Zachtheid
Sylvia Plath
.
Met enige regelmaat pak ik dichtbundels uit mijn kast. Om een gedicht te zoeken, om te genieten van wat een dichter heeft geschreven, om inspiratie op te doen of om in de categorie Uit mijn boekenkast verrassende gedichten te delen. Een van de bundels die ik met enige regelmaat ter hand neem is ‘Ariel‘ uitgegeven in 1965 van Sylvia Plath (1932-1963). Plath neemt een bijzondere plaats in in het poëtisch landschap wat mij betreft; een leven met een biploaire stoornis, een romance met Ted Hughes (prachtig beschreven in de roman ‘Jij zegt het‘ van Connie Palmen) en natuurlijk haar zelfmoord.
Lezend in de bundel bleef ik ‘hangen’ bij het gedicht ‘Zachtheid’. Allereerst omdat het (in de vertaling van Anneke Brassinga) zo’n prachtig gedicht is maar ook omdat het gedicht me doet denken aan alle ellende in de wereld, de oorlogen, de onverdraagzaamheid, de polarisatie. Dan is een gedicht als ‘Zachtheid’ een fluwelen pleister voor de ziel.
.
Zachtheid
.
Zachtheid schuifelt door mijn huis.
Vrouwe Zachtheid, zij is zo lief!
De blauwe en rode stenen van haar ringen
Doen de ramen beslaan, de spiegels
Zijn vol van haar glimlach.
.
Wat is echter dan de kreet van een kind?
Het krijsen van konijnen mag dan wilder zijn,
Maar een ziel heeft het niet.
Suiker geneest alles, zegt Zachtheid.
Suiker, broodnodige vloeistof,
.
De kristallen een klein compres.
O zachtheid, zachtheid,
zo zoetjes raapt zij de scherven!
Mijn Japans zijden gewaden, wanhopige vlinders,
Kunnen ieder moment worden opgeprikt, bedwelmd.
.
En daar kom jij, met een kop thee
In sluiers van stoom.
De bloedfontein is poëzie,
Niet te stelpen.
Twee kinderen reik je mij, twee rozen.
.
Hans Mirck
Gedicht over de oorlog
.
Naar aanleiding van een ansichtkaart die ik vond tussen mijn spullen (van tijdschrift Liter) met daarop een regel uit een gedicht van Lans Stroeve, ging ik eens neuzen op de website van ‘Liter’. Daarop kwam ik een gedicht van Hans Mirck tegen met een intrigerende titel geschreven aan het begin van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.
Hanz Mirck (1970), is docent Nederlands en vertaler, muzikant, dichter, ex-stadsdichter van Zutphen en Apeldoorn (dat kan, zie ook Joris Brussels) en schrijver. Hij studeerde Nederlands aan de Universiteit Utrecht en studeerde af met de scriptie over de overeenkomsten tussen de teksten in Bredero’s Groot Lied-boeck en de popgroep Doe Maar. Hij gaf de teksten van de band uit in hun definitieve vorm in het boek “Dit is alles”.
Mirck organiseerde in Zutphen jaarlijks een poëziefestival en ook coördineerde hij voor de Zutphense gemeentelijke literaire stichting alle optredens. Hij was werkzaam voor de Ida Gerhardt Poëzie Prijs en lid van verschillende literaire jury’s. In 2002 debuteerde hij met de bundel ‘Het geluk weet niets van mij’, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2003 en tot ‘aanrader’ bestempeld door Neeltje Maria Min en Gerrit Komrij. Na deze prijs werd hij gevraagd voor de jury van de J.C. Bloemprijs en bekleedt hij deze functie nog steeds.
In 2007 ontving hij de J.C. Bloemprijs voor zijn bundel ‘Wegsleepregeling van kracht’ (2006) en inmiddels staan er zeven dichtbundels alsmede romans en kindergedichten in zijn bibliografie. Mirck is ruim tien jaar actief als schrijfdocent en redacteur, onder andere voor de popgroep BLØF. Ook was hij redacteur van het literaire tijdschrift Parmentier en voor uitgeverijen als Passage en Vassallucci.
Het gedicht in ‘Liter’ heeft een nieuwsgierig makende titel en kun je hieronder lezen.
Recensie van het optreden van het Russisch staatsorkest in
het theater van Marioepol
Een goede noot vindt altijd een goede plaats
maar vanavond struikelden de triolen grotesk
over elkaar, syncopen waren kreupele cyclopen,
de crescendo’s onmachtig lawaai.
