Site-archief

Talen

Carl Sandburg

.

Carl Sandburg (1878-1967) was een vooraanstaand Amerikaans dichter, biograaf, journalist en redacteur. Hij won onder andere drie Pulitzerprijzen, twee voor poëzie ( voor ‘Cornhuskers’ in 1919 en in 1951 voor ‘The Complete Poems of Carl Sandburg’) en één voor zijn biografie van Abraham Lincoln (1940).

Tijdens zijn leven werd Sandburg algemeen beschouwd als “een belangrijke figuur in de hedendaagse literatuur”, met name vanwege zijn verzamelde gedichten, waaronder ‘Chicago Poems’ (1916), ‘Cornhuskers’ (1918) en ‘Smoke and Steel’ (1920). Hij genoot een ongeëvenaarde aantrekkingskracht als dichter in zijn tijd, omdat de breedte van zijn ervaringen hem verbond met zoveel facetten van het Amerikaanse leven.

Hij begon zijn schrijverscarrière als journalist voor de Chicago Daily News en schreef vervolgens poëzie, geschiedenisboeken, biografieën, romans, kinderboeken en filmrecensies. Hij verzamelde en redigeerde ook boeken met ballades en volksverhalen.

President Lyndon B. Johnson erkende Sandburg na zijn overlijden als een belangrijke stem en belichaming van Amerika. In 2000 heeft de Chicago Public Library Foundation de Carl Sandburg Literary Award in het leven geroepen, die jaarlijks wordt uitgereikt aan een geprezen auteur wiens werk het publieke bewustzijn van het geschreven woord heeft vergroot.

Op de website amblesideonline.org is een deel van zijn gedichten te lezen. Ik koos voor het gedicht ‘Languages’ dat ik voor het leesgemak vertaalde naar het Nederlands.

.

Talen

.

Er zijn geen handvatten aan een taal

waarmee mensen haar vastgrijpen

en markeren met tekens ter herinnering.

Deze taal is als een rivier, die

eens in de duizend jaar

een nieuwe koers uitslaat

en haar weg naar de oceaan verandert.

Het is bergwater dat

naar valleien stroomt

en van land tot land,

grenzen overschrijdt en zich vermengt.

Talen sterven als rivieren.

Woorden die vandaag om je tong gewikkeld zijn

en tussen je tanden en lippen
tot gedachten worden gevormd,

zullen over tienduizend jaar

vervaagde hiërogliefen zijn .

Zing – en zingend – onthoud

dat je lied sterft en verandert

en er morgen niet meer is,

net zomin als de wind

die tienduizend jaar geleden waaide.

.

Anatomisch sonnet

Marijke Boon

.

Poëzie is zo serieus hoorde ik van de week iemand verzuchten. Toegegeven het was een middelbare scholier en waarschijnlijk werd het haar niet makkelijk gemaakt met een gedicht van de Tachtigers dat geanalyseerd moest worden of iets dergelijks. En poëzie is zo nu en dan ook helemaal niet makkelijk of luchtig en daarin schuilt juist heel veel schoonheid. En toch is er binnen de poëzie heel veel luchtigs te ontdekken. Denk aan (kleinkunst-) liederen en light verse gedichten.

Een vertegenwoordiger van de lichte en luchtige poëzie is Marijke Boon (1951). Ik deelde al eens gedichtjes van haar hand en dat wil ik vandaag weer doen. Boon is zangeres, cabaretier en podiumkunstenaar en in die hoedanigheden schrijft ze naast liedjes ook gedichten. Van haar hand zijn inmiddels 6 bundels verschenen. In 1988 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Ik fiets door het leven op het zadel des tijds’ en haar laatste bundel dateert alweer van 2019 en had als titel ‘Oude haas’.

Dat Marijke Boon niet onopgemerkt is gebleven blijkt uit het feit dat Gerrit Komrij maar liefst drie gedichten van haar opnam in ‘Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’ in mijn geval de versie uit 2004. De drie gedichten nam hij uit haar bundel ‘Tranen op het tafelzeiltje’ uit 1999 en de CD ‘Vandaar dat ik ween’ uit 1992. Het gedicht ‘Anatomisch sonnet’ komt van die laatste CD.

.

Anatomisch sonnet

.

Kiezen

Tenen

Schenen

Liezen

.

Armen

Klieren

Nieren

Darmen

.

