Randschade

Een recensie

.

Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:

Is het mijn sterfdag?

Vergeet engelen en psalmen

Ik wil het vanille van een oud boek

Ik wil een koud flesje bier

en ik wil jou, nog één keer.

De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de  bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.

In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.

In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.

Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.

Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.

.

Uitzicht

.

De middag zet zijn ramen open:

een tuin vol weegbree, paardenbloem

en kattenpis. Een kraai verdwijnt in

de schaduw van een haag.

.

Daarachter zwijgzame huizen

voorbijschuivende silhouetten

een passant die de dag vervloekt

het niet begrijpende kind

dat hem vergezelt.

.

In hun voetafdruk hangt randschade.

.

De kamer vult zich met het oog

dat kijkt. Licht valt op het lege doek.

Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit

de tuin een strook, het kind een kras.

.

Pompejaans rood en nachtzwart

rollen erdoor heen. Feest

op de rand van een vulkaan.

.

Niek Verhaagen

Uit mijn boekenkast

.

Vandaag pakte ik de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944-1984’ uit 1984, uit mijn boekenkast, opende deze op een willekeurige bladzijde (in dit geval pagina 275) en daar staat het gedicht zonder titel dat hieronder is overgenomen van Niek Verhagen (1915-1948). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De laatste Adam’ uit 1944.

Als dichter is Niek Verhaagen vrijwel vergeten, toch kwam ik een aardig stuk tegen over hem en zijn poëzie op het blog van Teunis Bunt. In dat artikel schrijft hij onder andere: “In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse”.

.

Wat wilt Gij?… Dat ik verzen schrijven zal,

die ene deugd die ik misschien nog kende?-

Och, als ik mij aan deze stilte wende

en aan het lege beeld van dit verval,

.

dan zou ik woorden vinden, arm en smal

en haast geluidloos, maar toch allengs stemden

de klanken, die het levensritme remden,

te zamen … Als ik stil ben, klinkt het al.

.

After hours in Beelden aan Zee

Vleugels

.

Op vrijdag 10 juli vullen museum Beelden aan Zee in Scheveningen en Het Zwarte Schaap het museum met verhalen. Woorden die raken. Klanken die bewegen. Een avond vol voordrachten, muziek, workshops en ontmoetingen. Beelden aan Zee is niet alleen een museum van de beeldhouwkunst maar zoekt regelmatig de verbinding met andere vormen van kunst zoals bijvoorbeeld jazz, woordkunst en poëzie.

Het Zwarte Schaap is het podium voor spoken word en gesproken literatuur uit Den Haag. Hier krijgen zowel beginnende als ervaren makers een plek om te vertellen wat er speelt, om verhalen te laten horen die je nergens anders hoort. Tijdens After Hours brengen ze primeurs, bijzondere samenwerkingen en performances die je laten voelen wat literatuur kan doen.

Op 10 juli kun je onder andere voordrachten zien van Rachel Rumai Diaz (1990) & Maureen Ghazal (1995) en Maryam Abdelalim & Iduna Paalman (1991). Ook is er een Open Mic en kun je poëzie en meditatie doen (en nog veel meer). Tickets kun je hier bestellen. Om alvast in de sfeer te komen hier een gedicht van Maureen Ghazal dat in mei 2025 op de voorpagina van Trouw verscheen getiteld ‘Vleugels’.

.

Vleugels

.

Je weet dat het geen vanzelfsprekendheid is
om over de drempel van je voordeur te stappen.

’s Avonds maak je een wandeling
je loopt de dag door, ademt diep de duisternis in
die kalm is.

De hand van je geliefde laat je zo nu en dan los
morgen zal alles zich hernemen
je staat op uit een warm bed, wast je gezicht.

Je huis bewoon je als een tweede lichaam
je vertrouwt erop dat de muren je ruggengraat vormen
op de houten vloer leg je onbedekt je gemoed neer.

Soms waan je je een vogel al ben je
je ervan bewust dat je vleugels mist
je beweegt horizontaal, ook dat is weelde.

En toch heb je bij alles wat je doet
het idee dat de dingen zich kunnen omkeren
een dag die nacht wordt
de ruimte waarin je beweegt die vernauwt
je handen die andere handen omklemmen
tot ze verbleken en loslaten.

Op je netvlies spelen beelden af uit een ander landschap
de mensen die er wonen leven met ingehouden adem
spreken een taal die de jouwe zou kunnen zijn.

Je zou ze vleugels willen geven
in plaats daarvan richt je voor het slapengaan
je handen tot de hemel.

