Site-archief

Gezocht

Ester Naomi Perquin

.

Ze is al jaren een van de presentatoren van de Nacht van de Poëzie en een van mijn favoriete dichters; Ester Naomi Perquin (1980). Daarom ook in deze vakantie een gedicht van haar hand, dit keer het gedicht ‘Gezocht’ uit haar bundel ‘Servetten halfstok‘ uit 2007.

.

Gezocht

.

Man met grote handen en dito boekenkasten

bij voorkeur uitzicht op zee.

.

Veel gerookt mag er worden en films gekeken

waarvan ik het einde al weet.

.

Beloftes voor later het liefst onoprecht zodat

wat hij vertelt steeds weer uit kan gelegd

.

als een broek die te kort is,

een man die daar altijd in past,

.

die van mij leert te houden maar

onredelijk is en behoorlijk kan slaan,

.

academisch niveau, die dan onverwacht

met een kinderwens voor me zal staan.

 

 

Vierde dag

Jan Kal

.

Vierde dag alweer en vandaag gekozen voor een gedicht van Jan Kal (1946). Dit keer uit de bundel ‘Assepoester’ uit 1981 met tekeningen van Irene Wolfferts. In deze bundel staan 39 sonnetten en als ik de voorlaatste bladzijde mag geloven (en waarom zou ik dat niet doen?) dan zijn deze sonnetten geschreven tussen 10 november 1975 en 7 maart 1980. Ik koos voor het sonnet met nummer I.

.

I

.

Er was eens een rijk man. Hij had een vrouw

van wie de levensdraad ten einde liep.

Er was één dochter, die ze bij zich riep,

met goudblond haar en ogen hemelsblauw.

.

Ze zei: ‘Liefkind, gedenk toch wie je schiep,

dan blijft de Lieve Heer je altijd trouw.

Weet dat ik uit de hemel je aanschouw.’

Daarna sloot zij haar ogen en ontsliep.

.

Vaak ging hert meisje naar haar Moeders graf,

en in de winter werd een wit tapijt

van schone sneeuw daarover uitgespreid.

.

De voorjaarszon smolt heel het kleed er af,

en op een dag met prachtig

trouwde haar Vader voor de tweede keer.

.

Domburg in mei

Willem Gussekloo

.

Van mijn broer kreeg ik vijf bundeltjes in stemmig groen/grijs, van dichter en marketingman (voor strategie en konsept) Willem Gussekloo (1939-1992). De bundeltjes dragen titels als ‘jargon’, ‘merkwaardig’, ‘verstild’, ‘bewogen’ en ‘geflest’ en werden uitgegeven tussen 1980 en 1985 in eigen beheer. In een van de bundeltjes zat een brief van Gussekloo aan zijn klanten (vermoed ik) met een nieuwjaarsgroet voor 1985 en een adreswijziging.

In deze brief schrijft hij onder andere: “O ja. Waar heb ik in 1984 mijn halve brilletje in bordeauxrood etui laten liggen? En waar m’n zilveren Pelikan-vulpen waar zonder ik gans hulpeloos ben? Ik verlies m’n verstand nog eens. Zo zie je maar, het leven van een kleine zelfstandige is vreselijk. Ook heb ik mijn hele – fantastisch gesorteerde – adressenbestand letterlijk uit handen laten vallen zodat het mogelijk is dat sommigen dit bundeltje niet ontvangen.”

Geschreven met een typmachine door wat we nu een ZZP-er zouden noemen. Heel veel is er niet over Gussekloo als dichter te vinden. Hij schreef bundeltjes waarin marketingterminologie en het dagelijks leven op een ironische of verstilde manier werden besproken. En hij was actief in de kring rondom cabaretier Ivo de Wijs, die hem omschreef als een ‘liefste vijand’ vanwege zijn voortreffelijke pen en amusante observaties binnen de reclamesector.

