Site-archief
Han van der Vegt
Eenzame goden, een recensie
.
Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.
Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”
Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.
Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.
In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.
Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?
Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.
Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.
Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.
Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.
.
Babylon
.
bij de rivier van mijn verlies zit ik neer
wat zal ik maken
om wat ik gemaakt heb te vergeten
.
bij de rivier zit ik neer
en luister hoe ze me uitlacht
terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee
.
bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer
ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven
en ik herken ze niet
.
mijn machtige handen
zijn wanstaltige handen
mijn stem die de golven beveelt
versta ik niet langer
.
bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer
wat zal ik maken
om te vergeten dat ik niet maken kan?
.
Randschade
Een recensie
.
Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.
De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer.
De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.
In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.
In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.
Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.
Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.
.
Uitzicht
.
De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.
.
Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.
.
In hun voetafdruk hangt randschade.
.
De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.
.
Pompejaans rood en nachtzwart
rollen erdoor heen. Feest
op de rand van een vulkaan.
.
Spiegel van de ziel
Een recensie
.
De Vlaamse dichter, kunst- en cultuurfilosoof en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, Antoon Van den Braembussche (1946) heeft bij uitgeverij P een nieuwe bundel gepubliceerd, zijn negende alweer. De titel van deze nieuwe bundel ‘Spiegel van de ziel’ is losjes geïnspireerd door een uitspraak van de Estse componist Arvo Pärt, die de muziek in de zijkamers van de ziel omschreef als een ‘spiegel in de spiegel’.
De netjes uitgegeven bundel (zoals we gewend zijn van P) bestaat uit 8 onderdelen of hoofdstukken als je wil, die vaak maar niet altijd worden voorafgegaan door een uitspraak van een dichter, schrijver of filosoof. Daarnaast zijn er drie afbeeldingen opgenomen van kunstenaars Sofie Muller, Johan Clarysse en Christian Clauwers.
Met het hoofdstuk ‘Zij herinnert zich’ wordt je meteen in de bundel getrokken; dromerig, melancholisch, met gedichten over verlies, afscheid en een ‘zij’ als onderwerp van deze emoties, die samen de ziel vormen en als zodanig weerspiegelt worden in de gedichten. De pijn in ‘Nabijheid’, het verdriet in ‘Luwte’, het verlangen in ‘Zij herinnert zich’, de hoop in ‘Wellicht tot later’, de dichter heeft het vermogen om emoties die we allemaal zo goed kennen op een manier in poëtische taal te verwoorden, die je als lezer verrast en weer anders laat kijken. Zijn taal is helder en geeft je als lezer houvast om je eigen emoties, herinneringen en ervaringen te koppelen aan zijn woorden.
In het tweede hoofdstuk ‘Franse suite’ borduurt de dichter voort op het eerste deel. In gedichten met Franse titels beent hij een periode in de tijd uit waarin ‘zij’ er nog was. Opvallend zijn de strofen in twee gedichten die beginnen met de vraag ‘is dit..’ alsof de dichter de poëzie gebruikt als instrument voor zijn eigen duiding en verwerking. Hierdoor krijgen de gedichten nog meer zeggingskracht, je wordt als lezer meegenomen in de binnenwereld van de dichter (in zijn spiegel van de ziel).
In het derde hoofdstuk ‘Momentopnamen’ zijn gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan een persoon, maar ook weer niet alle gedichten. Dit deel begint met drie gedichten waarin de kleur wit een belangrijk onderwerp is (sneeuw, Antarctica, Whiteout) en dat eindigt met twee wielergedichten. Na de zwaarte van de eerste twee hoofdstukken lijkt de dichter je hiermee een moment te gunnen van terugkeren naar het nu.
In het deel dat volgt ‘Zo bleef ik spreken’ geeft de dichter een inkijkje in zijn dichter-zijn, waarmee hij een soort legenda lijkt te willen geven voor de bundel, voor zijn poëzie, een context, als hulp voor de lezer. Bij het lezen van het hoofdstukje ‘Zegswijzen’ bekroop me de vraag of deze gedichten niet ook onder één van de andere delen hadden kunnen worden gerangschikt. Als lezer probeer je een rode lijn te ontdekken in de reis die je maakt door een bundel. Door zo’n (in mijn ogen) ‘tussendeel’ raak te ik die lijn even kwijt, wat ik jammer vind.
Gelukkig keert de dichter terug naar zichzelf in het hoofdstuk ‘Modus Vivendi’, prachtig geïllustreerd door het schilderij van Sofie Muller dat ook de omslag siert. Dit ene beeld geeft zoveel informatie die aansluit bij de gedichten in dit deel van de bundel en op het moment van lezen/zien vallen de kwartjes, die de dichter heeft uitgedeeld, op zijn plek. Dit is de spiegel van de ziel in woord en beeld.
Het hoofdstuk ‘Ars musica’ en het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ hoe fraai en poëtisch ook, voegen aan het wezen van de bundel weinig toe wat mij betreft. Deze kunnen separaat gelezen worden en genoten door de lezer, los van de andere inhoud.
Antoon Van den Braembussche levert met ‘Spiegel van de ziel’ een persoonlijk intiem een aansprekende bundel af waarin niet alleen een kijkje in de ziel van de dichter wordt gegeven maar waarin je als lezer ook een spiegel wordt voorgehouden. En dat alleen, naast de andere redenen die ik al noemde, is al een reden om deze bundel te lezen.