Dit was geen musiceren maar vreugdeloos
opvolgen van instructies. Een muziekstuk is de weg
van verre dreiging naar warm licht, loutering,
een climax van mededogen.
De violisten leken laf achter elkaar aan te strijken.
De paukenisten waren blinde kinderen
in een contrapuntisch zwembad,
slagwerkers blikslagers op een kinderboerderij,
de houtblazers megalomane pyromanen
en de koperblazers het luchtalarm,
de pianist speelde geen enkele noot
die niet gelogen was.
Was het zuiver, was het vals? Het was ongeïnspireerd.
De musici leken zelf niet in hun partij te geloven, zo wordt muziek
nooit magisch. Als het bombastisch moet klinken,
laat het dan ook bombastisch klinken!
Een goed stuk zorgt dat alle mensen in de donkere zaal
het innig met elkaar eens zijn, nu bleef de twijfel afleiden.
Een meesterwerk maakt alle ogen even vochtig,
nu knipperden we alleen, als doven.
En dan de dirigent. Te laat, dronken, ongearticuleerd.
Hij leek de enige die wel in vervoering was, terwijl juist hij
de enige zou moeten zijn die het hoofd koel hield.
Hij leek vooral naar huis te willen. Net als wij allemaal.
.
Van alles de laatste
Elise Vos en Eddy Verloes
.
In de bundel ‘Van alles de laatste’ uit 2025, scharen dichter Elise Vos (1984, dichter en Slavist) en Eddy Verloes (1959, germanist, fotograaf, galerist en curator) zich rond het begrip vergankelijkheid en willen ze schoonheid toevoegen aan deze existentiële zoektocht. Hun observaties leggen onomstotelijk vast dat er een prachtige wereld verborgen ligt in die tijdelijkheid. Het verdiept de waarde van mensen, dingen en relaties. Het geeft een extra dimensie aan onomkeerbaarheid, aan te laat zijn.
Dit lees ik achterin de bundel ‘Van alles de laatste’ en ik kan het er alleen maar mee eens zijn. Vergankelijkheid in al zijn vormen (afbraak, leegstand, verrotting, slijtage, ineenstorting) blijkt steeds opnieuw een bron van inspiratie voor kunstenaars (en dus ook dichters en fotografen). Zo ook dus voor Elise en Eddy.
In 27 sfeervolle foto’s van vergankelijkheid en even zoveel gedichten nemen de beide auteurs je mee in hun wereld. Qua uitvoering en formaat deed de bundel me even denken aan mijn debuutbundel waarnaar dit blog is genoemd maar de foto’s en de gedichten zijn van een andere aard. Voor wie van pure fotografie houdt waarbij het in veel gevallen niet meteen duidelijk is waar je naar kijkt en de daarbij gemaakte gedichten die licht schijnen op deze onduidelijkheid (vanuit de dichter) is dit zeker de moeite waard te lezen en te bekijken (en ervaren!).
Ik koos voor het gedicht ‘Afscheidsritueel’ behorende bij de foto ‘The Origen’ op pagina 46 en 47.
.
Afscheidsritueel
.
altijd was er meer water dan aarde
elke bodem kon ons dragen
.
ik bracht de koude van de bron
aan tafel in stilte, de kracht intact
.
rolde over dampende weidegrond
het vocht drong binnen
voor de droogte intrad
.
maar kiemen werden gedragen
door wolken draden
en je kleed in geitenhaar
.
dit is geen verzoek, keer niet terug
ik strooi zout in je schoenen
.
knoop alvast een rode draad
om je gezwollen lichaam
.
leg een naald onder je kussen
het kind op de welving van je buik
.
Gekozen
Duhita Cori Kresge
.
Veel mensen hebben dans omschreven als “poëzie in beweging”. Maar voor de Amerikaanse Cori Kresge gaat de relatie tussen poëzie en dans veel dieper. Deze danseres, schrijfster, dichter, docente en lichaamstherapeute uit New York City debuteerde in 2019 met de bundel ‘Isn’t Devotion’.
