Site-archief
Dichters op Scheveningen
Ingo Audenaerd
.
Nadat Dichter bij de dood met een poëziepodium was begonnen in de aula van de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag kwam het bericht dat dit niet meer uit kon financieel en dat er kosten zouden worden doorberekend aan de organisatie. Omdat we met een zeer gering budget werken hebben we de begraafplaats hartelijk bedankt voor de medewerking en het ter beschikbaar stellen van de aula maar hebben we ook medegedeeld dat we helaas geen gebruik meer zouden maken van de aula.
Daarop is er gezocht naar een alternatieve locatie en die werd gevonden bij buurthuis Wings. Helaas kregen we daar het bericht dat het buurthuis gerenoveerd ging worden en moesten we opnieuw op zoek (tijdelijk) naar een andere plek voor het podium. En dat hebben we gevonden. Aan de Gentsestraat 22a in Scheveningen zullen op zondag 20 september 2026 een aantal dichters hun opwachting maken.
Naast Oliver Kruse Dougherty, Marilou Klapwijk en Ingo Audenaerd is er een open podium voor dichters die hun werk voor willen dragen. Aanmelden (kan via de facebookgroep van Dichters op Scheveningen, is verplicht want de ruimte is beperkt. De muziek wordt verzorgd door Arti Cijntje. De aanvang is om 13.30 en de middag duurt tot 16.30.
Een van de uitgenodigde dichters is zoals geschreven Ingo Audenaerd (1947). Ingo is al jarenlang heel actief als dichter en in zijn woonplaats Valkenswaard zelf een poëziepodium gestart in 2025 onder de naam TaalTijdCafé, Hij is een graag geziene gastdichter op vele podia voor dichters in Nederland. Hij publiceerde twee poëziebundels waaronder de bundel ‘Waar het pad zich kromt’ uit 2023. Van Ingo, uit ‘Sunset’ uit een van de Facebookgroepen waarin hij actief is het gedicht ‘alleen maar liefde’.
.
alleen maar liefde
.
Duisterpoedersuiker
Joris Miedema
.
Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en laat mijn vingers over de vele poëziebundels gaan. Dan pak ik zonder te kijken een bundel uit de kast en dat blijkt ‘‘Algen uit een andere dimensie‘ uit 2023 te zijn van Joris Miedema (1978). Opnieuw open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar op pagina 39 staat het gedicht ‘duisterpoedersuiker’.
.
duisterpoedersuiker
.
ik heb mijn handen niet meer op een rij
waar trek ik mijn haren dan mee uit?
ik doe het duister
in een vergiet
.
er komt verstrooid donker uit
als duisterpoedersuiker
voor op brood
voor op de vrolijke dingen
in het leven
.
ik doe een beetje op de marmeren
steen van mijn vader
als een kleedje tegen de ondoorbroken stilte
.
Nachtuil
Daniel Camilo Fajardo Vanegas
.
De Colombiaanse dichter en essayist Daniel Camilo Fajardo Vanegas (2000) heeft een graad in literatuurwetenschap behaald aan de Nationale Universiteit van Colombia. Hij doceert er Literaire Studies. Hij heeft werken van Zofia Bohdanowiczowa, George Eliot, Virginia Woolf en Colette Peignot in het Spaans vertaald. Momenteel werkt hij als copywriter en redactiecoördinator voor de onafhankelijke uitgeverij Tristes Trópicos . Zijn interesse gaat uit naar abjecte literatuur. Abjectie is de toestand van verstoten en afgescheiden zijn van normen en regels, vooral op het niveau van de samenleving en de moraal.
Van hem het gedicht ‘Noctívaga’ zoals de Spaanse titel luidt of ‘Nachtuil’ in de Nederlandse vertaling.
.
Nachtuil
.
Om horror te schrijven is het nodig/ tegen jezelf te schrijven/ schuldgevoelens te verbreken/ te knagen/ aan de rigide/ choreografieën om te schrijven/ voorbij het katachtige/ voorbij/ het water/ afgezonderd voorbij/ de ketenen/ van het zelf van zekerheid/ onhandig/ onszelf in bedwang te houden in wispelturigheid/ ja, maar wanneer/ hoe/ het te laten regenen/ bloedige strelingen tot schaduw/ lauwe flauwte/ van tederheid/ een gebed/ een gefluister dat verraadt/ van onderaf/ een verontrustende kriebel/ zuur/ dorstig/ firewall/ men moet zichzelf elimineren/ langzaam/ gracieus/ zonder angst/ zonder het lawaai te slaan/ dat misschien/ wellicht/ nooit maar was/ mogelijk en hier/ vriend/ hier/ het was altijd te laat
.
