Site-archief

Uit-spuit-de-bocht

Elma van Haren

.

Kinderliedjes zijn van alle tijden en het kinderliedje ‘In spin de bocht gaat in’ kennen velen van ons als een touwspringliedje waarbij je op een zeker moment in het liedje in het touw moest springen dat gedraaid werd. Dat zo’n liedje, in dit geval ‘In spin de bocht gaat in’ dat stamt uit ca. 1880 uit ‘Kinderdeuntjes, wiegeliedjes, speel-, tel-, raadsel- en andere rijmpjes’ samengesteld door J.J.A. Goeverneur, nog steeds inspireert blijkt uit een gedicht van Elma van Haren (1954).

In haar bundel ‘Uit de klatergouden boot gevallen’ uit 2025 kwam ik het gedicht ‘uit-spuit-de-bocht’ tegen en wie het voornoemde liedje kent weet dat dat de vervolgzin is op de titel(zin).

Elma van Haren studeerde aan de kunstacademie in ‘s-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’, waar ze de C. Buddingh’-prijs voor ontving op Poetry International in Rotterdam. Het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt.

In 1997 kreeg ze de Jan Campert-prijs voor de bundel ‘Grondstewardess’. Sinds de dichtbundel ‘De wiedeweerga’ (1998) schrijft ze ook voor kinderen. Sinds 2003 is ze jurylid van de P.C. Hooft-prijs en ze is redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B.

.

Uit-spuit-de-bocht

.

Vanaf mijn fijnsnarig weefwerk in het Heelal bekeken,

Lijken Gaia’s bergen een fluwelen vrouwendracht,

Een donkerrode en okeren geplooide pracht,

Achteloos op een hoop gesmeten en zoals is gebleken

.

Grijpt het arrogante mannen bij de lurven onverwacht

En snijdt het hen de adem af, een doddelijk teken

Dat het voor hen niet goed toeven is in deze streken.

Vrouwgewaad wreekt hongermacht.

.

Rotsen breken de benen van de paarden

Doornen haken zich in mantels rondom.

Gaia’s geilheid piekt hoger dan haar mededogen,

.

Ze strooit fluweelheet zand in mannenogen,

Verdort hun tong tot taal verstomt, stort zich

Wellustig over de kam en bedelft hen onder aarde.

.

 

 

Die dag,

Kreek Daey Ouwens

.

Ik herinner me nog goed dat we dichter Kreek Daey Ouwens (1942) voor een bijdrage in MUGzine vroegen, het was voor nummer 9 in 2021. Het was door een gedicht dat ik las in de bundel ‘Wij zijn de menigte die moeder heet‘ uit 2018, samengesteld door Ester Naomi Perquin. Ik was meteen onder de indruk van haar poëzie en we besloten haar te vragen voor MUGzine. Ze reageerde meteen heel enthousiast op de uitnodiging en naar aanleiding van haar bijdrage had ik een heel leuk en inhoudelijk mooi gesprek met haar over de telefoon.

Na de publicatie van MUGzine nummer 9 verscheen poëzie van haar hand later in poëzietijdschrift Awater en schreef ik nog over haar poëzie in een dubbelgedicht. Tot ik las dat ze zou optreden bij Poetry International 2026 in Rotterdam. Ik was bij de opening van het festival en opnieuw was ik onder de indruk van haar performance en het gedicht dat ze daar voordroeg ‘Die dag,’.  Dit gedicht is ook opgenomen in de festivalbundel ‘Achter mij is een schaduw’ waarvan de titel uit juist dit gedicht genomen is. Dat gedicht wil ik hier graag met jullie delen.

.

Die dag,

.

Ik heb niets gevoeld

Ik heb niets geweten

Ik had het moeten weten, lief!

Ik sliep

Ik werd wakker

Ik stond op

Ik maakte koffie voor mezelf

Zo ver was ik van jouw sterven, dat ik koffie

maakte voor mijzelf.

.

-Daar is de deur

en daar is de deur

en daar is de deur en daar is de deur

en daar is de deur-

.

Ik ga naar buiten

Ik loop over straat

Ik loop over mijn kam

.

Achter mij is een schaduw

De schaduw is scheef

De schaduw is niet van mij

Zoals de schaduw van de bomen niet van de bomen is

.

Als ik mijn schaduw wil aanraken is er het ontwijken,

.

