Site-archief

Daar schrik je toch van

Nico Dijkshoorn

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en daar pakte ik, zonder te kijken, de bundel van P. Kouwes , pseudoniem van Nico Dijkshoorn (1960) getiteld ‘Daar schrik je toch van’ de eerste 1000 gedichten (2008), van een plank. Vervolgens (jullie kennen de procedure) op een willekeurige bladzijde geopend en daar stond het gedicht ‘Lenie ’t Hart’.

.

Lenie ’t Hart

.

nadat

de

voorzichtig

vrijgelaten

lenie ’t hart

voor

de zeventiende

maal

binnen

een

week

op haar

buik

zeehondencrèche

pieterburen

weer

binnenkroop

moest

men

constateren

dat

zij helaas

te veel

aan

zeehonden

gewend was

.

Memento Mori

Emerald Liu

.

Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.

Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.

Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.

.

Memento Mori

.

je staart

komt dichterbij

kijk me aan

bewandel mijn hand

land zacht op mijn hoofd

.

er is geen buigzaam verleden

enkel roest

een kroonblad staat wit op zwart

wankelt wordt wacht neen is

een verrukking

.

kantel je gezicht zo

nu haast een glimlach die balanceert op je

lippen robijnen in een hap van een kers en

barst het is zo voorbij bijt me bont

alsjeblieft is enkel een achtste rust in

de tijd dirigeert onze handen zoeken een

houvast

.

viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood

en bid voor een morgen die we kunnen

delen

het licht kruimelt

en in de verte landt een roetvlok in

de sneeuw

vergaat

.

De zelfverkozen dood

Rogi Wieg

.

Tien jaar geleden (ruim) was het een zwaar jaar voor de poëzie. Binnen een jaar pleegden maar liefst drie bekende Nederlandse dichters zelfmoord; Rogi Wieg (1962-2015), Joost Zwagerman (1963-2015) en Wim Brands (1959-2016). Drie generatiegenoten ook nog. In de geschiedenis zijn zij niet de enige dichters die zich van het leven beroofden, wat denk je van Jan Arends (1925-1974), Halbo C. Kool (1907-1968) en Jan Emmens (1924-1971). De bekendste dichter uit de 19e eeuw is François Haverschmidt (1835-1894) bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. En kijken we nog verder terug dan is er in de 18e eeuw nog de Friese jonker Willem van Haren (1710-1768). 

Uiteraard zijn er ook in het buitenland beroemde dichters die zichzelf van het leven beroofden: de bekendste Vlaming is natuurlijk Jotie ‘T Hooft (1956-1977), en de bekendste Amerikaanse dichter Sylvia Plath (1932-1963). Als je kijkt naar schrijvers (dus geen dichters) dan is de lijst nog veel langer. In 2015 wijdde de Volkskrant nog een artikel aan het fenomeen onder de kop ‘Waarom komt zelfmoord onder schrijvers relatief vaak voor?’. Ik weet niet of dit echt zo is (wie werden er meegenomen in het vergelijkend onderzoek?) maar elke zelfmoord is er een teveel. En de dichters die zelfmoord pleegden worden gemist.

Gelukkig is er altijd het werk van deze dichters. Zoals van Rogi Wieg. In 2015 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ een bloemlezing uit het poëtisch oeuvre van Rogi Wieg, samengesteld en ingeleid door Peter de Rijk. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘In de zin dat ik het sterven niet ken’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘De kam’ uit 2007.

.

In de zin dat ik het sterven niet ken

.

Ik zou me niet laten verleiden

door de vrouw, kennis laat me koud.

Het eeuwige leven,

.

in de zin dat ik het sterven niet ken,

een schildpad liggend op zijn rug,

die betekenis ken ik dan niet.

.

De appel niet hebben gezien,

de beet niet hebben gevoeld,

niet weten dat onder de schil de patholoog

aan het werk is.

.

God niet hebben gezien of gesproken.

Ik ben een alleswetende slak,

ik zou me niet laten verleiden.

.

Groeken

Piet Hein

.