Kom terug
Spinvis
.
Poëzie kent vele verschijningsvormen. Zo kun je gedichten lezen in een bundel, kan kunst poëtisch zijn (film, foto’s schilderijen) is er poëtische muziek en zijn de teksten van liedjes vaak heel poëtisch. Ik schreef hier op dit blog al vaker over poëzie in songteksten, sterker nog, ik heb een hele categorie die hier over gaat.
Ook de volgende tekstdichter/muzikant is geen onbekende op dit blog. Spinvis, of Erik de Jong (1961) zoals zijn echte naam is, kwam al langs in een poëzie app, en met een songtekst die leest als een gedicht. En nu wil ik hier opnieuw een liedtekst van hem delen. Het is het nummer ‘Kom terug’ van de CD ‘Tot ziens, Justine Keller’ uit 2011.
.
Kom terug
.
Gooi een steen naar de dag
Zo ver als je kunt
Spoel het zout van je huid
Doof het vuur
Volg het spoor dat er ligt
Zoek niet wat er nooit meer is
Was het zand uit je haar
Geef een naam aan ieder jaar
Drink de tranen op je hand
Zwijg er van
Erf de ogen van je kind
Kijk er door
Koester je geheime hart tot het eind
Reis ver, drink wijn, denk na
Lach hard, duik diep
Kom terug
Droom een boot in de zon,
geef hem zeilen en wind.
kus een droevige mond,
heel zacht,
voor de dag begint.
bewaar een steen in je tas,
uit het land waar je sliep,
waar je de wonden op liep,
waar het koninkrijk verging.
haal de parels uit de zee,
geef ze weg.
vecht met alles wat je hebt,
verlies het goed.
wacht dan tot het beter word,
je hebt de tijd.
reis ver, drink wijn, denk na,
lach hard, duik diep,
kom terug.
reis ver, drink wijn, denk na,
lach hard, duik diep,
kom terug.
.
De kerkdijk
Clara de Groen
.
In de literair tijdschrift Liter #121 las ik het gedicht ‘De Kerkdijk’ van dichter Clara de Groen. Clara de Groen is geen onbekende voor de lezers van Liter, in 2025 (#116) stond ze al met het gedicht ‘De groene Maria’ in het tijdschrift en eerder ook al in nummers 107 en 108. Clara de Groen (1952) studeerde Journalistiek in Tilburg. Tijdens een weekend Creatief Schrijven raakte ze gefascineerd door de vele beelden die in haar hoofd opkwamen en volgde ze cursussen poëzie in Nijmegen en bij ’t Colofon in Maastricht/Amsterdam.
Naast de publicaties van haar gedichten in Liter verscheen poëzie van haar hand op Meander, In Het Gezeefde Gedicht, in verschillende verzamelbundel en in Meulenhoffs Poëziekalender. Een bundel van haar is in voorbereiding. In Liter #121 is het gedicht ‘De Kerkdijk’ opgenomen.
.
De Kerkdijk
.
Trek je oudste kleren aan, liefst ongestreken.
Poets je tanden niet, was je niet en kam je haren niet.
.
Rommel wat aan in huis, maar ruim niets op en was
niets af. Laat de onrust van je afglijden.
.
Ga op de bank liggen en luister naar de regen
of naar de muziek, die traag en langzaam
.
door je aderen vloeit, je hart aanraakt. Treur een beetje
als de maand van het nieuwe leven ontluikt.
.
Je kent de namen die geschreven staan op de grafstenen
op het kerkhof. Mijmer wat over wie je kende.
.
Trek je oudste kleren aan, liefst ongestreken.
Poets je tanden niet, was je niet en kam je haren niet.
.
Dichtregels op een sprekende vaas
Victor Hugo en Émile Gallé
.