Foto: Theo Rikken

 

 

Liefdesbrief van tandenborstel aan fietsband

Sarah Kay

Toen ik vorige week bij de opening van Poetry International was vroeg ik me weer eens af hoe zij de dichters die ze uitnodigen selecteren. Nu weet ik dat Poetry International allerlei mensen in dienst heeft die banden onderhouden met poëzieorganisaties uit de hele wereld en dat ze zo aan hun dichters komen. Tenminste dat vermoed ik. Zelf mag ik altijd graag op zelfonderzoek uitgaan. Bijvoorbeeld door te zoeken op internet. Zo kwam ik enige tijd geleden terecht op de website van de Colorado State University bij de vakgroep Engels. Op de website heeft de vakgroep een bericht geplaatst met de uitdagende titel ’10 moderne dichters die geschiedenis schrijven’. Een van die dichters is Sarah Kay (1988).

Sarah Kay woont in New York City. Ze is bekend om haar voordrachtskunst. Ze is de oprichtster en mededirecteur van Project VOICE, een project dat zich inzet om jongeren te inspireren met voordrachtskunst. Kay heeft vier dichtbundels gepubliceerd:  ‘All Our Wild Wonder’, ‘No Matter the Wreckage’, ‘B’ en ‘The Type.’ Op haar website staan verschillende van haar gedichten. Een van die gedichten ‘Love Letter from Toothbrush to Bicycle Tire’ heb ik hier in vertaling opgenomen. In de video draagt ze dit gedicht voor.

.

Liefdesbrief van tandenborstel aan fietsband

.Ze vertelden me dat ik voor een schoner leven bestemd was, dat jij me door het slijk zou halen. Ze zeiden dat je over me heen zou lopen, dat ze dwars door je heen konden kijken, dat je vol gebakken lucht zat, dat ik je altijd zou achtervolgen, altijd zou zien verdwijnen achter elegantere modellen, dat het een vicieuze cirkel zou zijn.

Maar ik weet wel beter. Ik ken je ruwe kantjes en ik heb je perfecte rondingen gezien, en ik pas me aan elke ruimte aan die je me geeft. Als van je houden betekent dat ik vies moet worden, laat het vuil dan maar komen, ik laat dit porseleinen huisje achter me. Ik ben gewend aan relaties van twee keer per dag, maar met jou neem ik alle tijd. En ik weet het, we leven in verschillende werelden en we hebben het allebei erg druk.

Maar in mijn dromen draai je zo snel om me heen dat ik altijd duizelig wakker word. Dus misschien word je op een dag moe van het reizen en rol je terug naar me. En als ik ’s ochtends mijn ogen open doe, zal jouw glimlach het enige zijn wat ik zie. 

.

.

Dichtregel in gebarentaal

Boaz Blume en Sam Onclin

 Na bijna 40 jaar dichtregels in geschreven woord te hebben geplaatst, is er nu voor het eerst een dichtregel in gebarentaal op een Rotterdamse vuilniswagen te bewonderen. Volledig in stilte, maar met groot enthousiasme en zwaaiende handen. Tijdens Poetry International  van afgelopen weekend, onthulde het dove- en slechthorende dichtersduo Boaz Blume en Sam Onclin samen met Thomas van Brakel manager Inzameling & Hergebruik een dichtregel in geschreven tekst (andere zijde van de wagen) én gebarentaal.

Met begeleiding van verschillende gebarentolken introduceerde Thomas van Brakel de vuilniswagen en benoemde de unieke samenwerking: “Ik ben trots op de dichtregels op onze wagens, omdat wat vuilnis is voor de één, kunst is voor de ander. En omdat dichten schoonheid is, en wij proberen schoonheid te brengen naar Rotterdam. We maken de stad schoon en voegen ook nog schoonheid toe. Dat op een inclusieve wijze doen, die alle Rotterdammers bereikt, is een groot goed. Want buiten is van ons allemaal.”

Dichter Boaz Blume was ontzettend blij: “In mijn dromen zijn de gebaren stormen, levend, krachtig en onvoorspelbaar. Dansende handen schrijven gedichten in de lucht, zichtbaar voor wie wil kijken”. Deze regel is een viering van hoe ik denk: in beelden, in beweging. De Nederlandse Gebarentaal is voor mij niet alleen communicatie, maar een artistieke expressie die mijn identiteit en creativiteit vormgeeft.”

