Site-archief

Bij een overlijden

Jozef Deleu (1937-2026)

.

Bijna een jaar geleden schreef ik op dit blog over het stoppen van Jozef Deleu met Het Liegend Konijn. Ik schreef dit toen onder de titel ‘einde van een tijdperk’. Dat dit tijdperk binnen een jaar ook echt een einde zou hebben met het overlijden van de aartsvader van dit prachtige magazine had ik, en velen met mij waarschijnlijk, niet kunnen bedenken. Op 21 oktober werd bekend gemaakt dat Jozef Deleu (1937-2026) was overleden. Met hem is de poëzie in het Nederlandse taalgebied opnieuw een dichter en vertegenwoordiger van de poëzie armer, die ertoe deed.

Jozef Deleu debuteerde in 1963 als dichter met de bundel ‘Schaduwlopen’ nadat hij in 1962 al was gedebuteerd als schrijver van de novelle ‘De ontmoeting’. In zijn werk staat de mens in heden, verleden en toekomst centraal en geeft het besef van de tijdelijkheid van het leven zijn werk een melancholisch karakter. In 2003, op 65 jarige leeftijd begint hij Het Liegend Konijn, een tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, dat door vriend en vijand (al zal hij die niet gehad hebben) zeer hoog gewaardeerd werd en waarvan precies een jaar geleden dus het laatste nummer verscheen.

Wat veel mensen waarschijnlijk niet weten is dat Jozef Deleu in 1957 oprichter was van het tijdschrift Ons Erfdeel (vanaf 2020 getiteld ‘De lage landen’) dat zich richt op kunst, taal, literatuur, geschiedenis en maatschappij in Vlaanderen en Nederland. In 1972 richtte hij het tijdschrift Septentrion, Arts, lettres et culture de Flandre et des Pays-Bas op, dat de Nederlandse cultuur bekendheid wil geven in de Franstalige landen en gebieden. Ook start Deleu met het uitgeven van jaarboeken in het Frans en Engels met diezelfde reden.

Voor zijn werk en inzet voor de taal, de cultuur en de poëzie ontvangt Jozef Deleu vele prijzen en onderscheidingen waaronder die van Commandeur in de Orde van Oranje – Nassau (Nederland, 1996), Officier des Arts et Lettres (Frankrijk, 2003) en Grootofficier in de Leopoldsorde en de kroonorde (België, 2003).

Maar ik zal hem vooral herinneren als degene die zoveel dichters, aankomend, gearriveerd en (bijna) vergeten een plek gaf in Het Liegend Konijn. En als dichter. Daarom hier als eerbetoon aan deze bijzondere man het gedicht ‘Angst’ uit zijn debuutbundel ‘Schaduwlopen’ uit 1963.

.

Angst

.

De lamp vult heel de kamer
met zijn bolle glazen oog.

Mijn ogen liggen gans verlaten
in de schaduw van mijn hoofd.

De slagen van de klokken naderen
uit het huis van God-zij-geloofd.

Ik zie een leger lampen in mijn kamer,
ik hoor de stemmen van een koor.

Niemand kan mij zien noch horen
De lampen gloeien rood.

Ik lig mijn lichaam te bewonen.
Is dit een teken misschien?

.

Antjie Krog

Die afsienbare

.

Een van de dichters die een grote indruk op mij heeft gemaakt tijdens de Nacht van de Poëzie was Antjie Krog (1952). Deze Zuid Afrikaanse schrijver, dichter en academicus is bekend om haar Zuid Afrikaanse poëzie maar ook om haar verslaggeving over de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Haar literaire carrière begon in 1970, toen ze, ten tijde van de apartheid, een anti-apartheidsgedicht schreef getiteld ‘My mooi land’ (Mijn mooie land) voor het schoolblad. Het gedicht opende met de regel: ‘Kyk, ek bou vir my ’n land / waar ’n vel niks tel nie’ (Ik bouw een land voor mezelf waar huidskleur er niet toe doet).

Niet lang daarna, in 1970, verscheen haar debuutbundel ‘Dogter van Jefta’ waarna nog vele bundels zouden volgen. Haar poëzie is vaak autobiografisch en bevat reflecties op liefde en de verantwoordelijkheden van kunstenaars. Sinds de jaren tachtig behandelt ze vaak thema’s als raciale en genderpolitiek.

