Bij een overlijden
Jozef Deleu (1937-2026)
.
Bijna een jaar geleden schreef ik op dit blog over het stoppen van Jozef Deleu met Het Liegend Konijn. Ik schreef dit toen onder de titel ‘einde van een tijdperk’. Dat dit tijdperk binnen een jaar ook echt een einde zou hebben met het overlijden van de aartsvader van dit prachtige magazine had ik, en velen met mij waarschijnlijk, niet kunnen bedenken. Op 21 oktober werd bekend gemaakt dat Jozef Deleu (1937-2026) was overleden. Met hem is de poëzie in het Nederlandse taalgebied opnieuw een dichter en vertegenwoordiger van de poëzie armer, die ertoe deed.
Jozef Deleu debuteerde in 1963 als dichter met de bundel ‘Schaduwlopen’ nadat hij in 1962 al was gedebuteerd als schrijver van de novelle ‘De ontmoeting’. In zijn werk staat de mens in heden, verleden en toekomst centraal en geeft het besef van de tijdelijkheid van het leven zijn werk een melancholisch karakter. In 2003, op 65 jarige leeftijd begint hij Het Liegend Konijn, een tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, dat door vriend en vijand (al zal hij die niet gehad hebben) zeer hoog gewaardeerd werd en waarvan precies een jaar geleden dus het laatste nummer verscheen.
Wat veel mensen waarschijnlijk niet weten is dat Jozef Deleu in 1957 oprichter was van het tijdschrift Ons Erfdeel (vanaf 2020 getiteld ‘De lage landen’) dat zich richt op kunst, taal, literatuur, geschiedenis en maatschappij in Vlaanderen en Nederland. In 1972 richtte hij het tijdschrift Septentrion, Arts, lettres et culture de Flandre et des Pays-Bas op, dat de Nederlandse cultuur bekendheid wil geven in de Franstalige landen en gebieden. Ook start Deleu met het uitgeven van jaarboeken in het Frans en Engels met diezelfde reden.
Voor zijn werk en inzet voor de taal, de cultuur en de poëzie ontvangt Jozef Deleu vele prijzen en onderscheidingen waaronder die van Commandeur in de Orde van Oranje – Nassau (Nederland, 1996), Officier des Arts et Lettres (Frankrijk, 2003) en Grootofficier in de Leopoldsorde en de kroonorde (België, 2003).
Maar ik zal hem vooral herinneren als degene die zoveel dichters, aankomend, gearriveerd en (bijna) vergeten een plek gaf in Het Liegend Konijn. En als dichter. Daarom hier als eerbetoon aan deze bijzondere man het gedicht ‘Angst’ uit zijn debuutbundel ‘Schaduwlopen’ uit 1963.
.
Angst
.
De lamp vult heel de kamer
met zijn bolle glazen oog.
Mijn ogen liggen gans verlaten
in de schaduw van mijn hoofd.
De slagen van de klokken naderen
uit het huis van God-zij-geloofd.
Ik zie een leger lampen in mijn kamer,
ik hoor de stemmen van een koor.
Niemand kan mij zien noch horen
De lampen gloeien rood.
Ik lig mijn lichaam te bewonen.
Is dit een teken misschien?
.
Nestblijvers
Pauline Pisa
.
Pauline Pisa (1968) is dichter en schrijver. Zij was huisdichter bij het radioprogramma ‘Echo’ op NPO Klassiek, was een van de stadsdichters van Utrecht en is momenteel stadsdichter van Zeist samen met Jan-Paul Rosenberg. ‘Huilen uit één oog’ gedichten en voorvallen, is haar derde bundel. In 2006 won ze wel de maandelijkse poëzieslag in Festina Lente. In 2008 debuteerde ze met de bundel ‘Het gestolen wijf’ geïnspireerd op en opgedragen aan Kanaleneiland, een wijk in Utrecht. In 2015 volgde de bundel ‘Halfrust’ en nu dus, in 2026 haar derde bundel ‘Huilen uit één oog’. Poëzie van haar is te lezen op de website van Literair Zeist.