.

Gedichten 69 t/m 75

Silva Ley

.

In een kringloopwinkel in Vlaanderen, in de buurt van Leuven, was ik op zoek naar de afdeling (meestal een plankje) poëzie. In deze betreffende kringloopwinkel hadden ze verschillende onderwerpen en thema’s ontsloten maar geen poëzie. Ik was dus al enigszins teleurgesteld tot ik ergens bij een volledig andere categorie een stapel boeken ontwaarde. Het bleken acht edities te zijn van ‘Gedichten‘ gevolgd door een jaartal. In dit geval ‘Gedichten 69’ tot en met ‘Gedichten 75’ (en dan nog apart ‘Gedichten 79’). Deze reeks die samengesteld werd door onder andere Hubert van Herrewhegen, Jos de Haes en Willy Spillebeen (die het overnam van Jos de Haes na zijn overlijden in 1974) samengesteld. Vanaf 2001 nam Hugo Brems de rol van Hubert van Herreweghen over.

De serie werd uitgegeven door het Davidfonds in Leuven en gesteund door het Noordstarfonds van de kulturele stichting van de Vlaamse verzekeringsmaatschappij De Noordstar en Boerhaave. Deze reeks heeft bestaan van 1960 tot 2000. De samenstellers maakte een selectie van 50 gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften.

Uit de editie ‘Gedichten 69’ nam ik het gedicht ‘Park’ van Silva Ley, een mij onbekende dichter. Silva Ley (1927) is het pseudoniem van Johanna van Aelst-Versteden. Silva (latijn) betekent bos  en de Ley is een stroompje door Tilburg. Het gedicht verscheen in het tijdschrift ‘Proeve’.

Toen zij les gaf aan de basisschool stelde zij de bundels ‘Kinderwensen’ en ‘Kindertoneel’ samen, uitgegeven door haar  vader. Rond 1960 sloot Silva zich aan bij de Eindhovense dichterskring en uitgeverij Opwenteling waar vier bundels van haar uitkwamen. Ook schreef zij haiku’s, senryu’s en tanka’s.

.

Park

.

klokken en fonteinen bruisen samen

.

avondsauna voor de mensen:

zij zweten stad uit

staan éven naast de hoge

persoonlijkheden van bomen

.

nu worden hun armen lui en langer

hun wangen bladzacht naar het licht

.

nu nemen de bomen stem aan

en vermenselijken

.

er is éven

een vergetelheid hersteld

.

Voskuil

Dichters op de begraafplaats

.

Gistermiddag was er op begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag een bijeenkomst van dichters, georganiseerd door Dichter bij de Dood,  die een gedicht hadden geschreven (en daar voordroegen) over de, in Den Haag geboren, schrijver J.J. Voskuil (1926-2008) naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag (1 juli). Het eerste aardige weetje dat ik tegenkwam over J.J. Voskuil was dat hij ooit debuteerde met een gedicht. Het titelloze gedicht met de beginregel ‘Als ik groot ben’ werd door Voskuil kennelijk tijdens zijn studie geschreven.

In ‘Bij nader inzienstaat beschreven hoe Maarten Koning het aan Chris van Heel schenkt, die het wil opnemen in een bundel met bijlage ‘anonieme poëzie van het volk’. Chris van Geel (1917-1974) publiceerde het uiteindelijk in 1963 in het tijdschrift Barbarber, met vermelding van Voskuils naam. Het gedicht werd opnieuw gepubliceerd in Van Geels bundel ‘Dank aan de koekoek’ (1980) en is opgenomen in Van Geels ‘Verzamelde Gedichten’.

-Als ik groot ben
als ik groot ben
wil ik kousen
weet je van die hele blote
strak getrokken om m’n poten
-kousen, kousen, gekke kind
zorg maar eerst eens voor een vrind
zo maar kousen is zo zonde
.
Ook ik ben gevraagd door de organisator van de bijeenkomst over Voskuil een gedicht te schrijven. Dat heb ik uiteraard gedaan en dat gedicht is getiteld  ‘Daarbuiten’ .
.

Daarbuiten

 

De zon scheen net als de dag ervoor, de bomen en de koppen

als altijd naar buiten gericht, er was geen aanleiding voor een

 

gesprek. Wel vragen, altijd vragen en verwijten en verwachtingen.

