Witte dieren
Ellen Deckwitz
.
Ellen Deckwitz (1982) is geen onbekende op dit blog. Zo schreef ik al over haar bundel ‘Hoi feest?‘ uit 2012, over Das Mag uit 2013, over een bijdrage aan literair tijdschrift Liter uit 2009 en over ‘Nog een lente‘ de bundel van Meander uit 2010 waarin ook een bijdrage van haar was opgenomen. En dit is slechts een keuze uit de berichten, er waren er meer waarin haar naam genoemd werd. Deckwitz is dan ook al ruim 26 jaar actief als dichter, Ze debuteerde in 2007 met een poëziesatire ‘Moordwijven’ samen met Ruth Koops van ’t Jagt maar haar debuut als solodichter kwam in 2011 met de bundel ‘De steen vreest mij’.
En dan heb ik nog niet gehad over haar bijdrage aan de poëzie, anders dan in dichtbundels of poetry slams, in de vorm van de twee boeken over het lezen van poëzie; ‘Olijven moet je leren lezen’, eerste hulp bij het leren begrijpen van poëzie uit 2016 en ‘Dit gaat niet over grasmaaien’ handboek voor de beginnende poëzieliefhebber. Alle reden dus om nog eens iets van haar hand te delen.
Ik ben even op zoek gegaan naar een van haar bundels in mijn boekenkasten (geen sinecure wanneer je de poëziebundels niet op alfabet of welke andere manier dan ook heb ontsloten) en de eerste bundel die ik tegenkwam was ‘De blanke gave‘ uit 2015. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Witte dieren’.
.
Witte dieren
.
Je bent maar even de kamer uit en er zit meteen weer
een vlies op het bad. In de damp lijkt het peertje een mistklok.
.
Door het velletje heen stap je in het water maar je zult
de bodem niet voelen, ik verzeker het je vader.
.
Het was de kuip
waarmee we de beestjes drenketen.
.
Soms stak er een paardenhoofd uit, smekend:
‘Ik ben wat peziger maar ook ik geef melk.’
.
We leidden hen naar de kamer en de haarsprieten
uit je kop, het is riet
.
bij een stilgevallen meer. wat is het water bruin,
zei je, en wat een vreemde ruimte om te slapen.
.
Ik ruik gewoon de weides door de muren heen.
.
De tegels knapten onder je blik. In de verte
zagen wij die velden ook.
.
Babel nu
Aad van der Waal
.
In de bundel ‘Daar begint de poëzie’, alweer een bundel met de beste 100 gedichten van de Turing Gedichtenwedstrijd, dit keer uit 2013, lees ik het gedicht ‘Babel nu’ van Aad van der Waal. In dit gedicht klinkt onverholen kritiek op de (perverse) verdeling van geld en welvaart in de wereld door. Benieuwd naar deze dichter ging ik op zoek. Aad van der Waal staat bekend als de meest aanwezige en productiefste stadsdichter van Apeldoorn. Bij zijn afscheid van de functie van stadsdichter (2017-2020) verscheen er een bundel met zijn stadsgedichten (tachtig gedichten) met als titel ‘Apeldoorn tussen twee kussen’. Het eerste gedicht dat Aad van der Waal in 2017 als stadsdichter van Apeldoorn schreef was Kus I; het gedicht waarmee hij drie jaar later afsloot, heet ‘Kus II’.
Aad van der Waal (1963) is naast dichter ook theatermaker, acteur, muzikant, toneelschrijver en oprichter van theater Merlijn in Apeldoorn. De poëzie van van der Waal typeert zich door zijn toegankelijke manier van schrijven, de vele kwinkslagen, treffende woordspelingen, kritische noten en soms ook ontroerende verzen. De twee kussen uit de titel van zijn afscheidsbundel als stadsdichter verwijzen naar 2 kussen. Het eerste gedicht ‘Kus I’ verwijst naar het beeld op het stationsplein in Apeldoorn van Jeroen Henneman ‘De Kus’. Het beeld is geplaatst rond 2007. ‘Kus II’ schreef hij aan het begin van de Coronaperiode toen iedereen anderhalve meter afstand moest houden.
Maar het gedicht waar hij in 2013 meedeed aan de Turing Gedichtenwedstrijd staat los van zijn stadsdichterschap. Een gedicht met twee gezichten, aan de ene kant de welvarende, rijke Westerling, afgewisseld met arme ‘Oosterlingen’ die geen cent te makke hebben.
.
Babel nu
.