Ik kreeg het bundeltje ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken van Piet Hein. Ik was even verward; Piet Hein? Groeken? Was Piet Hein niet onze nationale zeeheld? En wat zijn in hemelsnaam groeken? Om met de eerste vraag te beginnen, ja Piet Hein (1577-1629) is de man van de Zilvervloot, je weet wel, de schepen met zilver (ter waarde van een bedrag van maar liefst 11 miljoen gulden wat een gigantisch bedrag vertegenwoordigde destijds) uit Bolivia dat hij veroverde op de Spanjaarden in 1828.

Maar het betreft hier een heel andere Piet Hein (1905-1996), en ook nog eens geen Nederlander maar een Deens schrijver, natuur- en wiskundige, industrieel ontwerper, uitvinder en dichter die veel publiceerde onder het pseudoniem Kumbel (Oudnoors voor grafsteen). Deze Piet Hein schreef in meer dan 50 jaar duizenden groeken, zogenaamde lyrische aforismen, die hem wereldberoemd maakte.

In 1984 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker dan ook de bundel ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken in een vertaling van Marko Fondse en Peter Verstegen. Deze groeken hebben allerlei onderwerpen en zijn dan weer poëtisch, dan weer humoristisch, ze hebben een luchtige of juist serieuze ondertoon. De groeken van Hein werden vertaald in het Engels, Duits en Esperanto en dus ook in het Nederlands. Hieronder een paar voorbeelden.

.

Bemoediging

.

Is maagzuur al een ergernis

ik denk dat hartzeer erger is.

Dus dank de hemel en wees blij

als je maar lijdt aan één van bei.

.

Gave

.

Prachtige gaven zijn

geest en benul,

maar wat ze nog ver

overtreft,

is de gave om zo’n

ongelooflijke sul

te zijn dat je ’t zelf

niet beseft.

.

Alwetendheid

.

Wie weet wat hij

niet weet, belijdt

in zekere zin

alwetendheid.

.

Lizzy Sara May

Bijna vergeten dichter

.

Dichter en schrijfster Lizzy Sara May (1918-1988) zal voor de meeste lezers waarschijnlijk geen bekende naam zijn. Wellicht heb je ooit de naam weleens gehoord maar haar werk wordt niet of nauwelijks nog gelezen. Ze werd als Lissie Sara Maij geboren (Lizzy Sara May is een wat internationaler klinkend pseudoniem). Ze was aanvankelijk balletdanseres en mimespeelster, en debuteerde in 1956 met ‘Blues voor voetstappen’ waarin ze duidelijk affiniteit vertoont met het werk van de Vijftigers. De bundel werd opgedragen aan haar overleden joodse ouders. Ook in de daarna volgende dichtbundels experimenteerde ze met rijmloze associatieve verzen. Zoals in ‘Weerzien op een plastic-huid’ uit 1957. Ze werd echter bekender door haar proza, dat deels autobiografisch is en vaak de moeilijke relatie van een vrouw tot haar vader behandelt.

In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw publiceerde ze met regelmaat in literaire tijdschriften als De Gids, De Nieuwe Stem, Maatstaf, en Roeping. In 1988 verscheen voor het laatst een dichtbundel van haar hand getiteld ‘Het depressionisme’. In 1978 werden gedichten van haar gebundeld in ‘Gebruikspoëzie’. Een dichter die werd gewaardeerd maar nooit helemaal is doorgebroken. De relatie tot haar vader, de oorlog en het jood-zijn vormen de centrale thema’s van haar werk.

Dat blijkt ook uit het gedicht ‘Vaderhand’ dat ik las in ‘O wie was mijn vader wie was ik’ gedichten over de vader, bijeengebracht door Lucie Th. Vermij uit 1995. Dat gedicht (met de zin waarnaar de verzamelbundel is genoemd) werd gepubliceerd in ‘Tijd voor magnetisch vuur’ uit 1963.

.

Vaderhand

.