Tijdens de Nacht van de Poëzie bracht ze verschillende klankgedichten over een bonte stoet (Afrikaanse) dieren. Op onnavolgbare wijze de verschillende geluiden die deze dieren maken, nabootsend. Tel daarbij de voordracht in het Afrikaans op en je kunt je iets voorstellen over hoe bijzonder dat was. In de festivalbundel is haar gedicht ‘Die afsienbare’ opgenomen. Geen klankgedicht maar zeker de moeite waard.

.

Die afsienbare

.

in de littekens van ons heilige holtes

lispel die sluwe sigbaarmaking van sterwe

.

vertaald en gespeld in ou bysiende

vleeslae is dit eenklaps winter

.

ons veg teen mekaar    twee gehawende

leeus: hoe stomper ons tande hoe stinker ons tonge

.

Dag stad

Twan Vet

.

Dichter, liedtekstdichter, prozaschrijver  en voormalig stadsdichter van Amersfoort (2021-2024) Twan Vet (1998) is geen onbekende. Zo verscheen poëzie van hem in MUGzine #28,  en schreef ik al over zijn debuutbundel ‘Troostpogingen‘ uit 2025. Je kunt je overigens afvragen of debuutbundel wel van toepassing is want in 2024 verscheen van hem de bundel ‘Dag stad’ met daarin een selectie van de stadsgedichten die hij schreef als stadsdichter.

Werk van Twan Vet verscheen ook in literaire tijdschriften en kranten als De Revisor, Het Liegend Konijn, DW B, Deus Ex Machina en NRC. Daarnaast is hij regelmatig te zien en horen op de radio en op festivals als Dichters in de Prinsentuin. Een van mijn favoriete schrijvers, en tegenwoordig presentator van het radioprogramma Taalstaat op radio 1, Ronald Giphart, schreef als aanbeveling over de bundel ‘Dag stad’: “Deze onweerstaanbare bundel van Twan vet heb ik al een tijdje bij me om onderweg in de trein te lezen, of luierend in bed, of op kantoor, in mijn huiskamer en zelfs als ik aan het koken ben. Vets taal is licht, helder en complex tegelijk, zijn trefzekere woorden dagen uit om verder te reizen naar vertrouwde onbekende werelden. Gedichten die je blijven vergezellen”.

Alle reden dus om een gedicht uit deze bundel te kiezen en hier te plaatsen. Ik koos voor het gedicht ‘Er wordt op je gewacht’.

.

Er wordt op je gewacht

.

We stapelden stenen in een stad, gingen ervoor staan,

bogen ons hoofd wat, dachten: het is nog niet af.

.

Er moest nog karakter in, levensdrift,

mensen zoals jij en ik.

.

Hier ligt nu de stad en weten we:

niets is ooit af in dit bestaan.

.

De kroegen, kerken, kunstenaars –

niets is ooit klaar, zelfs niet vandaag.

.

Zo is het uitzicht op de dag hier

niet alleen een canvas van wat was,

.

maar vooral van wat nog kan.

Hier ligt dus vandaag voor jou de stad –

.

er wordt op je gewacht.

.

19 jaar en 1 dag

Remedie

.

Ik kwam er vandaag achter dat ik gisteren, 19 jaar geleden ben begonnen met dit blog. De aanleiding was de voorgenomen publicatie van mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen‘ die ik samen met kunstenaar en fotograaf Ruben Philipsen maakte. Grappig om dat eerste bericht terug te lezen, opgesteld in de derde persoon enkelvoud, alsof het over iemand anders ging dan mijzelf. Indertijd had ik geen idee waar ik aan begon. Ja een dichtbundel maken en laten uitgeven, dat was duidelijk maar een blog? Mijn uitgever Henriëtte Faas zei dat het een goed idee was om op die manier wat aandacht aan de bundel te besteden. En omdat ik wilde dat de bundel een succes zou worden ben ik gaan bloggen.