Jan Willem wil ‘m medium gebraden
en na ’t dessert een bolknak met cognac
Romano slaat geen acht meer op de maden
en schraapt zijn kostje uit een vuilnisbak
Gerardus wil het nieuwste apparaatje
en Katja; mode van het duurste merk
Nawal begraaft haar uitgedroogde maatje
Vasil verliest zijn jeugd in mannenwerk
Andréas krijgt een Rolex van zijn oma
Rashid; een schijntje voor zijn rechter nier
Marina sleept een cruise uit haar diploma
Mei-lan verkoopt haar lijfje per kwartier
Er gapen tussen talloze verhalen
vaak kloven die geen tolk meer kan vertalen
.
Verblijf
Yasmin Namavar
.
Yasmin Namavar (1983) werkt als psychiater en is daarnaast schrijver en dichter. Haar gedichten verschenen onder andere in De Gids, Tirade, Hollands Maandblad, Samplekanon en Poëziekrant. Ze won de Hollands Maandbladbeurs voor poëzie in 2024. In 2022 was ze finalist bij de El Hizjra Literatuurprijs. Ze debuteerde in 2025 met de bundel ‘Verblijf’. In deze bundel komt steeds de vraag naar boven wat het betekent om ergens te zijn. Ze trad op tijdens de 42e Nacht van de Poëzie en bij Dichters in de Prinsentuin.
In een interview op de website van Meander zegt ze over hoe ze in aanraking kwam met poëzie: “Als kind las mijn vader soms Perzische poëzie voor. Vooral Hafez. Ik begreep er niets van, maar ik werd meegenomen door het ritme en de klanken. Met Nederlandse poëzie kwam ik pas op de middelbare school in aanraking, en tijdens mijn studententijd begon ik zelf poëzie te lezen. De bundel ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen‘ van Tjitske Jansen was de eerste dichtbundel die ik op mijn nachtkastje had liggen. Destijds was mijn favoriet, het gedicht dat zo begint: ‘Liefste, Op deze dag zo grijs als haring schrijf ik je een brief waarin het waait’”.
Op de website Sampol.be staat een gedicht van haar hand waarin ze naar Iran trok om te kijken wat haar vader heeft nagelaten. Het gedicht ‘Droogte’ kun je hier lezen. Uit de festivalbundel van de 42ste Nacht van de Poëzie nam ik het onderstaande gedicht van haar hand zonder titel.
.
ze ploegt haar gangen, elke dag
met de schop in haar handen, sandalen in aarde
vrouw uit klei gemaakt
.
daarginds op het erf
bewegen kippen amechtig en schuw – de mens!
in haar schort legt ze eieren in stro
.
na het avondgebed dipt ze koek in sterke thee
en wanneer de nacht door het ledikant zakt
herneemt de schepping opnieuw haar kleine kiem
.
de volgende morgen in de kou – in de holte
van haar buik, spint een rupsachtig beest
nesten vol witte moerbeizijde
.
in de keuken zucht de gootsteen
stokt het hart van een segrijnslak
wacht het servies argeloos op de dood
.
en het paard knikkebolt in de stal
hij let niet op de vrouw
of haar ruw gesponnen draad.
.
Tent
Lote Vilma Vītiņa
.
Wanneer ik op zoek ben naar dichters, gedichten of onderwerpen die met poëzie te maken hebben of poëzie in het algemeen, kom ik regelmatig website pagina’s tegen die ik interessant vind. Gelukkig hebben de uitvinders van het wereldwijde web daar een fijn knopje voor uitgevonden; de bookmark. Meestal vergeet ik die bookmarks weer maar af en toe bekijk ik ze weer en dan valt me op dat er veel moois te ontdekken is op de websites die ik heb vastgezet.
Een van die pagina’s is Versopolis.com. Op deze website kwam ik de dichter Lote Vilma Vītiņa (1993) uit Letland tegen. Zij is dichter, schrijver, striptekenaar en illustrator. Ze werkt graag met zowel tekst als tekeningen en schrijft naast poëzie ook boeken voor kinderen en jongeren. Lote Vilma’s debuutbundel ‘Meitene’ (Meisje) verscheen in 2021. Haar gedichten zijn gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften in Letland en poëziebundels, waaronder de bundel met gedichten van jonge dichters ‘Kā pārvarēt niezi galvaskausā’ (Hoe je de jeuk in je schedel kunt overwinnen) uit 2018, samengesteld door Artis Ostups en uitgegeven door Valters Dakša.
Een recensent zegt over haar gedichten in deze bundel: “Ondanks het feit dat alles zo kalm en herkenbaar lijkt uit onze eigen zomers van onze kindertijd, schuilt er een nauwelijks merkbare spanning in deze regels, en ontstaat er in de geest van de achterdochtige lezer een situatie waarin de schijnbare rust mogelijk verstoord kan worden en het idyllische landschap de potentie krijgt om een stukje tv-nieuws te worden dat eindigt met een oproep om kinderen niet zonder toezicht achter te laten.”
In het gedicht ‘Tent’ (Telsts) komt deze spanning mooi naar voren. De vertaling is van de dichter zelf.
.