Beter het donkere dorp

dan de lichtende stad die

op elke straathoek vraagt

om vuur

zie mijn vader

.

en mijn vader gaf vuur

.

de hele nacht branden de

reclames gaten in de hemel

het dorp daarentegen ligt over

pasgekarnde aarde te slapen

en melkt zijn dromen

zei mijn vader

.

en mijn vader brandde gaten

.

niemand besloeg het plaveisel

als een held

heldhaftig kroop ik tussen

huizen door tussen steden door

kroop[ ik heldhaftig langs

lange wegen

.

waar was de held die viel

die werd weggedragen

.

mijn vader droeg zichzelf

.

ik keek naar het vuiurwerk

maar er was geen ster zo groot

of er hingen tranen aan

ik keek ik keek ik sprong

door de lichtende duisternis

van mijn kinderjaren

.

o wie was mijn vader woe was ik

.

matrozen liepen door tuinen

soldaten liepen door de goten

ik lag op een speelweide

en zag de grote mensen

.

en de vaderhand

verend gespannen van kracht

werd een mens werd een man

liep fluitend naar een

melodramatisch einde

.

Reisbrief

Bergman

.

Bergman is het pseudoniem van dichter Aart Kok (1921-2009). Naast dichter was Kok tot aan zijn pensioen docent Nederlands aan een middelbare school. Uit de bundel ‘Ik ga mezelf maar na’ uit 1960 komt het gedicht ‘reisbrief’ wat ik wel een toepasselijk vakantiegedicht vind.

.

reisbrief

.

waarde vriend het is hier prachtig

de koeien zijn ontroerend drachtig

.

de spoorlijn loopt dwars door het dal

een vrouw beheert de waterval

.

elk huis of hok met beemd en gaard

verkoopt men op een ansichtkaart

.

de mensen lopen traag en stug

en komen op geen stap terug

.

men zegt god heeft ons klein gebouwd

maar sneed ons uit behoorlijk hout

.

dit alles sta ik aan te zien

zo is het paradijs misschien

.

en verder is hier alles prachtig

het wordt me soms wel eens te machtig

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

Herwig Hensen

.

Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.

In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.

De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.

Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

Grond, wateren, beemden, bomen,

De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,

En ’t land waarvan wij dromen

.

Wat geven wij onze kinderen mee

Behalve spreuken en kogels?

Niet eens het zuivre zout van de zee

En ’t zingen van de vogels

.

Maar wél het gif en het haastige kruit,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

Bedriegers of barbaren?

.

Tears for Water

Alicia Keys

.
In 2004 publiceerde zangeres Alicia Keys (1981) pseudoniem van Alicia Augello Cook, haar debuut als dichter ‘Tears for Water: Songbook for Poems and Lyrics’. Een verzameling niet eerder gepubliceerde gedichten uit haar dagboeken en songteksten. De titel is afgeleid van een van haar gedichten, ‘Love and Chains’, van de regel: ‘I don’t mind drinking my tears for water.’
Het boek bereikte in 2005 de bestsellerlijst van The New York Times en bracht meer dan een half miljoen dollar op. Zelf heeft ze gezegd dat ‘P.O.W.’ (prisoner of war) uit dit boek een van haar favorieten is. Daarom vandaag hier dit gedicht.
.
P.O.W.
.
I’m a prisoner
of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
I trap myself further
Every time I stay, quiet

I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside this prison of words unsaidP.O.W.
That’s what I am
Not a prisoner of war
A prisoner of words

Mostly I say what you wanna hear
Could you take it if I came clear?
Or would you rather just see me
Stoned on a drug of complacency and compromise

M.I.A.
I guess that’s what I am
Scraping this cold hard earth
For a piece of myself
For peace in myself

You know, if you locked me away
I’d have someone to blame

But these bars of steel are of my making
They surround my mind
And have me shaking
My hands are cuffed behind my back
I’m a prisoner of the worst kind, in fact
A prisoner of compromise
A prisoner of compassion
A prisoner of kindness
A prisoner of expectation
A prisoner of my youth
Run too fast to be old
I’ve forgotten what I was told
Ain’t I a sight to behold?
A prisoner of age dying to be young
To my head is my hand with a gun
And it’s cold and it’s hard
Cause there’s nowhere to run
When you’ve caged yourself
By holding your tongue

I’m a prisoner
Of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
It’s like solitary confinement
Every time I stay quiet
I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside a prison of words unsaid

.

