Site-archief
Randschade
Een recensie
.
Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.
De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer.
De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.
In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.
In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.
Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.
Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.
.
Uitzicht
.
De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.
.
Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.
.
In hun voetafdruk hangt randschade.
.
De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.
.
Pompejaans rood en nachtzwart
rollen erdoor heen. Feest
op de rand van een vulkaan.
.
Rakelings
Ria van Amelsvoort
.
Na het beëindigen van haar loopbaan als docent Frans begon Ria van Amelsvoort (1933) met het schrijven van proza en poëzie. Haar gedichten werden gepubliceerd in verschillende bloemlezingen en haar werk werd bekroond met verschillende prijzen waaronder tweemaal de Dunya Poëzieprijs. Haat taalgebruik is direct en doeltreffend. In 2010 verscheen van haar hand de bundel ‘ Rakelings’. In deze bundel komen thema’s als maatschappelijke betrokkenheid,, liefde, bezinning en aanvaarding aan de orde met name voor mensen met een verstandelijke handicap. Maar ook bespiegelingen op het moderne leven zoals in het gedicht ‘ Draadloos’.
.
Draadloos
.
als losgeslagen scheepjes
dobberen mobielen
op de mensenzee
draadloos aan de schelpen
nemen zij commando’s mee
intiem soms de gedachten
worden in de lucht gelost
.
ik mis het mij ommurende hok
waar ik ingekerfde liefde vond
als ik er te telefoneren stond
.
De muze en Europa
Venezia
.
In 1963 was het Boekenweekgeschenk de poëzieverzamelbundel ‘de muze en europa’. Een deel uit de serie van ‘de muze’. Mijn exemplaar is uit de kringloopwinkel en de tijd na verschijnen nogal beschadigd. Op de voorkant zit een rode vlek en de titelpagina is eruit gescheurd. Toch ben ik blij met dit bundeltje. In deze bundel poëzie van dichters over (plaatsen in) Europa. Gedichten van bekende dichters en gedichten van (mij) onbekende dichters zoals het gedicht ‘Venezia’ van Jan van Nijlen. Jan van Nijlen (1884 – 1965) was een Vlaams dichter maar vreemd genoeg werd zijn werk in Nederland meer gewaardeerd dan in België.
De motieven in zijn poëzie zijn ontleend aan het vliedende leven: herinneringen aan de jeugd, geluksverlangen, berusting in het onvermijdelijke leed, aanvaarding van de ouderdom en de naderende dood. In 1955 kreeg hij toch nog de eer die hem in België toe kwam, hij ontving de Belgische Staatsprijs ter bekroning van zijn schrijversloopbaan en in 1963 kreeg hij de Contstantijn Huygens-prijs.
Uit de bundel ‘de muze en europa’ het gedicht (oorspronkelijk verschenen in ‘Verzamelde gedichten, Te laat voor de wereld’) ‘Venezia’.
.
Venezia
.
Nu is de laatste straal van de zon geweken,
En in den hemel zijn de kleuren broos, Zoodat de zuiderwind, die ademloos
Erlangs wuift, schuchter doet verbleken
.
Het laaiend rood tot bijna blauwend roos
Dat geelgroen is waar ’t in de zee gaat breken.
Nu is ’t het uur dat elke ziel zich koos
Om, op het water dat zoo luid kan spreken,
.
Te varen in de schaduw der paleizen,
Wanneer met dieper kleur de zomernacht
Het laatste blauw des hemels gaat vergrijzen,
.
En neerdaalt van het zwartbevolkte oosten,
Dat lichtend niet zoo innige schoonheid bracht,
Volmaakte goedheid die bijna kan troosten.
.
Als
Peter Goossens
.
‘Als’ is de tweede poëziebundel van Peter Goossens (1957). Eerder verscheen bij dezelfde uitgeverij Het Punt de bundel ‘Madrigalen van strijd en liefde’ onder het pseudoniem Charles Janssens. Nu is er dus een nieuwe bundel en, zo schrijft de dichter, dit is een poëtisch verhaal een vertelling van 3 gedichten waarvan het eerste een drieluik is.
Wie nu denkt dat dit hele lange gedichten zijn, of een hele kleine bundel, komt bedrogen uit. Hoewel in drie gesplitst (of eigenlijk in 5 dus) bestaan de gedichten uit vele losse stukken die allemaal een stuk van het verhaal vertellen.
Wat is dat verhaal? Het betreft hier een vertelling van een driehoeksverhouding, van de gevoelsstrijd, de zoektocht en de aanvaarding van deze polyamorische liefde. Of zoals opnieuw de dichter het zelf zegt “een poëtische beschrijving van de gevoelswereld van de partner van de polyamorische persoon.
Nu ben ik niet zo’n fan van getuigenispoëzie. Getuigenispoëzie leunt wat mij betreft vrijwel altijd te zwaar op de getuigenis en te weinig op het poëtische. Ook hier is dat in enige mate het geval. In deze bundel wordt duidelijk een verhaal verteld, begrensd door de ware gebeurtenissen. Tijdens het lezen bekroop mij zo nu en dan het gevoel dat het voor de dichter een belangrijke emotionele verwerking betrof maar te weinig een poëtische daad.
Toch is dit een zeer verteerbare bundel met wel degelijk mooie poëtische zinnen. Voor wie interesse heeft in wat een driehoeksverhouding met een mens doet (en ik zou bijna zeggen wie is daarin niet geïnteresseerd) is dit een heel leesbare bundel.
Door de bundel heen lees je de worsteling, de liefde, het verdriet, de afgunst en de haat en toch ook de aanvaarding van de situatie.
“mijn lief, stap in de koets,
een schim zal je trekken
naar een ongewis einde
van een donkere nacht”
En toch, als ik dan het slotgedicht lees vraag ik me af of de partner van de polyamorische persoon wel echt aanvaard heeft dat de situatie anders is dan daarvoor en dat hij daar evenveel geluk bij kan voelen.
“We zitten op een bank, eten roomijs
zwijgen en trekken gekke bekken.
Het klinkt stom
maar niemand mag aan je komen”
.
Voor de lezer die van persoonlijke of ervaringspoëzie houdt is dit een zeer toegankelijke en boeiende bundel om te lezen, misschien minder poëtisch en meer beschrijvend dan ik had gehoopt maar desalniettemin de moeite waard. De uitvoering is netjes en de illustraties zijn ook door Peter gemaakt. De bundel is te krijgen via http://www.uitgeverijhetpunt.be
.








