Ed. Hoornik

Meisje in de tram

.

Er is de laatste tijd weer veel aandacht aan de onveiligheid van vrouwen en meisjes. Op allerlei ongure plekken maar ook gewoon in de buitenruimte, in het openbaar vervoer en in openbare en commerciële gebouwen en etablissementen. Heel terecht en gelukkig is er veel aandacht voor, en helaas is er nog steeds behoefte aan deze aandacht want meisjes en vrouwen ervaren nog steeds de veiligheid die heel natuurlijk zou moeten zijn, niet.

En denk nou niet dat dit iets is van de laatste tijd, al vele decennia ervaren vrouwen deze onveiligheid, misschien is het iets van alle tijden, en is er, door allerlei incidenten zo nu en dan meer aandacht voor. In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1979 van Ed. Hoornik (1910-1970) staat een gedicht dat juist die onveiligheid als onderwerp heeft. En dat is bijna 50 jaar geleden. Alle reden om er bij stil te blijven staan en er iets aan te doen, waarbij ik me realiseer dat dit slechts een kleine druppel op de spreekwoordelijke gloeiende plaats is.

.

Meisje in de tram

.

Mannen kijken mij aan,

kleden mij haastig uit,

breken in in mijn huid,

randen mij overal aan,

kunnen niet verder gaan.

.

Maar het kind dat daarnet,

toen zijn moeder niet keek,

zo maar een krant als steek

op zijn hoofd heeft gezet,

lacht het helemaal weg.

.

Zittend in een tram,

even mezelf ontsnapt,

voel ik soms broederschap.

Warmte trekt door mij heen.

Haastig zet ik mij schrap.

.

Vergeten dichters

Erika Dedinszky

.

Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002,  gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.

Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.

Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en  János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.

In 1981  kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend,  voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze  onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.

In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl  vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.

.

dagenboek

.

je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg

je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert

je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt

onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt

je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op

je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat

je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na

haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg

.

Winter(dag)

Dubbelgedicht

.

Omdat het alweer sneeuwde deze week en omdat de winterse kou nog even aanhoudt, wil ik hier graag de harten verwarmen met wat winterse poëzie in de vorm van een dubbelgedicht over diezelfde winter.

Als eerste het gedicht ‘De winter’ van dichter H.H. ter Balkt (1938-2015) dat verscheen in de bundel ‘Uier van het oosten’ uit 1970. Het tweede gedicht is getiteld ‘Een winterdag’ en is van dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) en is genomen uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981.

.

De winter

.

De bonte kraai, de bonthandelaar

de zwarte kraai, viller en hakker

reizen in wintertijd boven weg & trein.

.

Het wapen van de winter is klauw e& snavel

Van honger de steltloper, dorst een groot drinker

hangt het uithangbord aan de zwarte herberg.

.

Vliegende poten verlichten zwakjes het landschap

Met een molensteen om hun nek de dorpen

lezen sprookjes van Hoornroosje en ander droefs.

.

Als droesem liggen de inwoners onderin dat glas

dat kraakt en splintert, en boven stilstaande klokken

vleugelslag van broeder kraai roert de troebele dronk.

.

Lege beker vind je, lege beker mijn vriend

in de zwartgallige winter die de lampen uitgooit

en gromt & hikt onder gekantelde tafels.

.

Een winterdag

.

Er stond een meisje met een heel klein handje

kruimels te strooien voor een mus of wat,

scherp oplettend wie al iets had gehad.

En de haaibaaien gaf ze dan een standje.

.

Het was een langgerekte monoloog.

De telkens weerkerende felle krijs

van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,

ze had die rustverstoorders scherp in het oog.

.

In het heelal hield zij de zaken bij.

Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.

Met een schel stemmetje prees ze en laakte.

En met dat kleine handje voerde zij.

.

 

 

Fin de saison

Cees Nooteboom

.