Tent
.
Alles is versteend.
uitgeknepen nat
een donkere tent
slakken zonder schelp
En wat moest ik doen?
toen je vond
en kozen mij
onder alle meisjes
rond het vuur
was er
vuur helemaal
de vormen van tieners
zijn zo vaag
onhandig als ze
elkaar passeren
flessen
gevuld met pulsen
in een belangrijke kring
in het donker
Je moet het in het donker doen.
maar jij
Je was slim.
je had een zaklamp
een warme straal gleed eroverheen
mijn gezicht
wat bijna
verbrijzeld in zijn licht
en ik heb je aangeboden
de meest kostbare
wat ik had
verlangen dat zich gedurende vele jaren heeft opgestapeld
zoals sommige geknipte haren
in een schoenendoos
het is een fragiel
afgesloten ruimte
je bevindt je in
een tent
twee tongen
beweging
maar men doet dat niet
onthoud de andere
.
Maar ook geen maar
Marijke Voerman
.
Wanneer ik de naam Marijke Voerman (1976) google dan kom ik allerlei berichten tegen maar eigenlijk niets waarmee ik haar in verband kan brengen met een gedicht van haar hand in de bundel die ik nu in mijn handen heb. Ze blijkt directeur van het Cabral instituut te zijn (privé school in Amsterdam) en daarvoor was ze onder andere onderwijzer aan het Luzac College en het PCC in Alkmaar.
En toch schrijf ik over haar, als dichter. Want in de eerder genoemde bundel ‘Hier lonkt een spiegel’ uit 2001, in opdracht gemaakt van Bureau Interim, onder redactie van Suzanne Meeuwissen en Ruben van Gogh, is een gedicht van haar opgenomen getiteld ‘Maar ook geen maar’. Ik schreef eerder over deze bundel in 2013 toen ik met een nieuwe categorie begon op dit blog ‘uit mijn boekenkast‘, een categorie waarin ik nog steeds regelmatig berichten in plaats, tegenwoordig onder de titel ‘blind gepakt’.
Terug naar Marijke Voerman. Ze studeerde Nederlands aan de universiteit van Amsterdam en stond dus wel te boek als dichter, anders wordt je niet door de samenstellers gevraagd. De titel van de bundel ‘Hier lonkt een spiegel’ komt uit het gedicht ‘Dit is mijn dag’ van Menno Wigman: “Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht. Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.”
.
Maar ook geen maar
.
Ik wil weten waar ik aan toe ben
geef mij geen hyperbool of cirkel
geen homerische vergelijking
geen onnodige dubbele punt
geen gelul achteraf na de komma,
een misschien in een stem
maar ook geen maar.
Wel een goedgeplaatste punt
als een begrepen grap
een klinkend zoentje
het ‘ja’ van de bruid
het feest der herkenning
van o ja, ik heb het, eureka!
Stevig herkenbaar
als stamppot andijvie
en boeren na cola.
.
Eenzaam
J.C. Bloem
.
Ook vandaag ben ik voor mijn boekenkast gaan staan en heb ik, dit keer met enig strekken, je wilt niet steeds dezelfde plank nemen, zonder te kijken een bundel gepakt. Dat is dit keer de bundel ‘Verzamelde gedichten’ van J. C. Bloem (1887-1966), een vijfde druk uit 1976. Ik open de bundel op een willekeurige bladzijde, 169 in dit geval, en daar staat het gedicht ‘Eenzaam’.
.
Eenzaam
.
Besloten in ’t gewonde zelf
Blijft elk, die niet meer hopen mag,
Toch rijst voor hem aan ’t laag gewelf
Steeds dag na grijze dag.
.
Maar is het zwak, een enkle maal,
Te wensen, dat er iemand was,
Die spreken zou in de éne taal,
Waardoor het hart genas?
.
Een mens, die oordeelt noch verwijt,
Maar die begrijpt door de eigen nood
Hoezeer de helse daaglijksheid
Des levens alles doodt.
.
Vergeefs. Onscheidbaar is de smart
Van ’t leven en moet doorgeleefd:
Er is voor de eenzaamheid van ’t hart
Geen mens, die uitkomst geeft.
.
Redden wat je raakt
Podcast
Redden wat je raakt is een podcastserie waarbij nieuwe banden tussen poëzie en wetenschap als onderwerp is genomen. In iedere aflevering maakt de luisteraar kennis met de universa van een denker en een dichter, die rondom een klimaatthema worden samengebracht. Hoe kunnen filosofie en poëzie elkaar inspireren? Op welke manier kunnen de lyrische woorden van een dichter het onderzoek van een antropoloog versterken? Welke plaats heeft de wetenschap in de poëzie? Heeft de klimaatwetenschap een nieuwe taal nodig om een maatschappelijke ommezwaai mogelijk te maken?
