Site-archief

Jan Kal

Hekeldichten

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en pakte ik, ongezien, de bundel ‘Ik proef iets wat bedorven is‘ uit 2016 uit mijn kast. Deze fijne bundel vol hekeldichten is samengesteld door een redactie bestaande uit Alexis de Roode, Daniël Dee en Benne van der Velde en verscheen bij uitgeverij Passage. Ik opende de bundel op een willekeurige pagina (pagina 72) en daar staat het gedicht ‘Fonds voor de Letteren-bestuurders’ van Jan Kal (1946). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘1000 sonnetten’ uit 1997.

.

Fonds voor de Letteren-bestuurders

.

U dacht dat ze hun eigen zakken vulden?

H.C. ten Berge toch wel uitgezonderd?

Hij zat op 38 000 gulden

ik op een twaalfde: 3200.

.

Ten Berge vond die misstand niet te dulden,

en sprak, drie jaar aaneen nu: ‘Opgedonderd.’

Hij, om zijn werk, waarvan de mensen smulden,

krijgt zesenveertig mille. Bent u verwonderd?

.

Ach, ik ben indiaan noch Eskimo.

Ik zing van Haarlem, niet van Mexico.

Mijn naam is Kal, niet Schurft, laat staan ten Berge.

.

Ik ben geen epigoon van Ezra Pound

maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound.

En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.

.

Duisterpoedersuiker

Joris Miedema

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en laat mijn vingers over de vele poëziebundels gaan. Dan pak ik zonder te kijken een bundel uit de kast en dat blijkt ‘‘Algen uit een andere dimensie‘ uit 2023 te zijn van Joris Miedema (1978). Opnieuw open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar op pagina 39 staat het gedicht ‘duisterpoedersuiker’.

.

duisterpoedersuiker

.

ik heb mijn handen niet meer op een rij

waar trek ik mijn haren dan mee uit?

ik doe het duister

in een vergiet

.

er komt verstrooid donker uit

als duisterpoedersuiker

voor op brood

voor op de vrolijke dingen

in het leven

.

ik doe een beetje op de marmeren

steen van mijn vader

als een kleedje tegen de ondoorbroken stilte

.

Boottocht met muziek

Anna Enquist

.

Vrijdag dus een greep uit mijn boekenkast. Vandaag pakte ik de bundel ‘Klaarlichte dag’ uit 1996 van Anna Enquist (1945) uit een van mijn boekenkasten. Zonder te kijken opende ik deze bundel op pagina 49 en daar staat het gedicht ‘Boottocht met muziek’.

.

Boottocht met muziek

.

Als het dan moet, dan met twee hoorns

aan boord. Je stapt in de wiegende bek

van de boot, de hoornspelers blazen

een dun accoord, blazen weg wat je weet

langs muren en tuinen, spelen dwars door

het laatste woord. het kan je niet schelen.

.

Hoornblazers dragen het hart op de arm,

zij duwen hun lied met de vuist in de keel

over water voort. Ze voeren je blind naar

het stilste licht, waar geen overkant is.

Als het dan moet, dan tussen boven-

en onderstem, met twee hoorns aan boord.

.

Lernert Engelberts

Nog eens

.

Daar sta ik weer voor mijn almaar uitdijende boekenkast (stapels dichtbundels op dichtbundels). En dit keer pak ik zonder te kijken de bundel ‘Ik heb alleen woorden’ De honderd meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie, uit 1998 . De bundel gedichten werd verzameld door Hans Warren en Mario Molengraaf. Ik open de bundel op een willekeurige bladzijde (pagina 70 dit keer) en daar staat het gedicht ‘Nog eens’ van dichter en televisiemaker Lernert Engelberts (1977) dat werd opgenomen uit de bundel ‘Oedipoes werpt jongen’ uit 1996.

.

Nog eens

.

De dood, de mooiste

van alle mogelijkheden,

laat ook vannacht op zich wachten.

Al ligt het koele mes tegen

zijn pols, zijn vlees lijkt van ijzer.

.

Al heeft hij de afscheidsbrief geschreven

-waarin hij vraagt om begrip niet om compassie-

morgenvroeg wordt hij gewoon weer wakker,

slaat de dekens van zich af,

scheurt de brief tot kleine stukjes,

legt het mes terug in de la.

.

Eerste groet

Lévi Weemoedt

.

Vrijdag dus een keuze uit mijn boekenkast zonder te kijken welke. In dit geval blijkt het de bundel ‘Met enige vertraging’ van Lévi Weemoedt (1948) te zijn uit 2014. De bundel opengeslagen op een willekeurige pagina (23 in dit geval) en daar staat het gedicht ‘Eerste groet’.

.

Eerste groet

.

Komt u uit Limburg, dan is het een eindje reizen,

woont u in Drenthe, dan is het vlak om de hoek,

maar u kunt mij al de eerste eer bewijzen

als u het kerkhofje van Rolde bezoekt.

.

Er ligt daar al een strookje gras te wachten

tot ik de geest geef, als ik zoiets had.

’t Is nu nog heerlijk rustig op dat pad:

ik sta er zelfs soms ook, verzonken in gedachten.

.

Ja, u hoort het goed: u kunt me daar nog ontmoeten,

wat maar de vraag is als u naar de groeve gaat

van andere dichters: Achterberg of Bloem.

.

Ik bedoel maar: hoe vaak zult u het graf  bezoeken

van een schrijver die nog levend vóór u staat

en dankt voor uw eerste groet? Ik zou het maar gauw doen.

.

