Elmina
Bernice Vreedzaam
.
Ongeveer 20 jaar geleden was ik met mijn gezin op vakantie in Ghana, het land in West Afrika van waaruit de Nederlanders schepen vol slaafgemaakte verstuurden naar Amerika. Aan de kust van Ghana liggen een aantal forten van waaruit dit gebeurde en het grootste en belangrijkste fort ligt in Elmina. Het werd door de West Indische Compagnie (WIC) geëxploiteerd als het grootste fort van waaruit slaafgemaakt op schepen werden gezet, volgens schattingen duizenden per jaar. Beneden in het fort is een ruimte van waaruit de slaafgemaakte door de ‘deur van geen terugkeer’ moesten lopen naar de schepen van de WIC. Deze ruimte was één van de meest indrukwekkende van dit enorme fort.
Ik begin hierover om enige duiding te geven aan het gedicht ‘Elmina’ uit de nieuwe bundel van schrijver en dichter Bernice Vreedzaam (1972) ‘De vogelgrens oversteken’ uit 2025. Naar aanleiding van 50 jaar onafhankelijkheid van Suriname schreef zij deze bundel, waarin ze aan de hand van haar eigen geschiedenis, die van de Marrons, laat zien hoe de geschiedenis voort leeft, over landsgrenzen en generaties heen. Marrons zijn gevluchte Afrikaanse tot slaaf gemaakte, die in stamverband in de ontoegankelijke oerwouden of binnenlanden gingen leven en hun afstammelingen.
In de nieuwe bijzondere bundel ‘De vogelgrens oversteken’ staat het gedicht ‘Elmina’ dat verwijst naar een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.
.
Elmina
.
Forsgebouwd voor goud, een oud
melaats fort, waar bastaarden zich verdringen,
ze zingen voor vreemde goden
slaan op vervaagde dagen op onheilige gongs
.
Een vormig bolwerk waar rottende oogkassen
van aangespoelde schubbenmaskers kussens kloppen
de wacht houden naast die met dronkengeweren leunen
tegen de poorten van de roetige binnenplaats
.
Waar dochters en zonen hun laatste adem inhielden,
vege muren en een grasmat van gevederde jurken slepen
keldergang huilt tochtig wurgt in haar kreten
razernij paradeert in een ooghoek
.
Probeer het niet, Muze, de al te avontuurlijke,
niets is meer in zilte regenbuien die jouw vrienden omringen,
of in de klei baden of op warse grondritueel te verspillen.
Als de dood zijn pijl stuurt, haast het kind zich naar het sterfelijk uur.
.
Ed. Hoornik
Meisje in de tram
.
Er is de laatste tijd weer veel aandacht aan de onveiligheid van vrouwen en meisjes. Op allerlei ongure plekken maar ook gewoon in de buitenruimte, in het openbaar vervoer en in openbare en commerciële gebouwen en etablissementen. Heel terecht en gelukkig is er veel aandacht voor, en helaas is er nog steeds behoefte aan deze aandacht want meisjes en vrouwen ervaren nog steeds de veiligheid die heel natuurlijk zou moeten zijn, niet.
En denk nou niet dat dit iets is van de laatste tijd, al vele decennia ervaren vrouwen deze onveiligheid, misschien is het iets van alle tijden, en is er, door allerlei incidenten zo nu en dan meer aandacht voor. In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1979 van Ed. Hoornik (1910-1970) staat een gedicht dat juist die onveiligheid als onderwerp heeft. En dat is bijna 50 jaar geleden. Alle reden om er bij stil te blijven staan en er iets aan te doen, waarbij ik me realiseer dat dit slechts een kleine druppel op de spreekwoordelijke gloeiende plaats is.
.
Meisje in de tram
.
Mannen kijken mij aan,
kleden mij haastig uit,
breken in in mijn huid,
randen mij overal aan,
kunnen niet verder gaan.
.
Maar het kind dat daarnet,
toen zijn moeder niet keek,
zo maar een krant als steek
op zijn hoofd heeft gezet,
lacht het helemaal weg.
.
Zittend in een tram,
even mezelf ontsnapt,
voel ik soms broederschap.
Warmte trekt door mij heen.
Haastig zet ik mij schrap.
.
Winter(dag)
Dubbelgedicht
.
Omdat het alweer sneeuwde deze week en omdat de winterse kou nog even aanhoudt, wil ik hier graag de harten verwarmen met wat winterse poëzie in de vorm van een dubbelgedicht over diezelfde winter.
