Site-archief
Ovidius
Toon Tellegen
.
Staande voor mijn boekenkast, doe ik wat ik de laatste maanden elke week doe. Zonder te kijken pak ik een bundel uit één van mijn boekenkasten vol poëziebundels. Vandaag is dat ‘Gedichten 1977-1999’ van Toon Tellegen (1941) uit 2000. Opnieuw opende ik de bundel op een willekeurige pagina en daar op pagina 79 staat het gedicht ‘Ovidius’. Ernaast op pagina 78 staat het gedicht ‘De mug’. Nu heb ik al iets met muggen als in het leukste en kleinste poëziemagazine van de Lage Landen (die iets op zich laat wachten want de distributeur heeft een vergissing gemaakt maar heeft beloofd dat #34 er snel komt) dus alleen hierom al vind ik dit een fijn gedicht, maar dit plaatste ik al eens op dit blog. Daarom toch gekozen voor het gedicht ‘Ovidius’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘De aanzet tot een web’ uit 1981.
.
Ovidius
Als de ochtend komt met nevels en geschreeuw
en de honden van de slaap zijn hongerig weggeslopen,
dan schrijft hij
met zijn eigenaardig zoete pen
een brief aan zijn vijand, de meest verhevene.
Hij schrijft:
‘Er is geen plaats in mij voor nog meer wonden.’
.
Op zijn dak hoort hij het trippelen
van een barbaarse mus.
.
Genot
Dubbelgedicht
.
In de categorie erotische gedichten kwamen in de loop der jaren al verschillende vormen van erotiek langs op dit blog. Lijfelijkheid, de erotiek in de vorm van de liefde voor een plant, slechte mannen, verukkelijk vrijen of machtige geslachten, net als in de rest van de poëzie komen thema’s in vele verschijningsvormen voor. Maar een dubbelgedicht over erotiek had ik nog niet gedeeld. Daar komt nu verandering in.
Vandaag een dubbelgedicht over genot. Een eerste gedicht waarin dit gegeven voorkomt is het titelloze gedicht van Paul Snoek (1933-1981) dat komt uit de bundel ‘Renaissance’ uit 1963. Het tweede gedicht is van dichter Erik Solvanger (1976) ook zonder titel, I uit de cyclus ‘Deze liefde een ziekbed’ uit de bundel ‘Eenvoudig schedellichten’ uit 2004.
.
Uit de goudkust
van mijn handen
dreef zij aan als een natte tijger
traag en tropisch.
.
Mild onder mijn mannelijke schilden
plooide zich open haar meisjesgewei,
haar klieren trilden
veilig onder de spons van de stilte.
.
Zocht ze suiker in het rietveld
van mijn handen,
of vond ze in mijn adem leeuwen,
met manen harder dan ijzer?
*
Deze liefde
is een ziekbed
.
zien hoe ratten
op klaarlichte dag
over het plafond rennen
.
een koortsachtig samenzijn
in het stro
dit is geen suite maar een stal
.
we vreten het genot
uit de voederbak
we eten wat de pot schaft
.
Gastredacteur Mugzine
Wim van Til
.
Vanaf dit jaar, te beginnen met de zomereditie die verschijnt medio juli/augustus, hebben wij van MUGzine iets nieuws. Het gastredacteurschap. Vanaf nu willen we elk jaar een dichter of poëzieliefhebber uitnodigen om als gastredacteur op te treden voor MUGzine en zelf te bepalen welke dichters en mogelijk ook welke kunstenaar/illustrator er in het zomernummer verschijnt.
De eerste dichter en allround poëzieliefhebber en kenner die we vroegen is Wim van Til (1955). Wim is naast dichter leraar Nederlands. Hij richtte in het jaar 2000 het Poëziecentrum Nederland op, een studie- en documentatiecentrum voor moderne Nederlandstalige poëzie dat ruim 17.000 bundels, vele bloemlezingen en vertaalde poëzie omvat en een uitgebreid knipselarchief met recensies, besprekingen, interviews en geschreven portretten van dichters en secundaire literatuur herbergt.
Sinds 1975 verschijnen met onregelmatige tussenpozen gedichten van hem in tijdschriften en bloemlezingen. Wim van Til debuteerde in 1981 met de bundel ‘Dichtmaken open’. Wim van Til ontving voor zijn werk bij het Poëziecentrum Nederland de eerste Esther Jansma-prijs.
Maar Wim is ook dichter en in de nieuwe MUGzine verschijnen ook nieuwe gedichten van zijn hand. Nu hier alvast een voorbeeld van zijn kunne, uit de bundel ‘De reestap over het leenveld’ uit 2002 het gedicht ‘Alles begint en herbegint met zwijgen’.
Alles begint en herbegint met zwijgen
.
Alles begint en herbegint met zwijgen
Alles begint en herbegint met zwijgen, de taal
die het verleden spreekt, is eigen. Wat eigen is,
is stervensmoe fragiel. Wie kilt mijn vragen nu
mijn weemoed strekt, wie warmt de dagen nu ik
leegte zie in naderend verschiet? Ginds in het oer
versliep zich onze dag. En elke stap daarna wordt
trager en trager; steeds sneller dwalen onze gebaren
terug naar het leenveld van onze ontmoeting.
