Haagse nacht van de literatuur

René Stoute

.

Zo nu en dan stuit ik in een kringloopwinkel op een kleine verborgen schat. Zo kocht ik voor de luttele som van welgeteld 1 euro de bundel ‘Het laatste woord’ Haagse nacht van de literatuur 1987′ in een kringloopwinkel in de hofstad. Deze bundel is uitgegeven door Stichting de Avonden (jawel) en in het voorwoord, geschreven door Erik Jan Sint en Ritsart Plantenga namens de stichting, schrijven zij: “De Hagenaar lijkt een groot deel van zijn vrije avonden aan lezen te besteden. In weinig steden kan men na 8 uur ’s avonds op straat zo veilig een kanon afschieten. Voor de kunstminnaar valt er in deze stad weinig te beleven. Gelukkig lijkt het culturele klimaat enigszins te veranderen. Experimenten, die wezenlijk zijn voor kunst en cultuur, krijgen een kans. De Haagse Nacht van de Literatuur is één van die experimenten.”

Dat het bij een experiment zou blijven bleek uit het feit dat deze nacht slechts éénmalig werd georganiseerd in het Paard van Troje in Den Haag. Wat dat betreft heeft Den Haag een (negatief) imago hoog te houden; ook de Haagse stadsdichter werd éénmalig benoemd en daarna nooit meer. En het leek zo’n kansrijk idee. In de bundel zijn bijdragen opgenomen van bekende auteurs en van finalisten van onze aanmoedigingsprijs voor literair talent (ook al éénmalig deze prijs). Zo zijn grote namen als Kees van Kooten, Bart Chabot, Boudewijn Büch, Astrid Roemer, Joost Zwagerman, Johnny van Doorn en Kees Stip vertegenwoordigd maar ook Jos de Ree, Maarten Vonder, Sjaak Weg en Bart Brey, voor mij onbekende namen.

Wat ik ook leuk vond om te lezen was dat bij de finalisten van de Avonden-Literatuurprijs 1987 dichter  Pieter Boskma zat (en won). Ik heb uit de bundel voor het gedicht ‘Nazorg’ van René Stoute (1950-2000) gekozen, samen met onder andere Joost Zwagerman, Pieter Boskma, Tom Lanoye en Arthur Lava (ook allemaal vertegenwoordigd in de bundel) lid van dichtersgroep de Maximalen. Met een beetje overdrijving zou je dit een Maximalen bundel kunnen noemen.

.

Nazorg

.

Wij zullen openen

een rusthuis

voor uitgebluste dichters

wij zullen zorgen voor:

trijpen pantoffels

lauwe radiatorbuizen

en elke zaterdag

een glaasje wijn

.

Men zal van ons

niet kunnen zeggen

fat wij de poëzie

een onverschillig hart betoonden

.

Wij zullen eens per maand

de oude dichters

tracteren op wat gaande is

moord & doodslag

en muziek

op de valreep nog een prijs

voor het hele oeuvre

feestelijk voltooide tijd

waarna er tussen 18.00 uur

en 19.00 uur

gelegenheid zal zijn

om nostalgies terug te kijken

.

Dan gooien wij

het graf dicht

en richten op

een zerk met namen

voor onze uitgebluste dichters

die wij tot in lange dagen

een dankbaar hart

toedragen.

.

 

Objectgedichten

Lernert Engelberts

Nog eens

.

Daar sta ik weer voor mijn almaar uitdijende boekenkast (stapels dichtbundels op dichtbundels). En dit keer pak ik zonder te kijken de bundel ‘Ik heb alleen woorden’ De honderd meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie, uit 1998 . De bundel gedichten werd verzameld door Hans Warren en Mario Molengraaf. Ik open de bundel op een willekeurige bladzijde (pagina 70 dit keer) en daar staat het gedicht ‘Nog eens’ van dichter en televisiemaker Lernert Engelberts (1977) dat werd opgenomen uit de bundel ‘Oedipoes werpt jongen’ uit 1996.

.

Nog eens

.

De dood, de mooiste

van alle mogelijkheden,

laat ook vannacht op zich wachten.

Al ligt het koele mes tegen

zijn pols, zijn vlees lijkt van ijzer.