Onuitgesproken, onder de huid etterend, een samenleving binnen

 

schijnbaar beschermende muren. Een dag was pas een dag bij het uit-

klokken, bij het fietsenhok, de fijne avond die plichtmatig, speels verveeld

 

uit bekende monden klonk. Daarbuiten lag een wereld te ontdekken, tot

een moment van wekken; 07.00 uur, op weg  naar opnieuw een opstelling,

 

een trekken en duwen, vriendschappelijk toneel, gedwongen enthousiasme,

terwijl daarbuiten de bomen meewarig de kruinen schudden. Het licht

 

in dunne strepen op de vloer. Tot een lamellengordijn ook die rust

verstoort en de aandacht verlegd naar de onrust van tot elkaar verhouden.

.

 

Kunst in de poëzie

Marc Tritsmans

.

De combinatie van kunst en poëzie heeft me altijd bezig gehouden. Aan de ene kant is poëzie een literaire kunstvorm en behoeft dus geen bekrachtiging door een andere kunstvorm maar aan de andere kant is de combinatie van twee kunstvormen juist vaak wel een spannende. Ik ken dichters die niets moeten hebben van poëzie die op muziek gezet wordt of poëzie in een kunstwerk (bijvoorbeeld een schilderij), maar ik ken er ook die juist steeds die combinatie opzoeken om een extra laag toe te voegen aan hun poëzie.

Combinaties zijn er in allerlei vormen, zo schreef ik al eens over Nico Dijkshoorn en de bundel die hij schreef bij kunstwerken van het Kröller-Müllermuseum, over de gedichten van Elise Vos bij foto’s van Eddy Verloes, gedichten bij tekeningen van Charlotte Mutsaerts, de collages van Herta Müller, gedichten van en bij schilderijen van Marlene Dumas, de grafische kunst poëzie van Eelkje Christine Bosch, een gedicht van Christian Bök bij zijn kunstwerk ‘Protein 13’, gedichten over kunstwerken van duinen en zo kan ik nog wel even doorgaan. In de categorie Poëzie en Kunst kun je nog veel meer voorbeelden vinden.

Ook in Vlaanderen is de combinatie van verschillende kunstvormen geen onbekende, het beste voorbeeld is misschien wel het kunstenfestival in Watou. Maar ook in boekvorm verschijnt er regelmatig een combinatie. Zo ook in 2006, toen verscheen de bundel ‘Zie’ Kunst en poëzie uit Vlaanderen, verzameld en ingeleid door Kurt De Boodt, dichter en kunstcriticus (1969).  Hij werkt bij Bozar in Brussel, en stippelt daar mee het artistieke beleid uit. Geregeld komen kunst en poëzie bij hem samen. Poëzie ziet hij als woordkunst. Als dichter schrijft hij speelse, muzikale gedichten, en zo wordt elke nieuwe bundel voor hem een ontdekkingstocht. Moderne kunst ligt hem na aan het hart, hij maakte tentoonstellingen over kunstenaars en hij verdiept zich in de banden tussen kunst, politiek en oorlog.

Uit de bundel ‘Zie’ die hij samenstelde koos ik het gedicht ‘Vermeer’ van dichter Marc Tritsmans (1959).

.

Vermeer

.

Zoals dode fazanten en patrijzen

precies hun plaats kennen op een

glanzende schaal, versierd met

een handvol bedauwde druiven, zo

vanzelfsprekend mooi in kamers

met een raam op het noorden, in

ingehouden licht, als vogels in een

kooi met het deurtje open, niet bij

machte om te vluchten, wachtend

op iets dat vanuit dat raam misschien

ooit: deze vrouwen vaak het hoofd

gebogen, bezig met wat nauwelijks

bewegen nodig maakt. Een brief

die wordt gelezen, melk gegoten,

een parel gewogen, een leven geleefd.

.

Señorita’s

Christophe Vekeman

.

In mijn zoektocht naar steeds weer nieuwe en interessante dichters kwam ik op het pad van de Vlaamse schrijver, columnist, dichter en performer Christophe Vekeman (1972). Hij publiceerde verscheidene romans, een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een literaire musical en gedichtenbundels en essays. In 2020 wijdde ik al eens een blogbericht aan zijn bundel ‘Dit is geen slaapkamer meer nu‘. 

En nu pas kwam ik een andere bundel van hem tegen die ik kocht met de titel ‘Señorita’s’ gedichten en andere podiumteksten uit 2009. In deze bundel zijn zijn beste (en vaak hilarische) gedichten en teksten bijeengebracht. Vekemans schrijfstijl kenmerkt zich door humor, een pessimistisch levensgevoel en weelderige zinnen. Tot zijn leermeesters behoren onder andere Willem Frederik Hermans, Richard Yates, Jeroen Brouwers en Gerard Reve. Het gedicht ‘Bijvoorbeeld’ laat zich in eerste instantie wat lastig lezen (doe het hardop dat helpt) maar geeft langzaam zijn diepere betekenis vrij.