De Franse kunstenaar Émile Gallé (1846-1904) was een van de bekendste glaskunstenaars uit de Franse Art Nouveau. Gallé werkte met sterke kleuren, maar zijn glas bleef doorzichtig. Hij zette vaak teksten uit boeken of gedichten op zijn objecten. Op de zogenaamde ‘sprekende vaas’ of vase parlant ‘Les Lumineuses’ die hij maakte in 1899/1900, nam hij de zin ‘Want alle mensen zijn zonen van dezelfde vader. Zij zijn dezelfde traan en ontspringen uit hetzelfde oog’ op.
Deze regels komen uit het gedicht ‘Ce que c’est que la mort’ dat verscheen in de dichtbundel ‘Contemplations’ (Overpeinzingen) uit 1856 van Victor Hugo (1802-1885) op. In de Nederlandse vertaling luidt de titel van dit gedicht ‘Wat de dood is’. Hier het gedicht in vertaling en, uiteraard, een afbeelding van deze prachtige vaas.
.
Wat de dood is
.
Zeg niet: sterf; zeg: word geboren. Geloof.
We zien wat ik zie en wat jij ziet;
Wij zijn de slechte mens die ik ben, die jij bent;
We storten ons halsoverkop in plezier, wervelwinden en uitbundigheid;
We proberen de bodem, het einde, de valkuil te vergeten,
De sombere gelijkheid van het kwaad en de doodskist;
Hoewel het kleinste het meest waard is;
Want alle mensen zijn zonen van dezelfde vader,
Zij zijn dezelfde traan en ontspringen uit hetzelfde oog.
We leven, en vullen onszelf met trots;
We lopen, we rennen, we dromen, we lijden, we buigen, we vallen,
we staan op. Wat is dan deze dageraad? Het is het graf.
Waar ben ik? In de dood. Kom! Een onbekende wind
werpt je naar de drempel van de hemel. We sidderen; we zien onszelf naakt,
Onzuiver, afzichtelijk, gebonden door de duizend grafknopen
Van onze misdaden, onze schandelijke kwaden, onze duisternis;
En plotseling horen we iemand in de oneindigheid
zingen, en door iemand voelen we ons gezegend,
zonder de hand te zien waaruit
de liefde op onze zondige ziel neerdaalt, en zonder te weten wiens stem zingt.
We komen aan als mens, rouwend, ijspegel, sneeuw; we voelen onszelf
smelten en leven; en, vervuld van extase en azuurblauw,
beeft ons hele wezen bij de vreemde nederlaag
van het monster dat in het licht een engel wordt.
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
René Verbeeck
.
De naam René Verbeeck (1904-1979) zal niet bij veel mensen een lichtje doen laten branden. Deze Vlaamse dichter was in zijn tijd echter geen onbekende dichter en was op het gebied van de poëzie onder de mensen brengen zeer actief. Hij is de auteur van elf dichtbundels en essayist.
Hij stond mee aan de wieg van de literaire tijdschriften De Tijdstroom (1930-1934) en Vormen (1936-1940) en richtte in 1937 de poëziereeks Bladen voor de Poëzie op. Tussen 1937 en 1943 verschenen in die reeks een zeventigtal dichtbundels, waaronder werk van collaboratiegezinde auteurs als Paul de Vree, Bert Peleman en Blanka Gijselen. Omdat hij samenwerkte met de Duitse bezetter zat hij na de oorlog 22 maanden in de gevangenis.
Samen met dichter als Buckinx en Demedts wordt hij gerekend tot de generatie van dertig, de zogenaamde postexpressionisten die een terugkeer naar de innerlijkheid en persoonlijke uitdrukking voorstonden. Verbeeck debuteerde in 1926 met de bundel ‘Oriëntering’ en pas in de jaren ’60 van de vorige eeuw werd zijn werk weer opgepakt en publiceerde hij een aantal bundels.
In 1973 werd een gedicht van Verbeeck opgenomen in ‘Gedichten 1973’ de poëziereeks van het Davidsfonds te Leuven onder redactie van Jos de Haes en Hubert van Herreweghen. Het gedicht ‘Mijn ziel is op het lijf verliefd’ lees je hieronder.
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
zij heeft er alles van ontvangen
.
zij mag in al zijn kamers wonen
in ’t wonder van de warmte binnenin
.
in ’t hart dat haar zo teder dwingt
te paren met de dingen die daarbuiten zijn.
.
zij kan er wandelen in haar ver verleden
over de vruchtbare weiden van de slaap
.
feestvieren in het schuimend bloed, ’t luidruchtig vlees
waarin de beenderen zo stil hun uur verbeiden.