Als eerste het gedicht ‘De winter’ van dichter H.H. ter Balkt (1938-2015) dat verscheen in de bundel ‘Uier van het oosten’ uit 1970. Het tweede gedicht is getiteld ‘Een winterdag’ en is van dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) en is genomen uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981.
.
De winter
.
De bonte kraai, de bonthandelaar
de zwarte kraai, viller en hakker
reizen in wintertijd boven weg & trein.
.
Het wapen van de winter is klauw e& snavel
Van honger de steltloper, dorst een groot drinker
hangt het uithangbord aan de zwarte herberg.
.
Vliegende poten verlichten zwakjes het landschap
Met een molensteen om hun nek de dorpen
lezen sprookjes van Hoornroosje en ander droefs.
.
Als droesem liggen de inwoners onderin dat glas
dat kraakt en splintert, en boven stilstaande klokken
vleugelslag van broeder kraai roert de troebele dronk.
.
Lege beker vind je, lege beker mijn vriend
in de zwartgallige winter die de lampen uitgooit
en gromt & hikt onder gekantelde tafels.
.
Een winterdag
.
Er stond een meisje met een heel klein handje
kruimels te strooien voor een mus of wat,
scherp oplettend wie al iets had gehad.
En de haaibaaien gaf ze dan een standje.
.
Het was een langgerekte monoloog.
De telkens weerkerende felle krijs
van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,
ze had die rustverstoorders scherp in het oog.
.
In het heelal hield zij de zaken bij.
Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.
Met een schel stemmetje prees ze en laakte.
En met dat kleine handje voerde zij.
.
Fin de saison
Cees Nooteboom
.
Normaal gesproken ga ik op vrijdag vaak voor een van mijn boekenkasten staan en dan pak ik, zonder te kijken, een poëziebundel uit de kast. Daar open ik dan op een willekeurige bladzijde en het gedicht dat daar staat deel ik hier op mijn blog. Vandaag deed ik dat ook maar toen ik voor mijn boekenkast ging staan viel eigenlijk meteen de bundel ‘Aas’ van Cees Nooteboom uit 1982 mij op.
Nu mag inmiddels wel bekend zijn bij iedereen dat Cees Nooteboom (1933-2026) op 11 februari jongstleden is overleden. Daarom heb ik ervoor gekozen in dit geval niet het toeval te laten bepalen welke bundel ik pak maar deze bundel te pakken. Ik heb wel op een willekeurige bladzijde de bundel geopend en daar op pagina 31, staat het gedicht ‘Fin de saison’ waar je met een beetje fantasie het einde van een leven in zou kunnen zien.
.
Fin de saison
.
Het werd een maand als oktober.
De kleur van de wijn was onzichtbaar,
de obers verdronken in het bevroren
terras.
.
Dit is hoe de demon het deed:
hij waadde door het marmeren water
en tilde haar schim van de rots.
.
Zo zag het eruit:
de wind kwam aan over zee
met de nacht in zijn vleugels.
De demon vervoerde haar schaduw
naar waar ik die nooit meer kon zien.
.
Zo sloot hij het raadsel dat zij eenmaal
geweest was. Hij verbrandde mijn ogen en oren
en brak het verleden.
.
Toen liet hij haar gaan als een prooi
met haar scherven.
En mij, mij liet hij besterven
met de laatste fooi van het jaar.
.
Veldrijden
Jan Boerstoel
.
Het leuke van (veel) poëzie lezen is dat je vrijwel bij elke grote gebeurtenis of bij elke actualiteit wel kan terugdenken aan een gedicht dat een onderwerp, een regel of een thema had dat aan zo’n gebeurtenis of nieuwsfeit gerelateerd kan worden. Vaak weet ik dan meteen wel van wie het gedicht is en soms zelfs in welke bundel ik dat gedicht las maar soms weet ik de bundel niet of erger, de naam van het gedicht/dichter niet. Dat laatste is lastig maar met google en/of AI kom je tegenwoordig een heel eind.
Bij het gedicht dat ik vandaag wil delen, wist ik niet alleen de titel maar ook de dichtbundel waar ik het kon vinden. De titel is ‘Veldrijden’ en de bundel waarin ik dit gedicht las is ‘De 100 mooiste wielergedichten’ uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur uit 2014. Het gedicht bleek van de dichter Jan Boerstoel (1944) te zijn. Niet direct een heel bekende naam misschien bij veel lezers maar in de loop der jaren heb ik toch een aantal keer over hem geschreven. Een keer, ook naar aanleiding van, het televisie programma First Dates en een andere keer in een bericht over light verse.