Mattijs Deraedt

De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en pak ik, zonder te kijken, een poëziebundel. Het is de bundel ‘De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan‘ uit 2020 van de Vlaamse dichter Mattijs Deraedt (1993). Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar stuit ik op het gedicht met een hele lange titel ‘Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink’.

.

Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink

.

ik kom en ga als de wind motherfuckers

ik draag hemden met advocadoprints motherfuckers

de pitten hebben lachende gezichten motherfuckers

ik koop mijn sneakers bij een Spaanse start up motherfuckers

ze planten twee bomen en sturen me

de rest van de zaden met de post motherfuckers

ik gooi ze in de vuilnisbak motherfuckers

want daar heb ik toch helemaal geen tijd voor motherfuckers

ik ben een man motherfuckers

ik ben een god motherfuckers

zie me staan op de toog

met een stukgebeten vinylplaat in mijn hand motherfuckers

ik trek de beanies van koppen van stoere jongens motherfuckers

en wordt bijna gelyncht tegen de wasbak motherfuckers

maar niemand kan me iets maken motherfuckers

zeker jij niet motherfucker

mijn hart doet boem boem motherfuckers

mijn vuist doet bam bam motherfuckers

en wanneer ik mijn armen strek, stijg ik op motherfuckers

.

Eden

Jules Deelder

.

Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan en daar, ongezien, de bundel ‘Dag & Nacht‘ van Jules Deelder (1944-2019) uit 2014 (uitgegeven destijds voor zijn 70ste verjaardag) gepakt. De gedichten in deze bundel zijn gekozen en ingeleid door (toen nog) burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb. Zonder te kijken een willekeurige pagina opgeslagen , 82 in dit geval, en daar staat het gedicht ‘Eden’. Deelder is een vaste gast op mijn blog, zo kwam ik erachter dat de eerste keer dat ik over hem schreef al uit 2008 dateert.

.

Eden

.

Het leven in de Hof van Eden

was te mooi om waar te wezen

.

De zon kwam op de zon ging onder

De tijd was nog niet uitgevonden

.

Er was hemel er was aarde

Er was lucht en er was water

.

In het bos de wilde beesten

Er was Adam er was Eva

.

Ze leefden met elkaar in vrede

Zonder doel en zonder reden

.

Ze kenden oorzaak noch gevolg

Er was toekomst noch verleden

.

Ze waren en dat was genoeg

Te zijn zonder het te weten

.

Daar schrik je toch van

Nico Dijkshoorn

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en daar pakte ik, zonder te kijken, de bundel van P. Kouwes , pseudoniem van Nico Dijkshoorn (1960) getiteld ‘Daar schrik je toch van’ de eerste 1000 gedichten (2008), van een plank. Vervolgens (jullie kennen de procedure) op een willekeurige bladzijde geopend en daar stond het gedicht ‘Lenie ’t Hart’.

.

Lenie ’t Hart

.

nadat

de

voorzichtig

vrijgelaten

lenie ’t hart

voor

de zeventiende

maal

binnen

een

week

op haar

buik

zeehondencrèche

pieterburen

weer

binnenkroop

moest

men

constateren

dat

zij helaas

te veel

aan

zeehonden

gewend was

.

Niek Verhaagen

Uit mijn boekenkast

.

Vandaag pakte ik de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944-1984’ uit 1984, uit mijn boekenkast, opende deze op een willekeurige bladzijde (in dit geval pagina 275) en daar staat het gedicht zonder titel dat hieronder is overgenomen van Niek Verhagen (1915-1948). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De laatste Adam’ uit 1944.

Als dichter is Niek Verhaagen vrijwel vergeten, toch kwam ik een aardig stuk tegen over hem en zijn poëzie op het blog van Teunis Bunt. In dat artikel schrijft hij onder andere: “In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse”.

.

Wat wilt Gij?… Dat ik verzen schrijven zal,

die ene deugd die ik misschien nog kende?-

Och, als ik mij aan deze stilte wende

en aan het lege beeld van dit verval,

.

dan zou ik woorden vinden, arm en smal

en haast geluidloos, maar toch allengs stemden

de klanken, die het levensritme remden,

te zamen … Als ik stil ben, klinkt het al.

.

De dood

K. Golesorkhi

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en daar pak ik, zonder te kijken, een bundel uit. Het blijkt de bundel ‘Stem van alarm stem van vuur’ geëngageerde poëzie uit Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Ik open de bundel op een willekeurige pagina ((pagina 34) en daar staat een gedicht getiteld ‘De dood’ van K. Golesorkhi (1944-1974) met wie ik een verjaardag deel. Golsorkhi (zoals zijn naam luidt) was een Iraanse journalist, dichter en marxistisch activist. Golsorkhi was in 1969 hoofdredacteur van de kunstsectie van de krant Kayhan , waar hij populariteit verwierf met zijn linkse en revolutionaire poëzie. In 1974 kreeg hij de doodstraf als marxistisch revolutionair opgelegd door het regime van de Sjah.

.

De dood

.

Vraag mij niet naar liefde;

in dit land van toenemende duisternis

heeft, in de aanwezigheid van angst,

liefde

de Dood getrouwd,

en de Dood,

de bijtende Dood, de vluchtende Dood,

is een buurman voor je eeuwige eenzaamheid

in het wrede angstgif van slangen.

.

Hier is de stem van de mensen gevangene

van hun keel,

en bloed

zie je, wanneer je je ogen ook opent.

Vraag mij dus niet naar liefde;

kijk naar mijn borst

vóór hij verbrand is door kruit.

.