Normaal gesproken ga ik op vrijdag vaak voor een van mijn boekenkasten staan en dan pak ik, zonder te kijken, een poëziebundel uit de kast. Daar open ik dan op een willekeurige bladzijde en het gedicht dat daar staat deel ik hier op mijn blog. Vandaag deed ik dat ook maar toen ik voor mijn boekenkast ging staan viel eigenlijk meteen de bundel ‘Aas’ van Cees Nooteboom uit 1982 mij op.

Nu mag inmiddels wel bekend zijn bij iedereen dat Cees Nooteboom (1933-2026) op 11 februari jongstleden is overleden. Daarom heb ik ervoor gekozen in dit geval niet het toeval te laten bepalen welke bundel ik pak maar deze bundel te pakken. Ik heb wel op een willekeurige bladzijde de bundel geopend en daar op pagina 31, staat het gedicht ‘Fin de saison’ waar je met een beetje fantasie het einde van een leven in zou kunnen zien.

.

Fin de saison

.

Het werd een maand als oktober.

De kleur van de wijn was onzichtbaar,

de obers verdronken in het bevroren

terras.

.

Dit is hoe de demon het deed:

hij waadde door het marmeren water

en tilde haar schim van de rots.

.

Zo zag het eruit:

de wind kwam aan over zee

met de nacht in zijn vleugels.

De demon vervoerde haar schaduw

naar waar ik die nooit meer kon zien.

.

Zo sloot hij het raadsel dat zij eenmaal

geweest was. Hij verbrandde mijn ogen en oren

en brak het verleden.

.

Toen liet hij haar gaan als een prooi

met haar scherven.

En mij, mij liet hij besterven

met de laatste fooi van het jaar.

.

Indien mogelijk, keer om

Puck Füsers

.

In een recensie van de nieuwe bundel van Maxime Garcia Diaz ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ van Daan Doesborgh noemt de recensent nog twee Gen-Z dichters te weten Puck Füsers en Twan Vet. Puck Füsers (2002) kende ik niet maar zij blijkt al aardig aan de weg te timmeren. Ze studeerde cultuur- en literatuurwetenschappen in Maastricht en ze schrijft poëzie, essays, poëtisch proza en andere teksten die op poëzie lijken. daarnaast werkt ze met andere disciplines, zoals audio, film en dans. in 2025 verscheen haar chapbook ‘tanden’ bij Wintertuin.

Haar poëzie en teksten verschenen bij De Revisor, Kluger Hans en Hard//Hoofd. Ze trad op bij onder andere Poetry International, Crossing Border, Dichters in de Prinsentuin, Frontaal en het Wintertuinfestival. In 2021 won ze de schrijfwedstrijd write now! met een gedichtenreeks over opgroeien in het digitale tijdperk. Op notulenvanhetonzichtbare.nl zijn twee van haar gedichten gepubliceerd. Een van die gedichten wil ik hier met jullie delen.

.

Indien mogelijk, keer om 

.

google maps leidt ons naar een straat die niet bestaat
ik moet denken aan de onvindbare eerstehulppost
de driehonderdvijfenzestig euro vijftig voor twee hechtingen
jezelf in iemands handen leggen
de mijne bloeden

je vond me mooi in het tl-licht van de wachtkamer
je zei: er zijn plekken waar de tijd stilstaat

ik weet niet of we onszelf alleen maar wijsmaken
dat de dingen die we doen vrijwillig zijn
ik weet ook niet of zij altijd al meer plek in mocht nemen,
maar ik belde haar als eerste

hier, in dit doodlopende steegje
zet ik de radio uit
vraag ik een mechanische stem om advies
het moet uitgesproken worden

ik hou je verantwoordelijk voor je daden
tussen negen en half vier op doordeweekse dagen

niet jezelf in iemands handen leggen
een ander zal niet weten wat te zeggen
en de mijne, ze bloeden

google maps leidt ons naar een straat die niet bestaat
maar dat wel ooit deed: we vinden bakstenen als littekens
we vinden hechtdraden die uitsteken

.