Enkelbanden

Tanden

Mond

.

Smaakpapillen

Billen

Kont

.

liefdesgedicht

Jean Pierre Rawie

.

Tussen alle bezigheden door ben ik momenteel erg druk met het lezen, ervaren, begrijpen, en genieten van een aantal nieuwe bundels waar ik een recensie over wil schrijven. Recensies van de bundels ‘Spiegel van de ziel’ van Antoon Van den Braembussche, ‘Randschade’ van Johan Clarysse, ‘Eenzame goden’ van Han van der Vegt, ‘Ruisen van berken’ van Jan Kleefstra en ‘Urgent & Uniek’ van Anne Broeksma (in die volgorde ook) komen allemaal in de komende maanden op dit blog.

Omdat ik elke dag iets wil schrijven over poëzie, betekent dat, dat ik soms ga voor het (zonder te kijken) kiezen voor een bundel uit mijn boekenkast, daar een willekeurig gedicht uit te kiezen en dat te delen op dit blog. Dat is dan ook wat ik vandaag gedaan heb. Het is de bundel ‘Wij hebben alles nog te goed‘ de mooiste liefdesgedichten van Jean Pierre Rawie (1951) uit 2001. En hoewel de titel suggereert dat het hier om liefdesgedichten gaat (en eigenlijk is dat ook zo, de liefde kent tenslotte vele gezichten), zijn de gedichten in deze bundel af en toe wrang, negatief, wraakzuchtig en donker.

Ik opende de bundel op pagina 15 en daar las ik het gedicht ‘Spinrag’. Een liefdesgedicht zoals ik ze graag lees.

.

Spinrag

.

Je had iets baan de heg staan te verschikken;

ik haalde de herfstdraden uit je haar,

en wist: dit is éen van die ogenblikken

die ik in mijn herinnering bewaar,

tegen de tijd.

Maar straks, als wij al weg

zijn en geen weet meer van ons tweeën hebben,

straks rukt wellicht in deze zelfde heg

de wind nog aan de spinnewebben.

.

Liggen in de zon

Hans Andreus

.

Eindelijk, de zomer is begonnen (de meteorologische zomer begint op 1 jun i) en dat was de afgelopen dagen al een beetje te merken aan het heerlijke weer. Omdat het altijd een goed idee is om iets van dichter Hans Andreus (1926-1975) te delen, daarom een gedicht dat mooi aansluit bij deze nieuwe zomer.

Uit zijn bundel ‘Gedichten 1948-1975‘, uit 1975,  nam ik dan ook het gedicht ‘Liggen in de zon’ dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Muziek voor kijkdieren’ uit 1951. Liggen in de zon, een aanbeveling die ik iedereen kan doen (maar wel goed smeren) en dan met een fijne dichtbundel van bijvoorbeeld Hans Andreus.

.

Liggen in de zon

.

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

.

Ik lig hier duidelijk zeer duidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

.

Deadline

Jean Pierre Rawie

.

Dag twee van -Kort weg- en dus geen deadline. Of toch, als titel van het gedicht dat ik voor vandaag gekozen heb van Jean Pierre Rawie (1951) uit de bundel ‘Vergeet mij niet’ gedichten over afscheid en herinnering (hoe toepasselijk) een Rainbow Pocket uit 2003. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Woelig stof‘ uit 1989.

.

Deadline

.

Ik ondervond het sterven aan den lijve,
in dagelijkse omgang met de dood;
ik leef nog; en ik kan er idioot
genoeg niets dieps of zinnigs over schrijven.

De meeste grote woorden zijn te groot
voor zoiets doodgewoons: in leven blijven.
Maar toch, ik kan de liefde nog bedrijven
en bijna alles doen ‘wat God verbood’.

Zo is het dus, jezelf te overleven;
ik kijk naar buiten door dezelfde ruit,

ik schrijf zoals ik altijd heb geschreven,
ik denk, voel, wind mij op en maak geluid,

maar ik besef: door stervenden omgeven
schuif ik alleen mijn deadline voor mij uit.

.

Flanders Literature

Albert Bontridder

.

Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.

Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’. 

Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.

Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.

.

Overweging

.

De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.

.

 

Navajo poëzie

Shonto Begay

.