Nu 19 jaar en 1 dag later blog ik nog steeds. Als sinds ruim 17 jaar elke dag. Over poëzie, je kunt tenslotte maar zoveel kwijt over een dichtbundel, al zijn er in de loop van de tijd wel vier aan toegevoegd: ‘Je hebt me gemaakt met je kus‘ (met Alja Spaan), ‘Zoals de wind in maart graven beroert‘, ‘Winterpijn‘ en ‘XX-XY‘ waarvan de laatste twee als E-bundel. En natuurlijk heb ik al lang weer genoeg gedichten geschreven om een nieuwe bundel te vullen, en die staat ook op de planning maar de tijd ontbreekt me momenteel om hier iets mee te doen (komt nog).

In de afgelopen 19 jaar (en 1 dag) ben ik me meer en meer gaan toeleggen op het schrijven over poëzie, en alles wat maar een beetje met poëzie te maken heeft of er tegen aan schuurt. Een blik op de categorieën geeft dat goed weer, en ik zou er zo nog tien of twintig categorieën aan toe kunnen voegen maar ik probeer het te beperken. Tegenwoordig weten ook uitgeverijen mij te vinden en sturen me dichtbundels toe, die ik heel graag recenseer.

terugkijkend kan ik alleen maar tevreden zijn over de ontwikkeling van dit blog. Met bijna 500 vaste abonnees en inmiddels bijna 6000 blogberichten, meer dan 2 miljoen boeken en meer dan 1 miljoen bezoekers denk ik dat ik voor veel mensen iets breng dat ze waarderen. En dat is waar ik het voor doe, mijn liefde voor poëzie delen. Geen blogbericjh zonder gedicht, en naar aanleiding van dit bericht koos ik voor het gedicht ‘Remedie’ van dichter Harmen Wind (1945-2010) uit de bundel ‘Plaatselijke tijd’ uit 1997. Vooral door de eerste zin van de tweede strofe. En voor papier mag je ook dit blog lezen.

.

Remedie

.

Tegen de angst. Al wat ik schrijf

weerstaat mijn wanhoop, elke zin

waaraan ik ademloos begin

jaagt mij de stuipen van het lijf.

.

Want op papier ben ik niet bang.

Hier gelden vastgestelde wetten

die mij uit razernij ontzetten

en redden van de ondergang.

.

Kunst zet het leven naar zijn hand,

brengt het terug tot dunne lijnen

die zich, tegen verval bestand,

tot het verstilde beeld verfijnen

van windfiguren in wit zand

waarin ik veilig kan verdwijnen.

.

Vóór een madonna

Oda Blinder

.

Van de Curaçaos-Nederlandse dichter Oda Blinder (1918-1969) is in 2024 de bundel ‘Curaçao bij nacht’ verschenen met 35 niet eerder gepubliceerde gedichten. Oda Blinder (pseudoniem van  Maria Yolanda Corsen) debuteerde in 1944 in het Curaçaose literaire blad De Stoep met drie gedichten. Ze publiceerde onder haar pseudoniem dat de drijvende kracht van De Stoep, Chris Engels, voor haar had bedacht. Tot het stoppen van dit literaire magazine bleef Blinder regelmatig in De Stoep publiceren. Hierna publiceerde ze nog in de Antilliaanse Cahiers in 1956 en in een aflevering van het tijdschrift Simadán uit 1961. Ze schreef ook enkele gedichten in het Engels en in het Spaans.

Pas in 1968, een jaar voor haar overlijden, kwam haar debuutbundel uit ‘brieven van een curaçaose blinde en andere gedichten‘ op initiatief van twee zussen van Oda. In de jaren na haar dood werd de bundel herdrukt, herzien en aangevuld. Haar gedichten zag Blinder als simpel, en tegelijkertijd wist ze heel goed waartoe zij dichtte. Haar gedichten waren ook de neerslag van een strijd. Dat poëtische gevecht zorgde ervoor dat zij als eerste vrouw een belangrijke stem werd binnen de Nederlandstalige Curaçaose literatuur.

Frank Martinus Arion schreef over haar in 1959: “Oda Blinder dicht uit noodzaak, groter dan roeping; poëzie is voor haar minder kunstuiting, het schrijven van poëzie geen kunstbeoefening, maar vervanging van een groot levensgemis.”