Veldrijden

Jan Boerstoel

.

Het leuke van (veel) poëzie lezen is dat je vrijwel bij elke grote gebeurtenis of bij elke actualiteit wel kan terugdenken aan een gedicht dat een onderwerp, een regel of een thema had dat aan zo’n gebeurtenis of nieuwsfeit gerelateerd kan worden. Vaak weet ik dan meteen wel van wie het gedicht is en soms zelfs in welke bundel ik dat gedicht las maar soms weet ik de bundel niet of erger, de naam van het gedicht/dichter niet. Dat laatste is lastig maar met google en/of AI kom je tegenwoordig een heel eind.

Bij het gedicht dat ik vandaag wil delen, wist ik niet alleen de titel maar ook de dichtbundel waar ik het kon vinden. De titel is ‘Veldrijden’ en de bundel waarin ik dit gedicht las is ‘De 100 mooiste wielergedichten’ uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur uit 2014.  Het gedicht bleek van de dichter Jan Boerstoel (1944) te zijn. Niet direct een heel bekende naam misschien bij veel lezers maar in de loop der jaren heb ik toch een aantal keer over hem geschreven. Een keer, ook naar aanleiding van, het televisie programma First Dates en een andere keer in een bericht over light verse.

Deze keer was de aanleiding misschien een beetje een vreemde. Ik keek naar de laatste rit op de 500 meter schaatsen tussen Femke Kok en haar Amerikaanse tegenstander tijdens de Olympische Winterspelen in Italië. Femke Kok won deze race en het was haar 24ste wedstrijd achtereen dit seizoen die ze won. Ik moest meteen aan Mathieu van der Poel denken die deze maand voor de 8ste keer wereldkampioen werd na het winnen van al zijn races in het reguliere wedstrijdseizoen van het mondiale veldrijden. En toen moest ik terugdenken aan het gedicht van Boerstoel. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Veel werk’ uit 2000.

.

Veldrijden

.

Als hun collega’s van de weg met bisschopswijn

en kerstkrans dikverdiend zich suf recupereren,

gaan de commando’s van de wielersport zich weren

voor wie de dagen nooit te donker kunnen zijn.

.

De crossers, ware acrobaten óp hun fiets

en snelle hordelopers als zij ermee zeulen,

soms drie keer in de week zijn zij hun eigen beulen,

wind, regen, hagel, sneeuw en ijs, het doet hun niets.

.

Geen pad is hun te smal, geen helling hun te machtig.

Eerder een noodlot dan een sport, maar oh… zo práchtig!

.

Harde en zachte magiesystemen

Maxime Garcia Diaz

.

Na het debuut in 2021 van de Nederlands-Uruguayaanse dichter Maxime Garcia Diaz (1993) met ‘Het is warm in de hivemind‘ schreef ik al dat haar poëzie de grenzen opzoekt en dat ik daar wel van hou, van poëzie die de rafelrandjes opzoekt. En met rafelrandjes bedoel ik de grenzen die dichters in hun poëzie opzoeken en (soms) te buiten gaan. Wat overigens een verschil is met dichters die menen dat proza en poëzie twee dingen zijn die je willekeurig kan uitwisselen. Een prozagedicht okay, een gedicht van 6 pagina’s als een kort verhaal, nee, dat is voor mij een grens die voorbij de poëzie gaat (namelijk proza).

In haar nieuwe bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ gaat Maxime Garcia Diaz verder waar ze was gebleven met ‘Het is warm in de hivemind’. In de recensies die ik tot nu toe heb gelezen van deze nieuwe bundel lees ik woorden als wanordelijk, overdadig, experimenteel maar ook verrassend gevoelig en intiem. In de recensie in de Volkskrant schrijft Daan Doesborgh: “Maxime Garcia Diaz is ongeveer even oud als het moderne internet. Al toen ze succes boekte op de Nederlandse slampodia was haar poëzie doorspekt met de vocabulaire van iemand die veel tijd online heeft doorgebracht”.

