Site-archief

Wie niet lacht, krijgt een 8

Dichter aan huis op herhaling

.

Op 11 augustus jongstleden schreef ik een stuk over een bundel van Dichter aan huis uit 1997 met de titel ‘Alleen de kamer luistert‘ met daaruit het gedicht van Herman de Coninck ‘Ewewig’. Wat schetst mijn verbazing toen ik afgelopen weekeinde in een kringloopwinkel, opnieuw een bundel uitgegeven ter gelegenheid van dit poëzie-evenement, tegen kwam (en kocht uiteraard).

In tegenstelling tot de andere bundeltjes van Dichter aan huis, is dit een afwijkend formaat, waar de andere bundeltjes redelijk klein van formaat zijn, is deze bundel met de titel ‘Wie niet lacht, krijgt een 8’ uit 1995, juist groot, een halve A4 in de lengte. Ontzettend onhandig om een plekje te geven in je boekenkast maar wel mooi overzichtelijk van bladspiegel.

In het voorwoord schrijft Greetje van den Bergh, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, en tevens een van de financiers achter dit project (de Nederlandse Taalunie) het volgende: Dichter aan huis – een 0nvertaalbare naam voor een lovenswaardig initiatief. Onvertaalbaar vanwege de connotatie ‘dichterbij’ die in andere talen niet is te vangen. De dichter komt aan huis en daardoor dichterbij. Hij wordt zichtbaar, hoorbaar en daardoor aanraakbaar. Zoals in de achttiende-eeuwse salons. Ook daar werden ontvangsten thuis gecombineerd met literatuur evenals trouwens met muziek en debat.”

Of het er zo voornaam aan toeging in de Haagse huiskamers in de jaren ’90 van de vorige eeuw weet ik niet, dat men een keur aan dichters had weten te strikken voor dit geweldige poëzie evenement staat als een paal boven water. Naast vele Haags en Nederlandse dichters als H. H. ter Balkt, Benno Barnard, Wiel Kusters, Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min, Rogi Wieg en Simon Vinkenoog, sloten ook Vlaamse dichters aan als Willy Spillebeen, Roel Richelieu Van Londersele, Christine D’haen, Lut De Block en Herman de Coninck. Maar liefst 53 dichters reisden af naar de hofstad voor dit feest der poëzie.

Uit deze bundel koos ik dit keer voor een gedicht van de Vlaamse dichter, schrijver, essayist, publicist en vertaler  Geert Van Istendael (1947) met de titel ‘Groot boerderijdak’.

.

Groot boerderijdak

.

Het dak ligt op zijn buik. Nee, hààr buik, dak

is moederlijk. Dak mompelt ‘ons’ tot kepers

en vee en kind. Damast of voddenbak,

dak houdt ze droog. Een dak torst zon en regen,

geil en venijn verleent het onderdak.

.

Gebinte vouwt de vingers tot gebeden.

Als eik zo hard is de arbeid van de boer.

Hij dekt zijn dak. Zijn moeder. Dikke hoer.

.

Zachtheid

Sylvia Plath

.

Met enige regelmaat pak ik dichtbundels uit mijn kast. Om een gedicht te zoeken, om te genieten van wat een dichter heeft geschreven, om inspiratie op te doen of om in de categorie Uit mijn boekenkast verrassende gedichten te delen. Een van de bundels die ik met enige regelmaat ter hand neem is ‘Ariel‘ uitgegeven in 1965 van Sylvia Plath (1932-1963). Plath neemt een bijzondere plaats in in het poëtisch landschap wat mij betreft; een leven met een biploaire stoornis, een romance met Ted Hughes (prachtig beschreven in de roman ‘Jij zegt het‘ van Connie Palmen) en natuurlijk haar zelfmoord.

Lezend in de bundel bleef ik ‘hangen’ bij het gedicht ‘Zachtheid’. Allereerst omdat het (in de vertaling van Anneke Brassinga) zo’n prachtig gedicht is maar ook omdat het gedicht me doet denken aan alle ellende in de wereld, de oorlogen, de onverdraagzaamheid, de polarisatie. Dan is een gedicht als ‘Zachtheid’ een fluwelen pleister voor de ziel.

.

Zachtheid

.

Zachtheid schuifelt door mijn huis.

Vrouwe Zachtheid, zij is zo lief!

De blauwe en rode stenen van haar ringen

Doen de ramen beslaan, de spiegels

Zijn vol van haar glimlach.