Over de bundel en de inhoud zegt ze: “Dertien jaar lang was mijn familie betrokken bij een spirituele sekte die me volledig in beslag nam, me betoverde en me langzaam maar zeker zou hebben vernietigd. Op achttienjarige leeftijd werd ik plotseling en op mysterieuze wijze uit de sekte gezet. De bundel ‘Isn’t Devotion’ is een klein altaartje om de dood van mijn jonge geloof te verwerken. Deze dood is definitief. Daar heb ik voor gezorgd. Ik schreef deze gedichten om mezelf weer toegang te verschaffen tot een wereld die me buitensloot. Deze dichtbundel is een inbreuk op het goddelijke, een lofzang op ongeloof en een voorzichtige poging tot vergeving.”
Over de combinatie van dansen en poëzie zegt ze: “Beide vormen, dansen en poëzie, van communicatie voelen aan als de puurste en meest directe manieren waarop ik kan deelnemen aan een gesprek dat groter is dan mezelf. Ik verlang naar verbinding, naar intimiteit, en dansen en schrijven zijn de manieren waarop ik dat vind. Ik wil in gesprek zijn met de mensheid; ik wil mijn kleine stem toevoegen aan dit veel grotere koor van de waarheid.”
Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Chosen’.
.
Chosen
.
When God wants to gets rid of you
He doesn’t do it Himself
He sends His secretary
she takes you down
into a walk-in freezer
you sit on a white plastic bucket
there are shelves
with gallon jars of rose syrup
mango pickle frozen
cream cheese in bulk
you are tied down by your dress six yards
of imitation silk with floral print snakes
around you getting tighter
the secretary stands close and holds a knife
shaped like a note and a picture of Him
in front of your face and the knife goes slowly
slowly into your ribs until
it’s all the way in
and she says He told me to tell you
He loves you He loves you and He wants you
to carry His love with you far
far away and you say but this will kill me
I will die and you
give the knife back
and God’s secretary says nothing
.
AMAI en MUG
Instadichtersbal
.
Ik wil één gedicht voor alle vrouwen. Het zou een
monument worden en tegelijkertijd een toevluchtsoord
van woorden die nodig zijn om een plek te bouwen
die ons heel houdt.
Ik schrijf er kamers in. Zinnen zijn het pleisterwerk
op wonden, de wanden slechts in potlood,
zodat we vrij zijn om ons binnen of buiten de lijnen
te bewegen. Ze uit te vegen tot zachte roze rullen
die we wegblazen als een kus van een vlakke hand.
Hier is een plek voor de vrouw die inwaarts schreeuwt
zo hard ze kan in een land waar zij wordt stuk gezwegen.
Er is een bed voor de vrouw die nog leeft, omdat ze
deed waar zij het bangst voor was. Een rugtas en haar
kind in halfslaap op de heup genomen.
Hier komen de vrouwen die niet voldoen, omdat de
norm een vorm is die niemand past. Je hoeft
maar weinig te doen om een lastige vrouw te zijn.
In dit gedicht ligt een wet te wachten die zacht is
voor het vrouwenlijf. Hier verblijven zij die
kozen of dat niet mochten, hulp zochten, maar niet
kregen, achterbleven met een lege schoot of meer leven
dan ze konden dragen.
Hier is plek voor Zij Die Hen zullen heten of een M in hun pas
kregen als een verkeerd gespelde naam. Hier gaan de vrouwen
die niet bidden tot de goede God of de juiste huid bewonen.
Hier zal het meisje wonen die in bomen klimt en probeert
om staand te plassen. Hier past de vrouw die niet geloofd wordt,
beroofd en weggehoond wordt. De vrouw die moeder, loeder, hoer,
secreet, een nymf, een milf, frigide heet. Een maagd, een heks,
te sexy is, die lesbisch is of niet meer van mannen houdt, de vrouw
die ziek is of te oud, want niet meer vruchtbaar is,
het vermogen mist tot gehoorzaamheid.
Ik wil één gedicht voor alle vrouwen. Opgevouwen tot
een klein geheim, bewaard in de zakken van jurken en
broeken, onder sluiers en de bandjes van een kanten bh.
En dat we het aan elkaar kunnen geven of herlezen
wanneer we zoeken naar woorden, een plek die vrouwen
heel houdt of onszelf.
.
Jouw muren vormden maar een huis
Saskia De Vriese
.