.

Al heeft hij de afscheidsbrief geschreven

-waarin hij vraagt om begrip niet om compassie-

morgenvroeg wordt hij gewoon weer wakker,

slaat de dekens van zich af,

scheurt de brief tot kleine stukjes,

legt het mes terug in de la.

.

Twee koningen

Tim Pardijs

.

Toen ik mijn kast aan het opruimen was kwam ik de krant van Wintertuin Literair Productiehuis ‘de uitvreters‘ tegen uit 2012. In 2017 deelde ik al eens een gedicht uit deze krant van Rinske Kegel. En toen ik de namen las van de bijdragende dichters en schrijvers vielen me een paar dingen op. Een aantal dichters ken ik, hebben op een podium gestaan dat ik organiseerde, heb ik over geschreven en/of hebben een bijdrage geleverd aan MUGzine (Wout Waanders, Elfie Tromp, Rinske Kegel, Maarten Inghels, Dennis Gaens) maar een aantal, met name dichters, ken ik niet.

En omdat ik altijd nieuwsgierig ben naar nieuwe namen en nieuwe dichters (zelfs al zijn ze van jaren geleden of in het ergste geval al overleden) heb ik de krant opnieuw gelezen. Namen als Johan Roos, Oscar Wyers, Bart van Oost, Bessel en Nasja Covers, allemaal dichters die veelbelovend waren, anders waren ze niet opgenomen in deze krant neem ik aan, maar waar ik dus nog niet eerder heb gehoord. Dat zegt op zichzelf natuurlijk niets. Dichters kunnen een andere weg in zijn geslagen (gaan bijvoorbeeld proza schrijven), stoppen met het schrijven van poëzie of hebben, al dan niet bewust, gekozen voor een bestaan in de schaduw.

Een naam die ik ook las in deze krant, is die van Tim Pardijs (1978), voormalig stadsdichter van Zutphen (2013-2014) en tegenwoordig schrijver, dichter, redacteur bij literair tijdschrift Liter en museumdocent bij CODA. Zijn naam kende ik maar ik had nog niet eerder iets van hem gelezen. Daarom, uit ‘de uitvreters’ het gedicht van zijn hand getiteld ‘2 koningen 13:14-19’.

.

2 koningen 13:14-19

.

Dit is hoe ik heers. Schilden geheven de grenzen bewaakt

met vooral: goede pijlen. Van de twee bomen met veren

van de sterkste vogels. Handenvol schieten mijn

mannen er af en geen pijl vliegt zonder mijn doel.

.

Maar vandaag bezoek ik jou, stervende man van God

met je onmogelijke opdracht. ‘Sla tegen de aarde.’

Mijn brandende ogen kijken naar onze handen op de

boog. Het touw snijdt als je woorden door mijn schild.

.

Hoe vaak kan je met een bos pijlen op de grond

slaan voordat de witte veren groezelig worden,

de blanke schachten versplinteren? Hoe leeg

.

wil je mijn handen hebben? Ik voel je

zachte vingers nog op de mijne,

iedere keer als ik een boog span.

.

Tymen Trolsky

Breekbare kruik

.

Schrijver en dichter Jasper Mikkers (1948) debuteerde in 1974 bij De Bezige Bij met de roman ‘Hyacintha en Pasceline’ onder het pseudoniem Tymen Trolsky. Hij publiceerde ook onder het pseudoniem Artur Raven en na 1990 weer onder zijn eigen naam (tussen 1976 en 1990 lag zijn productie stil). Van 2013 – 2015 was Mikkers stadsdichter van Tilburg.

Zijn gedichten worden geschaard onder de Neoromantiek, vooral de gedichten in zijn debuutbundel als dichter ‘Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin’, ook uit 1974. Ze zijn te typeren als een verlangen naar iets groots, meestal de liefde. Het gewone leven is te gewoon, er moet iets groters zijn. De neoromantiek is een reactie op het naturalisme waarbij noodlot centraal staat. Het noodlot is iets bovennatuurlijks en geheimzinnigs, waar de mens geen invloed op kan hebben. Je ziet ook dat neoromantische schrijvers een voorkeur hebben voor het geheimzinnige en fantastische in hun boeken en bundels.