.

Wat is echter dan de kreet van een kind?

Het krijsen van konijnen mag dan wilder zijn,

Maar een ziel heeft het niet.

Suiker geneest alles, zegt Zachtheid.

Suiker, broodnodige vloeistof,

.

De kristallen een klein compres.

O zachtheid, zachtheid,

zo zoetjes raapt zij de scherven!

Mijn Japans zijden gewaden, wanhopige vlinders,

Kunnen ieder moment worden opgeprikt, bedwelmd.

.

En daar kom jij, met een kop thee

In sluiers van stoom.

De bloedfontein is poëzie,

Niet te stelpen.

Twee kinderen reik je mij, twee rozen.

.

 

Vrouw in de ruit

Ingrid de Kok

.

De Zuid Afrikaanse dichter Ingrid de Kok (1951) is niet zo bekend in Nederland. Naast auteur en dichter is ze verbonden aan de Universiteit van Kaapstad  als universitair hoofddocent extramurale studies. Ze is vooral bekend als de schrijfster van het gedicht ‘woman and children first‘, een gedicht over vrouwen en kinderen die als eerste gewond raken, maar altijd als laatste worden verzorgd. Daarnaast is ze lid van PEN International,  een wereldwijde vereniging van schrijvers, opgericht in Londen in 1921 om vriendschap en intellectuele samenwerking tussen schrijvers overal te bevorderen, met autonome International PEN-centra in meer dan 100 landen.

Ze debuteerde in 1988 met de bundel ‘Familiar Ground’ en tussen 1977 en 2006 werden de gedichten van De Kok gepubliceerd in talloze Zuid-Afrikaanse literaire tijdschriften, waaronder Upstream , Sesame , Staffrider , Contrast , New Contrast , New Coin en Carapace . Af en toe verschenen er ook gedichten, vertaald in het Afrikaans , in verschillende Zuid-Afrikaanse Afrikaanse kranten.  In 2005 was ze als dichter te gast op het 36ste Poetry International festival in Rotterdam. Op de website van Poetry International zijn een aantal van haar gedichten vertaald door Robert Dorsman te lezen.

In de nieuwe bundel ‘Breuk in de horizon’ een bloemlezing over verzet, samengesteld door Antjie Krog, is een gedicht van haar opgenomen getiteld ‘Vrouw in de ruit’. Naast dit gedicht zijn er gedichten opgenomen van onder andere Alfred Schaffer, Koleka Putuma, Adrienne Rich, Yehouda Amichai, Nathan Trantraal, Wislawa Szymborska, Remco Campert, Lieke Marsman, Adam Zagajewski, Derek Walcott, Ingrid Jonker en Radna Fabias. Het gedicht ‘Vrouw in de ruit’ verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Seasonal Fires’ selected poems  uit 2006. De vertaling is van Anneke Brassinga.

.

Vrouw in de ruit

.

Ik ben niet de vrouw in de trein

die je hand tussen haar benen schuift

en dan uit het raam kijkt.

.

Ik ben niet de vrouw met het henna haar

op straat in de stad, die geen woord zegt

maar wenkt, je mee wenkt.

.

Evenmin ben ik de vrouw in de ruit

die kijkt naar jou die naar haar kijkt

en de ruit raakt beslagen.

.

Noch ben ik de vrouw die bij jou ligt

terwijl jij de namen roept van voorbije liefdes

zoals je ook deze roepen zult.

.

Noch ben ik de vrouw in het donker

wier stilte de meteoor is

aan de hemel van jouw gepraat.

.

Die vrouw:

voorovergebogen, jou biedend haar geslacht

als een bol knoflook, zonder te vragen;

die ene zonder vingerafdrukken,

zich verschuilend in de talisman van jouwbescherming

die ene, omstuwd door fotografen

afdrukkend haar lenige lach, haar huid:

die vrouw.

.

Ik sta aan de kant en bezie haar,

vlam, weduwmaagd, op je brandstapel.

Acrobaat vallend in een vangnet van as,

in de vlammen druipt van haar mond de was,

haar wenkbrauwen schilferen af,

uit haar geslacht laten piepkleine spiegeltjes los.

.

Jouw vrouw, nichtje, zus, tweeling.

Jij wilt dat ze brandt, veraf, stemmeloos.

Ik wil redden, en uitrukken, haar tong.

.

Dag eenentwintig

Vakantiegedicht

.

