Site-archief
Nieuwe perspectieven
Kila van der Starre en Jeroen Dera
.
Naast het lezen van gedichten en gedichtenbundels heb ik een voorliefde voor de rafelranden van de poëzie. Wat ik daarmee bedoel is eigenlijk alles wat er zich rond poëzie afspeelt en daar een directe of indirecte relatie mee heeft. Dat kan zijn van verschijningsvormen van poëzie, poëzie en kunt (of in kunst), poëzie in andere culturele uitingen (muziek, dans etc.) of plekken waar je niet direct poëzie verwacht maar waar poëzie wel een (ondersteunende of waarschuwende) rol kan spelen (klimaatverandering, verzet tegen machthebbers of machtssystemen etc.).
Wanneer je alle berichten op dit blog zou lezen (begin er niet aan, het zijn er inmiddels bijna 6.000) dan weet je precies wat ik hiermee bedoel. Of kijk naar de categorieën die ik inmiddels heb aangemaakt om enige ordening te brengen in al die berichten (en waar ik er zonder moeite nog vele aan toe zou kunnen voegen). Wat ik maar wil zeggen, poëzie heeft zoveel kanten waar je je vrolijk over kan maken, aan kan ergeren, je door kan laten inspireren en je van kan leren.
Dat laatste aspect vind ik vaak nog wel de interessantste. Zo las ik onlangs het artikel ‘Nieuwe perspectieven op moderne poëzie’ van Kila van der Starre en Jeroen Dera, een artikel in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 140, 3-4, (2024), pp. 171-177. Het artikel kun je als pdf downloaden via het internet. In dit artikel beschrijven Kila en Jeroen, beide Neerlandici, de afname van het poëzieonderzoek en -onderwijs, de verschuiving van autonome naar contextgerichte benaderingen (voorbeeld: veel minder studies naar het oeuvre, leven of een bundel van een dichter en juist meer aandacht voor zaken buiten de poëzie zoals klimaat, queer theorie en kunstmatige intelligentie in relatie met poëzie) en de twee auteurs pleiten voor meer wetenschappelijke bijdragen aan Nederlandstalige poëzie.
In het artikel wordt ook beschreven dat de twee Neerlandici hebben opgeroepen (Call for Papers) om “bijdragen ‘waarin een tekst- of contextgerichte benadering wordt toegepast op een casus (een gedicht, een bundel, een oeuvre van één dichter of meerdere gedichten, bundels of oeuvres vanuit een comparatief perspectief), bij voorkeur gestuurd door een vernieuwend theoretisch kader dat nieuwe perspectieven op 20e- en 21e-eeuwse poëzie mogelijk maakt’. Hier hebben 15 Neerlandici gereageerd met artikelen over “analyses van 20e- en 21e-eeuwse poëzie vanuit de perspectieven van ecokritiek, disability studies, queer theory, metrumanalyse en affecttheorie, in combinatie met intertekstualiteit, meertaligheid, muziekgeschiedenis, cyberfeminisme en artificiële intelligentie.”
Als rechtgeaarde poëzieliefhebber word ik heel gretig wanneer ik dit lees. Aan het eind van dit artikel wordt poëzieonderzoekers in de neerlandistiek opgeroepen om de komende jaren vooral aan Nederlandstalige vaktijdschriften te blijven bijdragen. Ik kan deze oproep alleen maar steunen. Geen blogartikel zonder gedicht en gezien het onderwerp ben ik bij een gedicht dat over de poëzie gaat uitgekomen. Het betreft hier het gedicht ‘Tweede en laatste brief aan de poëzie’ van Ingmar Heytze (1970) uit zijn laatste bundel ‘Postkamer’ uit 2025.
.
Tweede en laatste gedicht aan de poëzie
.
Zaterdagochtend, ik was bezig om een trein te halen
voor een les in Amsterdam, zag ik haar weer.
Deze keer droeg ze een geel, fluorescerend vest.
.
De meeuw zat op haar hoofd, het leek me dezelfde
als eerst. Ik had geen tijd. Toch stapte ik af en maakte,
op veilige afstand, één foto van hoe ze daar stond
.
alsof ze ergens een ark voor verendragers had,
of beter: alsof ze later, als ze groot was,
door uilen wilde worden weggedragen.
.