Toen ik dat gelezen had en ik de bundel doorlas moest ik meteen aan Diana Ozon denken. Zij was in 1994 als dichter nauw betrokken bij De Digitale Stad en in haar poëzie kwamen allerlei termen en woorden voor die heel erg bij die digitale vernieuwing paste. Datzelfde zie ik nu terug in de bundel ‘Het netwerk moet gebouwd worden’. En waar Ozon vooral de technische kant van de digitalisering verkende onderwerp  Maxime Garcia Diaz haar poëzie aan een onderdompeling in de donkere, absurde en wrede verlokkingen van het internet. In beide gevallen zijn de digitale stad en het internet het decor van de poëzie van deze twee dichters.

Als voorbeeld heb ik het gedicht ‘Harde en zachte magiesystemen’ uit deze nieuwe bundel genomen.

.

Harde en zachte magiesystemen

.

eeuwenoude kernherinnering

vierkamerige harten

rijzende apen en vallende engelen

ik wil alleen zijn in dit lichaam

.

het helderste object in de hemel

(het is een vreselijke taal)

sommige dagen ben ik stomgeslagen

.

lang geleden schreef sylvia

liefs, je holle meisje

ze had een moeder en ging het donker in

jouw donker waar je schoppend en schreeuwend heen ginhg

ik heb niets meer aan spraak

.

mijn geest is zwak

nee mijn geest is georganiseerd

.

schep het zachte ijs

bevries opnieuw voor een paar uur

of tot het stevig is

.

sommige dagen

ben ik stomgeslagen

.

Averij aan de wereld

Ewa Lipska

.

De Poolse dichter Ewa Lipska (1945) is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de grote generatie Poolse dichters die na de tweede wereldoorlog werden geboren. Ze debuteerde in 1961, net 16 jaar oud met enkele gedichten in een dagblad. Tijdens de jaren ’70 was ze actief als poëzieredacteur bij uitgeverij Wydawnictwo Literackie in Krakau. Een paar jaar na de val van het communisme verhuisde ze naar Wenen waar ze werkzaam was in het Poolse Instituut. Inmiddels woont en werkt ze weer vanuit Krakau.

Sinds haar debuutbundel ‘Wiersze’ (Verzen) uit 1967 heeft ze ruim twintig poëziebundels gepubliceerd. Hiervoor ontving ze in binnen en buitenland talloze literaire onderscheidingen.  Ze is lid van de Poolse en Oostenrijkse PEN Club , oprichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989), lid van de Poolse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Haar poëzie is in vele talen vertaald en in 2024 verscheen er bij uitgeverij P de mooi vormgegeven bundel ‘Averij aan de wereld’ 100 gedichten van haar hand, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door René Smeets, Maarten Tengberger en Kris Van Heuckelom. Deze bundel is een nieuwe loot aan de ‘kleine Poolse bibliotheek’ van uitgeverij P.

Een bundel waar steeds op elke bladzijde aan de ene kant het vertaalde gedicht in het Nederlands is opgenomen en daarnaast het gedicht in het Pools. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Maffia” of in het Pools ‘Mafia’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.

.

Maffia

.

Wij handelden in Shakespeare

sinds onze vroegste kinderjaren.

Van het verbod op lyriek

is niets terecht gekomen.

.

Capo di tutti i capi

De Godfather

van mijn debuut

gaf mij de eerste instructies:

.

Er is geen kunst

zonder geweld

de harde hand van woorden

de terreur van stijl.

.

We aten Siciliaanse croissantjes

bepoederd met ochtendmist.

.

Tot op vandaag

slaap ik tussen de versregels door

met de wapens in de aanslag.

.

Dat treft goed

wanneer het succes van de zon opkomt.

.

De mei van Heytze

Dichter over dichter

.