De dichtbundeltjes zijn gering van omvang (maximaal 36 pagina’s en de gedichten zijn kort en vaak meer slogans dan gedichten. Ik moest bij het lezen regelmatig aan de Luule denken die wij (van MUGzine) als vorm hebben bedacht; kort, puntig, poëtisch, grappig. Een paar voorbeelden:

.

sos

.

na de breinstorm

van gistermiddag

worden

nog steeds

twee deelnemers

vermist

.

84

.

bijna iedereen

en alles

heeft dus

1984

gehaald:

nu kunnen

we weergaan zeuren

en somberen

over

het jaar

1990

.

Maar niet alle gedichten bestaan uit een reeks van 1 of 2 woorden onder elkaar gerangschikt. Er zijn gedichten waarin de dichter het van de marketing en reclameman wint. Zoals in het gedicht ‘domburg in mei’.

.

domburg in mei

.

te vroege badgasten

zoeken warmte

bij sterke drank

en open haard.

ik koop een oude zomerschouw

en probeer

me in te denken

wat het ding

vroeger beleefd heeft

op kille avonden

in het zeeuwse voorjaar:

als de vrouw zich wat eerder

ontpopte uit de klederdracht

en de man

dan ook maar

wat eerder

uit de broeken stapte

om samen

weer warm te worden

met de bedstee-deuren

dicht

.

Vergeten dichters

Erika Dedinszky

.

Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002,  gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.

Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.

Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en  János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.

In 1981  kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend,  voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze  onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.

In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl  vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.

.

dagenboek

.

je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg

je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert

je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt

onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt

je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op

je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat

je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na

haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg

.

Verjaardag

Ester Naomi Perquin

.

Vandaag is het mijn verjaardag en als klein cadeautje aan jullie (en mezelf) trakteer ik op een gedicht van één van mijn favoriete dichters Ester Naomi Perquin (1980). En wel met een toepasselijk gedicht (in ieder geval als het om de titel gaat)  ‘en voor de zoveelste keer’ genomen uit de allerlaatste editie van Het Liegend Konijn.

.

En voor de zoveelste keer

.

berekende mijn oudste broer het oppervlak, de jongste

zeurde van de honger, het eerste spitten viel nog mee

maar toen de brede waaikant zakte en

de jongste tot aan zijn kruin –

.

hij verdween al voor de eerste top zichzelf afgleed,

duingras kapseizend kapsel, we zagen niet precies

wat er was aangericht want de konijnen, god,

de konijnen.

.

Ze schoten alle kanten op.

.

Diane di Prima

Beatdichter

.

Ergens in het afgelopen jaar (het zal juni geweest zijn) las ik in een rubriek achterop de Volkskrant (Dagboek) een stuk dat uit het dagboek van Dick Hillenius (1927-1987) bioloog en schrijver. Hij schreef in zijn dagboek over taalmuziek. “Taalmuziek heeft al gauw de betekenis van flauwekul. Maar zang en poëzie ontstonden misschien wel uit één bron, lang samen gebleven en door de drang van tijd uit elkaar gedreven.”

Dan gaat hij verder over een avond waarop Diane di Prima (1934 – 2020) Amerikaanse dichter, kunstenaar, prozaschrijver en docent, bekend om haar betrokkenheid bij de Beat-beweging, met een mooie dwingende stem vol stuwing en meeslepend haar poëzie voordraagt. Zoals je begrijpt maakte het me toen al nieuwsgierig maar het bericht was wat op de achtergrond geraakt. Tot ik het nu weer tegenkwam.

Ze ging naar de academisch zeer prestigieuze Hunter College High School, waar ze deel uitmaakte van een kleine vriendengroep, waaronder klasgenote Audre Lorde (schrijfster, professor , filosofe , intersectionele feministe , dichter en burgerrechtenactiviste), die een soort ‘Dode Dichtersgenootschap’ oprichtte en zichzelf ‘de Branded’ noemde. Ze spijbelden om door de stad te zwerven, rond te hangen in boekwinkels, hun eigen gedichten te delen en seances te houden voor dode dichters. Ze bracht de late jaren vijftig en vroege jaren zestig door in Manhattan , waar ze deelnam aan de opkomende Beatbeweging. Ze was redacteur van de krant The Floating Bear en was medeoprichter van het New York Poets Theatre en oprichter van de Poets Press.

