Ntozake Shange
Gedicht bij een tentoonstelling
.
Afgelopen weekend was ik in Parijs en daar bezocht ik het Fotomuseum, het MEP (Maison Européenne de la Photographie). In dit museum is een prachtige tentoonstelling van het werk van de Nederlandse fotograaf Dana Lixenberg (1964) met de titel ‘American Images’ (nog te zien tot 24 mei). De tentoonstelling, die meer dan drie decennia omvat, brengt een geëngageerd en diep menselijk oeuvre samen en schetst een gelaagd portret van de Verenigde Staten, waarin zowel beroemdheden als minder bekende personen met gelijke zorg worden benaderd en met waardigheid worden geportretteerd, aldus de aankondiging.
Het deel dat mij bijzonder aansprak en waar het engagement van Lixenberg heel duidelijk naar voren komt is het deel over Imperial Courts dat is begonnen in 1993 en doorloopt tot heden ten dage. Imperial Courts is een sociale woningbouwproject in Watts, Los Angeles, Californië. Een plek van armoede, onveiligheid, drugs en misdaad maar ook een plek waar de mensen die daar wonen een hechte gemeenschap vormen.
Lixenberg kreeg het voor elkaar om het vertrouwen van de bewoners te winnen en zij maakte op drie verschillende momenten (1993, 2008 en 2015) foto’s van de bewoners in hun wijk, en een documentaire over het leven in Imperial Courts. Sommige bewoners zie je terug steeds iets ouder, andere zijn overleden of zitten in de gevangenis maar wat steeds opnieuw uit haar foto’s en de documentaire blijkt is het menselijke aspect en de bijzondere wijze waarop de bewoners Lixenberg in hun hart hebben gesloten.
Van haar eerste serie uit 1993 werden een aantal foto’s gepubliceerd in het magazine Vibe tezamen met een gedicht van Ntozake Shange (1948-2018) getiteld People of Watts (de wijk Watts, waarin de Imperial Courts deel van uitmaakt). Ntozake Shange was een Amerikaanse toneelschrijfster en dichter. Als zwarte feministe behandelde ze in veel van haar werk thema’s rond ras en zwarte emancipatie.
.
People of Watts
.
where we come from, sometimes, beauty
floats around us like clouds
the way leaves rustle in the breeze
and cornbread and barbecue swing out the backdoor
and tease all our senses as the sun goes down.
dreams and memories rest by fences
Texas accents rev up like our engines
customized sparkling powerful as the arms
that hold us tightly black n fragrant
reminding us that once we slept and loved
to the scents of magnolia and frangipani
once when we looked toward the skies
we could see something as lovely as our children’s
smiles white n glistenin’ clear of fear or shame
young girls in braids as precious as gold
find out that sex is not just bein’ touched
but in the swing of their hips the light fallin cross
a softbrown cheek or the movement of a mere finger
to a lip many lips inviting kisses southern
and hip as any one lanky brother in the heat
of a laid back sunday rich as a big mama still
in love with the idea of love how we play at lovin’
even riskin’ all common sense cause we are as fantastical
as any chimera or magical flowers where breasts entice
and disguise the racing pounding of our hearts
as the music that we are
hard core blues low bass voices crooning
straight outta Compton melodies so pretty
they nasty cruising the Harbor Freeway
blowin’ kisses to strangers who won’t be for long
singing ourselves to ourselves Mamie Khalid Sharita
Bessie Jock Tookie MaiMai Cosmic Man Mr. Man
Keemah and all the rest seriously courtin’
rappin’ a English we make up as we go along
turnin’ nouns into verbs braids into crowns
and always fetchin’ dreams from a horizon
strewn with bones and flesh of those of us
who didn’t make it whose smiles and deep
dark eyes help us to continue to see
there’s so much life here.
.
Liefdesgedicht
Luuk Gruwez
.
Lezend in de bloemlezing ‘Geen dag zonder liefde’ kwam ik bij het gedicht ‘Estetika’ van Luuk Gruwez (1953) uit, een bijzonder liefdesgedicht dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘De feestelijke verliezer‘ uit 1985. Met dit gedicht stuur ik jullie de dag in, geen beter begin mogelijk lijkt me. Mocht je meer over dit gedicht willen lezen dan kun je terecht bij dbnl.org
.
Estetika
.
het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water
waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt
en de rimpeling van vriendelijke huiver
die zij door haar stil bewegen weeft.
.
het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel
waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt
(en rimpels toont als rimpelingen in water)
en hoe een hand ontastbaar haast
verschuift over je huid,
en hoe een streling dan,
als een omhelzing van zichzelf,
op jouw lichaam liggen gaat.
.
terwijl mijn blik die dat niet blijvend
vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd,
zoals wie ééns genodigd tot genot,
daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.