Er waren zeker twee keer zoveel vogels als eerst,
meer soorten ook. Ze stond te stralen op haar tapijt
van eenden, ganzen, zwanen.
.
In de trein bekeek ik mijn foto. Vreemd: haar kruin was leeg.
.
Hoop
Esther Jansma
.
Afgelopen januari overleed, op de dag dat ik jarig was, schrijver, dichter en academicus (archeologe) Esther Jansma (1958-2025). Ik herinner me dat ik toen dacht dat ik nog een keer over haar wilde schrijven maar door alle drukte was het er toen nog niet van gekomen. Esther Jansma was een vaak gedecoreerd dichter, zo won ze de VSB Poëzieprijs (1999), de Hugues C. Pernath-prijs (2001), de A. Roland Holst-Penning (2006 voor haar gehele oeuvre), de Jan Campert-prijs (2006) en de C.C.S. Crone-prijs (2014 ook voor haar gehele oeuvre). Daarnaast werd ze in 2024 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Jansma debuteerde in 1988 met de bundel ‘Stem onder mijn bed’ waarna nog 14 bundels zouden volgen alsmede een roman (onder andere een samen met Wiljan van den Akker haar levenspartner) en een essaybundel. In haar werk komen thema’s als de dood, steen (haar ouders waren beide beeldhouwers), een ongelukkige jeugd met armoe en mishandeling voor.
In 2024 verscheen haar laatste bundel ‘We moeten ‘misschien’ blijven denken’ waarin Jansma thema’s behandelt als de (on)eindigheid van het bestaan. Centraal staat het afscheid nemen van het vanzelfsprekende: gezondheid, toekomst, leven. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Hoop’, een gedicht dat dichtbij het ‘misschien’ komt uit de titel van deze bundel.
.
Hoop
.
Iemand plant een Bougainville dat wil zeggen
iets tot kinderkniehoogte met een manshoge
kleurfonteinschaduw genaamd: mogelijk later
.
en het groeit tot kinderheuphoogte en sterft al
en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer.
Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit
.
dit voorjaar plant ik weer een Bougainville
deze winter vind ik weer een klein skelet
of is het dit: iedereen handelt uit verlangen
.
laten we bloemenstruiken blijven planten, kijk
in ons hoofd wiegen ze in de subtropische zeewind
in ons hoofd waar het warm is, vroeger of later.
.
Schaamteloos!
Han G. Hoekstra
.
In tijden van oorlog en ellende is er altijd de liefde. Soms schaamteloos ervaren en bezongen door dichter Han. G. Hoekstra (1906-1988). Hoekstra was dichter, journalist en redacteur die ook veel gedichten voor kinderen schreef. Kort na de oorlog was hij een van de vernieuwers van de Nederlandse jeugdliteratuur. Vele wat oudere lezers zullen de naam Hoekstra wel kennen. Hij was samen met Annie M.G. Schmidt de vernieuwer van jeugdpoëzie na de tweede wereldoorlog. Hij is wat minder bekend geworden dan Annie M.G. Schmidt en ook als dichter voor volwassenen werd hij ingehaald door de Vijftigers in vernieuwing.
Toch was zijn werk van grote kwaliteit. Hij ontving niet voor niets in 1972 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. Ik wil hier graag een liefdesgedicht van zijn hand delen dat verscheen in ‘Verzamelde gedichten’ in 1972 getiteld ‘Schaamteloos’. Dat ik dit gedicht koos heeft meerdere redenen. Allereerst omdat het zo heerlijk herkenbaar is, maar ook om haar muzikale en poëtische kwaliteit en als laatste om de laatste strofe waarin Hoekstra woorden geeft aan een dilemma dat veel mensen zullen herkennen.
.
Schaamteloos
.
Ik kan mij maar niet schamen,
omdat ik bij haar lig:
bij haar, mijn lief met name,
dat kreunt en koestert zich.
.
Ik kan alleen beamen,
dat ik niets wil of wens
dan samen zijn, en samen
binnen haar kamergrens.
.
De wereld vecht en vecht,
en raast buiten de ramen.
Ik lig hier naakt en slecht
en kan mij maar niet schamen.
.
Ik had als kind een huis en haard
Willem Wilmink en Jean Pierre Rawie
.
