Site-archief
Groeken
Piet Hein
.
Ik kreeg het bundeltje ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken van Piet Hein. Ik was even verward; Piet Hein? Groeken? Was Piet Hein niet onze nationale zeeheld? En wat zijn in hemelsnaam groeken? Om met de eerste vraag te beginnen, ja Piet Hein (1577-1629) is de man van de Zilvervloot, je weet wel, de schepen met zilver (ter waarde van een bedrag van maar liefst 11 miljoen gulden wat een gigantisch bedrag vertegenwoordigde destijds) uit Bolivia dat hij veroverde op de Spanjaarden in 1828.
Maar het betreft hier een heel andere Piet Hein (1905-1996), en ook nog eens geen Nederlander maar een Deens schrijver, natuur- en wiskundige, industrieel ontwerper, uitvinder en dichter die veel publiceerde onder het pseudoniem Kumbel (Oudnoors voor grafsteen). Deze Piet Hein schreef in meer dan 50 jaar duizenden groeken, zogenaamde lyrische aforismen, die hem wereldberoemd maakte.
In 1984 verscheen bij uitgeverij Bert Bakker dan ook de bundel ‘Ik denk dat hartzeer erger is’ 60 groeken in een vertaling van Marko Fondse en Peter Verstegen. Deze groeken hebben allerlei onderwerpen en zijn dan weer poëtisch, dan weer humoristisch, ze hebben een luchtige of juist serieuze ondertoon. De groeken van Hein werden vertaald in het Engels, Duits en Esperanto en dus ook in het Nederlands. Hieronder een paar voorbeelden.
.
Bemoediging
.
Is maagzuur al een ergernis
ik denk dat hartzeer erger is.
Dus dank de hemel en wees blij
als je maar lijdt aan één van bei.
.
Gave
.
Prachtige gaven zijn
geest en benul,
maar wat ze nog ver
overtreft,
is de gave om zo’n
ongelooflijke sul
te zijn dat je ’t zelf
niet beseft.
.
Alwetendheid
.
Wie weet wat hij
niet weet, belijdt
in zekere zin
alwetendheid.
.
Lizzy Sara May
Bijna vergeten dichter
.
Dichter en schrijfster Lizzy Sara May (1918-1988) zal voor de meeste lezers waarschijnlijk geen bekende naam zijn. Wellicht heb je ooit de naam weleens gehoord maar haar werk wordt niet of nauwelijks nog gelezen. Ze werd als Lissie Sara Maij geboren (Lizzy Sara May is een wat internationaler klinkend pseudoniem). Ze was aanvankelijk balletdanseres en mimespeelster, en debuteerde in 1956 met ‘Blues voor voetstappen’ waarin ze duidelijk affiniteit vertoont met het werk van de Vijftigers. De bundel werd opgedragen aan haar overleden joodse ouders. Ook in de daarna volgende dichtbundels experimenteerde ze met rijmloze associatieve verzen. Zoals in ‘Weerzien op een plastic-huid’ uit 1957. Ze werd echter bekender door haar proza, dat deels autobiografisch is en vaak de moeilijke relatie van een vrouw tot haar vader behandelt.
In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw publiceerde ze met regelmaat in literaire tijdschriften als De Gids, De Nieuwe Stem, Maatstaf, en Roeping. In 1988 verscheen voor het laatst een dichtbundel van haar hand getiteld ‘Het depressionisme’. In 1978 werden gedichten van haar gebundeld in ‘Gebruikspoëzie’. Een dichter die werd gewaardeerd maar nooit helemaal is doorgebroken. De relatie tot haar vader, de oorlog en het jood-zijn vormen de centrale thema’s van haar werk.
Dat blijkt ook uit het gedicht ‘Vaderhand’ dat ik las in ‘O wie was mijn vader wie was ik’ gedichten over de vader, bijeengebracht door Lucie Th. Vermij uit 1995. Dat gedicht (met de zin waarnaar de verzamelbundel is genoemd) werd gepubliceerd in ‘Tijd voor magnetisch vuur’ uit 1963.
.
Vaderhand
.
Beter het donkere dorp
dan de lichtende stad die
op elke straathoek vraagt
om vuur
zie mijn vader
.
en mijn vader gaf vuur
.
de hele nacht branden de
reclames gaten in de hemel
het dorp daarentegen ligt over
pasgekarnde aarde te slapen
en melkt zijn dromen
zei mijn vader
.
en mijn vader brandde gaten
.
niemand besloeg het plaveisel
als een held
heldhaftig kroop ik tussen
huizen door tussen steden door
kroop[ ik heldhaftig langs
lange wegen
.
waar was de held die viel
die werd weggedragen
.
mijn vader droeg zichzelf
.
ik keek naar het vuiurwerk
maar er was geen ster zo groot
of er hingen tranen aan
ik keek ik keek ik sprong
door de lichtende duisternis
van mijn kinderjaren
.
o wie was mijn vader woe was ik
.
matrozen liepen door tuinen
soldaten liepen door de goten
ik lag op een speelweide
en zag de grote mensen
.
en de vaderhand
verend gespannen van kracht
werd een mens werd een man
liep fluitend naar een
melodramatisch einde
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
Herwig Hensen
.
Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.
In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.
De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.
Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:
Grond, wateren, beemden, bomen,
De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,
En ’t land waarvan wij dromen
.
Wat geven wij onze kinderen mee
Behalve spreuken en kogels?
Niet eens het zuivre zout van de zee
En ’t zingen van de vogels
.
Maar wél het gif en het haastige kruit,
en haat die alom kan passen.
Sindsdien doven de lentes uit
en dorren vroeg de grassen.
Belofte slaat over in ongeduld
voor wie geen hoop meer bewaren.
Wat zijn wij onder zoveel schuld?:
Bedriegers of barbaren?
.
Tears for Water
Alicia Keys
of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
I trap myself further
Every time I stay, quiet
I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside this prison of words unsaidP.O.W.
That’s what I am
Not a prisoner of war
A prisoner of words
Mostly I say what you wanna hear
Could you take it if I came clear?
Or would you rather just see me
Stoned on a drug of complacency and compromise
M.I.A.
I guess that’s what I am
Scraping this cold hard earth
For a piece of myself
For peace in myself
I’d have someone to blame
But these bars of steel are of my making
They surround my mind
And have me shaking
My hands are cuffed behind my back
I’m a prisoner of the worst kind, in fact
A prisoner of compromise
A prisoner of compassion
A prisoner of kindness
A prisoner of expectation
A prisoner of my youth
Run too fast to be old
I’ve forgotten what I was told
Ain’t I a sight to behold?A prisoner of age dying to be young
To my head is my hand with a gun
And it’s cold and it’s hard
Cause there’s nowhere to run
When you’ve caged yourself
By holding your tongue
I’m a prisoner
Of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
It’s like solitary confinement
Every time I stay quiet
I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside a prison of words unsaid
Brief
J.B. Charles
.
Na mijn voordracht bij De Groene Fee, het gezellige poëziepodium van Louis van Londen, kocht ik bij de boekentafel de bundel ‘De gedichten tot 1963’ van J.B. Charles (1910-1983) uit 1963. J.B. Charles (pseudoniem van Willem Nagel) begon op ruim dertigjarige leeftijd te publiceren. Hij werd bekroond met de Hendrik de Vriesprijs, de Jan Campertprijs en de romanprijs van de stad Amsterdam. In deze bundeling van zijn gedichten tot 1963 zijn de dichtbundels ‘Zendstation’ (1949), Waarheen daarheen’ (1954), ‘Het geheim’ (1951/1952) en ‘Ekskuseer mijn linkerhand’ (1959) opgenomen.
het meest geciteerde gedicht (destijds) van J. B. Charles is religieus van aard en toch weer niet:
- Hij alleen zou met een grote sigaar
- In de mond op straat mogen lopen,
- Met de duimen in zijn vest,
- Want Hij is God.
- Maar Hij doet het niet
- Want Hij is God.
Uit de bundel ‘De gedichten tot 1963’ koos ik voor het gedicht ‘Brief’.
.
Brief
.
In antwoord op Uw schrijven van
de dato dinges kan ik U berichten
ik doe reeds wat ik kan,
alleen ik kan niet veel verrichten
ik heb het zelf niet in de hand
en wat ik doe doe ik niet goed,
niet goed genoeg naar ik het kan,
dus wacht U af zoals ik ook maar doe,
verblijvend in de hoop U hiermee te verlichten:
ik doe al boor U wat ik kan.
.
Yo! de liefde
Maria van Daalen
.
Over de schrijver en dichter Maria van Daalen (1950) schreef ik al een aantal malen. Over een bijdrage die ze schreef in ‘Die eeuwige wind‘ (over de Wierde van Wierum in Friesland) uit 2010, over haar erotische bundel ‘Elektron, muon, tau‘ uit 2000 en over haar werk als vertaler van de poëzie van Dorothy Porter.
Vandaag wil ik een mooi liefdesgedicht met een licht erotische ondertoon van Maria (pseudoniem van Maria Machelina de Rooij) met jullie delen. Omdat het alweer even geleden is en omdat het altijd een goed moment is om een liefdesgedicht te lezen. Uit haar bundel ‘Yo! de liefde’ uit 2003 komt het gedicht ‘Opening’.
.
Opening
.
Het langzame ballet van twee lichamen
in bed, je hand onderzoekt mijn borst, je kust
de tepel, je zucht, legt je voorhoofd rustig
tegen mijn borstbeen, mijn hart, we zijn samen
.
voorzichtig op zoek naar liefde, een drama
in één bedrijf, steeds hetzelfde toegerust
maar nieuwe benaderingen, intussen
geef je wankel koningsgambiet aan dame.
.
Je zoekt veiligheid als je onder me ligt,
als ik over je heen welf, warm en levend,
mijn tepel raakt je lippen, mijn hand steunt je.