In 2024 verscheen dus de bundel ‘Curaçao bij nacht’ waarin 35 gedichten zijn opgenomen die Oda Blinder, ten tijden van het verschijnen van haar debuutbundel al had opgenomen op een audiocassette. Die audiocassette is teruggevonden en de gedichten zijn nu te lezen. Uit deze bundel koos ik voor het gedicht ‘Vóór een madonna’.

.

Vóór een madonna

.

tintelend

grijpen kinderhanden

naar de omvang

van uw wezen;

onbeschroomd

zijn hun verlangens,

onbesmet

de kuise stilte

die hun weelden

om u weven.

.

 

Polderland

Lou Loeber en Jan Willem Schulte Nordholt

.

Enige tijd geleden was ik in het Stedelijk Museum Schiedam. Voor wie dit museum niet kent, het is een absolute aanrader voor iedereen die van moderne kunst houdt. In het museum was (en nog is meen ik) een tentoonstelling te zien van werken van de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983). Loeber was een sociaal maatschappelijk geëngageerde kunstenaar en lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij). Haar werk werd beïnvloed door het kubisme, De Stijl, expressionisme, neoplasticisme en symbolisme maar ze beschouwde zichzelf niet als een abstracte schilder. Al deze elementen en stijlfiguren zijn goed en herkenbaar te zien in de getoonde werken. 

Bij een van de werken van Loeber, het schilderij getiteld ‘Verten’ hing een bordje met enige informatie. Dit schilderij is geïnspireerd door het gedicht ‘Polderland’ uit 1950 van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Schulte Nordholt was dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ‘Het bloeiende steen’ een illegale oorlogsuitgave, onder het pseudoniem W.S. Noordhout. Hierna zouden nog zeven dichtbundels verschijnen en verschillende bloemlezingen. Schulte Nordholt kreeg voor wijn werk als dichter onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1952), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961) en de Zilveren Anjer (1991).

Hieronder de afbeelding van het schilderij van Loeber ‘Verten’ en het gedicht van Schulte Nordholt ‘Polderland’.

.

Polderland

.

De verten komen eindeloos mij tegen,

Gaan door mij heen en achter mij te loor,

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

Recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,

.

Met zoveel wolken en met zoveel dromen,

Met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

Dit is het landschap voor zijn paradijs.

.

Ach, d’avond valt – Rijd ik het donker door,

Dan is het groot geluid van wind en regen

Het enig landschap in mijn diepe oor.

.

Tymen Trolsky

Breekbare kruik

.

Schrijver en dichter Jasper Mikkers (1948) debuteerde in 1974 bij De Bezige Bij met de roman ‘Hyacintha en Pasceline’ onder het pseudoniem Tymen Trolsky. Hij publiceerde ook onder het pseudoniem Artur Raven en na 1990 weer onder zijn eigen naam (tussen 1976 en 1990 lag zijn productie stil). Van 2013 – 2015 was Mikkers stadsdichter van Tilburg.

Zijn gedichten worden geschaard onder de Neoromantiek, vooral de gedichten in zijn debuutbundel als dichter ‘Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin’, ook uit 1974. Ze zijn te typeren als een verlangen naar iets groots, meestal de liefde. Het gewone leven is te gewoon, er moet iets groters zijn. De neoromantiek is een reactie op het naturalisme waarbij noodlot centraal staat. Het noodlot is iets bovennatuurlijks en geheimzinnigs, waar de mens geen invloed op kan hebben. Je ziet ook dat neoromantische schrijvers een voorkeur hebben voor het geheimzinnige en fantastische in hun boeken en bundels.

In de bundel ‘Ontmoet de dichters’ uit 1977 van De Bezige Bij, zijn allemaal dichters uit dat fonds opgenomen met een gedicht en enige (bibliografische) informatie. Bijzonder is dat bij Tymen Trolsky als geboortejaar 1950 genoemd staat terwijl op zijn eigen website heel duidelijk 1948 wordt genoemd. Uit deze verzamelbundel nam ik het gedicht ‘Breekbare kruik’.

.

Breekbare kruik

.

Het oliepitje brandt, de waanzin flakkert.

Jij ligt lui in de kuil van je kussen,

je ogen diep en  donker als een put,

je lichaam een kleine, heimelijke kelder,

volgetast met tedere dranken,

ritselend van geuren.