.
Stromae
Serge van Duijnhoven
.
Vandaag een gedicht uit de meer dan bijzondere bundel ‘Nooit Meer Zo Nu’ uit 2025 van Serge van Duijnhoven (1970) met de titel ‘Stromae’ over deze multi-getalenteerde Belgische musicus.
.
Stromae
.
Als bastaard van hybride aard
ben jij hier als geen ander tussen
alle niet bestaande Belgen met
je lange benen werkelijk geaard
.
een slang die zich het liefste zelve bijt
in zijn wonderlijke griffioenenstaart
en van de Brusselse straat zijn zwarte
sprookjesreservaat heeft gemaakt
.
jij die als semichanteur, moitiédanseur
zich van een mimycrimineel en Brelfanaat
ontpopt hebt tot een formidabele brageur
en wereldster die wel met zijn imago
.
maar nimmer met zijn kloten spelen laat
.
Dagdromer
Benzokarim
.
In 2023 was dichter en performer Benzokarim (1996) één van de Rotterdamse dichters tijdens het Kunst- en Dichtproject Raamwerk | Dichtwerk op het Noordereiland bij de NE Studio’s. In 2022 was hij gedebuteerd met de bundel ‘El Ghorba’ en in datzelfde jaar won hij de El Hizjra literatuurprijs voor poëzie. In 2025 verscheen zijn nieuwste bundel ‘Ons gaan allemaal’ waarvoor hij de Granate Prijs 2025 en de Jan Campert-Prijs 2025 ontving. Hij was coördinator van Poetry Circle Den Haag en trad op bij podia als Woorden Worden Zinnen, Mensen Zeggen Dingen en Mooie Woorden. In 2025 en 2026 is Benzokarim stadsdichter van Rotterdam.
Als introductie wellicht, een (voetbal) gedicht uit zijn debuutbundel ‘El Ghorba’ getiteld ‘Dagdromer’.
.
Dagdromer
.
Ik ben een geboren dagdromer.
Won het WK nog vóór de pauze.
Passeerde alle tegenstand zoals alleen Ronaldinho dat kan.
Draaide om de wereld als Zidane.
Beet van me af als Davids.
Was loyaal als Totti.
Dienstbaar als Kaka.
Dirigerend als Pirlo.
Een muur als Van der Sar.
Doelgericht als Rooney.
Verrassend als Roberto Carlos.
Zwevend als Zlatan.
Snijdend als Robben.
Op het randje als Ramos.
Een beest in de één tegen één als Ronaldo.
In de pauze kregen we allemaal een naam.
een positie.
Dan waren we allemaal even wereldberoemd.
Op het pleintje van de P.C. Hooftschool.
.
Korte break
Remco Campert
.
Omdat ik even een paar dagen een korte break heb zal ik de komende drie dagen, hier wat kortere blogberichten plaatsen. Altijd een gedicht, zoals je gewend bent van me maar zonder heel veel duiding, context of informatie. Zie het als een minivakantie. Vandaag het eerste gedicht van Remco Campert (1929-2022). Het gedicht zonder titel verscheen in 1985, jaargang 3, in het tijdschrift Optima.
Optima (Cahier voor literatuur en boekwezen) verscheen als tijdschrift/jaarboek met proza, poëzie en secundaire letterkunde van 1983 t/m 2004.
.
Elmina
Bernice Vreedzaam
.
Ongeveer 20 jaar geleden was ik met mijn gezin op vakantie in Ghana, het land in West Afrika van waaruit de Nederlanders schepen vol slaafgemaakte verstuurden naar Amerika. Aan de kust van Ghana liggen een aantal forten van waaruit dit gebeurde en het grootste en belangrijkste fort ligt in Elmina. Het werd door de West Indische Compagnie (WIC) geëxploiteerd als het grootste fort van waaruit slaafgemaakt op schepen werden gezet, volgens schattingen duizenden per jaar. Beneden in het fort is een ruimte van waaruit de slaafgemaakte door de ‘deur van geen terugkeer’ moesten lopen naar de schepen van de WIC. Deze ruimte was één van de meest indrukwekkende van dit enorme fort.
Ik begin hierover om enige duiding te geven aan het gedicht ‘Elmina’ uit de nieuwe bundel van schrijver en dichter Bernice Vreedzaam (1972) ‘De vogelgrens oversteken’ uit 2025. Naar aanleiding van 50 jaar onafhankelijkheid van Suriname schreef zij deze bundel, waarin ze aan de hand van haar eigen geschiedenis, die van de Marrons, laat zien hoe de geschiedenis voort leeft, over landsgrenzen en generaties heen. Marrons zijn gevluchte Afrikaanse tot slaaf gemaakte, die in stamverband in de ontoegankelijke oerwouden of binnenlanden gingen leven en hun afstammelingen.
