Han van der Vegt
Eenzame goden, een recensie
.
Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.
Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”
Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.
Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.
In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.
Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?
Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.
Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.
Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.
Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.
.
Babylon
.
bij de rivier van mijn verlies zit ik neer
wat zal ik maken
om wat ik gemaakt heb te vergeten
.
bij de rivier zit ik neer
en luister hoe ze me uitlacht
terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee
.
bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer
ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven
en ik herken ze niet
.
mijn machtige handen
zijn wanstaltige handen
mijn stem die de golven beveelt
versta ik niet langer
.
bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer
wat zal ik maken
om te vergeten dat ik niet maken kan?
.
Rode zone
Irina Tsylik
.
Browsend (één van mijn favoriete woorden in de Engelse taal) door de collectie Internet, stuitte ik op een artikel in de Trouw van september 2025 met de veelbelovende titel ‘Gedicht van de week’ waarin elke week een dichter of poëzieliefhebber een gedicht bespreekt dat hen raakt. In dit geval was dat de Vlaamse dichter en schrijver Maud Vanhauwaert (1984) die een gedicht van de Oekraïense dichter Irina Tsylik (1982) besprak.
Iryna Tsilyk is behalve dichter en schrijfster vooral ook filmmaker, lid van de European Film Academy en Ukrainian PEN International . Ze won de Directing Award: World Cinema Documentary voor de film ‘The Earth Is Blue as an Orange’ op het Sundance Film Festival in de Verenigde Staten in 2020. Naast poëzie schrijft ze ook proza en kinderboeken en haar werk is vertaald in het Engels, Duits, Frans, Pools, Litouws, Tsjechisch, Roemeens, Catalaans, Zweeds, Grieks, Italiaans en Deens. In het artikel van Maud is te lezen dat haar man als soldaat aan het front dient en dat geeft het gedicht een extra emotionele lading.
Het gedicht, dat in Trouw in het Engels is afgedrukt (in vertaling door een Russische vertaler) heb ik verder door vertaald naar het Nederlands en is is getiteld ‘Rode zone’.
.
Rode zone
.
Op weg naar de ‘rode zone’ van de oorlog,
telkens als ik mezelf betrap op extreme zorgvuldigheid
bij de voorbereiding van mijn lichaam:
Ik scheer alles zorgvuldig,
ik besteed veel tijd aan mijn manicure,
ik kies mooi ondergoed uit.
Zo bereid je je voor op een speciale intieme date.
“Je weet maar nooit wie je zal uitkleden.
Misschien wel vanavond,” –
zei mijn oma altijd,
als ze iets bijzonders in gedachten had.
Ik heb ook iets bijzonders in gedachten.
Ik kan het ook niet laten om te denken aan een mogelijke date
met die minnares
met koude ogen, natte vingers
en haar dat ruikt naar zwarte weidebloemen.
“Kom op, niet vandaag,” zeg ik. “Alsjeblieft, niet vandaag.”
Ze lacht lang in stilte,
en er verschijnt iets roods tussen haar tanden.
Maar vandaag kleed ik me zelf uit in mijn eentje.
.
Daar schrik je toch van
Nico Dijkshoorn
.
Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en daar pakte ik, zonder te kijken, de bundel van P. Kouwes , pseudoniem van Nico Dijkshoorn (1960) getiteld ‘Daar schrik je toch van’ de eerste 1000 gedichten (2008), van een plank. Vervolgens (jullie kennen de procedure) op een willekeurige bladzijde geopend en daar stond het gedicht ‘Lenie ’t Hart’.
.
Lenie ’t Hart
.
nadat
de
voorzichtig
vrijgelaten
lenie ’t hart
voor
de zeventiende
maal
binnen
een
week
op haar
buik
zeehondencrèche
pieterburen
weer
binnenkroop
moest
men
constateren
dat
zij helaas
te veel
aan
zeehonden
gewend was
.
Jonge stadsdichter
Sonya Wartanjan
.
Sinds februari 2026 is de 19 jarige Sonya Wartanjan junior stadsdichter van Vlaardingen. De komende twee jaar schrijft zij, samen met de eveneens per februari zittende nieuwe stadsdichter van Vlaardingen Sander Groen, in opdracht van de gemeente en lokale organisaties, over het wel en wee in de stad. Haar persoonlijk doel is om vooral jongeren te enthousiasmeren voor poëzie.
Door haar docent Nederlands op het Groen van Prinstererlyceum werd ze gewezen op de oproep van cultureel centrum Kade 40, om zich aan te melden voor de functie. Ze stuurde vier gedichten in (twee was een voorwaarde) en niet snel daarna kreeg ze het bericht dat ze de nieuwe junior stadsdichter was geworden. Voor deze functie hadden niet veel jongeren zich gemeld en dat is voor Sonya een extra motivatie om zich in te zetten voor jongeren. Ze zegt hierover: “Veel jongeren houden van muziek en eigenlijk is dat ook een vorm van poëzie. Ik wil hen stimuleren om hun gevoelens door middel van poëzie onder woorden te brengen.”