Uit haar nieuwe bundel koos ik het gedicht ‘Nestblijvers’.
.
Nestblijvers
.
We staan voor het raam, mijn broer en ik.
De stand van zijn schouders houdt hem zestien.
Buiten bluffen de merels, hun lied overstijgt de ouderdom.
.
Achter de luxaflex rusten onze jaren dertig-ouders.
Pa’s lok stamt uit de tijd van James Dean.
Ook de oude klok is nog in leven, zijn ballen neigen naar de grond.
.
In de bijkeuken is een boom gegroeid.
We zijn inmiddels opgeschoven. Onze kinderen dragen de trekken
van onze voorouders, in hun tongval leeft ons dialect.
.
De schoorsteen rookt, er is nog pluim, en vuur voor een gedicht.
Ma heeft een stroopwafel voor ons apart gelegd.
.
Toen nog niet alles digitaal was
Bies van Ede
.
Schrijver van jeugdliteratuur, televisiescenario’s, romans, poëzie, liedteksten en vertaler Bies van Ede (1957) is van vele markten thuis. Vorig jaar verscheen ‘Een landschap voor wie wil’ vijftig jaar gedichten en liedteksten verzameld en bijeengebracht door Bert Bevers. Bevers gebruikte hiervoor materiaal uit de zeven poëziebundels die Van Ede publiceerde, uitgaven van de Stichting Plint, gedichten van het legendarische Griezelgenootschap (met Paul van Loon), kinderliedjes en musicals.
Werk van Bies van Ede werd opgenomen in verschillende bloemlezingen waaronder ‘de Nederlandse jeugdpoëzie in 1000 en enige gedichten’ van Gerrit Komrij. De bundel ‘Een landschap voor wie wil’ wordt ingeleid door Frits Spits. Hij schrijft onder andere: “U moet zelf maar dwalen door deze bundel. Steeds zult u, net als ik, even de adem inhouden, een gevoel van herkenning, soms van geluk ervaren als u zijn werk overziet.’
Dat is precies wat ik gedaan heb, dwalen door deze stevige bundel van 282 pagina’s. Uiteindelijk heb ik als gedicht gekozen voor ‘Toen nog niet alles digitaal was’, iets dat denk ik, vooral wat oudere mensen uit het hart gegrepen is.
.
Toen nog niet alles digitaal was
.
Later, als ik niet meer dwaal
door de nachten van verlangen,
blijft een foto, in gedachten genomen,
van toen jij al weg was, een nieuwe ochtend in
met paarden misschien, of sportwagens.
.
Ergens moet toch de zon opkomen
boven het leven dat we wensen.
We wonen in beton, maar er zijn heuvels,
dalen, er is grasland en die zon
elke dag weer.
.
Later, als het dwalen lopen wordt
door bekende herinneren, zoals je nog precies weet
waar de stoel stond, of het bed,
weet ik weer hoe ik je kussen mocht.
.
Ik dacht toen al: nu wil je het nog.
.
En de zon zal altijd schijnen
door de ramen van onthouden.
Je bent de foto uit gelopen
maar de lijst is blijven staan.
.
Halflachend met de wijzen
Po Tsjü
.
Chinese poëzie is al zo oud als, tsja China eigenlijk. Dus al heel oud. Over Chinese poëzie schreef ik al een aantal keren zoals over Hsia Yu en Shang Ch’in (20ste eeuw), Li Tai Po (8ste eeuw), Yi Sha (20ste eeuw), Wen Zhengming (16e eeuw), Liu Xia en Liu Xiabo (20ste eeuw) en dan sla ik de poëzie van Mao Tse Tung hierbij even over want dat is meer propaganda dan poëzie.