.
zij krimpt ineen soms in de vingers van de pijn
die in de zenuw boort en beitelt
.
verstomt bij ’t instorten van de stem
terwijl vanuit de grond een andre dwingend roept
.
en leert allengs in liefdes lijflijk avontuur
– arm zieltje mij – wat tijd is en verval
.
en wat, wat kan zij later daarmee doen?
.
Nogmaals Loeber
Afscheid van mijn schildersloopbaan
.
Schreef ik pas geleden nog over een bezoek aan het Stedelijk Museum Schiedam en aan het gedicht ‘Polderland’ van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) waar de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983) een schilderij bij maakte, dit keer een gedicht van de hand van de kunstenaar (Loeber) zelf.
In 1974 maakte Lou Loeber haar laatste schilderij. Zoals het in het Stedelijk Museum Schiedam verwoord stond: “Tegen de achtergrond van subtiel verschillende tinten grijs, creëert ze een opwaartse beweging, bestaande uit eenvoudige blokjes en een licht ronde vorm. ‘Stijging’ noemt ze het schilderij, waarbij ze ook een gedicht schrijft.”
Prachtig hoe ‘kunstmensen’ kunst kunnen beschrijven en bijzonder dat de kunstenaar zelf een gedicht maakt bij (in dit geval) haar laatste schilderij. Hieronder het gedicht ‘Afscheid van mijn schildersloopbaan’ en het schilderij ‘Stijging’.
.
Afscheid van mijn schildersloopbaan
(geschreven in de ongewoon warme aprilmaand in 1974)
.
De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven
naar de zonnige, stralende hemel toe –
Dit is een hemel die veel kan beloven
licht en warmte en lente toe
.
De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven
naar de stormige wolkenhemel toe –
Dit is een hemel die veel kan beloven
regen en koelte en frisheid toe
.
De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven
naar de druilerige grijze hemel toe –
Dit is de hemel die ’t meest kan beloven
stilte en rust en vrede toe
.
Rhyme doesn’t pay
Paul van den Hout
.
Paul van den Hout (1939-2015) was een Nederlands dichter (light verse), vertaler en romanschrijver. Hij studeerde Grieks en Latijn in Leiden en Groningen en tijdens zijn studies raakte hij bevriend met voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) en Jean Pierre Rawie (1951).
Als dichter publiceerde Van den Hout in het literaire tijdschrift Kort Verhaal, dat later zou worden omgedoopt tot De Tweede Ronde. Daarnaast verschenen er twee dichtbundels van zijn hand; ‘Oud heden’ (2002) en ‘De muze en de misdaad’ (2010) een verhaal in versvorm. Ook verschenen gedichten van hem in bloemlezingen zoals in ‘Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19e t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’.
Dat de poëzie geen vetpot is blijkt ook uit het feit dat Van de n Hout voor zijn broodwinning een groot aantal titels uit de Bouquetreeks vertaalde.
In de bundel ‘Reisgenoten op dit narrenschip’ de geestigste gedichten uit vijftig nummers van De Tweede Ronde (1993), bijeengebracht en ingeleid door Jos Versteegen, kwam ik het sonnet ‘Rhyme doens’t pay’ tegen, een mooi voorbeeld van Van den Hout’s kunne.
.
Rhyme doesn’t pay
.
Van alle verzen die hij tobbend, weegt en wikt,
ze toetsend aan het oor, ze op de lippen proevend,
is ’t aantal dat hij overhoudt ronduit bedroevend,
als vel na volgeschreven vel wordt weggemikt.
.
Dan heeft die Dante het ‘m toch maar mooi geflikt,
verzucht hij, met verbeten nijd zijn pen dichtschroevend.
Maar ’s avonds in de kroeg hangt hij weer, dronken snoevend,
de Dichter uit, wat men – mèt zijn jenever – slikt.
.
Na jaren van droog brood, huurschuld en bedsermoenen
heeft hij toen op een nacht zijn hele werk verbrand
en, turend in het vuur, vervloekt zijn visioenen.
.
Zijn vrouw is trots op hem; ze kan hem nu wel zóenen:
hij heeft een heuse baan, een rekening courant,
en loopt ook nooit meer naast zijn braaf gepoetste schoenen.
.