.

De maan, Spaanse gitana, danst

naakt en zingt

onhoorbaar.

Een krekel die zijn  horloge opwindt.

.

Als boer vermomd begeef ik mij

op jouw erf, naar jouw put,

om een emmer mosgroene tederheid uit je op te takelen.

Bedroefd en dronken als een waard

daal ik in jouw kelder af

om je met mijn tong af te stoffen

en behoedzaam aan te breken:

.

Breekbare kruik op een wankele plank.

.

Klaske Havik

Haperend

.

Klaske Havik (1975) is hoogleraar Methoden van Analyse en Verbeelding aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. In haar academische werk ontwikkelde zij een literaire benadering van architectuur die zich toespitst op de ervaring, het gebruik en de verbeelding van ruimte. Haar literaire werk verscheen onder meer in DWB, Terras en De Revisor en Vanuit de Lucht. Haar gedichten werden vertaald naar het Engels ‘Way and Further’ (2021) en naar het Ests als ‘Tee Edasine’ (2026).

Nu is bij uitgeverij Van Oorschot haar eerste Nederlandse dichtbundel verschenen met de titel ‘Benader’. De uitgever schrijft over deze bundel op haar website: “In ‘Benader’ bouwt architect, hoogleraar en schrijver Klaske Havik werelden met woorden. Aarde en steen, licht en klank zijn de bouwmaterialen die volgens Havik plekken tot leven roepen. De bundel voert langs landschappen, steden en gebouwen en schetst sfeerbeelden van voetstappen in stegen, stilte in sneeuw, licht dat valt op een betonnen muur, een ontmoeting, een verte. Het zijn plaatsen van herinnering, verbeelding en benadering: dichten is dichtbij brengen. Elke beschrijving is een benadering – het is een dichtbij komen op een manier die niet definieerbaar is, maar doorvoeld.”

Ik koos uit deze bundel het gedicht ‘Haperend’. beoordeel zelf of de woorden van de uitgever hout snijden.

.

Haperend

.

hij wijst boeken met voeten aan

ademt tussen woorden door

mijn stappen in zijn

.

huis zijn zwaar in zijn

bewegingsloze dagen

haperend is ons verhaal

.

wat zeggen nog de lichamen

wanneer alleen de taal

ons niet verlamt?

.

we zijn verder weg dan ooit

maar zijn er nog

en dichterbij dan mogelijk

.

 

Simone Atangana Bekono

Podcast en gedicht

.

Ik was wat aan het ronddolen op het wereld wijde web en kwam zo op de website van Kluger Hans terecht, en dan specifiek op het platform Roergebied. Daar stuitte ik op de podcast Grensgangers #9 uit 2020 waarin de Rotterdamse schrijver (van proza en poëzie zoals ze zelf zegt) Simone Atangana Bekono (1991) wordt geïnterviewd door Daan Janssens en Jens Meijen. In deze podcast gaat het over de debuutbundel van Simone met als titel ‘Hoe de eerste vonken zichtbaar waren’ uit 2017 en hoe deze tot stand is gekomen. Maar ook over haar schrijverschap, activistische noodzaak en de verschillen tussen poëzie en proza.

Op de website van Poetry International wordt zij geïntroduceerd met deze woorden: In de poëzie van Simone Atangana Bekono wisselen strijdvaardigheid en tederheid elkaar voortdurend af. Zij laat zien hoe het persoonlijke tegelijkertijd poëtisch, politiek en universeel kan zijn. In haar gedichten verkent ze het verband tussen lichaam en identiteit. Het besef een zwart en vrouwelijk lichaam te hebben leidt tot uiteenlopende gevoelens; van ontheemding, maar ook van woede jegens de mensen die dat lichaam, die identiteit onderdrukken. Typerend voor Atangana Bekono is dat zij haar ontegenzeggelijke politieke engagement niet verwerkt in lekker klinkende kreten maar op spannende wijze tot onderzoeksobject maakt. Voor haar debuutbundel ontvang zij de Poëziedebuutprijs aan Zee 2018 en het Charlotte Köhler Stipendium 2019

Het gedicht waarmee de Podcast begint heeft als titel ‘III’.