Wanneer je op vakantie bent in een ver en vreemd land waar men een taal spreekt die je niet kent kun je soms denken ‘Waar gaat dit over?’ Er zijn ook gedichten waarbij je dit zou kunnen denken. Zoals het gedicht ‘Coracias garrulus’ van Anneke Brassinga (1948) uit haar bundel ‘Het wederkerige’ uit 2014. Een Coracias garrulus is overigens een vogel, in het Nederlands een Scharrelaar.

.

Coracias garrulus

.

Mijn vriend de scharrelaar speelt feuille morte

in de baltsvlucht, dwarrelt blauwzefirisch serafijns

van aanschijn, zwierend met turquoise vederqueue

braakt hij de finesses van zijn arioso uit:

‘KRAK-AK… KR-R-R-R-AK…’

alsof de hemel op je neerstort,

de engel met het vlammend zwaard.

.

Dag dertien

Vakantiegedicht

.

Een vaste waarde in de rubriek ‘vakantiegedichten’ is Anneke Brassinga (1948). Ze heeft dan ook verschillende gedichten geschreven die goed bij deze periode van het jaar passen. Zo ook het gedicht ‘Op weg’ gepubliceerd in ‘De academische Boekengids’ uit 2010.

.

Op weg

.

Mocht ik in het holst van het hart
van donkerste dagen te lijf gaan
achter al het uiterwaardse een stuk of wat
verlaten kusten onder razende luchten
waar albatrossen op hun wieken sinds jaar
en dag en eeuwen worden weggeblazen-

.
graag zou ik boven lege oceanen regen zijn
op reusachtige hoeven, zinnentuimel
van tempeest, het stormend paard dat louter
water is, uiteenvalt in geschuimbek-

.
zocht ik bij voorkeur echter diepten
die geen daglicht velen, omtrent
een steenworp van d’onoirbaar gloeiende
kern; daar zal betijen wat mij jaagt.

.

Alp

Anneke Brassinga

.

Voor iedereen die de bergen intrekt deze zomer het gedicht ‘Alp’ van Anneke Brassinga (1948) uit de bundel ‘Aurora’ uit 1987.

.

Alp

.

De koe is groeiensmoe
zij loeit zo droef
op de veranda,
de koe is moe
zij draagt er twee
– enculée de sa mère.

.

De boer slaat flank, hij roemt haar
boezeroen van vlees en wimpers.
Donsoor trilt, neus snurkt roze
rauw, zij weent en roept
teloor in ’t stille dal.
Het is niet groen, ’t is wit.

.

Zwaanzang

Anneke Brassinga over Lucebert

.

In de categorie dichters over dichters, vandaag het gedicht ‘Zwaanzang voor Lucebert’ dat Anneke Brassinga schreef. In de bundel ‘Huisraad’ uit 1998. Anneke Brassinga (1948) debuteerde als dichter in 1987 maar had toen al verschillende dichtbundels vertaald (zoals ‘Ariel’ van Sylvia Plath). Ze debuteerde met de bundel ‘Aurora’ waarna nog verschillende bundels zouden volgen. Brassinga heeft verschillende literaire prijzen op haar naam staan, zo kreeg ze onder andere de Herman Gorterprijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooft-prijs.

In haar bundel ‘Huisraad’ staat het gedicht van vandaag, ‘Zwaanzang voor Lucebert’ dat op het eerste oog misschien wat raadselachtig klinkt maar als je weet dat de motieven in deze bundel allusies (toespelingen of zinsspelingen) zijn op andere literatuur (die van Lucebert in dit geval), natuurbeelden, de interesse in woordconstructies en ironie om de eigen persoon op afstand te houden, dan krijgt dit gedicht al meer betekenis.

.

Zwaanzang voor Lucebert

.

Ons gevederd vriendje kan niet meer fietsen

wij voeren een leeg rijwiel mee aan de hand-

van ons kanarie zijn de pootjes afgeknipt

door een vroegoud kind met tuinschaar dat hem

op de roltrap naar den hoge heeft gepleurd

vanuit de broeihoop, bijenkast, vliegengodkast.

.

Onder het negenenzestigen is hij verrast.

Laat ons hopen dat hij zich volledig heeft gebeft

aan de wijbeense zwerk en de eenvouds verlichte

klatering hem nu ontsluit als veren een zwaan

in het buitendijks onvertogene. Van tedere woede

zijn wij beroofd.