Op de foto van links naar rechts: dichtersduo Som Onclin (haar optredens variëren van poëtische voordrachten waarin ik de kracht van gebarentaal onderzoek, tot dynamische theatervoorstellingen waarin ze verhalen vertelt via gebaren en lichaamsbewegingen) en Boaz Blume ( lid van het dove dichterscollectief Kitchen’s Light , treedt op met eigen werk in de Nederlandse Gebarentaal en docent Gebarentaal) en manager Inzameling & Hergebruik Thomas van Brakel. Uiterst rechts de gebarentolk.
.
                                                                                                                      Foto: Rosa Quist Photography

Opening Poetry International 2026

Lynthia Julius

.

Afgelopen donderdagavond was de feestelijke opening van Poetry International 2026, alweer de 56ste editie, in Theater Zuidplein in Rotterdam. Het thema van deze editie is ‘Word on the street’ en voor de opening van het festival wordt elk jaar een gastregisseur uitgenodigd uit een andere kunstdiscipline. Dit keer was dit componist Merlijn Twaalfhoven, bekend om zijn grootschalige en interdisciplinaire muziekprojecten op vaak onconventionele locaties. Samen met de 18 dichters en het Koor op Zuid werd de opening een grote happening, waarbij vanaf het begin alle dichters en musici en een deel van het koor, en halverwege het programma ook het volledige koor op het podium aanwezig was en deelnam in het programma.

Dichters uit Nederland (Joost Baars, Kreek Daey Ouwens, Jörgen Gario, Nisrine Mbarki Ben Ayad), België (Dominique De Groen) en dichters uit Europa, Azië, Midden-Oosten, Australië, Afrika en Zuid Amerika. De dichters droegen, ondersteund en aangevuld door muziek en koor (en de zaal) een gedicht voor en voor boven het toneel was op een boventiteling, steeds de vertaling in het Nederlands te lezen.

Voor mij was de hele opening één groot hoogtepunt maar vooral de bijdrage van Joost Baars, Pia Tafdrup (Denemarken) door de bijdrage vanuit de zaal, Dalia Taha (Palestina) en Hendri Yulius Wijaya (Indonesië) vond ik indrukwekkend. Uiteraard werd door festivaldirecteur Diana Chin-A-Fat, stil gestaan bij het overlijden van Lieke Marsman. Al met al een fantastisch mooie avond. Uit de festivalbundel ‘Achter mij is een schaduw’ koos ik voor een gedicht van de Zuid Afrikaanse Lynthia Julius (1993) getiteld ‘Ménage à moi’.

Julius is een van de meest veelbelovende jonge stemmen binnen de hedendaagse Zuid-Afrikaanse poëzie. Ze groeide op in diamantstad Kimberley, en schrijft vanuit het Gariep-Afrikaans van de Noord-Kaap, in voortdurende wisselwerking met het Standaardafrikaans van de canon. Als filosoof opgeleid en later geschoold in Creatief Schrijven, gaf ze haar rauwe, compromisloze poëzie extra precisie en gelaagdheid. Julius laat zich niet inkaderen en schrijft met loepzuivere eerlijkheid over identiteit, macht en moederschap.

.

Ménage à moi

.

meisjes die met zichzelf spelen

zien de hemel

maar gaan er niet heen

.

zij met hun Olivia Grey

en chardonnay

die hun binnenste

verkennen met vingers en Rabbits

hun eigen benen laten beven

van lakens dammen maken

.

die hun kamerdeuren sluiten

niet wachten op een pik

in kussens kreunen

.

Lynthia is geboren

Lynthia is uit het zelfdoodsbed opgestaan

Lynthia komt

.

Lieke Marsman (1990-2026)

Bericht van overlijden

.

Vandaag, op de dag dat Poetry International van start gaat in Rotterdam, werd bekend gemaakt dat schrijver, dichter, essayist, filosoof en voormalig Dichter des Vaderlands (2021-2023) Lieke Marsman is overleden aan de gevolgen van kraakbeenkanker. Hoewel bekend was dat ze ongeneeslijk ziek was kwam dit bericht toch onverwacht. Met haar overlijden verdwijnt opnieuw een bijzondere stem uit de poëzie in Nederland.