Brief

J.B. Charles

.

Na mijn voordracht bij De Groene Fee, het gezellige poëziepodium van Louis van Londen, kocht ik bij de boekentafel de bundel ‘De gedichten tot 1963’ van J.B. Charles (1910-1983) uit 1963. J.B. Charles (pseudoniem van Willem Nagel) begon op ruim dertigjarige leeftijd te publiceren. Hij werd bekroond met de Hendrik de Vriesprijs, de Jan Campertprijs en de romanprijs van de stad Amsterdam. In deze bundeling van zijn gedichten tot 1963 zijn de dichtbundels ‘Zendstation’ (1949), Waarheen daarheen’ (1954), ‘Het geheim’ (1951/1952) en ‘Ekskuseer mijn linkerhand’ (1959) opgenomen.

het meest geciteerde gedicht (destijds) van J. B. Charles is religieus van aard en toch weer niet:

Hij alleen zou met een grote sigaar
In de mond op straat mogen lopen,
Met de duimen in zijn vest,
Want Hij is God.
Maar Hij doet het niet
Want Hij is God.

Uit de  bundel ‘De gedichten tot 1963’ koos ik voor het gedicht ‘Brief’.

.

Brief

.

In antwoord op Uw schrijven van

de dato dinges kan ik U berichten

ik doe reeds wat ik kan,

alleen ik kan niet veel verrichten

ik heb het zelf niet in de hand

en wat ik doe doe ik niet goed,

niet goed genoeg naar ik het kan,

dus wacht U af zoals ik ook maar doe,

verblijvend in de hoop U hiermee te verlichten:

ik doe al boor U wat ik kan.

.

Homo Unrequitus

Brian Bilston

.

Homo Unrequitus (Latijn voor Onbeantwoorde Mens) is geen echte oeroude soort, maar een humoristische, fictieve voorouder bedacht door dichter Brian Bilston voor zijn gedicht ‘The Cavenman’s Lament’ (klaaglied van de holbewoner). Het boek verbeeldt op humoristische wijze ’s werelds oudste (fictieve) liefdesgedicht van 1,5 miljoen jaar geleden, over de onbeantwoorde liefde van een holbewoner. Bilston gebruikt dit concept om universele thema’s als liefde en afwijzing te onderzoeken, waardoor de pogingen van de holbewoner om indruk te maken op een vrouw herkenbaar worden, ondanks het enorme tijdsverschil.

Brian Bilston is het pseudoniem van de Britse dichter Paul Millicheap (1970). Als Brian Bilston begon hij korte en kernachtige, vaak humoristische gedichten op Twitter te publiceren, die vervolgens wijdverspreid raakten op sociale media. Hij verwierf tot wel 400.000 volgers en is beschreven als “de dichter des vaderlands van Twitter”.  De dichter Ian McMillan beschreef Bilston als ‘een laureaat voor onze gefragmenteerde tijd’, en hij is vergeleken met Don Marquis , Dorothy Parker en Ogden Nash. Omdat hij op publiciteitsfoto’s ter promotie van zijn spreekbeurten zijn gezicht achter een boek verbergt wordt hij ook wel de ‘Banksy’ van de poëziewereld’ genoemd.

.

The Cavemen’s Lament

.

me think about her when sun rise

me think about her when sun set

me tell her me in love with her

she tell me love not invent yet

.

me make cave all warm and cosy

me lie soft bearskin on cave floor

me play song of love on bone flute

she choose cave of Tim next door

.

me miss now when me throw spear

rest of hunt not want me along

me draw her picture on cave wall

she say me got perspective wrong

.

me cook her meal to show me love

roast diplodocus with fried beans

she say me anachronistic

me not know what this means

.

me think about her when sun rise

me think about her when sun set

me tell her me in love with her

she tell me love not invent yet

.

Homo Unrequitus

.