Wat me duidelijk is geworden is dat de oude Chinese poëzie vooral de natuur en de strijd (oorlog) bezingt en de moderne Chinese poëzie daarnaast ook vooral activistisch is. En hoewel ik ook graag over activistische poëzie schrijf (kijk vooral in de categorie Dichter in verzet voor een overzicht) wil ik vandaag toch stil staan bij een dichter die over allerlei onderwerpen poëzie schreef maar in dit gedicht ‘De filosofen’ juist de diepte zoekt.
Ik heb het hier over de dichter Po Tsjü (772-846). Po Tsjü (zijn naam wordt op vele verschillende manieren geschreven) was een Chinese dichter die vooral bekend stond om zijn ballades en satirische gedichten. Hij was van mening dat goede poëzie gemakkelijk te begrijpen moest zijn voor het gewone volk en gaf daar het goede voorbeeld van in gedichten die zich kenmerkten door eenvoudige taal, een natuurlijke stijl en een maatschappijkritische inhoud. Dat geldt zeker voor het gedicht ‘De filosofen’ dat ik las in de bundel ‘Halflachend met de wijzen’ vertaald en gekozen door Elisabeth de Jong-Keesing uit 1959.
.
De filosofen
.
‘Zij die spreken weten niet,
zij die weten zwijgen.’
.
Deze woorden, zegt men, zijn
door Lau Tse gesproken.
.
Als ik moet geloven dat
Lau Tse zelf een weter was,
.
waarom schreef hij dan een boek
van vijfduizend woorden?
.
Wellust
Abdelkader Benali
.
Aan de Rotterdamse schrijver en dichter Abdelkader Benali (1975) heb ik leuke herinneringen, zoals de keer dat ie, als onbekend debuterend prozaschrijver een lezing deed in mijn bibliotheek. Vele jaren daarna kwam ik tot de ontdekking dat hij ook als dichter actief was en sindsdien is hij een paar keer langs gekomen op dit blog in mijn berichten.
Zo ook vandaag weer. In een tweedehandsboekenzaak kwam ik zijn bundel ‘Panacee’ tegen uit 2006. ‘Panacee’ bevat een grote hoeveelheid niet eerder gepubliceerde gedichten. Van sonnetten en kwatrijnen tot verhalende gedichten en uiterst vrije verzen. Bladerend in deze bundel las ik het gedicht ‘Wellust’, een opmerkelijk openhartig gedicht over wellust. Blijft bij mij de vraag: Is dit nu een erotisch gedicht of niet?
.
Wellust
.
Ik ben altijd open en mocht ik zin hebben
dan klop ik ergens aan. het is waar: genot
kun je niet kopen, en wie het onveilig doet
danst op een vulkaan die veel weg heeft
.
van mijn aars. Rauw lust ik ze, maar ook
in opgezwollen staat, cup d, tepels zacht
als leer. Mijn jongeheer is om door een ringetje
te halen. Gêne en lust gaan niet goed samen,
.
daarom ken ik geen schaamte meer. Zo wil
ik oud worden om eeuwig jong te blijven.
Laatst was mama op bezoek, zo lief keek ik
haar aan, het zit ook in haar, geil ding. Geen-
.
eens vroeg ze wat ik deed, op het toppunt van
mijn kunnen. Steek me geen oog uit, ik heb er maar een.
.
Lang verwacht
Een nieuwe MUGzine
.
We hebben er even op moeten wachten (wat problemen met de distributeur) maar hij is er! De nieuwe MUGzine, editie 34. En in deze nieuwe editie staat weer veel moois, zoals poëzie van Dorien De Vylder, Masja Vrijland en Hanna Kirsten (de Meanderdichter van deze editie). Maar ook een korte Muggencolumn van Karel Feenstra, natuurlijk een kakelverse Luule en uiteraard wordt dit alles voorafgegaan door weer een poëtisch voorwoord van onze redactiefilosoof Marianne. De kunst is dit keer van een oude (jonge) bekende namelijk Marilou Klapwijk die eerder al als dichter een bijdrage leverde.