Ter gelegenheid van Willem Wilminks (1936 – 2003) zestigste verjaardag in 1996 maakte dichter Jean Pierre Rawie een sprekende en eigenzinnige keuze uit het omvangrijke oeuvre van dichter Wilmink. Na zijn dood in 2003 voegde hij nog enkele gedichten toe uit zijn latere werk. Die bundeling van gedichten verscheen in de jaren daarna in vele drukken bij uitgeverij Prometheus met als titel ‘Ik had als kind een huis en haard’ .
Ik bezit een versie uit 2010, een negende druk, wat iets zegt over de populariteit van Willem Wilmink als dichter en liedjesschrijver. Wilmink zelf maakte geen onderscheid tussen zijn liedjes en gedichten en stond daarmee in een grote, zij het bij ons ongewone, traditie, die teruggaat tot de middeleeuwen. Wilmink zelf beschouwde de verzameling van Rawie als de mooiste bloemlezing die iemand ooit uit zijn werk had gemaakt.
Uit de bundel koos ik het gedicht dat me om de een of andere reden erg aansprak getiteld ‘ Oude mensen’ .
.
Oude mensen
Ze hebben honderd rimpels
en ze hebben grijze haren
en ouderwetse dingen
die ze altijd maar bewaren.
Oude mensen, oude mensen.
.
Ze hebben snoepjes bij zich
om aan kinderen te geven,
daar moeten ze naar zoeken,
dus dan wacht je nog maar even.
Oude mensen, oude mensen.
.
Ze slapen nog maar kort, hoor,
dus ze worden heel vroeg wakker.
Ze gaan een praatje maken
met de slager en de bakker.
Oude mensen, oude mensen.
.
Ze willen graag vertellen
over heel erg lang geleden,
toen ’t zo koud was in de winter,
toen er nergens auto’s reden.
Oude mensen, oude mensen.
Kinderen, weet je wat zo gek is
aan dit grappige verhaal?
Over dertigduizend nachtjes,
dan zijn jullie allemaal
oude mensen, oude mensen.
.
Vermeer
Wisława Szymborska
.
Omdat het al weer even geleden is dat ik een gedicht van een Poolse dichter plaatste ging ik op zoek. Bijna vanzelf kom ik dan terecht bij Wisława Szymborska (1923 – 2012) een van de belangrijkste dichters van haar generatie in Polen en is een van de meest gelezen én gelauwerde dichters van deze tijd. Haar oeuvre bestaat uit slechts 400 gedichten, maar ze zijn wereldberoemd en uitgebracht in 40 talen. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur in 1996 en het Nobelcomité noemde haar de Mozart van de poëzie. Haar werk kenmerkt zich door een tedere kijk op alledaagse dingen. De gedichten van Szymborska worden vaak omschreven met termen als ‘speels’, ‘ironisch’ en ‘verrassend’. Ze slaagt er telkens in zich over het meest alledaagse te verwonderen en daarin een nieuw perspectief te openen: nuchter, helder, direct en vaak met humor.
Dit lees je terug in het gedicht ‘Vermeer’ over het schilderij het Melkmeisje dat ik nam uit de bundel ‘Hier’ uit 2009 in een vertaling van Karol Lesman.
.
Vermeer
.
Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum
in geschilderde stilte en concentratie
uit een kan in een schaal
dag in, dag uit melk giet,
verdient de Wereld
geen einde van de wereld.
.
Stof stof stof
Pieter Boskma
.
Teruglezend op mijn blog kwam ik tot de ontdekking dat ik in al die jaren dat ik dit blog al schrijf nog geen aandacht had besteed aan dichter Pieter Boskma (1956). Pieter Boskma studeerde tussen 1977 en 1984 onder andere Nederlands, Engels, Indonesisch, Kunstgeschiedenis van Oost-Azië en antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Virus Virus’, uitgegeven in eigen beheer in samenwerking met Paul van der Steen. In hetzelfde jaar richtten Van der Steen en hij het tijdschrift ‘Virus’ op. Eind jaren tachtig was hij betrokken bij de poëziebeweging de Maximalen.
Vanaf 1990 werkte hij een aantal jaren als poëziedocent aan de Schrijversvakschool ’t Colofon. Hij publiceerde niet alleen in alle literaire bladen en de meeste landelijke kranten en opiniemagazines, maar ook in bladen als Playboy en Avenue, en in meer dan honderd bloemlezingen. Daarnaast werkte hij voor de VPRO- en NPS-radio.