Van 1974 tot 1997 gaf di Prima les in poëzie aan de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics van het Naropa Institute in Boulder , Colorado, waar zij het programma deelde met mede-Beats Allen Ginsberg en Anne Waldman (medeoprichters van het programma), William Burroughs , Gregory Corso en anderen. Van 1980 tot 1987 doceerde di Prima hermetische en esoterische tradities in de poëzie, in een kortstondig maar belangrijk masterprogramma in poëzie aan het New College of California, dat ze samen met de dichters Robert Duncan en David Meltzer had opgezet.

In 1979 verscheen bij In de Knipscheer haar bundel ‘Revolutionaire brieven’ met gedichten in een vertaling van Simon Vinkenoog. Haar meest vermaarde gedicht ‘April Fool Birthday Poem for Grandpa’ gaat over haar anarchistische grootvader. Di Prima heeft altijd benadrukt hoe belangrijk geschiedenis voor haar is. Dat komt in dit gedicht goed tot uiting.

.

April Fool Birthday Poem for Grandpa

.

Today is your

birthday and I have tried

writing these things before,

but now

in the gathering madness, I want to

thank you

for telling me what to expect

for pulling

no punches, back there in that scrubbed Bronx parlor

thank you

for honestly weeping in time to

innumerable heartbreaking

italian operas for

pulling my hair when I

pulled the leaves off the trees so I’d

know how it feels, we are

involved in it now, revolution, up to our

knees and the tide is rising, I embrace

strangers on the street, filled with their love and

mine, the love you told us had to come or we

die, told them all in that Bronx park, me listening in

spring Bronx dusk, breathing stars, so glorious

to me your white hair, your height your fierce

blue eyes, rare among italians, I stood

a ways off, looking up at you, my grandpa

people listened to, I stand

a ways off listening as I pour out soup

young men with light in their faces

at my table, talking love, talking revolution

which is love, spelled backwards, how

you would love us all, would thunder your anarchist wisdom

at us, would thunder Dante, and Giordano Bruno, orderly men

bent to your ends, well I want you to know

we do it for you, and your ilk, for Carlo Tresca,

for Sacco and Vanzetti, without knowing

it, or thinking about it, as we do it for Aubrey Beardsley

Oscar Wilde (all street lights shall be purple), do it

for Trotsky and Shelley and big/dumb

Kropotkin

Eisenstein’s Strike people, Jean Cocteau’s ennui, we do it for

the stars over the Bronx

that they may look on earth

and not be ashamed.

 

Diane di Prima en Allen Ginsberg

Terras

Litouwse dichter

.

Terras is een hedendaags tijdschrift voor internationale literatuur met een eigen stijl en een goed oog voor nieuwe ontwikkelingen. In Terras vind je bekende en onbekende literatuur van hoge kwaliteit. Terras houdt de lezer scherp en betrokken. Zo presenteert het literair tijdschrift Terras (dat opereert in het voetspoor van het roemruchte tijdschrift Raster) zich.

Terras wordt gemaakt door dichters, schrijvers en vertalers met een internationaal netwerk. Als platform voor vertaalde literatuur werkt Terras samen met getalenteerde vertalers die het een kans biedt en kritisch begeleidt. Terras legt de nadruk op literatuur die nog niet ontdekt is maar wel de moeite van het ontdekken waard. Het tijdschrift opereert hierin als pionier.

Die laatste dingen die het tijdschrift over zichzelf zegt kans bieden, niet ontdekte literatuur, als pionier opereren) dat gaat zeker op voor de poëzie die men plaatst. Zoals in het laatste nummer met als thema ‘The Baltic Way’ waarin schrijvers en dichters uit de Baltische staten zijn opgenomen (Estland, Letland en Litouwen).  Ik ben dit jaar in Estland en Letland geweest (en een paar jaar geleden in Litouwen) en het literaire landschap is daar breed. In de eigen taal maar ook zeker nog in het Russisch daar in alle drie de landen nog grote groepen etnische Russen wonen.