.

Brassinga en Whitman

Dichter over dichter

.

In de bundel ´Het wederkerige´ uit 2014 schrijft dichter Anneke Brassinga (1948) een aantal gedichten over andere dichters. Zo wijdt ze gedichten aan de Franse dichter Stéphane Mallarmé  (1842 – 1898), de Amerikaanse dichter T.S. Eliot (1888 – 1965) en aan de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819 – 1892) steeds met een titel die begint met ‘ Denkend aan’ .

Zo luidt het gedicht dat ze over Walt Whitman schrijft ‘ Denkend aan Walt Whitman ontplof ik’. Een titel die nieuwsgierig maakt. Daarom hier het gedicht.

.

Denkend aan Walt Whitman ontplof ik

.

‘Zuiver en lieflijk is mijn ziel… zuiver en lieflijk

al wat niet mijn ziel is.’  Berovingen, slachtpartijen,

bommen; monstrueus van nostalgie, zou ik woudreus

Whitman willen zijn – een wezen dat zich samen weet

te vouwen tot dit ene gouden blad op straat, waar

naderende bladblazers razen. Hoe lieflijk onbestaand

klaart zuiverheid zich op, nu glorie naar mij over-

buigt, vermorzelend: omhelzing die geen weemoed kent.

.

Eik

Anneke Brassinga

.

In mijn tuin staan twee enorme eikenbomen. Of eigenlijk staat 1 in mijn tuin en 1 in de tuin van de buurman. Maar hun eikels en bladeren die ze in deze herfst afschudden zorgen ervoor dat ik een hele dag bezig ben met het ruimen van bladeren, takken en eikels om het pad en de directe omgeving een beetje bereikbaar te houden. Dichter Anneke Brassinga (1948) heeft in haar bundel ‘Het wederkerige’ uit 2014 een mooi gedicht gepubliceerd over de Eik. Toen ik dat gedicht las wist ik meteen dat ik dat hier wilde plaatsen in dit seizoen waar ik, maar jullie ongetwijfeld ook, genieten van de prachtige kleuren en af en toe zuchten onder de enorme hoeveelheid bladeren die deze majestueuze bomen laten vallen in de herfst.

.

Eik

.

Stug loof uit kromme takken barstend, quercus robur,

wát u zegt! – meer heb ik niet te geef behalve schaduw,

als wolkendek ontbreekt. Dus hou uw mond,

.

tenzij u eikels vreten wou; ze vallen

straks na eerste kou. Mijn jas? Ik zou beschaamd zijn

u zo ruig doorgroeid te zien, vol mos.

.

En blijf ook af van al dat tere schemerweefsel

ondergronds, het treurt nog om Dodona

waar ik op rotsen stond en ruisend met mijn

.

doorwaaid blad uw god het woord gaf.

Licht was daar lavend vuur. Wat komt is duister:

ik voorspel mijzelf een stomme boom in windstille

.

verstuiving.

.

 

De duinen door

Anneke Brassinga

.

Soms kun je door het lezen van een gedicht op ideeën gebracht worden. Als lezer of als dichter. Het kan de toon zijn van een gedicht, het woordgebruik, het thema of de manier van verwoorden die je als dichter kan inspireren. Maar het lezen van een gedicht kan je ook de inspiratie geven als lezer, of als persoon om iets met de leeservaring te doen.

Dat laatste had ik na het lezen van het gedicht ‘De duinen door’ van Anneke Brassinga, in haar bundel ‘Het wederkerige’ uit 2014. In dit gedicht staan verschillende zaken genoemd die ik herken wanneer ik door de duinen loop of (meestal) fiets. De duinen bevinden zich op een paar minuten fietsen van mijn huis en de manier waarop Anneke Brassinga heeft geschreven, en waarop ik het las, maakte dat ik meteen erop uit wilde gaan met de fiets. En hoewel er geen sprake was van hoogstaand lentezonlicht maar wel van laagstaand herfstzonlicht, heb ik meteen de daad maar bij het woord gevoegd.

.

De duinen door

.

Waar hoogstaand lentezonlicht wordt gekelderd

naar het van droogte knisperende wortelbroed

langs kronk’lend asfaltlint, raast beschonken

rijwiel over messcherp priemende spooktakken

die satanisch springen vanuit huivend kruinendak-

in het voorbijgaan giechelvonkt hun hoon: lek

is de liefdesband en nimmermeer plakken.

.