De 23ste Amerikaanse Poet Laureate (dichter des vaderlands) van 2019-2022 Joy Harjo (1951) schreef over de poëzie en literatuur van de inheemse bevolking van de Verenigde Staten: “De literatuur van de inheemse bevolking van Noord-Amerika definieert Amerika. Het is niet exotisch. De thema’s zijn specifiek, maar vaak universeel.” De dichters en gedichten die op de website van de Poetry Foundation verzameld zijn, laten zowel de universele als de specifieke benaderingen zien die inheemse Amerikaanse auteurs hebben gekozen om over diverse, inheemse culturen te schrijven.

De half Navajo, half Salt inheemse dichter, kunstenaar, illustrator, filmmaker, schrijver en docent Shonto Begay (1954) wordt op de website van de Colorado State University tot één van de 10 moderne Amerikaanse dichters die geschiedenis gaan schrijven, betiteld. Zijn werk is gepubliceerd in tal van tijdschriften en kranten, waaronder Canyon Road Arts, Warrior’s Voice en Arizona Daily Sun. Zijn kunst is op vele (solo)tentoonstellingen door de Verenigde Staten geëxposeerd geweest.

Zijn ervaringen met opgroeien in de inheemse Amerikaanse cultuur, zijn gedwongen verblijf op een kostschool van het Bureau of Indian Affairs en zijn tien jaar lange carrière als parkwachter bij de National Park Service hebben al zijn kunst en werk beïnvloed. Begays werk probeert de traditionele Navajo-cultuur levend te houden en tegelijkertijd de realiteit en de worstelingen van moderne inheemse Amerikanen weer te geven. Uit ‘Navajo, Visions and Voices Across the Mesa’ uit 1995 komt het gedicht ‘Down Highway 163.

.

Down Highway 163

.

The old lady in the back of the truck
Has seen days much colder
Someone’s grandmother
On the highway towards Kayenta
Only her face shows from a faded blanket
Her features are strong
Maybe she is related to the people in the front
Laughing and warm
Or maybe she is catching a ride to the trading post
She may even be returning
From the health clinic in Monument Valley
The back of the truck is cold
Among old spare tires and chains
Shovels and bare metal box
She is no stranger to Old Man Winter
She has seen many winters
It has been colder
.

Een nieuw seizoen

Antoine Uitdehaag

.

Zoals de regelmatige lezer van dit blog wel weet ben ik altijd op zoek naar dichters die ik nog niet ken. Dat kunnen nieuwe dichters zijn, veelbelovende talenten, of oude dichters die in de vergetelheid dreigen te raken. Dat laatste is natuurlijk nooit helemaal waar, maar dat relateer ik dan aan de aandacht, of juiste het uitblijven van aandacht, aan het werk en of leven van zo’n dichter.

Via de bundel ‘De adem van de zaal’ kwam ik in contact met het werk van dichter, schrijver maar vooral theaterregisseur Antoine Uitdehaag (1951). Dat hij een voor mij onbekende dichter is blijkt niet zo heel verwonderlijk; Uitdehaag is de laatste tientallen jaren vooral actief als regisseur van theaterstukken, opera en toneel. Hij publiceerde drie dichtbundels bij uitgeverij Van Oorschot. In 1994 debuteerde hij  met de dichtbundel ‘Levenslang vrij’. Critici spraken van een eigen geluid van een typische parlando-dichter die zijn weemoed om het voorbije meestentijds in gevoelige, ondubbelzinnige bewoordingen uitspreekt.

Uit zijn bundel ‘De adem van de zaal’ uit 1997 nam ik het gedicht ‘Een nieuw seizoen’.

.

Een nieuw seizoen

.

De luxaflex snijdt schijfjes

herfstzon. Ik weet hoe scherp

oktober ruikt naar vorig jaar

.

naar liefde die verkruimelt

in mijn handen, naar verlangen

naar verlangen. Naar verlies.

.

Groots laat ik mij op dit leven

meeslepen, de data liggen vast,

de fijne mazen van het geluk.

.

In handdiep stilstaand water

verdrinken, dat is pas tragisch.

.

Lente in de klas

Gedichten over het onderwijs in Nederland

..

