje gaat langzaam als treurnis

langzaam als een roeiboot op een kalme zee

gooit de netten uit

en haalt ze vol zilver op

strooit dat op het dorre gras voor Orrie, Snorrie en Rossie

en klein Miesje Mauw zonder staart

vouwt het netjes op

stopt het in haar zak

opent de deur

en stapt de winkel in langzaam als een kale treurwilg

.

oud moedertje

.

mijn jongens hebben aan mijn borst

vijf generaties lang gehuild

de een kreeg melk, de ander hartstocht

nu met spijt, dan weer beschaamd

druivenranken spruiten uit mijn borst

en strengelen zich tot prieel waar

die jongens oud nu bij de wijnbroden breken en pasteien

als wangen vet op het hart drukken en weer hun rammen offeren

en drinken uit een hoorn op tafel slaan

en dan mijn borst –

de appelen van ooit

wiegen aan hun tak

langzaam heen en weer

.

Poëzienieuws

Presentatie bundel, voordrachten en podia

.

Gisteravond was ik bij De Groene Fee, het sympathieke poëziepodium van Louis van Londen in Breda. Louis weet elke keer weer andere dichters voor zijn podium te krijgen en dit keer waren dat onder andere Serge van Duijnhoven, Tom Driessen en Yvon Né. Dit keer was Stijn Charpentier de muzikant van dienst en het was weer een gezellige avond met een Serge van Duijnhoven die op dreef was (zoals altijd), Driessen die een lang gedicht volledig uit zijn hoofd voordroeg en Yvon Né met bijzondere gedichten.

Vanavond mag ik dan zelf voordragen tijdens de museumnacht. In de energiekas (op het dak van het gebouw aan de Helena van Doeverenplantsoen in Den Haag, entree Lange Beestenmarkt-zijde bij Billytown) treden in drie blokken verschillende dichters op waaronder Hans Franse, Alexander Franken, Gerrit Venema, Eelco van der Waals (organisator) en ik dus. De tijden van de blokken zijn: 19.30 – 20.00 uur, 21.00 – 21.30 uur en 22.30 – 23.00 uur. Ik draag voor in blok 2 en 3.

Op 1 november is het Dichter bij de Dood op begraafplaats Oud Eik en Duinen. Georganiseerd door Marjon van der Vegt in samenwerking met mij via poëziestichting Ongehoord! Ook ik zal hier die avond voordragen. Dichter bij de Dood 2025 staat in het teken van licht en donker. Op de begraafplaats wordt een route uitgezet met fakkels en op verschillende plekken staan dichters die hun gedichten voordragen. Plaats: Laan van Oud Eik en Duinen 40 in Den Haag, aanvang 18.45, gratis toegang.

Op 15 november presenteer ik in Alkmaar het programma van de bundelpresentatie van de nieuwe bundel van Alja Spaan. Daar zullen Margreet Schouwenaar, Helle van Aardeberg, Leo Peeraer en Pom Wolff voordragen en verzorgd Rob van der Plas de muziek. Ook ik zal daar poëzie van Alja voordragen. De presentatie is in de Alkenaer, Ritsevoort 36 in Alkmaar. De middag begint om 15 uur.

Geen bericht zonder gedicht en daarom uit de bundel ‘Gevangen in een tekening’ van Louis van Londen uit 2023, die hij samen met beeldend kunstenaar Nita Steketee maakte, een gedicht.

.

als God een deejay is,

doet hij dan ook

aan verzoekjes?

.

draait hij dan

speciaal voor ons

die ene plaat

waarop wij samen

dansten die nacht?

.

alle bewegingen,

alle pasjes kwamen

als vanzelf,

.

omdat we er niet bij

nadachten, dat deden

vanuit ons hart

.

Toen ik dood was (een versje)

Wim Hofman

.

De laatste tijd lees ik wat meer dichters op leeftijd. Ik weet niet wat daar de reden voor is (misschien is er helemaal geen reden maar is het toeval) maar ik merk dat ik geïnteresseerd ben in juist het wat oudere werk van oudere dichters. Zo las ik de afgelopen week in de bundel ‘Je bent mijn liefste woord’ gedichten voor bijzondere momenten uit 2015, een gedicht van schrijver, illustrator, beeldend kunstenaar en dichter Wim Hofman (1941).