In 2025 verscheen bij uitgeverij De Zeef de bundel ‘Vulpasta’ van Saskia De Vriese (1978). In het dagelijks leven begeleider van personen met een beperking en hun netwerk, in haar vrije tijd dichter. Deze bundel behaalde de shortlist van De Zeef Poëzieprijs en eerder, in 2023 won zij met haar gedicht ‘Jouw muren vormden maar een huis’ dat ook in ‘Vulpasta’ staat, de Poëzieprijs Boontje in Dendermonde.
Zij volgde poëziecursussen bij ‘De Dichters’ en lessen bij Ivo van Strijtem. Gedichten van De Vriese verschenen in verschillende gelegenheidsbundels en bloemlezingen en haar gedicht ‘Bewaarder’ die ook in ‘Vulpasta’ is opgenomen, was het Uitverkoren gedicht van Woordentij in juli 2025. In een recensie op Meander schrijft Taco van Peijpe dat Saskia De Vrieze met de bundel ‘Vulpasta’ een origineel en overtuigend debuut heeft geschreven: ‘In eenvoudige taal, zonder een woord te veel, geeft de dichter indringende sfeertekeningen. Bij elkaar vertellen de gedichten over belevenissen van een hoofdpersoon die zich ontwikkelt als was het een romanpersonage.’
Ik heb gekozen voor het fraai gecomponeerde gedicht ‘Jouw muren vormden maar een huis’ waarvan ik goed begrijp dat dit gedicht bekroond werd.
.
Jouw muren vormden maar een huis
.
ik wist al aan je voordeur dat ik niet lang zou blijven
een hoge drempel binnenshuis
geen kapstok voor mijn oude jas in je hal
te grote maten in je keuken
te weinig kruiden in je kast
.
op zolder stof van jaren ongeduld
dat de haren in mijn neus liet kriebelen, niet mijn zinnen
gegolfde pannen op je dak
waren die van glas gemaakt, ik had wat langer kunnen blijven
.
en in je tuin alleen een afgezaagde eik
die niet meer neer hoeft te kijken
op de adders onder het gras
geen weelderig groen
geen enkel achterpoortje
.
Nacht van de poëzie
Peggy Verzett
.
Vandaag pakte ik, zonder te kijken, uit een reeks dunne dichtbundeltjes de bundel ‘Nacht van de Poëzie, 2006’ uit mijn kast. Deze bundeltjes met gedichten van deelnemende dichters aan de Nacht zijn klein van omvang (22 dichters met bijna allemaal 1 gedicht) dus het was eenvoudig om de bundel ergens halverwege opnieuw ongezien te openen en daar de dichter Peggy Verzett (1958) te ontdekken met een gedicht zonder titel. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in haar bundel ‘Prijken die buik’ (2005) uit de cyclus ‘Cultnat’. Verzett is dichter, beeldend kunstenaar (olieverfschilderijen) docent Nederlands en Beeldende Vormgeving.
In 2010 verscheen van haar de bundel ‘Vissing’, in 2016 de bundel ‘Haar vliegstro‘, in 2021 de bundel ‘Sneeuweieren / Snow Eggs’ en in 2023 de bundel ‘een ronde bol een ronde bol’. Uit de festival bundel van de Nacht van de Poëzie het volgende gedicht.
.
wij zagen een geborduurde
en een gevorderde winnaar
.
wij kozen de gevorderde
met de verre stad
.
achter droeg een verre stad met een brede rivier
toe-toe-toebedeelde morgens op willekeurige doorsneden
.
onze bladschuiven valhoogten en composieten
de wind weegt het vlees van de hypocrises
.
Anna!
hier is wat fraais begonnen
zet ’t likhout op een kier
.
door de gaten van onze kapsels
helt een lucht van gewelfde zucht
,
tussen de lamplicht en lamplicht
die langs zouden komen
.
Gouden munt
Tj. A. de Haan
.
In 2019 schreef ik een blogpost over de bundel ‘Album van de Indische poëzie‘ uit 2014. Ik plaatste daar toen een gedicht bij van de dichter Tj. A. de Haan. Naar aanleiding van dat bericht kreeg ik een reactie van zijn zoon die mij meer kon vertellen over zijn vader Tjaarda Aldert de Haan (1909-1984). Naar aanleiding van dit bericht heb ik een paar keer met dhr. de Haan gebeld en hij heeft zijn zus, mevrouw A.M. Schermer – de Haan gevraagd om mij een exemplaar van ‘Gouden munt’ en ‘Mnémosyné’ toe te sturen, wat ik graag aanvaarde. De bundel ‘Gouden munt‘ mocht ik houden en daar heb ik later weer een gedicht uit gedeeld.