Boskma’s werk werd vertaald in onder meer het Engels, Duits, Fries, Frans, Chinees en Italiaans. Pieter Boskma was geruime tijd redacteur van het poëzietijdschrift ‘Awater’. In 2003 had hij zitting in de jury van de P.C. Hooft-prijs. Voor zijn werk ontving hij onder meer de Ida Gerhardt-Poëzieprijs, de Rabobank Cultuurprijs Letteren voor zijn hele oeuvre en hij werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2016.
Het gedicht dat ik koos van Boskma komt uit zijn bundel ‘De messiaanse kust’ uit 1989 en is getiteld ‘Stof stof stof’.
.
Stof stof stof
.
wat maakt het ons uit of ook het stof tot stof vergaat?
wij zijn de douche-generatie, ordelijke gel-gebruikers,
wij laten niets
aan het toeval over.
.
wij shockeren de pillenslikkers van de bestbeprijsde kwis.
wij houden van de doofpot der sterren en kometen.
wij zijn allergies voor knarsende sloten
want wij roesten niet.
.
wij spreken graag voor duistere halflege zalen.
wij dragen fier de ons geschonken bokalen van afgunst.
wij spiegelen ons niet aan elkaar.
wij zijn eenzaam.
.
wij ontvangen ons fortuin van de streamlined stropdas.
wij halen een mes langs de hals die daarin zit.
wij zijn en blijven tegendraads.
ons universum rafelt.
.
en na de feestjes, als wij dertig zijn
en dronken van twee biertjes
in de beha-loze zomer
schrijden wij in onze eigenaardigheid naar huis:
.
hermetische cellen in het harnas van de angst
dat ook het stof tot stof vergaat
en ons als een watertaxi
op de Tafelberg
slechts met ademnood omgordt.
.
Gedicht over Stalin
Osip Mandelstam
.
In mijn vorige bijdrage over de bundel ‘Gezanten uit Alexandrië, schreef ik al dat ik zou terugkomen op een gedicht van de Russische dichter Osip Mandelstam dat hij schreef over de dictator Joseph Stalin in 1933. Mandelstam droeg dit gedicht in hem vertrouwde kringen voor maar die vertrouwde kringen bleken minder vertrouwd dan hij had gehoopt. Hij werd gearresteerd, opgesloten en weer vrijgelaten op persoonlijke voordracht van Stalin. Hij zwierf daarna met zijn vrouw vier jaar door de Sovjet Unie, opgejaagd en rechteloos zonder enig uitzicht om aan die situatie te ontsnappen of een echt pardon van de leider. In 1938 werd hij uiteindelijk alsnog opgepakt door de geheime politie en naar Siberië vervoerd waar hij vermoord werd.
Het gedicht ‘Stalin’ is in de bundel opgenomen en en vertaald door Nadjezdja Mandelstam zijn vrouw. Na Osips tweede arrestatie en overlijden in een doorvoerkamp in 1938 leidde Nadjezdja Mandelstam een zwervend bestaan om arrestatie te voorkomen, waarbij ze regelmatig van adres en baan wisselde. Ze zag het als haar levenstaak de poëzie van Osip te bewaren voor het nageslacht. Ze leerde daarvoor het oeuvre van haar man uit haar hoofd.
Meer informatie over Mandelstam en zijn poëzie is hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2012/07/12/het-ene-isme-is-het-andere-isme-niet/ te lezen.
In 1970 verscheen in Engeland het boek ‘Hope against hope’ met de memoires van Nadjezdja Mandelstam van haar leven met Osip. In dit boek staat de oorspronkelijke vertaling van haar hand dat je hieronder kunt lezen. In het Engels en voor de die hards in het Russisch.
.
(Stalin)
.
We live. We are not sure our land is under us.
Ten feet away, no one hears us.
.
But wherever there’s even a half-conversation,
we remember the Kremlin’s mountaineer.
.
His thick fingers are fat as worms,
his words reliable as ten-pound weights.
.
His boot tops shine,
his cockroach mustache is laughing.
.
About him, the great, his thin-necked, drained advisors.
He plays with them. He is happy with half-men around him.
.
They make touching and funny animal sounds.