In de bundel ‘Ontmoet de dichters’ uit 1977 van De Bezige Bij, zijn allemaal dichters uit dat fonds opgenomen met een gedicht en enige (bibliografische) informatie. Bijzonder is dat bij Tymen Trolsky als geboortejaar 1950 genoemd staat terwijl op zijn eigen website heel duidelijk 1948 wordt genoemd. Uit deze verzamelbundel nam ik het gedicht ‘Breekbare kruik’.

.

Breekbare kruik

.

Het oliepitje brandt, de waanzin flakkert.

Jij ligt lui in de kuil van je kussen,

je ogen diep en  donker als een put,

je lichaam een kleine, heimelijke kelder,

volgetast met tedere dranken,

ritselend van geuren.

.

De maan, Spaanse gitana, danst

naakt en zingt

onhoorbaar.

Een krekel die zijn  horloge opwindt.

.

Als boer vermomd begeef ik mij

op jouw erf, naar jouw put,

om een emmer mosgroene tederheid uit je op te takelen.

Bedroefd en dronken als een waard

daal ik in jouw kelder af

om je met mijn tong af te stoffen

en behoedzaam aan te breken:

.

Breekbare kruik op een wankele plank.

.

Ewewig

Dichter aan huis

.

Tussen 1991 en 2011 organiseerde de stichting ‘Dichter aan huis‘ een tweejaarlijks poëzie-evenement, vanaf 2013 gecombineerd met proza, in huiskamers in Den Haag. Het programma bood ruimte aan poëzie in al zijn facetten, van hermetische poëzie tot light verse, en proza in alle disciplines zoals fictie, non-fictie, thrillers, reisverhalen, geschiedenis en biografieën. Helaas, met nog een herstart in 2016, bleef het bij 11 edities en werd de stichting die dit bijzonder sympathieke en zeer goed bezochte evenement organiseerde, in 2017 opgeheven.

Maar zoals er altijd bij ‘Dit was het nieuws’ wordt gezegd, ‘Gelukkig hebben we de foto’s nog’ of in het geval van Dichter aan huis; Gelukkig hebben we de bundels nog. Want in de loop van de tijd dat dit evenement werd georganiseerd, werden er bundels met poëzie uitgegeven van de deelnemende dichters. En dat waren niet de minste. Heel veel bekende dichters kwamen de huiskamers van gewone Hagenaars binnen om daar voor een klein maar zeer geïnteresseerd publiek hun poëzie voor te dragen.

In de loop der tijd heb ik verschillende van de uitgegeven bundels weten te bemachtigen. En afgelopen week heb ik weer een exemplaar (1997) gekocht met de titel ‘Alleen de kamer luistert’ een zin genomen uit het gedicht ‘Nacht’ van Johanna Kruit (1940-2026) dat in de bundel is opgenomen. Het omslag werd genomen uit een tekening van een andere deelnemende dichter Eva Gerlach (1948). Ook opgenomen is het gedicht ‘Ewewig’ van Herman de Coninck (1944-1997).  Hij zou meedoen aan de editie van 1997 maar tijdens de voorbereidingen kwam het bericht dat hij plotseling was overleden. Hij zou als een van de meest prominente dichters deelnemen aan de manifestatie. Als eerbetoon werd het door hem ingezonden gedicht ‘Ewewig’ in de bundel opgenomen. Omdat Herman de Coninck al sinds jaar en dag een van mijn favorietste dichters is en het gegeven dat het alweer even geleden is dat ik een gedicht van hem plaatste, is reden genoeg om het gedicht, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Vingerafdrukken‘ uit 1997 hier met jullie te delen.

.

Ewewig

.

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelooflijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ’t is zondag.’

.

Later verteld Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog stil bleef liggen

.

was de muur waterpas. Zo schrijft werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.

.

Woorden vallen uiteen

Sasha Stiles

.