Ik ken Wim als dichter al veel langer hoewel de meeste mensen hem vooral zullen kennen van zijn kinderboeken als ‘Wim’ uit 1977 en ‘Aap en beer’ uit 1984. Wim ken ik ook omdat hij een bijdrage schreef voor MUGzine #12. In die editie is naast werk van hem ook poëzie opgenomen van Anton Korteweg, Jana Beranová (die de Anna Blamanprijs heeft gekregen vorige week) en de Vlaamse dichter Amina Belôrf. In diezelfde editie zijn foto’s opgenomen van fotograaf Scarlett Hooft Graafland, die op dit moment een grote en mooie  overzichtstentoonstelling heeft in het nieuwste rijksmuseum van Nederland Panorama Mesdag.

Terug naar het gedicht van Wim in ‘Je bent mijn liefste woord’ dat als titel draagt ‘Toen ik dood was (een  versje)’. Het gedicht werd overgenomen uit zijn bundel ‘Na de storm’ uit 2005. Het bijzondere aan dit gedicht , vind ik, dat het door de toevoeging (een versje) lijkt alsof het een kinderversje is. Maar niets is minder waar. Het begint als versje maar de laatste twee strofen lopen daarbij uit de pas. Ook het onderwerp is nou niet direct iets voor een versje. Oordeel zelf.

.

Toen ik dood was (een versje)

.

toen ik dood was gingen jullie naar huis

en jullie ruimden alles op

schelpen stenen scherven gruis

.

gordijnen deuren en ramen open

in mijn bed een inktzwarte vlek

in de kast kakelden papieren

niets stond op zijn plek

.

mijn stoel was al kilometers ver

een stofwolkje op de oude straatweg

.

op tafel een taart zonder kaarsjes

maar met een kersje voor ieder een kersje

.

De bol is rond

Michael Tedja

.

De in Rotterdam geboren maar in Vlaardingen opgegroeide, schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en curator Michael Tedja (1971) is niet alleen een zeer veelzijdig man maar ook echt een kunstenaar. Ik leid dat af aan zijn oeuvre maar ook aan het feit dat hij in woorden zijn universum heeft benoemd. Of zoals hij het noemt de fictieve ruimte waarbinnen zijn beeldend werk, zijn poëzie en proza samenkomen. Hij noemt dit Het Holarium. Deze virtuele ruimte bestaat uit een systeem opgebouwd uit fragmenten van taal, ritme en onderzoek die samen een coherente entiteit vormen. Het verzamelen van deze fragmenten wordt door hem ‘aquaholisme’ genoemd, net als ‘Holarium’ een samenvoeging van de woorden aquarium en holisme (het zoeken naar verbindingen die losse eigenschappen tot één geheel maken). Het Holarium was ook de titel van zijn eerste solotentoonstelling in Museum Jan Cunen in Oss in 2002.

Tedja debuteerde als dichter in 2005 met de bundel ‘De aquaholist’ bij de Rotterdamse uitgeverij Sea Urchin, een uitgeverij gespecialiseerd in ‘historical avant-garde and counterculture’, met gedichten en prozagedichten. In 2013 verschijnt zijn tweede bundel met de titel ‘Tot hier en verder’. De titel is gebaseerd op de betekenis van de naam Tedja. Deze betekent in het Surinaams: tot hier. Te = tot, en dja = hier. In 2015 verschijnt de bundel ‘Regen’ dat afkomst en racisme als thema heeft.

En nu, dit jaar verschijnt zijn bundel ‘Lift’, een ‘eigenzinnig en gelaagd kunstwerk dat een kritische blik biedt op de samenleving.  Tedja kreeg voor zijn literaire werk de Sybren Poletprijs (2021) en de Jana Beranováprijs 2020. Uit zijn laatste bundel ‘Lift’ heb ik een gedicht gekozen waarin de lift een centrale rol speelt.

.

Het verschil tussen

rijk en arm was als koren op het

mechaniek. De

relaties tussen de flatbewoners.

.

Ik wilde die

relatiegeschiedenis omverwerpen, het mechaniek

van de lift veranderen

en opbouwen

met ronde informatie

in de vorm van een wereldbol

.

De wereldbol was eindig

en oneindig, universeel en persoonlijk.

.

Net zoals de bollen,

die altijd bol waren, waar

ik die ook liet staan of aan ophing.

De cirkel was bol

en die was rond.

.