Toen ik las dat er een vuistdikke bloemlezingen verschenen was getiteld ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ met gedichten over het onderwijs, moest ik meteen aan de bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn‘ uit 2011. Op zichzelf niet verwonderlijk, de samenstellers van die bloemlezing waren Theo Magito (1951) en Henk Sissing (1954), dezelfde samenstellers van deze nieuwe bloemlezing. Ruim vijftien jaar hebben Theo Magito en Henk Sissing gezocht naar de mooiste parels en ze resulteerden in een schatkamer van ruim 800 pagina’s (met circa 900 gedichten) waarin de lezer oneindig kan verdwalen. De bloemlezing ‘Soms moet het werkelijk stil zijn’ zal vast en zeker de basis zijn geweest van deze nog ruimere keuze.

Magito en Sissing, die bij de samenstelling van het boek zijn geholpen door kenners en specialisten, kozen ervoor om te werken met vier secties: onderwijsgedichten in de middeleeuwen, gedichten tot de onderwijswet van 1806, onderwijspoëzie in de 19e eeuw en gedichten over de 20e en 21e eeuw. Iedere sectie is met hulp van Willem Kuiper (UvA), Sarah Van Ruyskensvelde (KU Leuven) en Jacques Dane (Nationaal Onderwijsmuseum) in een historische context geplaatst. Ook Gert Biesta heeft met een voorwoord een duit in het zakje gedaan. Volgens hem werkt een blik op historische gedichten over het onderwijs relativerend, omdat ze laten zien dat veel hedendaagse ideeën en spanningen van alle tijden zijn.

En dat is gelukt want de gedichten gaan over ideeën en verlangens, over schoolvakken, over mensen. Ze zijn dikwijls liefdevol, vaak ironisch en soms kritisch. De teksten zeggen daarbij niet alleen iets over hoe het onderwijs zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld, maar ook over hoe de poëzie zelf is veranderd. Het vuistdikke boek bevat allerlei soorten gedichten waarin zich een voorzichtig patroon aftekent van strakke en vormvaste poëzie met een serieuze toon, naar speelse en vrije gedichten.

De bundel ‘Er hangt iets van lente in de klas…’ is een verzameling van allerlei soorten poëzie: vormvaste gedichten en vrije verzen, prozaïsche gedichten, liedteksten, en zelfs soms visuele poëzie. De gedichten hebben thema’s als het leven op de basisschool, of op het voortgezet onderwijs. Er zijn gedichten over leraren of gedichten bezien vanuit hun perspectief van de leerlingen. Soms zijn kinderen aan het woord, dan weer hun ouders.

Uit de bundel nam ik het gedicht ‘Na de schooltijd’ van dichter Johanna Kruit (1940).

.

Na de schooltijd
.
Ik doe mijn ogen op een kiertje dicht.
De wolken zeilen hoog voorbij. Ik lig
languit. Gras kriebelt mijn gezicht.
.
Ik denk aan dingen die ik nog niet weet.
Hoe bloemen bloeien, hoe een vogel leeft
en waarom water van de zee beweegt.
.
Er komt een vlinder even zitten op een bloem.
Ik plaag hem met het puntje van mijn schoen
en sta weer op: ik moet nog huiswerk doen.

.

Ik heb meermaals

Bart Plouvier

.

Het is vrijdag dus sta ik weer eens voor mijn boekenkast en pak, ongezien een bundel uit mijn boekenkast. Dit keer is dat ‘De 100 mooiste wielergedichten uit de Vlaamse & de Nederlandse literatuur’, verzameld door Patrick Cornillie uit 2014. Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar staat het gedicht van Bart Plouvier, getiteld ‘Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen’ eerder verschenen op het blog geelzucht.wordpress.com.

Bart Plouvier (1951-2021) was een Vlaams schrijver en dichter. Plouvier (pseudoniem van Bart Van Schaeren) leverde sinds zijn debuut met de roman ‘De maquette’ in 1987 bijdragen aan talloze tijdschriften en publiceerde hij journalistieke verslagen, diverse romans, theaterteksten, kinderboeken, poëzie, verhalenbundels en reisimpressies.

.

Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen

.

Plastic wielen zonder spaken

mijn hoofd kan er door en ik zie

veel kleuren, groen en geel

en het blauw dat niet bestond

mijn vader was God in Frankrijk

hij groef de bergen en de dalen

trok de meten met een regel

plantte mensen langs de geul

mul zand was mijn terrein

sneller dan de buren was ik

de dobbelstenen en Bahamontes

.

ik heb mijn fiets aan de haak gehangen

het peloton is voorbijgezoefd

ik hoor alleen nog ’t kraken van hun banden

.