In 2018 vroeg Sasha Stiles(1980), een Kalmykisch-Amerikaanse dichter, kunstenaar en AI-onderzoeker van de eerste generatie, zich af wat de opkomst van grote taalmodellen zou betekenen voor schrijvers en voor creativiteit in het algemeen. Om de mogelijkheden te verkennen, begon ze meer dan tien jaar aan analoge gedichten en onderzoek te vertalen naar een gepersonaliseerd AI-model, waarbij ze de menselijke stem aanvulde met de verbeeldingskracht van de volgende generatie.

Ze wordt algemeen erkend als een pionier op het gebied van generatieve literatuur en taalkunst. ‘Technelegy’ (2021), een gezamenlijk project van Stiles en haar poëtische alter ego,  is een vooruitziend artefact uit het tijdperk vóór ChatGPT, een verzameling generatieve gedichten ingebed in hun eigen trainingsdata, en een ongekend experiment dat verleden en toekomst, vrouw en machine, vers en code, elegie en woordspel versmelt, op zoek naar antwoorden op de dringende vraag: wat betekent het om mens te zijn in een bijna postmenselijke wereld? 

In een tentoonstelling getiteld “Poem in Residence” in het Museum of Modern Art in New York (MoMA) die tot het voorjaar van 2026 liep, onderzochten Sasha Stiles en haar samenwerkingsverband Technelegy wat het betekent om te leven in het tijdperk van kunstmatige intelligentie. Via een oneindige tekst, aangedreven door menselijke verbeelding en computeralgoritmes geïnspireerd op tekstkunst uit de collectie van MoMA, herschrijft het gedicht zichzelf elk uur. Wat hieruit voortkomt is niet alleen een nieuwe generatieve methodologie, maar ook een kader voor het begrijpen en uitdrukken van wat het betekent om vandaag de dag mens te zijn. 

Hieronder zie je een paar voorbeelden en van het eerste voorbeeld ook de tekst.

.

Words come undone
in our hands —
a pulse not heard
but felt. Deep
within, vibrations stir
the core. You
read — lines
form, meanings
shift. Each
mark a revelation.

.

Ruisen van berken, een recensie

Jan Kleefstra

.

De Friese dichter Jan Kleefstra (1964) is geen onbekende, zo stond hij in MUGzine #30 en ik schreef al eens eerder over hem op dit blog. En nu is er een nieuwe bundel van hem gepubliceerd bij uitgeverij Aspekt met als titel ‘Ruisen van berken’.

De bundel is netjes uitgegeven met een omslagafbeelding van een berkenbos van Christiaan Kuitwaard. De bundel kent geen hoofdstukken en de gedichten hebben geen titels.

Het openingsgedicht lijkt een soort mantra voor de bundel te bevatten:

.

Fluister maar niet

in al dit gedruis ga je toch verloren

.

zo nu en dan een klein woord ertussendoor

.

wind heeft tijdenlang nodig de op hoge

stelten vertrokken verzen neer te halen

.

hier en daar als zaad neergestrooid

halen ze de oneindigheid niet

.

maar als je hier zo graag wilt leven

.

heb nog een beetje geduld

.

In dit gedicht maar dit is in vrijwel alle gedichten het geval, verhoudt de dichter zich tot de natuur. En dan niet alleen de natuur van de berken in de titel (maar daarover later meer) maar allerlei vormen van natuur; vogels (ik noteerde de zwaluw, de lijster, de gans, de leeuwerik, de stern, de havik, de raaf, de spreeuw en de meeuw), het weer (regen, wind, wolken, mist) maar ook het leven in een dorp (het uitzicht, de beperkingen van een dorp, de weilanden, het bos) en de seizoenen (en dan vooral de winter).

De dichter neemt je mee in zijn wereld, en beschrijft deze in een mix van de genoemde onderdelen: “pas dan schudt ook de wind haar veren” of “licht dat een wulp meebracht”, “dat zwaluwen een dag langer / de winter zacht maken” of “het vogelarm sjouwen van de voortjagende hemel”.

Wat verder opvalt is het ontbreken van de mens in de gedichten. Er is een ik van waaruit indrukken en ervaringen worden gedeeld en benoemd, de dichter die alles ziet, in zich opneemt, hoort en weergeeft in poëzie. Ik weet niet of dat het is dat de gedichten mij tot rust brengen, of dat bij elk gedicht de lezer in ‘rust’ (ook als er wind waait of berken ruisen) wordt gesust, maar het werkt.