Uit het laatste nummer (#27) koos ik een gedicht van Giedré Kazlauskaité in een vertaling van Anita van der Molen. Giedrė Kazlauskaitė (1980) studeerde Litouwse literatuur aan de Universiteit van Vilnius en publiceerde vijf dichtbundels, waarmee ze de Jonge Jotvingian Prijs, de Jurga Ivanauskaitė Prijs, de Schrijversbond Prijs en de Prijs voor het Creatiefste Boek van het Jaar won. Ze is redacteur van het wekelijkse culturele tijdschrift Šiaurės atėnai (Athene van het noorden) en tevens een van de weinige LGBTQ-dichters in Litouwen.

.

Pioenroosextract

.

je borsten zijn net vossensnuitjes,

nieuwsgierig opduikend uit hun hol,

waar de kat ze kan verschalken.

.

De stad, die alles gadeslaat

en met afvalsporen is bezaaid,

luistert met gespitste oren.

.

Ik pak je beet bij je bloem.

Haar extract kan angst verzachten.

.

Wij samen met een legioen narcissen.

Roze flamingos’s op jouw slippers.

.

Er zijn schelpen die niet meer ruisen-

kapotgeslagen, losgescheurd.

.

We haken met onze nagels in elkaars kern,

bevreesd om bolsterloos verder te keven.

.

Jij bent geniaal en ik ben geniaal – zong Zemfira

voor mij en voor jou.

.

Als de almacht van de fantasie niet zou bestaan

waren we niets meer dan miljarden gebroken cimbalen

.

In de Melkweg.

.

Verbinding

Ester Naomi Perquin en Rick Keus

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de open dagen van NE Studio’s op het Noordereiland in Rotterdam. Naast de kunst van de verschillende kunstenaars en fotograaf kwam ik voor Marjoke Schulten. In de zomer van 2023 was zij de stuwende kracht achter het poëzie- en kunstfestival Raamwerk | Dichtwerk op de ramen van de NE studio’s en in de tuin van het gebouw waar de NE studio’s zijn gevestigd.

Toen ik rondliep in het gebouw kwam ik de fraai vormgegeven (door Bart van BRRT.Grapgic.Design die ook de MUGzines vormgeeft) catalogus van dit project tegen met daarin foto’s van de verschillende kunstwerken op de ramen en de gedichten van Rotterdamse dichters die daarin verwerkt waren. Een van de dichters was Ester Naomi Perquin (1980), oud stadsdichter van Rotterdam die samen met fotograaf Rick Keus een raam hadden gedaan.

Rick Keus en Ester Naomi Perquin bleken elkaar direct uitstekend te verstaan. De foto’s van Rick, even verstild als beweeglijk, deden Ester Naomi denken aan de rol van ruis in dagelijkse communicatie. En zo ontstond een totaalwerk waarin afstand centraal kwam te staan. Of zoals Ester Naomi Perquin het stelde: “Niet iedere verbinding is immers meetbaar, nodig of zelfs wenselijk – een groot deel van ons uitzicht is een waas, een vorm van ruis. Soms is dat precies wat we nodig hebben”.

.

Frontpoëzie

Nieuwe podcast

.

In de VPRO Etalage, een magazine dat je krijgt wanneer je VPRO lid bent, wordt een nieuwe podcast over poëzie aangekondigd. Vanaf dit najaar (datum wordt niet gegeven) komt de podcast Dichter aan het front in alle podcastapps. Dichter aan het front onderzoekt hoe het is te moeten overleven in en om de loopgraven in Oekraïne waar opmerkelijk veel soldaten blijken te dichten. Michiel Driebergen (1980), correspondent in Oekraïne, vertelde in 2022 nog tegen de VPRO Gids dat de echte verhalen niet in de loopgraven liggen maar daar is hij van terug gekomen.