.
Ben je bij me? In mijn ogen, jouw gezicht.
Ik til je hoofd omhoog. Daar gaan we, zwevend.
Je bijt in mijn onderarm, en dan kreun je.
Oude lied
Zwagerman en Kopland
.
Begin deze maand was de medewerkersdag van Meander, het literair e-magazine voor Nederlandstalige poëzie met haar nieuwsbrief die wekelijks naar ruim 5000 abonnees wordt gestuurd. Op deze dag werd ook een quiz georganiseerd over poëzie die ik samen met Cora de Vos had gemaakt. Een van de vragen die gesteld werd was ‘Rutger Kopland inspireerde met zijn gedicht ‘Jonge sla’ talloze dichters tot een bewuste imitatie in de stijl van het gedicht. Hoe noem je een dergelijke persiflage? Het antwoord op deze vraag is natuurlijk een pastiche.
In de bundel ‘Bekentenissen van de pseudomaan‘ van Joost Zwagerman (1963-2015) uit 2001 staat een pastiche op precies dit gedicht van Kopland. Overigens kwam Joost Zwagerman ook terug in de quiz (tot welke stroming behoorde Zwagerman?) en er was ook een vraag over Rutger Kopland (wat is de echte naam van Kopland?).
Terug naar het gedicht van Zwagerman. Het gedicht heeft de titel ‘Oude lied’.
.Oude lied, dichter over dichter
Oude lied
.
Hoe langer het duurt, hoe langer
je liefhebt
Rutger Kopland
.
Niks kan ik hebben,
het ontluiken van meisjes,
grote gevoelens, hun toefjes
ademhaar kan ik met vochtige ogen
zien verdorren, daar ben ik
werkelijk slap in.
.
maar oud smegma het hele jaar door,
ontijdig gekoekt, duvels hard,
in hun droge plooitjes, yess!
.
Het brandende wrak
Geerten Gossaert
.
Zo nu en dan kom ik bundels of boeken tegen waar ik heel blij van wordt omdat ze net dat beetje meer brengen. Zo’n boek is ‘Het Nederlandse gedicht na 1880’ van Prof. Dr. Martien J.G. de Jong uit 1971. Deze Martien de Jong blijkt een bekende essayist en criticus geweest te zijn, eerst als leraar en vervolgens als hoogleraar aan de Facultés Universitaires te Namen.
In dit boek geeft de Jong een inleiding tot het lezen van gedichten. Aan de hand van korte inleidingen, typerende verzen en essayistisch en kritisch proza, geeft hij een origineel overzicht van de ontwikkeling van de moderne dichtkunst. Daarnaast weet hij door vragen en opmerkingen, de poëziebeleving te combineren met de stijlleer en tekstverklaring of close reading.
Veel bekende en wat minder bekende (of bijna vergeten) dichters zijn opgenomen met gedichten. Een van deze dichters is Geerten Gossaert (1884-1958). Deze in Rotterdam geboren dichter, historicus, essayist, politicus en hoogleraar (pseudoniem van Carel Gerretson) kreeg in 1950 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre, wat voornamelijk uit historische en politieke essays bestond. Onder het pseudoniem Geerten Gossaert publiceerde hij één dichtbundel, ‘Experimenten’ in 1911, die vele malen herdrukt werd in uitgebreide en herziene vorm.
Bij het gedicht ‘Het brandende wrak’ dat de Jong opnam in ‘Het Nederlandse gedicht na 1880’ schrijft hij: “Van de dichters die in het eerste decennium van onze eeuw (de 20ste eeuw) debuteerden, publiceerden er verscheidenen in het tijdschrift De Beweging (1905-1919). Men duidt ze ook wel aan als de generatie-1905. Ze onderscheidden zich van de Tachtigers, doordat hun dichterschap vooral was gericht op geluksverlangen (meer dan op schoonheid) en, aanvankelijk ook, door hun traditioneler taalgebruik. Beide elementen zijn aanwijsbaar in dit gedicht.”
.
Het brandende wrak
In de schaduw der zwellende zeilen verborgen
Voor de maan, die de mast op de wateren mat,
In den slaap van het licht, tussen avond en morgen,
Stond ik, slaaploos, ter reling van ’t reilend fregat.
Toen verblindde mijn’ blik naar den einder ontloken,
Tussen wolken en water een vuren kolon,
Als van magische morgen, in ’t zuiden ontstoken,
De bloedige bloesem midnachtlijker zon:
Een wrak, verlaten, ten halve bedolven
In het maanlichtbeglansd emeralden azuur,
Dat in laatste agonie, boven ’t graf van de golven,
Naar den hemel vervlucht in een passie van vuur!
Zó ons hart: Naar den droom van ons leven begerend,
Boven diepten des doods nog in purperen pracht
Van laaiend verlangen zich langzaam verterend
In de eenzame uren der eindloze nacht.
.