Dat de  bundel ‘Ruisen van berken’ als titel heeft meegekregen verraste me na lezing. De berken komen eigenlijk pas voor in de laatste gedichten. Veel prominenter aanwezig zijn de wind, de meeuwen en de wolken die vanaf het begin tot het einde regelmatig langskomen. Omdat de bundel geen hoofdstukken kent en de gedichten geen titels is het eigenlijk een lang verhalend gedicht dat in stukjes is opgeknipt. Dat zorgde er bij mij in ieder geval voor dat ik de bundel in één stuk heb gelezen, de dichter gunt je geen rust maar schenkt je die in de vaak verstilde gedichten. Ik heb ervan genoten.

Tot slot nog een gedicht uit de bundel.

.

Maar aan één zijde van de sloot waait het

laten we daar gaan zitten

een territorium verover je niet zomaar

.

het nadert anders dan het ons achterlaat

.

de onrust van de meeuwen

voorspelt een hongerig voorjaar

.

kijk maar wat er siddert

daar waar met de eenden

plekken onberoerd zijn gebleven

.

.

 

Marcel Lucont

Poëzie en humor

.

Al enige tijd komen er video’s van de Engelse komiek en dichter Marcel Lucont (pseudoniem van Alexis Dubus) langs in de tijdlijnen van mijn social media. Deze veelvuldig bekroonde flaneur, verhalenverteller, komiek, dichter en levensgenieter reist momenteel de wereld rond, charmeert vrouwen en beledigt de dommen. Zijn droogkomische stand-upcomedy, sekspoëzie van wereldklasse en schunnige chansons zijn een enorm succes in heel Europa, Australië en Amerika.

 Dubus (1979) studeerde filosofie en psychologie aan de Universiteit van Warwick , waar hij lid werd van de sketchgroep Ubersausage. In 2003 richtte hij samen met collega-komiek Sy Thomas de comedyclub Falling Down With Laughter op in London Bridge. De club bestond tot 2010. Dubus is bestuurslid van The Alternative Comedy Memorial Society , waar hij in verschillende hoedanigheden is opgetreden. Dubus studeerde Le Jeu en Clowning aan École Philippe Gaulier onder meesterclown Philippe Gaulier. Daar heeft hij ongetwijfeld zijn alter ego Marcel Lucont ontwikkeld. 

Voor zijn werk ontving hij al  vele prijzen zoals tweemaal een prijs voor de beste comedyshow. In zijn shows, en daarom schrijf ik erover, draagt hij regelmatig gedichten voor. Die gedichten zijn behalve heel knap ik elkaar gezet, ook vaak heel humoristisch. Ik heb gezocht naar de geschreven tekst van een van zijn gedichten maar heb deze niet gevonden. Daarom een video van hem tijdens een show waarin hij het vapen op de hak neemt.

.

 

Eerste groet

Lévi Weemoedt

.

Vrijdag dus een keuze uit mijn boekenkast zonder te kijken welke. In dit geval blijkt het de bundel ‘Met enige vertraging’ van Lévi Weemoedt (1948) te zijn uit 2014. De bundel opengeslagen op een willekeurige pagina (23 in dit geval) en daar staat het gedicht ‘Eerste groet’.

.

Eerste groet

.

Komt u uit Limburg, dan is het een eindje reizen,

woont u in Drenthe, dan is het vlak om de hoek,

maar u kunt mij al de eerste eer bewijzen

als u het kerkhofje van Rolde bezoekt.

.

Er ligt daar al een strookje gras te wachten

tot ik de geest geef, als ik zoiets had.

’t Is nu nog heerlijk rustig op dat pad:

ik sta er zelfs soms ook, verzonken in gedachten.

.

Ja, u hoort het goed: u kunt me daar nog ontmoeten,

wat maar de vraag is als u naar de groeve gaat

van andere dichters: Achterberg of Bloem.

.

Ik bedoel maar: hoe vaak zult u het graf  bezoeken

van een schrijver die nog levend vóór u staat

en dankt voor uw eerste groet? Ik zou het maar gauw doen.

.