Deze keer was de aanleiding misschien een beetje een vreemde. Ik keek naar de laatste rit op de 500 meter schaatsen tussen Femke Kok en haar Amerikaanse tegenstander tijdens de Olympische Winterspelen in Italië. Femke Kok won deze race en het was haar 24ste wedstrijd achtereen dit seizoen die ze won. Ik moest meteen aan Mathieu van der Poel denken die deze maand voor de 8ste keer wereldkampioen werd na het winnen van al zijn races in het reguliere wedstrijdseizoen van het mondiale veldrijden. En toen moest ik terugdenken aan het gedicht van Boerstoel. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Veel werk’ uit 2000.
.
Veldrijden
.
Als hun collega’s van de weg met bisschopswijn
en kerstkrans dikverdiend zich suf recupereren,
gaan de commando’s van de wielersport zich weren
voor wie de dagen nooit te donker kunnen zijn.
.
De crossers, ware acrobaten óp hun fiets
en snelle hordelopers als zij ermee zeulen,
soms drie keer in de week zijn zij hun eigen beulen,
wind, regen, hagel, sneeuw en ijs, het doet hun niets.
.
Geen pad is hun te smal, geen helling hun te machtig.
Eerder een noodlot dan een sport, maar oh… zo práchtig!
.
Harde en zachte magiesystemen
Maxime Garcia Diaz
.
Na het debuut in 2021 van de Nederlands-Uruguayaanse dichter Maxime Garcia Diaz (1993) met ‘Het is warm in de hivemind‘ schreef ik al dat haar poëzie de grenzen opzoekt en dat ik daar wel van hou, van poëzie die de rafelrandjes opzoekt. En met rafelrandjes bedoel ik de grenzen die dichters in hun poëzie opzoeken en (soms) te buiten gaan. Wat overigens een verschil is met dichters die menen dat proza en poëzie twee dingen zijn die je willekeurig kan uitwisselen. Een prozagedicht okay, een gedicht van 6 pagina’s als een kort verhaal, nee, dat is voor mij een grens die voorbij de poëzie gaat (namelijk proza).
In haar nieuwe bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ gaat Maxime Garcia Diaz verder waar ze was gebleven met ‘Het is warm in de hivemind’. In de recensies die ik tot nu toe heb gelezen van deze nieuwe bundel lees ik woorden als wanordelijk, overdadig, experimenteel maar ook verrassend gevoelig en intiem. In de recensie in de Volkskrant schrijft Daan Doesborgh: “Maxime Garcia Diaz is ongeveer even oud als het moderne internet. Al toen ze succes boekte op de Nederlandse slampodia was haar poëzie doorspekt met de vocabulaire van iemand die veel tijd online heeft doorgebracht”.
Toen ik dat gelezen had en ik de bundel doorlas moest ik meteen aan Diana Ozon denken. Zij was in 1994 als dichter nauw betrokken bij De Digitale Stad en in haar poëzie kwamen allerlei termen en woorden voor die heel erg bij die digitale vernieuwing paste. Datzelfde zie ik nu terug in de bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’. En waar Ozon vooral de technische kant van de digitalisering verkende onderwerp Maxime Garcia Diaz haar poëzie aan een onderdompeling in de donkere, absurde en wrede verlokkingen van het internet. In beide gevallen zijn de digitale stad en het internet het decor van de poëzie van deze twee dichters.
Als voorbeeld heb ik het gedicht ‘Harde en zachte magiesystemen’ uit deze nieuwe bundel genomen.
.
Harde en zachte magiesystemen
.
eeuwenoude kernherinnering
vierkamerige harten
rijzende apen en vallende engelen
ik wil alleen zijn in dit lichaam
.
het helderste object in de hemel
(het is een vreselijke taal)
sommige dagen ben ik stomgeslagen
.
lang geleden schreef sylvia
liefs, je holle meisje
ze had een moeder en ging het donker in
jouw donker waar je schoppend en schreeuwend heen ginhg
ik heb niets meer aan spraak
.
mijn geest is zwak
nee mijn geest is georganiseerd
.
schep het zachte ijs
bevries opnieuw voor een paar uur
of tot het stevig is
.
sommige dagen
ben ik stomgeslagen
.