Klimaatdichters Pim Cornelussen en Moya De Feyter zijn de hosts van de podcastserie. Pim Cornelussen was hoofdredacteur van literair tijdschrift Kluger Hans, schreef voor theater en is actief lid van de klimaatdichters. Zijn werk verscheen in onder andere Het Liegend Konijn, Deus Ex Machina, Hard/Hoofd, De Optimist, De Standaard en The Low Countries. In zijn werk neemt ecologische rouw een grote plek in.
Moya De Feyterschrijft poëzie en proza. Ze debuteerde in 2018 met ‘Tot iemand eindelijk’, een poëziebundel die genomineerd werd voor de Poëziedebuutprijs. Haar tweede bundel ‘Massastrandingen’ werd bekroond met de J.C. Bloem-Poëzieprijs. ‘In Een heel dun laagje’ gaat ze aan de hand van korte, aftastende stukjes proza op zoek naar licht. Moya staat graag en vaak op het podium en is de oprichter van de Klimaatdichters. In 2022 ontving ze de Prix Fintro Prijs voor Nederlandstalige literatuur.
In totaal staan er inmiddels 11 afleveringen online. Aflevering IV van de podcast gaat het over de wildernis bijvoorbeeld; wilde dieren, wilde planten, wilde natuur en bestaat die überhaupt nog. Naar aanleiding van deze aflevering schreef Emma Crebolder (1942) het gedicht ‘Behouden Wildeling’.
.
Behouden wildeling
Vanwaar ruigte indaalt
begroeit me als een geliefde
wilde aardbei, distel, al het getroste
schermbloemige en kelkstandige.
Vanaf de krijtzee zijn horden varens opgestaan.
Hun gevederde kalligrafie kwam aan het licht
na een explosie bij het Nyanzameer. Leg het fossiel
hier neer tussen het wuiven van struis- en tongvarens.
Van over de savanne zwenkt de witte giraf
sierlijk naar het acaciabos. Stekelige zuilen
van de acanthus richten zich op
na doortocht van de dassen.
Vanuit de bejaarde walnoot breekt een tak met
tonderzwam binnen de omheining van guldenroede.
We vermossen samen majesteit. Onze behouden
wildelingen zijn verwekt in vruchtbaar tij.
.
De Vogel in mijn Borst
Frans van Deursen en Leo Vroman
.
Begin 2014 overleed Leo Vroman, een dag later raakte zijn werk postuum alsnog het hart van zanger Frans van Deursen, die nog nooit één gedicht van Vroman gelezen had.
Hij ging op ontdekkingstocht door het enorme oeuvre dat Vroman naliet en wist meteen: deze gedichten moet ik zingen. Van Deursen vroeg een uitgelezen gezelschap muzikanten een eigenzinnige selectie uit Vromans werk op muziek te zetten. Het resultaat werd vastgelegd op de in 2015 verschenen cd ‘De Vogel in mijn Borst’.
Een jaar eerder al kwam het hartverscheurend mooie boek ‘Hoe mooi alles’ uit, waarin Vromans biografe Mirjam van Hengel de ontroerende liefdesgeschiedenis van Leo en Tineke Vroman beschrijft. Van Hengel en Van Deursen maken een poëtische reis door Vromans leven, liefde en werk en dompelen u onder in ontroerende verhalen, wonderschone gedichten en heel veel mooie muziek.
Hij had Vroman nog niet zo lang daarvoor ontdekt, vertelde hij aan Trouw en hij was al snel zo enthousiast dat hij met verschillende musici ging samenwerken om een album te maken. Liefdewerk, gedoemd te mislukken, beschrijft Spinvis, een van hen, naar aanleiding van zijn bijdrage aan het album: ‘Eigenlijk mislukt poëzie op muziek altijd. In een hoopje letters op papier zit geen lichaam, bij een liedje hoort een stem, een lijf. Een gedicht staat stil, een liedje beweegt in tijd.
Dat Van Deursen zich bewust is van het gevaar, blijkt uit de openingstrack van De vogel in mijn borst (2015). Wanneer hij ‘Toestemming’ uit 1972 leest, denk je even dat Vroman zelf zijn zegen aan het project gegeven moet hebben:
Toestemming
.
Je mag ieder gedicht
van mij graag zingen
maar niet altijd
met een gezicht
of begeleid
met hoe heten die dingen,
lieve vreemdeling.
Ikzelf, ik fluisterde
mijn woorden pas
als de schemering
de tekst verduisterde
en ik zeker was
dat niemand luisterde,
maar als je echt moet
in het publiek
is een beetje muziek
en de hele rest
mij ook goed hoor.
Mij is alles best.
.
Flanders Literature
Albert Bontridder
.
Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.
Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens‘, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’.
Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.
Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.
.
Overweging
.
De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.
.