Sonya is al haar hele leven creatief bezig, in eerste instantie met tekenen en schilderen en later ook met woorden. Voor een schoolopdracht schreef ze onder andere een stiftgedicht en een collagegedicht. En voor haar profielwerkstuk stelde ze zelfs een eigen dichtbundel samen.
Sonya omschrijft haar stijl van dichten als heel beeldend en sfeervol. “Ik schrijf op een manier waarop je het snel voor je kunt zien. Niet heel letterlijk, maar wel origineel. Het geeft een bepaalde sfeer.” Haar Armeense achtergrond speelt daarin een belangrijke rol. “De Armeense taal is heel nauw verbonden met het beeldend verwoorden. In het Armeens zijn veel woorden geschreven als beeldspraak. Het is een melancholische en poëtische taal, dus via die taal krijg ik ook poëzie mee.”
Tijdens de participatieavond voor omwonenden van de Grote Kerk in Vlaardingen (waar de bibliotheek gevestigd gaat worden) droeg ze het gedicht ‘Waar woorden thuiskomen: de stem van stilte’ voor dat ze voor deze gelegenheid schreef.
.
Waar woorden thuiskomen: de stem van stilte
Ooit leefden woorden gevangen in perkament
Tot deze te bereiken vielen
Voor ieder ander
Waar eens het Woord de stilte droeg
Vinden nu ontelbare woorden
Een thuis
Rustend op planken
De gewelven dragen echo’s
Niet alleen van heilig gezang
Maar ook van bladerende handen,
Van zoekende, nieuwsgierige geesten
Waar vragen voorheen omhoog werden gezonden
Liggen antwoorden nu binnen handbereik
Voor geïnteresseerden, ongeïnteresseerden
Kenners van kunde
En onkunde
Hedendaags klinken er vele stemmen
Reve, Mulisch en Hermans
Maar ook Grunberg, Gül en Bervoets
également Japin, évidemment
Schrijvers met een eigen stem,
Zij die hun woorden hebben toevertrouwd aan papier
En gepikeerde hoofden
Schrijvers die gedachten delen
En mensen kennis bijbrengen
Over het diepe roerselen in henzelf
De drijfveer tot doen
Een frisse blik van inspiratie
Fictieve en waarheidsgetrouwe verhalen
Zijn vastgelegd
En worden geschonken aan lezers
Toch dobbert de stilte nabij
Die spreekt, bijna zingt
Als lijflied van respect
Om zich op minutieus
Menselijk level
Te verwonderen
Over al het indringende
En gewone gedachtegoed
Dat als reflectie op papier is gefragmenteerd
Waar elk gelezen woord opnieuw tot leven komt
En zich thuis binnenbaant
.
Sonya Wartanjan en Sander Groen
Zwemmen
Gustaaf Peek
.
Schrijver en dichter Gustaaf Peek (1975) kennen de meeste mensen wel van zijn romans (‘Godin’ en ‘Ik was Amerika’ bijvoorbeeld) maar hij begon aanvankelijk, na zijn studie Engelse Taal- en Letterkunde, als dichter. Gedichten van zijn hand verschenen in onder andere De Tweede Ronde en Tzum. Pas in 2025 verscheen zijn poëzie debuutbundel (en tot nu toe enige), nadat hij vijf romans had gepubliceerd waar hij dan ook vooral bekendheid door heeft gekregen.
In die dichtbundel ‘Orang/oetang’ komen thema’s als identiteit, weerstand, liefde en afkomst voor. De reden dat ik hier aandacht besteed aan deze bundel is het warme weer. Klinkt misschien vreemd maar juist met dit warme weer verdrinken er vaker mensen in zee en in meren en rivieren. Afgelopen maand nog in de Waal. Toen ik dit las moest ik denken aan het gedicht ‘Zwemmen’ dat ik las in de bundel van Peek. Daarom dus hier dit gedicht.
.
Zwemmen
.
Ze zei tijdens een schoolreis sterven er
Altijd wel een stuk of drie omdat
Ze niet kunnen zwemmen
Ze sprak niet als een van de kinderen
fijn het strand de vrije dag
Maar als een ouder aan het ontbijt
.
O schoolplein de gedachten die je niet verdient
Zit die van mij straks niet meer
Achter het raam wat heeft tellen dan nog voor zin
Bij het instappen
.
Er wordt maar weinig uitgezwaaid
Elk jaar weer zeker drie omdat ze niet
Kunnen zwemmen
.
Gedichten in het spoorwegmuseum
Gedichtenroute
.
In het spoorweg museum in Utrecht is een gedichtenroute voor alle leeftijden te volgen. ‘Bestijg nooit de trein zonder uw valies met dromen’. Deze eerste regel uit het gedicht ‘Bericht aan de reizigers’ (1934) van Jan van Nijlen (1884-1965) staat groot op de muur van het Maliebaanstation. Op de labels van de koffers onder dit gedicht staan verschillende ander gedichten, geïnspireerd door de trein.