Toen ik in de bundel ‘Alle goeds‘ van Ingmar Heytze (1970) uit 2001, de titel van het gedicht ‘De mei van Heytze’ las, dacht ik in eerste instantie dat Ingmar een relatie in zijn gedicht had gelegd met het beroemde (in Nederland) gedicht ‘Mei’ van Herman Gorter (1864-1927) uit 1889 (waar ik tot mijn eigen verrassing nog nooit over geschreven heb op dit blog). Maar niets bleek minder waar, het gedicht is opgedragen aan Lévi Weemoedt (1948). In de categorie Dichter over dichter daarom dit gedicht.

.

De mei van Heytze

Voor Lévi Weemoedt

.

De kievit baltst zijn hoogste vlucht.

Het slachtvee dartelt in de zon.

Mijn ogen staren troebel

door een zonnebril van klei.

.

De herfst herhaalt zich achterwaarts.

Het broedsel stort zich uit het nest.

De nachtuil fladdert in mijn buik.

Ik zoek het laatste dodo-ei.

.

Valentijnsdag

Méér dan een gedicht

.

Vandaag is het Valentijnsdag en eerlijk gezegd heb ik daar vrij weinig mee. Het is alweer zo’n ‘feestdag’ die overgewaaid vanaf de overkant van de grote plas. Een commercieel marketinggedrocht. Dacht ik. Want vanmorgen heb ik de achtergrond van Valentijnsdag eens opgezocht. Op de website van het Meertens Instituut vond ik de uitleg. Het komt uit Engeland. Ontstaan rond het jaar 1400. Waarom dit uitgerekend op 14 februari was, de dag waarop de rooms-katholiek kerk de heilige Valentijn vereerde is niet meer te achterhalen. Je zou kunnen denken dat er iets in het leven van deze Valentijn (of Valentijns, want er waren meer heiligen met die naam) geweest moet zijn waardoor hij wat met verliefdheid had. Maar dat is niet zo. Het verband is echt volkomen willekeurig.

Ook lees ik op de website: “Wat deden ze in Engeland op Valentijnsdag? Jongeren op het platteland trokken lootjes om uit te maken wie die dag met wie mocht gaan. Er werd gezegd dat nogal wat van die paartjes later trouwden. Aan het hof en bij de adel stuurden ze elkaar liefdesgedichtjes en cadeautjes. Die gewoonte werd in de loop van de tijd door andere mensen overgenomen. Dat gebeurde vanaf zo 1850 ook in Amerika. Krachtig gestimuleerd door fabrikanten als Hallmark werd daar het sturen van speciale Valentijnsbriefkaarten enorm populair. Niet eens alleen door mensen die verliefd waren, maar door iedereen die het leuk vond om te laten blijken dat hij of zij op iemand gesteld was – anoniem of niet.”

Hoe het ook zij (vanmorgen las ik een column van dichter/schrijver Maud Vanhauwaert met nog een andere uitleg) inmiddels heb ik wat van mijn cynische houding ten opzichte van Valentijnsdag laten varen. Tenslotte is elke dag waarop mensen elkaar de liefde betuigen – anoniem of niet-  er een van aandacht voor de ander en daar kan je, wat mij betreft, nooit tegen zijn. Dus verras je geliefde eens met een gedicht. Dat mag van jezelf zijn maar ook een bestaand gedicht. Daarom ook vandaag een liefdesgedicht als voorbeeld. Niet dat ik Valentijnsdag nodig heb om liefdespoëzie hier te delen, integendeel, maar ach voor all you lovers out there..

Ik heb gekozen voor de dichter Pierre Kemp (1886-1967), die naar verluid een geheime muze had, met het gedicht ‘Méér dan een gedicht’. Het gedicht komt uit ‘Verzameld werk’ uit 1976.

.

Méér dan een gedicht

.

Hij had haar lichaam nagekeken

en grondig onderzocht.

Bij de wisseling van blozen en bleken

zag hij niets, wat niet mocht.

Hij hield haar het onderste boven

centraal in het zonnelicht.

Toen moest hij het wel geloven:

zij was toch méér dan een gedicht.

.