.

III

.

Ik schreef een gedicht dat over mezelf ging
ik schreef vijf versies van mezelf die mannelijk,
gebroken, lichaamloos en in de war waren
ik schreef mezelf in de hel van het kunstenaarschap en liet mij daarin wegrotten
ik schreef mezelf compleet weg en kwam tot een hoop lege woorden

Dat elke herinnering valt of staat bij het moment van ontsteking
dat context niet toegevoegd mag worden, maar vanzelf moet ontstaan
dat ik mijn vaders urn in de stoppenkast heb gezet toen hij mij op de vingers tikte
voor mijn onherleidbare motoriek en twijfelachtige borsten
dat ik alleen besta in het verlengde van het brein van een blanke, westerse man:
ik leen geld van een blanke, westerse man
ik koop toiletpapier voor een blanke, westerse man:
ik ben een gedachte-experiment van de blanke, westerse man

Want ik lig dronken op een vloer en hij vraagt wie ik ben
en ik ben een in een mal gepropte versie van Kunta Kinte
ik voel geen verbintenis met mijn gegeven naam

Ik lig dronken op een vloer en zie patronen in het plafond
de jongen naast mij is een kind dat ik kennis wil laten maken
met mijn donkerste gedachten
om hem kapot te maken
om hem op te voeden
ik ben het poppetje van een aapachtige jazzmuzikant
ik ben Sylvana, Loewija
een enorme kont waar mensen geld voor betalen om naar te staren
ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

Ik ben een coole toevoeging, een drumstel, ik ben een godsdienstfanaat
met gele oogballen en een kapotgeschreeuwde mond,
ik ben een hofnar: ik trek een jurk aan, trek een huidkleurige jurk aan
ben zeventig kilogram vlees zonder naam, taal of herkomst
een nagelbijtende in elkaar stortende bloedende entiteit zonder concreet doel
all energy and no purpose
ik heb wel een goed rapport
goed gedaan en goed opgevoed

Ik ben een virus dat zichzelf opeet bij gebrek aan materie om zich mee te voeden
ik ben de meest huidkleurige jurk die je aan kunt trekken
een gewaagde keuze
en terwijl ik geolied op een hagelwit strand sta
tussen die honderden versies van mijzelf
vraag ik: ‘Zijn we al op vakantie?’
ik krijg geen antwoord

.

Anatomisch sonnet

Marijke Boon

.

Poëzie is zo serieus hoorde ik van de week iemand verzuchten. Toegegeven het was een middelbare scholier en waarschijnlijk werd het haar niet makkelijk gemaakt met een gedicht van de Tachtigers dat geanalyseerd moest worden of iets dergelijks. En poëzie is zo nu en dan ook helemaal niet makkelijk of luchtig en daarin schuilt juist heel veel schoonheid. En toch is er binnen de poëzie heel veel luchtigs te ontdekken. Denk aan (kleinkunst-) liederen en light verse gedichten.

Een vertegenwoordiger van de lichte en luchtige poëzie is Marijke Boon (1951). Ik deelde al eens gedichtjes van haar hand en dat wil ik vandaag weer doen. Boon is zangeres, cabaretier en podiumkunstenaar en in die hoedanigheden schrijft ze naast liedjes ook gedichten. Van haar hand zijn inmiddels 6 bundels verschenen. In 1988 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Ik fiets door het leven op het zadel des tijds’ en haar laatste bundel dateert alweer van 2019 en had als titel ‘Oude haas’.

Dat Marijke Boon niet onopgemerkt is gebleven blijkt uit het feit dat Gerrit Komrij maar liefst drie gedichten van haar opnam in ‘Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’ in mijn geval de versie uit 2004. De drie gedichten nam hij uit haar bundel ‘Tranen op het tafelzeiltje’ uit 1999 en de CD ‘Vandaar dat ik ween’ uit 1992. Het gedicht ‘Anatomisch sonnet’ komt van die laatste CD.

.

Anatomisch sonnet

.

Kiezen

Tenen

Schenen

Liezen

.

Armen

Klieren

Nieren

Darmen

.

Enkelbanden

Tanden

Mond

.

Smaakpapillen

Billen

Kont

.