Nu kreeg ik deze week opnieuw een reactie op mijn blog, dit keer van de zoon van Aldert Willem de Haan, Peter de Haan, en dus de kleinzoon van Tj. A. de Haan, dat zijn vader vorig jaar is overleden op 90 jarige leeftijd. Op zijn blog schreef hij een bericht over zijn vader en grootvader. Als eerbetoon schreef hij er een gedicht over. Ik heb goede herinneringen aan mijn gesprekken met Aldert Willem, ze waren inhoudelijk en hij wist veel over zijn vader te vertellen. Als eerbetoon van mij aan hem een gedicht van zijn vader (volg je me nog?) uit zijn bundel ‘Gouden munt’ uit 1975 en wel het titelgedicht.
.
die glansde in de zon,
een munt die ik aan niemand
en nooit meer kon geven.
ik hield hem vast in mijn droom,
ik hield hem vast als een vogel,
zo rustig in een boom.
was de munt plotseling
voorgoed uit mij verdwenen,
ik weet niet meer waarheen.
nu loop ik door de stad,
en vraag aan alle mensen:
wie heeft mijn munt gehad?
Ik ben!
John Clare
.
Ik schreef al eerder over een roman die ik aan het lezen ben ‘Wat we kunnen weten‘ van Ian McEwan. Nu ik de roman heb uitgelezen kan ik alleen maar zeggen: Lees dit fantastische boek! In dit boek zit zoveel; liefde, spanning, kijk op de toekomst en op de tijd van nu, een inkijkje in het literaire leven in Engelse universiteitssteden, een doemscenario, de klimaatverandering, suspense en ga zo nog maar even door. Razendknap gecomponeerd en, de reden dat ik dit boek ben gaan lezen, de zoektocht naar een verloren gewaand gedicht van uitzonderlijke schoonheid.
Ik zal hier niet verklappen hoe het verhaal gaat, maar dat ik vooral het tweede deel van het boek aan één stuk heb uitgelezen, maakt het voor mij een klein meesterwerk. En dan heb ik het nog niet over alle dichters, de stukken en quotes uit gedichten en de verhalen over poëzie en de wereld daarachter. Juist dat element maakte dat ik met enige regelmaat aantekeningen maakte voor dit blog. Wat te denken bijvoorbeeld van een van de hoofdpersonen Vivien die een dissertatie schreef over de Engelse dichter John Cale.
John Clare noemde ik in een post over de bundel ‘Country poems‘ nog een minder bekende naam. Wist ik veel dat John Clare (1793-1864) wordt gezien als een belangrijke 19e-eeuwse Engelse dichter en ook wel de ultieme romantische dichter wordt genoemd. Met bewondering voor de natuur en begrip van de orale traditie, maar met weinig formele scholing, schreef Clare talloze gedichten en prozastukken, waarvan vele pas postuum werden gepubliceerd.
Zijn werken belichten op prachtige wijze de natuur en het plattelandsleven en tonen zijn liefde voor zijn vrouw Patty en voor zijn jeugdliefde Mary Joyce. Hoewel zijn eerste boek ‘Poems Descriptive of Rural Life and Scenery’ (1820) , populair was bij zowel lezers als critici, had Clare het lange tijd moeilijk om professioneel door te breken. Zijn werk werd pas zo’n honderd jaar na zijn dood op grote schaal gelezen. Waarschijnlijk zijn beroemdste gedicht is ‘I am!’ dat verscheen in ‘The life of John Clare uitgegeven een jaar na zijn dood in 1865.
.
I am!
.
I am! yet what I am none cares or knows,
My friends forsake me like a memory lost;
I am the self-consumer of my woes,
They rise and vanish in oblivious host,
Like shades in love and death’s oblivion lost;
And yet I am! and live with shadows tost
.
Into the nothingness of scorn and noise,
Into the living sea of waking dreams,
Where there is neither sense of life nor joys,
But the vast shipwreck of my life’s esteems;
And e’en the dearest—that I loved the best—
Are strange—nay, rather stranger than the rest.
.
I long for scenes where man has never trod;
A place where woman never smil’d or wept;
There to abide with my creator, God,
And sleep as I in childhood sweetly slept:
Untroubling and untroubled where I lie;
The grass below—above the vaulted sky.
.