Dat het gedicht ‘Bericht aan de reiziger’ tot allerhande inspiratie heeft geleid blijkt uit het gedicht van voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) met diezelfde titel, of wat dacht je van de bundel ‘Gedicht aan de reizigers‘. En het gedicht van Jan van Nijlen is ook te lezen op het Centraal Station van Antwerpen.
Maar het Spoorwegmuseum gaat verder dan het plaatsen van gedichten over het spoor her en der in het museum. Als je zelf een mooi gedicht geschreven hebt over de trein en je wil dat terugzien in de verzameling labels op de koffers, dan kun je je gedicht doorsturen per e-mail naar gedichten@spoorwegmuseum.nl
Elk half jaar worden twee nieuwe gedichten gekozen die worden toegevoegd op een label. Let wel, het gedicht mag uit maximaal 50 woorden bestaan en moet over treinreizen gaan. Het moet een zelf geschreven gedicht zijn. Over de selectie van de gedichten wordt niet gecorrespondeerd.
Om in stijl dit bericht te beëindigen een gedicht over treinreizen van dichter Armando (1929-2018) met als titel ‘September in de trein’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.
.
September in de trein
(fragment)
.
– oh, het is hier verboden te roken.
– verboden te roken? ja, verboden te roken.
– ja. het is nu eenmaal verboden, hè.
– er is anders elders nog plaats genoeg.
– nou ja, ik zit nou eenmaal.
– da’s waar.
– als ik zit dan zit ik.
.
Memento Mori
Emerald Liu
.
Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.
Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.
Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.
.
Memento Mori
.
je staart
komt dichterbij
kijk me aan
bewandel mijn hand
land zacht op mijn hoofd
.
er is geen buigzaam verleden
enkel roest
een kroonblad staat wit op zwart
wankelt wordt wacht neen is
een verrukking
.
kantel je gezicht zo
nu haast een glimlach die balanceert op je
lippen robijnen in een hap van een kers en
barst het is zo voorbij bijt me bont
alsjeblieft is enkel een achtste rust in
de tijd dirigeert onze handen zoeken een
houvast
.
viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood
en bid voor een morgen die we kunnen
delen
het licht kruimelt
en in de verte landt een roetvlok in
de sneeuw
vergaat
.
Latrine poëzie
Toiletpoëzie
De inscripties op de latrines van het voormalige Geboorteklooster in Tepoztlán, Mexico, zijn bijna volledig in de vergetelheid geraakt, maar bieden een onverwacht staaltje poëzie. Tegenwoordig is in het voormalige klooster het Museo de la Natividad gevestigd. Tijdens de renovatie van het historische gebouw werd graffiti ontdekt op de muren van de latrines. Aanvankelijk kon echter niemand de inhoud ontcijferen.
Gelukkig werd er tegelijkertijd aan de inwoners van Tepoztlán gevraagd om deel te nemen aan een ‘herinneringswedstrijd’ en voorwerpen met een betekenisvolle boodschap naar het museum te brengen. Tot ieders verbazing meldde zich een vrouw met een stuk papier waarop een familielid de volledige tekst van de graffiti op het toilet had geschreven.
In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten in een oude kerkbadkamer, waren de korte teksten geen gebeden of religieuze verwijzingen, maar een reeks scabreuze gedichten, geschreven in 1840 door José Manuel de Mata en vervolgens in 1895 in het klooster geschilderd door José Donaciano. Ze gaan allemaal over toiletbezoek. Elk gedicht is nu afgedrukt op museumborden voor de latrine waar ze werden gevonden. Hier zijn enkele voorbeelden:
‘Als je tijdens het eten fatsoenlijk bent, in je kleding en spraak, gedraag je dan ook netjes tijdens het toiletbezoek; toon jezelf dan niet onfatsoenlijk.’
‘Over ontlasting maken we allemaal grapjes, en wanneer de tijd rijp is en de darmen weer tot rust komen, daalt de koning van zijn troon en verlaat de paus zijn stoel.’
Hoewel het klooster onder meer bekendstaat om het behoud van zijn originele muurschilderingen uit de Renaissance, is de poëzie van het buitentoilet een unieke bezienswaardigheid op zich.
Om toch met een hedendaags toiletgedicht te eindigen hier het gedicht ‘Sanitaire saltarello’ van dichter Erik Heyman (1960-2010).
.
Sanitaire saltarello
.
Laat alle water dan maar hier verdwijnen,
keer het de rug toch toe, neem het niet mee,
en raak verlost van alle onderhuidse pijnen.
Druk hier uw wil nog door, vergeef de druppel
niet die met de moed der wanhoop de om-
knelling wil vermijden. En zwijg mij dood, er is
papier genoeg om al uw zonden te belijden.
Weet dat ik u uit uw gedachten haal.
Dus lees en veeg mij weg, negeer mij straal.
.
