De frontervaringen van soldaten worden verteld door dichters, een idee van Bureau Buitenland eindredacteur Herman Schulte Nordholt. Hij houdt van de Britse War Poets van de Eerste Wereldoorlog. Driebergen wist daar n iet van van maar hij wist wel dat er veel militairen waren die dichtten. Militairen, zo zegt hij, moeten constant een brug slaan van het front naar de gewone wereld. Ze zoeken naar woorden voor een ervaring die je in je normale leven nooit zult hebben. Velen gebruiken daar poëzie voor en bereiken zelfs een publiek. Er zijn in Oekraïne inmiddels bekende war poets.

Poëzie is altijd aanwezig geweest in Oekraïne, ze zijn heel poëtisch en kunnen vaak goed dichten. Driebergen sprak bijvoorbeeld een 22 jarige soldaat die schrijft over hoe het moet zijn voor de echtgenotes om hun man te verliezen. Of over een vijftiger die dicht hoe de natuur hem bijstaat tijdens de gevechten. En er is een psycholoog die militairen helpt met de omslag te maken van de gewone wereld naar het front en die daar dan gedichten over schrijft. Tot slot komt een man aan de orde die lichamen evacueert van het front en die dicht over hoe de zielen van de gesneuvelden smeken om te worden thuisgebracht.

Driebergen besluit het stuk in VPRO Etalage met: “in Nederland is er een stroming die zegt: het is ook onze oorlog. Zij vechten voor ons. Bij mij levert dat altijd veel weerstand op. Als Oekraïners vechten voor ons, waarom vechten wij dan niet mee? Maar als dat dan zo is, dan moeten we ook echt zoveel mogelijk proberen te begrijpen wat er in Oekraïne gebeurt”.

Dat kan vanaf het najaar als je de podcast Dichter aan het front gaat beluisteren. Omdat er nog geen gedichten van Oekraïense dichters van het front beschikbaar zijn koos ik voor een gedicht van de Roemeense dichter Agi Mishol (1946) die over dit onderwerp dicht in het gedicht ‘Gedicht voor een gedeeltelijke mens’.

.

Gedicht voor een gedeeltelijke mens

 

Gebrekkig als hij is, geliefd en beklaagd
Gewoon zoals hij is, nors en gespleten
Hongerig dorstig mopperend willend en
Boven een afgrond cirkelend
Een gedicht voor de mens die ongestreeld
Uit de nachtdroom in de dagdroom wordt geloosd
Kuchend rochelend naar zijn schoenen rondtastend
Zoals hij is, met zijn darmen die knorren
En iets voortstuwen wat straks zal worden
Uitgeworpen en malend over de liefdeshonger
Naar o naar is de liefdeshonger
Geen koffie zal hem stillen, het is
Een gedicht voor zijn zwakke gedachtestroom
Zoals die is, onbestemd, voor zich uit starend
Omhoog geknepen verlangend en smachtend
Naar iets, een gedicht voor zijn wond
Die niet bloedt
Voor de stille prop verontwaardiging, de sigaret
Waar hij zich nu aan vasthoudt
Terwijl hij achter zijn bureau gaat zitten
Alsof hij zich eindelijk wat rust laat welgevallen
Een gedicht voor zijn helwitte vellen papier, een kus
Op zijn ogen die zich ter ruste leggen in wolkendons –

 

 

 

Reïncarnatie

Dag drie

.

Op dag drie van mijn vakantie een gedicht met een titel die dichters blijkbaar aanspreekt want ik plaatse al eerder een gedicht met de titel ‘Reïncarnatie’. Van Patricia Lasoen (1948) en van Daan Zonderland (1909-1977). Vandaag echter een gedicht met deze titel van Ester Naomi Perquin (1980) uit haar bundel ‘Servetten halfstok’ uit 2007.

.

Reïncarnatie

.

Wil iemand in mijn benen lopen,

in mijn mond zijn woorden leggen

en in mijn handen stijve vingers

soepel strekken voor pianospel

of strelen – wie wil mij aan?

.

Word ik de eerste keus of heeft

een mooier lichaam niet gepast?

Lig ik opgevouwen achteraan of

hang ik breeduit in de etalage?

.

Hoe weten zij hoe ik mij was?

Welk nog onzichtbaar etiket

is in mijn nekrand vastgezet?

.