Rondom mij herhaalt zich het water, herhaalt zich
herhaald wat ik vraag en een antwoord voltrekt
in dat ene moment van volmaaktheid als de dag
onaangedaan stil hangt tot de beulsknecht zich buigt.
Het zal eerder sneeuwen in de zomer dan dat haar
gestalte zich loutert en luistert voordat mijn woord
van zwijgen naar zwijgen vergaat.
.
Vierde dag
Jan Kal
.
Vierde dag alweer en vandaag gekozen voor een gedicht van Jan Kal (1946). Dit keer uit de bundel ‘Assepoester’ uit 1981 met tekeningen van Irene Wolfferts. In deze bundel staan 39 sonnetten en als ik de voorlaatste bladzijde mag geloven (en waarom zou ik dat niet doen?) dan zijn deze sonnetten geschreven tussen 10 november 1975 en 7 maart 1980. Ik koos voor het sonnet met nummer I.
.
I
.
Er was eens een rijk man. Hij had een vrouw
van wie de levensdraad ten einde liep.
Er was één dochter, die ze bij zich riep,
met goudblond haar en ogen hemelsblauw.
.
Ze zei: ‘Liefkind, gedenk toch wie je schiep,
dan blijft de Lieve Heer je altijd trouw.
Weet dat ik uit de hemel je aanschouw.’
Daarna sloot zij haar ogen en ontsliep.
.
Vaak ging hert meisje naar haar Moeders graf,
en in de winter werd een wit tapijt
van schone sneeuw daarover uitgespreid.
.
De voorjaarszon smolt heel het kleed er af,
en op een dag met prachtig
trouwde haar Vader voor de tweede keer.
.
Winter(dag)
Dubbelgedicht
.
Omdat het alweer sneeuwde deze week en omdat de winterse kou nog even aanhoudt, wil ik hier graag de harten verwarmen met wat winterse poëzie in de vorm van een dubbelgedicht over diezelfde winter.
Als eerste het gedicht ‘De winter’ van dichter H.H. ter Balkt (1938-2015) dat verscheen in de bundel ‘Uier van het oosten’ uit 1970. Het tweede gedicht is getiteld ‘Een winterdag’ en is van dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) en is genomen uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981.
.
De winter
.
De bonte kraai, de bonthandelaar
de zwarte kraai, viller en hakker
reizen in wintertijd boven weg & trein.
.
Het wapen van de winter is klauw e& snavel
Van honger de steltloper, dorst een groot drinker
hangt het uithangbord aan de zwarte herberg.
.
Vliegende poten verlichten zwakjes het landschap
Met een molensteen om hun nek de dorpen
lezen sprookjes van Hoornroosje en ander droefs.
.
Als droesem liggen de inwoners onderin dat glas
dat kraakt en splintert, en boven stilstaande klokken
vleugelslag van broeder kraai roert de troebele dronk.
.
Lege beker vind je, lege beker mijn vriend
in de zwartgallige winter die de lampen uitgooit
en gromt & hikt onder gekantelde tafels.
.
Een winterdag
.
Er stond een meisje met een heel klein handje
kruimels te strooien voor een mus of wat,
scherp oplettend wie al iets had gehad.
En de haaibaaien gaf ze dan een standje.
.
Het was een langgerekte monoloog.
De telkens weerkerende felle krijs
van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,
ze had die rustverstoorders scherp in het oog.
.
In het heelal hield zij de zaken bij.
Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.
Met een schel stemmetje prees ze en laakte.
En met dat kleine handje voerde zij.
.
Tears for Water
Alicia Keys
of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
I trap myself further
Every time I stay, quiet
I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside this prison of words unsaidP.O.W.
That’s what I am
Not a prisoner of war
A prisoner of words
Mostly I say what you wanna hear
Could you take it if I came clear?
Or would you rather just see me
Stoned on a drug of complacency and compromise
M.I.A.
I guess that’s what I am
Scraping this cold hard earth
For a piece of myself
For peace in myself
I’d have someone to blame
But these bars of steel are of my making
They surround my mind
And have me shaking
My hands are cuffed behind my back
I’m a prisoner of the worst kind, in fact
A prisoner of compromise
A prisoner of compassion
A prisoner of kindness
A prisoner of expectation
A prisoner of my youth
Run too fast to be old
I’ve forgotten what I was told
Ain’t I a sight to behold?A prisoner of age dying to be young
To my head is my hand with a gun
And it’s cold and it’s hard
Cause there’s nowhere to run
When you’ve caged yourself
By holding your tongue
I’m a prisoner
Of words unsaid
Just lonely feelings
Locked away in my head
It’s like solitary confinement
Every time I stay quiet
I should start to speak
But I stop and stay silent
And now I’ve made
My own hard bed
Inside a prison of words unsaid