Wil je nu, als ware poëzieliefhebber, dit moois graag op papier ontvangen, dan kan dat. Word jaardonateur en je ontvangt 5 x per jaar een nieuwe MUG via de post in je brievenbus. Als nieuwe donateur krijg je van ons nog een leuk extraatje. Donateur ben je al voor € 22,50 per jaar. Voor dat bedrag koop je een dichtbundel of krijg je 100 pagina’s poëzie en illustraties/kunst via de MUG.
Een van de dichters die dit keer in de nieuwe MUGzine staat is de Vlaamse Dorien De Vylder (1988). Zij is dichter en apotheker. Haar debuut ‘Vertraagd stilleven’ (2017) werd gevolgd door ‘Heerlijk afgebakend eindeloos’ (2020). Ze bracht haar poëzie al op het podium van onder meer Kunstenfestival Watou, Felix Poetry Festival en Dichters in de Prinsentuin, maar ook op boten, in roze caravans en in gevangenissen. In 2020 won ze de publieksprijs van Cultuurlaureaat Lochristi. Als voorproefje hier het gedicht ‘Alles is er’ dat verscheen in literair tijdschrift DB W.
.
Alles is er
.
Er is water. Het stroomt niet
onder een pier. Het stroomt niet. Het stroomt niet onder een pier
die er is, maar niet wordt bewandeld door mensen
die er zijn. Het water draagt geen schepen,
voert geen handel, geen piraterij,
huisvest geen zeemeerminnen, dolfijnen of boodschappen in flessen.
Het is er. En al het overige vermelde ook.
Er is droog land. Er is water. Er zijn levende wezens
maar ze raken elkaar niet aan.
Ze zijn er, het droge land, het water, de levende wezens.
Alles is er. Om in liefde en vruchtbaarheid te voorzien.
.
Ovidius
Toon Tellegen
.
Staande voor mijn boekenkast, doe ik wat ik de laatste maanden elke week doe. Zonder te kijken pak ik een bundel uit één van mijn boekenkasten vol poëziebundels. Vandaag is dat ‘Gedichten 1977-1999’ van Toon Tellegen (1941) uit 2000. Opnieuw opende ik de bundel op een willekeurige pagina en daar op pagina 79 staat het gedicht ‘Ovidius’. Ernaast op pagina 78 staat het gedicht ‘De mug’. Nu heb ik al iets met muggen als in het leukste en kleinste poëziemagazine van de Lage Landen (die iets op zich laat wachten want de distributeur heeft een vergissing gemaakt maar heeft beloofd dat #34 er snel komt) dus alleen hierom al vind ik dit een fijn gedicht, maar dit plaatste ik al eens op dit blog. Daarom toch gekozen voor het gedicht ‘Ovidius’ dat oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘De aanzet tot een web’ uit 1981.
.
Ovidius
Als de ochtend komt met nevels en geschreeuw
en de honden van de slaap zijn hongerig weggeslopen,
dan schrijft hij
met zijn eigenaardig zoete pen
een brief aan zijn vijand, de meest verhevene.
Hij schrijft:
‘Er is geen plaats in mij voor nog meer wonden.’
.
Op zijn dak hoort hij het trippelen
van een barbaarse mus.
.
Een uitwisseling
Kreek Daey Ouwens
.
Van dichter en schrijver Kreek Daey Ouwens (1942) kreeg ik een bericht dat ze samen met een aantal partners een project gaat doen om mensen met een psychische kwetsbaarheid en met literair talent en ambitie aan het werk te zetten om poëzie en verhalen te gaan schrijven. Ik leerde Kreek Daey Ouwens kennen toen ik haar vroeg om een bijdrage te leveren aan MUGzine #9 in 2021. Daarna heb ik nog een aantal keer over haar en haar werk geschreven en was ik blij verrast toen ze optrad bij de opening van Poetry International in juni dit jaar En nu komt ze, op 84 jarige leeftijd dus met een heel nieuw project dat ze samen doet met de Vlaamse Hugo Franssen, die maandelijks de schrij(f)(vers)groep van Kunsthuis Yellow Art, een groep mensen met psychische kwetsbaarheid en literair talent en ambitie, begeleidt in Geel (België).