.

Bijvoorbeeld

.

Bijvoorbeeld klaprozen bezwaren donderdag, kalkoenen

bedelaars zonder de jaren gaan geld langzaam staren

stofwolken geweld en al die rare dingen

.

Zoals zonneschijn realiteit omdat berouw pijn bordkarton

dood graag vreselijk feesten wezen is in duisternis

komaan altijd een beetje zingen

.

Gezien de vlucht van pantalons en hemelsblauw en

daltonisme is er lucht in open dichters hier want buiten

daar ballon ballast papier en rendement tijd toekomst

zwaar en tamelijk – of toch op dit moment – geen

ogenblik ober waarom ook vrij

.

Daarom dus zou men astronautenvoedsel prot bril

zielsverwanten in het land der God weet wandklok

spleen hé wat wandelstok steek de moord loop heen

vergeet een woord nee hoor niemand en niets betekent

iets voor mij

.

Behalve jij

.

 

 

Iedereen begint in het klein

Raad

.

Afgelopen weekend was ik in Vlaanderen (Mechelen en Leuven en omstreken) en wat ik dan in ieder geval altijd doe is in de plaatselijke kringwinkels (zoals ze ze daar noemen) op zoek naar de boekenafdeling en dan het plankje (indien aanwezig) poëzie zoeken. Nu was ik in de Sjans! (what’s in a name!) en daar hadden ze allerlei thema’s in de boeken kasten maar geen poëzie. Toch stuitte ik op een alleraardigst bundeltje met de titel ‘Iedereen begint in het klein’ geboortegedichten uit 2022.

In dit bundeltje gedichten van bekende namen (vooral Vlaamse maar niet exclusief) als Lotte Dodion, Shari Van Goethem, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Siel verhanneman, Benno Barnard, Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze. De reden dat men deze bundel uitgaf is op de achterkant beschreven: “In blijde verwachting? Je hebt al een naam gekozen maar je bent nog op zoek naar gepaste woorden? Iedereen begint in het klein bevat gebalde gedichten voor wie nood heeft aan mooie, gloedvolle woorden om je verbazing, ongeduld en hoop het best te omschrijven.”

Het leuke aan deze verzamelbundel op thema (ik hou ervan) is dat nu eens niet gegrepen is naar de canon van de Nederlandstalige poëzie met al haar grote, bekende namen, maar gekozen is voor dichters van nu, misschien niet allemaal bekend bij een groot publiek, maar voor wie zich in de poëzie van nu interesseert (of MUGzine leest), namen die men wel kent of waar men van gehoord heeft. Ik kende slechts drie van de vijfentwintig namen niet (alle drie Vlaamse dichters).

Uit de gedichten, die een grote afwisseling in vorm en inhoud kennen (van Haiku’s tot proza-gedichten en alles wat er tussen valt), koos ik voor het gedicht ‘Raad’ van dichter Mustafa Kör (1976) met meteen een goede raad voor het (nog ongeboren) kind.

.

Raad

.

Het mag dan zijn

dat jij begon te zijn

met een schreeuw

kind

Daar hoef je je geen zorgen om te maken

Waar je voor moet waken is het zuchten

Een zucht is opgeven

Een schreeuw is een begin

Hoe pril ook

.

poëzieprijzen

Een overzicht

Ik hoor weleens dat je als schrijver of dichter pas echt meetelt als je een prijs hebt gewonnen of gekregen. En, wordt er dan vaak achteraan gezegd, dat is vrijwel elke dichter (in dit geval) omdat er zo ontzettend veel poëzie- en dichtersprijzen zijn. Nu kan ik beamen dat er veel prijzen worden uitgereikt in dichtersland maar zo ontzettend veel zijn er nu ook weer niet. Ja er zijn vele kleine prijzen en winnaars van dichtwedstrijden (die zijn er genoeg) maar de prijzen die er toe doen, dat zijn er niet zo vreselijk veel. Ik ben eens gaan zoeken en kwam tot de volgende prijzen in Nederland (NL) en Vlaanderen (V). Ik heb een aantal prijzen overgeslagen die niet meer worden uitgereikt of die overgegaan zijn in een andere prijs (bijvoorbeeld de Turing gedichtenwedstrijd , de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de VSB poëzieprijs).