Ze debuteerde als dichter in 2010 met de bundel ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ maar eigenlijk werd al een gedicht van haar gepubliceerd toen ze nog maar 12 jaar oud was. In 2010 werd ook een gedicht van haar opgenomen in de jubileumbundel ‘Nog een lente‘ van Meander waar ze haar poëzie ook al deelde voor haar officiële debuut. Haar werk werd meerdere malen bekroond, de laatste maal in 2025 toen ze de Constantijn Huygens-prijs kreeg voor haar gehele oeuvre, en ze was een graag geziene gast op vele poëziepodia en in de media.

In 2022 verscheen in de groep Het mooiste gedicht, een gedicht van Lieke Marsman dat ze schreef als dichter des Vaderlands met de titel ‘Ter gelegenheid van poëzie’. Ik ben ervan overtuigd dat de poëzie van Lieke Marsman nog vele generaties gelezen zal worden. In haar te korte leven heeft ze zoveel moois geschreven (niet alleen poëzie). In het gedicht ‘Ter gelegenheid van poëzie’ zullen veel mensen troost vinden om het verdriet van een te jong gestorven vrouw en dichter.

.

Ter gelegenheid van poëzie
.
Er was niemand jarig, er was niemand dood.
Het gedicht zelf was de reden.
.
Als we zeggen: de mensen lezen
geen poëzie meer, wat bedoelen we?
.
We bedoelen dat ze niet langer voelen.
Allemaal cursussen om iets te worden,
.
maar niemand doorvoelt wat hij is.
Aan het eind van een gedicht ben je niet langer verloren.
.
De stekels van schaamte trekken zich terug.
Het leven is een leven lang zoeken naar metaforen
.
als het afstellen van een autoradio
op een landweg ruis van onbekende stemmen
.
in een lied dat vaag bekend voorkomt.
.
Dan een beller lang na middernacht:
ik zou het lied graag nog eens horen.
.

Foto: VPRO

Levensverhaal

Peter Ghyssaert

.

Het gebeurt steeds minder vaak dat ik een nieuwe dichter ontdek die ik niet ken. Tenzij deze uit het niets of debuterend als jong of nieuw talent zich aandient uiteraard. Nee, het betreft hier dichters die al enige tijd meelopen of soms al zijn overleden maar waar ik nog nooit tegen aan ben gelopen.

Zo’n dichter is Peter Ghyssaert (1966) en dat ik zijn naam nu pas leer kennen is vreemd want hij heeft al een behoorlijke staat van dienst. Zo werd zijn werk tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs (‘Kleine lichamen’ uit 2oo5 en ‘Ezelskaakbeen’ uit 2011) , was hij te gast op onder meer Poetry International, Dichter aan Huis, Nacht van de Poëzie en de Maastricht International Poetry Nights.

Deze Vlaamse dichter en musicus studeerde muziekgeschiedenis, viool en kamermuziek aan de conservatoria van Brussel en Antwerpen. Als dichter debuteerde hij in 1991 met de bundel ‘Honingtuin’ en publiceerde sindsdien nog acht dichtbundels, de laatste in 2018 met de wonderlijke titel ‘Laiwarikon’.

Zijn werk werd meermaals bekroond, met onder andere de Poëzieprijs De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Cameo’ (1993) en de Poëzieprijs Antwerpen voor ‘Sneeuwboekhouding’ (1995). Ook verscheen zijn werk in literaire tijdschriften als  Hollands Maandblad, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Dietsche Warande & Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids.

De jury van de VSB Poëzieprijs schreef over zijn poëzie: Doorgaans wordt de poëzie van Ghyssaert geplaatst in de traditie van het estheticisme en de decadentie, zoals die in het fin de siècle gestalte kreeg. Zijn gedichten hebben iets kunstmatigs, maar zonder dat ze daardoor aan natuurlijkheid verliezen. Zijn thematiek is de voornaamste reden om hem decadent te noemen. In zijn gedichten is een obsessieve aandacht voor dood en verval waar te nemen. In de werkelijkheid ziet hij vooral aftakeling, degeneratie en het zieke. Het beschrijven daarvan heeft bij hem een bezwerend karakter.

De zaken die de jury van de VSB Poëzieprijs hierboven benoemen komen terug in het gedicht dat ik uitkoos met de titel ‘Levensverhaal’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Jubileum en andere gedichten’ uit 1997.

.

Levensverhaal

.

Toen hij geboren was begon het al:

zijn moeder had de bijsluiter verloren.

.

Nooit wist hij waartoe dit

of dat dienen moest. Hoewel

hij toch kan raden

liep het steeds verkeerd.