In de nieuwe bijzondere bundel ‘De vogelgrens oversteken’ staat het gedicht ‘Elmina’ dat verwijst naar een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.
.
Elmina
.
Forsgebouwd voor goud, een oud
melaats fort, waar bastaarden zich verdringen,
ze zingen voor vreemde goden
slaan op vervaagde dagen op onheilige gongs
.
Een vormig bolwerk waar rottende oogkassen
van aangespoelde schubbenmaskers kussens kloppen
de wacht houden naast die met dronkengeweren leunen
tegen de poorten van de roetige binnenplaats
.
Waar dochters en zonen hun laatste adem inhielden,
vege muren en een grasmat van gevederde jurken slepen
keldergang huilt tochtig wurgt in haar kreten
razernij paradeert in een ooghoek
.
Probeer het niet, Muze, de al te avontuurlijke,
niets is meer in zilte regenbuien die jouw vrienden omringen,
of in de klei baden of op warse grondritueel te verspillen.
Als de dood zijn pijl stuurt, haast het kind zich naar het sterfelijk uur.
.
Ed. Hoornik
Meisje in de tram
.
Er is de laatste tijd weer veel aandacht aan de onveiligheid van vrouwen en meisjes. Op allerlei ongure plekken maar ook gewoon in de buitenruimte, in het openbaar vervoer en in openbare en commerciële gebouwen en etablissementen. Heel terecht en gelukkig is er veel aandacht voor, en helaas is er nog steeds behoefte aan deze aandacht want meisjes en vrouwen ervaren nog steeds de veiligheid die heel natuurlijk zou moeten zijn, niet.
En denk nou niet dat dit iets is van de laatste tijd, al vele decennia ervaren vrouwen deze onveiligheid, misschien is het iets van alle tijden, en is er, door allerlei incidenten zo nu en dan meer aandacht voor. In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1979 van Ed. Hoornik (1910-1970) staat een gedicht dat juist die onveiligheid als onderwerp heeft. En dat is bijna 50 jaar geleden. Alle reden om er bij stil te blijven staan en er iets aan te doen, waarbij ik me realiseer dat dit slechts een kleine druppel op de spreekwoordelijke gloeiende plaats is.
.
Meisje in de tram
.
Mannen kijken mij aan,
kleden mij haastig uit,
breken in in mijn huid,
randen mij overal aan,
kunnen niet verder gaan.
.
Maar het kind dat daarnet,
toen zijn moeder niet keek,
zo maar een krant als steek
op zijn hoofd heeft gezet,
lacht het helemaal weg.
.
Zittend in een tram,
even mezelf ontsnapt,
voel ik soms broederschap.
Warmte trekt door mij heen.
Haastig zet ik mij schrap.
.
Winter(dag)
Dubbelgedicht
.
Omdat het alweer sneeuwde deze week en omdat de winterse kou nog even aanhoudt, wil ik hier graag de harten verwarmen met wat winterse poëzie in de vorm van een dubbelgedicht over diezelfde winter.
Als eerste het gedicht ‘De winter’ van dichter H.H. ter Balkt (1938-2015) dat verscheen in de bundel ‘Uier van het oosten’ uit 1970. Het tweede gedicht is getiteld ‘Een winterdag’ en is van dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) en is genomen uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981.
.
De winter
.
De bonte kraai, de bonthandelaar
de zwarte kraai, viller en hakker
reizen in wintertijd boven weg & trein.
.
Het wapen van de winter is klauw e& snavel
Van honger de steltloper, dorst een groot drinker
hangt het uithangbord aan de zwarte herberg.
.
Vliegende poten verlichten zwakjes het landschap
Met een molensteen om hun nek de dorpen
lezen sprookjes van Hoornroosje en ander droefs.
.
Als droesem liggen de inwoners onderin dat glas
dat kraakt en splintert, en boven stilstaande klokken
vleugelslag van broeder kraai roert de troebele dronk.
.
Lege beker vind je, lege beker mijn vriend
in de zwartgallige winter die de lampen uitgooit
en gromt & hikt onder gekantelde tafels.
.
Een winterdag
.
Er stond een meisje met een heel klein handje
kruimels te strooien voor een mus of wat,
scherp oplettend wie al iets had gehad.
En de haaibaaien gaf ze dan een standje.
.
Het was een langgerekte monoloog.
De telkens weerkerende felle krijs
van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,
ze had die rustverstoorders scherp in het oog.
.
In het heelal hield zij de zaken bij.
Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.
Met een schel stemmetje prees ze en laakte.
En met dat kleine handje voerde zij.
.