In haar verzameld werk ‘Mijnwerk’ Kroniek van een familie in scherven (2023) legt Kreek Daey Ouwens een fragmentarische puzzel van hoe het er bij haar thuis, in een groot mijnwerkersgezin met elf kinderen en inwonende grootouders, aan toe ging in de jaren 50 van vorige eeuw. Voor de schrij(f)(vers)groep heeft ze daar een brede selectie van puzzelstukjes uit geselecteerd met daarbij de uitnodiging er direct vanuit eigen ervaring reflecties over neer te schrijven. Voorjaar 2026 is de oogst daarvan binnengekomen.
De groep gaat er nu mee aan de slag door middel van het maken van een podcast in de vorm van een luisterverhaal, een podcast-reeks waarbij de stemmen van de schrijversgroep en van Kreek Daey Ouwens op zoek gaan naar elkaar en in dialoog gaan. Begin 2027 zal de presentatie zijn van het project waarbij audiofragmenten te horen zullen zijn. Daarnaast wordt er werk voorgedragen en zullen de schrijvers met elkaar in gesprek gaan over het project. De presentaties zullen plaatsvinden in Museum Dr. Guislain in Gent (museum van de geschiedenis van de psychiatrie) en in Eindhoven.
In dit project wordt onder andere samengewerkt met het Poëziecentrum in Gent, de Warande (Cultuurhuis Turnhout), deBuren (Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat) en Uylenspiegel (vereniging van en voor psychiatrische patiënten). Het project wordt ondersteund door Literatuur Vlaanderen.
Geen bericht over een dichter zonder een gedicht van die dichter, daarom een gedicht van Kreek Daey Ouwens uit haar laatste bundel ‘Guillaume’ (De bundel gaat over haar verstandelijk gehandicapte jongere broertje) waar ze de driejaarlijkse KANTL-prijs voor poëzie kreeg en die indirect tot die nieuwe project leidde.
.
Kraai, zegt Vader
Zeg eens kraai!
Bomen helemaal zwart
Vader opnieuw:
Kraai!
Zeg Kraai!
Jouw thuis,
dat was de oude kat,
moeders washandje
te groot kind op een wip
We zitten aan tafel. Het hek piept.
Vader komt thuis. Hij is al bijna binnen.
We zijn blij als Vader thuiskomt.
En we zijn ook een beetje bang.
Moeder brengt een lepel pap naar Guillaumes mond.
Zijn tong is dik.
Vader grijpt de lepel.
Rakelings langs Guillaumes oog.
Kun je nog steeds niet praten!
Koelkast
Ernst Jandl
.
De Oostenrijkse schrijver, dichter en vertaler Ernst Jandl (1925-2000) maakte vooral naam met zijn experimentele lyriek. Een voorbeeld plaatste ik al eens in 2011 toen ik het gedicht ‘schtzngrmm’ op dit blog deelde. In 1956 debuteerde Jandl als dichter met zijn nog relatief traditionele bundel ‘Andere Augen’, maar mede onder invloed van de dada-beweging schakelde hij al snel over op de experimentele poëzie. Hij kwam in contact met het avantgardistische genootschap de Wiener Gruppe en publiceerde in het radicale tijdschrift Neue Wege.
Hij werd vooral bekend met zijn ‘concrete poëzie’, die hij met name tot uitdrukking bracht in zijn zogenaamde spreekgedichten en in klankdichten (zoals het gedicht ‘schtzngrmm’). Hij ontwikkelde zich tot een virtuoos in het spelen met taalelementen en zocht voortdurend naar verrassende effecten. Daarbij paste hij uiteenlopende procedés toe, zoals het verwisselen, herhalen of deels laten vervallen van akoestische en visuele elementen van de taal, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van dialect en sloganachtige taal. Vaak spreekt hij in zijn werk in de derde persoon, zowel over zichzelf als over degenen met wie hij communiceert.