.

Zijn vrienden durfde hij niets vragen:

in hun jeugd hadden die goed

hun eigen voorschriften gelezen

en die toen verbrand.

.

Iedereen hield alles maar geheim

en deed volmaakt wat hij hij niet kon;

ze lachten hem al op de speelplaats uit:

.

een tegenstrijdigheid, verlamd

en huilend in de zon.

.

Vergeten dichters

Erika Dedinszky

.

Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002,  gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.

Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.

Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en  János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.

In 1981  kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend,  voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze  onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.

In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl  vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.

.

dagenboek

.

je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg

je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert

je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt

onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt

je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op

je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat

je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na

haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg

.

Indien mogelijk, keer om

Puck Füsers

.

In een recensie van de nieuwe bundel van Maxime Garcia Diaz ‘Het netwerk moet gebouwd worden’ van Daan Doesborgh noemt de recensent nog twee Gen-Z dichters te weten Puck Füsers en Twan Vet. Puck Füsers (2002) kende ik niet maar zij blijkt al aardig aan de weg te timmeren. Ze studeerde cultuur- en literatuurwetenschappen in Maastricht en ze schrijft poëzie, essays, poëtisch proza en andere teksten die op poëzie lijken. daarnaast werkt ze met andere disciplines, zoals audio, film en dans. in 2025 verscheen haar chapbook ‘tanden’ bij Wintertuin.

Haar poëzie en teksten verschenen bij De Revisor, Kluger Hans en Hard//Hoofd. Ze trad op bij onder andere Poetry International, Crossing Border, Dichters in de Prinsentuin, Frontaal en het Wintertuinfestival. In 2021 won ze de schrijfwedstrijd write now! met een gedichtenreeks over opgroeien in het digitale tijdperk. Op notulenvanhetonzichtbare.nl zijn twee van haar gedichten gepubliceerd. Een van die gedichten wil ik hier met jullie delen.

.

Indien mogelijk, keer om 

.

google maps leidt ons naar een straat die niet bestaat
ik moet denken aan de onvindbare eerstehulppost
de driehonderdvijfenzestig euro vijftig voor twee hechtingen
jezelf in iemands handen leggen
de mijne bloeden

je vond me mooi in het tl-licht van de wachtkamer
je zei: er zijn plekken waar de tijd stilstaat

ik weet niet of we onszelf alleen maar wijsmaken
dat de dingen die we doen vrijwillig zijn
ik weet ook niet of zij altijd al meer plek in mocht nemen,
maar ik belde haar als eerste

hier, in dit doodlopende steegje
zet ik de radio uit
vraag ik een mechanische stem om advies
het moet uitgesproken worden

ik hou je verantwoordelijk voor je daden
tussen negen en half vier op doordeweekse dagen

niet jezelf in iemands handen leggen
een ander zal niet weten wat te zeggen
en de mijne, ze bloeden

google maps leidt ons naar een straat die niet bestaat
maar dat wel ooit deed: we vinden bakstenen als littekens
we vinden hechtdraden die uitsteken

.

Penelopeia

Roan Kasanmonadi

.

Een vriend van me wees me op het feit dat hij samenwerkt met twee dichters. Beide namen zeiden me vooralsnog niets maar ik ga dan uiteraard wel op zoek. Een van de namen was die van Roan Kasanmonadi (1995) een Rotterdamse dichter, modern danser en spoken word artiest die arts en psychiater in opleiding is (tegenwoordig heb je niet één richting meer in je leven valt me weleens op maar vele). In zijn werk combineert Roan abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur, zo lees ik op de website van deBuren.

Roan trad op bij Poetry International, Mensen Zeggen Dingen en op de Nacht van de Poëzie. Zij debuutbundel ‘Vuurbloem’ werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs in 2025. En naast al deze bezigheden is hij ook nog eens redactielid van De Revisor. Op de website van deburen.eu las ik een gedicht van zijn hand getiteld ‘Penelopeia’ dat hij schreef als deelnemer aan de schrijfresidentie van deBuren in 2024 waarbij hem gevraagd werd zich te laten inspireren door het Olympisch motto ‘harder, sterker, sneller-samen? In dit gedicht brengt hij de Griekse mythologie en scholieren samen over de druk aan verwachtingen te voldoen. Het gedicht staat ook in zijn debuutbundel.

.