  • De Grote poëzieprijs voor een Nederlandstalige bundel, opvolger van de VSB Poëzieprijs (NL)
  • Herman de Coninckprijs voor een Nederlandstalige bundel (V)
  • P.C. Hooftprijs. oeuvreprijs wisselend poëzie en proza (NL)
  • Constantijn Huygens-prijs, oeuvreprijs voor poëzie en proza (NL)
  • Prijs der Nederlandse Letteren, driejaarlijkse onderscheiding (NL)
  • Driejaarlijkse cultuurprijs voor letteren (V)
  • Poëzieprijs Melopee, jaarlijkse prijs voor oorspronkelijk Nederlandstalig gedicht (V)
  • C. Buddingh’-prijs, voor een Nederlandstalig poëziedebuut (NL)
  • Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (NL)
  • NK Poetryslam, voor slampoëzie (NL)
  • Belgisch Kampioenschap poetry slam (V)
  • Ida Gerhardt poëzieprijs (NL)
  • Sybren Poletprijs, driejaarlijks voor experimentele literatuur (NL)
  • Jotie ‘T Hooft poëzieprijs (tweejaarlijks) voor het beste neo-romantische gedicht (V)
  • Poëzieprijs Boontje (VL)
  • Adriaan Roland Holstprijs, voor een oeuvre (NL)
  • Johan Polak poëzieprijs (NL)

Daarnaast zijn er nog een aantal regionale en gespecialiseerde prijzen:

  • Kees Stip-prijs
  • Awater poëzieprijs
  • Jan Campert-prijs
  • J.C. Bloem-poëzieprijs
  • Jana Beranová-prijs
  • Theo Thijssenprijs
  • Anna Blamanprijs
  • Rob de Vos-prijs (Meander)
  • Frans Vogel poëzieprijs
  • Granate prijs
  • De Zeef poëzieprijs

En heel veel lokale en kleine dichtersprijzen en gedichtenwedstrijden uiteraard. Maar dat zijn er echt teveel om op te noemen. Alle reden dus om te denken dat je als dichter een vrij grote kans maakt op een prijs. Uit al deze prijzen en winnaars heb ik een dichter, Maaike de Wolf, gekozen die in 2025 de Herman de Coninckprijs won met haar bundel ‘De dansvloer is van iedereen’. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Holte’.

.

Holte

.

Mijn rechterbeen herbergt een banaal soort pijn
die opspeelt als het kouder, nu het ouder wordt.
Wees niet verbaasd als je ziet wie ik ben, mijn hartslag daalt
zo onder de veertig slagen als ik zit, als ik hier blijf, wachtend.
Zie ook de meedogenloze gokker, de obsessief strijkende huisvrouw
die aan mij verloren gingen, talent dat tussen mijn benen ontsnapte.
Nog steeds meisje dat dezelfde wapens als de jongens wil, schrik niet
als ik mijn haren in een neonroze verdwijnpunt verf.
Zoekend naar woorden zak ik een baarmoeder in.
Op de bodem lig ik, badend in belofte.

.

 

De dood

K. Golesorkhi

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en daar pak ik, zonder te kijken, een bundel uit. Het blijkt de bundel ‘Stem van alarm stem van vuur’ geëngageerde poëzie uit Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Ik open de bundel op een willekeurige pagina ((pagina 34) en daar staat een gedicht getiteld ‘De dood’ van K. Golesorkhi (1944-1974) met wie ik een verjaardag deel. Golsorkhi (zoals zijn naam luidt) was een Iraanse journalist, dichter en marxistisch activist. Golsorkhi was in 1969 hoofdredacteur van de kunstsectie van de krant Kayhan , waar hij populariteit verwierf met zijn linkse en revolutionaire poëzie. In 1974 kreeg hij de doodstraf als marxistisch revolutionair opgelegd door het regime van de Sjah.

.

De dood

.

Vraag mij niet naar liefde;

in dit land van toenemende duisternis

heeft, in de aanwezigheid van angst,

liefde

de Dood getrouwd,

en de Dood,

de bijtende Dood, de vluchtende Dood,

is een buurman voor je eeuwige eenzaamheid

in het wrede angstgif van slangen.

.

Hier is de stem van de mensen gevangene

van hun keel,

en bloed

zie je, wanneer je je ogen ook opent.

Vraag mij dus niet naar liefde;

kijk naar mijn borst

vóór hij verbrand is door kruit.

.