In zijn latere werk zocht hij vaak de combinatie van jazz en poëzie op en tot aan zijn dood bleef hij publiceren. Jandl werd meermalen onderscheiden, zo kreeg hij onder andere de Georg-Büchner-Preis (1984), de Grote Oostenrijkse Staatsprijs (1984) en het Ereteken van Verdienste voor de Republiek Oostenrijk (1996). Na zijn dood wordt de internationale Ernst-Jandl-Preis tweejaarlijks uitgereikt door het Oostenrijkse ministerie van Onderwijs en Cultuur.
Via mijn broer kreeg ik een dichtbundel van Jandl in handen, in het Duits, getiteld ‘die bearbeitung der mütze’ uit 1978. In deze bundel is verschillend werk van Jandl opgenomen; gedichten in de vrije versvorm maar ook zijn concrete poëzie. Een soort tussenvorm is het gedicht ‘kühlschrank’ dat ik voor het gemak heb vertaald. Dat gedicht lees je hieronder.
.
koelkast
.
hij masturbeert
onophoudelijk.
het hele huis schudt.
.
de oplossing:
je sluipt naderbij,
rukt de deur open
– hij stopt
onmiddellijk.
je slaat de deur dicht;
even is het stil.
.
Poëzie en inhoud
Nieuw gedicht
.
Lezend in ‘Intimiteit onder de melkweg’ de bundel essays over poëzie van Herman de Coninck uit 1994, stuit ik op een alinea waarin de Coninck (1944-1997) schrijft: ‘Wat is inhoud in de poëzie? Kenners zullen zeggen: eigenlijk is inhoud in de poëzie die inhoud op het tweede gezicht, de inhoud die erbij komt. Dat is geen onaardige definitie, een zoveelste: het is goed om er een heel pak van te hebben, want er is geen enkele die klopt. (‘De tijd zit krap in zijn heden’ is dat inhoud op het eerste of op het tweede gezicht?) Juister zou zijn: poëzie is de spanning tussen dat eerste en dat tweede gezicht, zoiets als wisselstroom.’
Zelf hou ik enorm van gedichten waarin je bij een eerste lezing een idee of begrip krijgt van wat de dichter ermee bedoelde en bij een tweede (of derde of vierde) lezing juist een nieuw inzicht krijgt van wat de dichter er (nog meer) mee bedoelt. De ultieme vorm is wat mij betreft wanneer een lezer je als dichter vertelt wat je bedoeld hebt met je gedicht, terwijl je hier als dichter nooit aan gedacht hebt (het is me overkomen). Dat maakt de inhoud op het eerste, tweede of elk volgende gezicht dermate inhoudelijk spannend, dat er zelfs voor de dichter nog iets nieuws in te lezen valt.
In het stuk van de Coninck stelt hij zichzelf meermaals de vraag of inhoud in poëzie belangrijk is of juist niet, en zijn conclusie (het zal je niet verbazen) is dat er geen eenduidig antwoord te geven valt op die vraag. Afgelopen week schreef ik een nieuw gedicht getiteld ‘Samara’. Is dit een inhoudelijk gedicht? Zit er in een tweede of volgende lezing meer in dan bij een eerste lezing? Ik denk van niet, het gedicht is een weergave van een moment in taal gegoten. Soms is dat meer dan voldoende.
.
Samara
.
Daar vliegt een helikopter, bestuurd
door een Esdoornpiloot.
De wentelingen van haar rotor-
bladen, onzichtbaar snel aangejaagd
door de zwaartekracht.
.
Tussen loskomen en aarde
tart de wind, kort weliswaar
maar niet onopgemerkt,
de wet van Newton.
.
Dan zet de landing in,
bekwaam professioneel
zoals dat verwacht mag
worden. Van een Esdoornpiloot.
.