He alone talks Russian.
.
One after another, his sentences hit like horseshoes! He
pounds them out. He always hits the nail, the balls.
.
After each death, he is like a Georgian tribesman,
putting a raspberry in his mouth
.
Мы живем, под собою не чуя страны …
.
Мы живем, под собою не чуя страны,
Наши речи за десять шагов не слышны,
А где хватит на полразговорца,
Там припомнят кремлевского горца.
Его толстые пальцы, как черви, жирны,
И слова, как пудовые гири, верны,
Тараканьи смеются смезтся гюлеся смезтся смезтся гюезся гюесся гюеяся
гири верны.
.
А вокруг него сброд тонкошеих вождей,
Он играет услугами полулюдей.
Кто свистит, кто мяучит, кто хнычет,
Он один лишь бабачит en тычет.
Как подкову, дарит за указом указ –
Кому в пах, кому в лоб, кому в бровь, кому в глаз.
Что ни казнь у него – то малина
И ирокая грудь осетина.
.
Sprookje
Jan Emmens
.
De Rotterdamse dichter Jan Ameling Emmens (1924 – 1971) schreef simpele, erudiete gedichten, waarin gevoel en verstand hand in hand gaan. In zijn soms geestige werk relativeerde hij veel vaststaande waarden. Terugkerende thema’s zijn angst en agressie. Hij leed aan depressies en maakte zelf een einde aan zijn leven door zich op te hangen. Samen met o.a. Theo Sontrop en William Kuik wordt hij wel tot de ‘Utrechtse school’ gerekend.
Emmen debuteerde in 1945 met de bundel ‘Chacone’, een illegale uitgave in een oplage van 150 exemplaren, en schreef in totaal 5 poëziebundels. Na zijn dood verschenen nog ‘Verzamelde gedichten'(1974), ‘Soms een gevoel'(1979) en ‘Gedichten en aforismen'(1980). In 1971 ontving Emmens de Feniks-prijs voor zijn gehele oeuvre.
Uit ‘Gedichten’ uit 1974 het gedicht ‘Sprookje’.
.
Sprookje
.
Ik sprak op de wallen
de nacht net gevallen
en de dag in verwaarloosde staat,
drie koningen lagen
op sterven te klagen,
de maan kwam op, maar te laat.
.
Ik draalde nog buiten
en zag door de ruiten
dat een heks zich zojuist had gebaad,
ze droogde haar dijen
met hertengeweien,
haar pruikje met goudbrokaat.
.
Een hoogst zeldzaam teken
voor priesters en leken
dat schommelend kroop langs de straat,
bleek geloodst in een huisje
van steen slechts een puistje,
we bliezen het weg met gepraat.
.
Dichter van de maand november
Cees Nooteboom
.
Romanschrijver, dichter, vertaler en reisverhaledschrijver Cees Nooteboom (1933) is op basis van zijn oeuvre, zijn bekendheid in het buitenland en zijn zeer imponerende prijzenkast waarschijnlijk Nederlands beroemdste auteur. Alleen de Nobelprijs voor de literatuur ontbreekt nog waardoor hij waarschijnlijk al jaren genoemd wordt als belangrijke kanshebber op deze prestigieuze prijs.
Hoewel Cees Nooteboom dus ongelofelijk veel geschreven heeft is het aandeel van poëzie in zijn oeuvre beperkt tot een handvol bundels. Desalniettemin is zijn poëzie wel degelijk interessant en zeer lezenswaardig. Daarom is Nooteboom in de maand november dichter van de maand, wat betekent dat ik elke zondag een gedicht van zijn hand zal plaatsen.
Vandaag begin ik met het gedicht ‘Skelet’ uit zijn bundel ‘Aas’ uit 1982.
.
Skelet
.
Wat taal aan mij was is ontcijferd,
veranderd in andere tekens.
Mijn gebeente vertelt de vertaling
van leven in dood.
.
Daarmee ben ik niet verdwenen.
Tussen de levende planten
en het gebit van de steen
verander ik langzaam in aarde.
Pas daarna heet ik niets meer.
.
Lees mij dus nog één keer
in deze vertragende paring.
Herhaal mijn gerangschikte zinnen
tot ik niets meer beteken
en zonder een zin op je wacht.
.


