De mei van Heytze
Dichter over dichter
.
Toen ik in de bundel ‘Alle goeds‘ van Ingmar Heytze (1970) uit 2001, de titel van het gedicht ‘De mei van Heytze’ las, dacht ik in eerste instantie dat Ingmar een relatie in zijn gedicht had gelegd met het beroemde (in Nederland) gedicht ‘Mei’ van Herman Gorter (1864-1927) uit 1889 (waar ik tot mijn eigen verrassing nog nooit over geschreven heb op dit blog). Maar niets bleek minder waar, het gedicht is opgedragen aan Lévi Weemoedt (1948). In de categorie Dichter over dichter daarom dit gedicht.
.
De mei van Heytze
Voor Lévi Weemoedt
.
De kievit baltst zijn hoogste vlucht.
Het slachtvee dartelt in de zon.
Mijn ogen staren troebel
door een zonnebril van klei.
.
De herfst herhaalt zich achterwaarts.
Het broedsel stort zich uit het nest.
De nachtuil fladdert in mijn buik.
Ik zoek het laatste dodo-ei.
.















Averij aan de wereld
16 feb
Geplaatst door woutervanheiningen
Ewa Lipska
.
De Poolse dichter Ewa Lipska (1945) is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de grote generatie Poolse dichters die na de tweede wereldoorlog werden geboren. Ze debuteerde in 1961, net 16 jaar oud met enkele gedichten in een dagblad. Tijdens de jaren ’70 was ze actief als poëzieredacteur bij uitgeverij Wydawnictwo Literackie in Krakau. Een paar jaar na de val van het communisme verhuisde ze naar Wenen waar ze werkzaam was in het Poolse Instituut. Inmiddels woont en werkt ze weer vanuit Krakau.
Sinds haar debuutbundel ‘Wiersze’ (Verzen) uit 1967 heeft ze ruim twintig poëziebundels gepubliceerd. Hiervoor ontving ze in binnen en buitenland talloze literaire onderscheidingen. Ze is lid van de Poolse en Oostenrijkse PEN Club , oprichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989), lid van de Poolse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Haar poëzie is in vele talen vertaald en in 2024 verscheen er bij uitgeverij P de mooi vormgegeven bundel ‘Averij aan de wereld’ 100 gedichten van haar hand, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door René Smeets, Maarten Tengberger en Kris Van Heuckelom. Deze bundel is een nieuwe loot aan de ‘kleine Poolse bibliotheek’ van uitgeverij P.
Een bundel waar steeds op elke bladzijde aan de ene kant het vertaalde gedicht in het Nederlands is opgenomen en daarnaast het gedicht in het Pools. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Maffia” of in het Pools ‘Mafia’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.
.
Maffia
.
Wij handelden in Shakespeare
sinds onze vroegste kinderjaren.
Van het verbod op lyriek
is niets terecht gekomen.
.
Capo di tutti i capi
De Godfather
van mijn debuut
gaf mij de eerste instructies:
.
Er is geen kunst
zonder geweld
de harde hand van woorden
de terreur van stijl.
.
We aten Siciliaanse croissantjes
bepoederd met ochtendmist.
.
Tot op vandaag
slaap ik tussen de versregels door
met de wapens in de aanslag.
.
Dat treft goed
wanneer het succes van de zon opkomt.
.
Dit delen:
Geplaatst in Dichtbundels, Favoriete dichters, Poolse dichters
Een reactie plaatsen
Tags: 100 gedichten, 16 jaar, 1945, 1967, 1989, 2024, Averij aan de wereld, belangrijkste naoorlogse dichters, commentaren, dagblad, debuut, debuutbundel, dichtbundel, dichter, Ewa Lipska, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, jaren 70, kleine Poolse bibliotheek, Kris van Heuckelom, Maarten Tengbergen, Maffia, Mafia, Nederlands, onderscheidingen, Oostenrijk, PEN club, poëzie, poëziebundel, poëzieredacteur, Polen, Pools, Poolse Academie van Kunsten en Wetenschappen, Poolse dichter, Poolse Instituut, René Smeets, samenstellers, uitgeverij P, Vereniging van Poolse Schrijvers, vertaler, vertalers, vertalingen, verzen, Wenen, Wiersze, Wydawnictwo Literackie