Ik heb als voorbeeld het gedicht uit het eerste hoofdstuk met de titel ‘Alles wat ons scheidde’.
.
Alles wat ons scheidde
.
Alles wat ons scheidde
lag in de onbehaaglijke uren
waarop niets meer werd gezegd.
.
Tussentijdse vervreemding
waarbij de taal van het gebaar
zelfs niet meer volstond.
.
Alles op een armlengte
van het heilig zwijgen.
.
Op een beenlengte
van het blinde stappen:
.
het hijgen in mineur,
de maanzieke glans in je ogen,
je meest onwezenlijke lach.
.
Voorproefje
Josse Kok
.
Momenteel ben ik bezig met het lezen van de nieuwe bundel van Josse Kok getiteld ‘Schulp’ die dit jaar verscheen bij uitgeverij Opwenteling. Opwenteling is een uitgeverij die ik al tijden volg omdat ze een eigen gezicht en geluid hebben. Ik schreef al over dichters die bij Opwenteling publiceerden als Anouk Smies en Joris Miedema en over hun durf om buiten de lijntjes te kleuren.
En nu lees ik, met veel plezier, dat kan ik alvast prijs geven, de nieuwste bundel van dichter Josse Kok (1983). Op de website van Opwenteling lees ik: Na enkele jaren voordragen bracht hij in 2013 zijn debuut ‘Ik heb geslacht’ uit bij Uitgeverij Liverse te Dordrecht, die werd genomineerd voor de Buddingh’-prijs 2014. In 2018 verscheen zijn tweede bundel ‘Probeert u het later nog eens’ bij Opwenteling, in 2026 opgevolgd dus door ‘Schulp’. Werk van hem verscheen onder andere in Liegend Konijn, De Optimist en Revisor.
Om nog niet alles prijs te geven maar toch een kijkje in de keuken van Josse te geven hier alvast een gedicht uit ‘Schulp’ over een bijzonder beestje de Axolotl (zoek maar op).
.
Axolotl
.
Ergens beneden, in mijn troggen
waar de bodems tektonisch knuffelen
zwemt een roze amfibie in mij rond.
.
Ik wil hem de weg naar buiten wijzen,
laten zien aan nieuwsgierige biologen
want hij verdient een warmer water.
Als ik hem zie bewegen en wil
grijpen, ontspartelt hij mij.
.
Hij is de bacterie die ik niet kwijt
mag raken, een teer doodsvonnis
dat zich verschuilt in mijn borst.
.
Zijn aanwezigheid ontsluiert
mijn zwakte, voedt de zachte
tint in mijn starre korst.
.
Fries en fruitig
Tsjêbbe Hettinga
“Wat was die man goed” schrijft Hans Puper in 2017 in zijn recensie op de website van Meander, van de bundel ‘Het vaderpaard / it faderpaard‘ uit 2017 van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga (1949-2013). Hettinga behoort ongetwijfeld tot de grootste dichters die Friesland heeft voortgebracht. Hij paarde een uniek taalscheppend vermogen aan een even uniek voordrachtstalent, waarmee hij zijn toehoorders steeds weer wist te betoveren.
Ik las in het magazine Mezza van maart 2025 een kort interview met (toen nog) voormalig dichter des vaderlands Tsead Bruinja (1974) over het Fries (zijn taal). Bruinja antwoord op de vraag wat zijn favoriete Friese boek is: “De gedichtenbundel Het vaderpaard of in het Fries It faderpaard van Tsjêbbe Hettinga. Hij had beperkt zicht, en toch nam hij je mee in de meest beeldende, liefdevolle, ruige en speelse gedichten.”
De meeste vertalingen in deze bundel zijn gemaakt door Hettinga en Benno Barnard. De gedichten die Hettinga niet zelf letterlijk voorvertaalde, zijn door Tsead Bruinja en Teake Oppewal samen met Barnard naar het Nederlands vertaald. Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) kreeg als Fries dichter internationale bekendheid, mede na een fameus optreden op de Frankfurter Buchmesse (1993).
In 2001 kreeg hij de Friese prestigieuze Gysbert Japicxprijs voor zijn zevende dichtbundel ‘Fan oer see en fierder’ uit 2000. Een deel van zijn werk is al eerder met een Nederlandse vertaling verschenen. Uit de bundel die je in full text kunt vinden op het web, nam ik het gedicht ‘Nieuwe lente’ of (en) in het Fries ‘Nije maitiid’.
Nieuwe lente
de bomen rond
de boerenerven
dragen nu meer macht
dan het nieuwerwetse proletariaat
dat mijn dorp bezeilt
en mijn land verhardt
want de bladeren en de bloemen
baden in de zon en
veranderen het landschap
er komt geen hand aan te pas
.
Nije maitiid
de beammen om
de boerehiemen hinne
drage nomearmacht
asit nijmoaderige proletariaat
dat myn doarp besylt
enmyn lân ferhurdet
want de blêden en de blommen
baaie yn ’esinneen
feroarjeitlânskip
sûnderien hântaast
.
Tussen messen slapen
Een recensie
.
Jana Arns (1983) publiceerde afgelopen november bij uitgeverij P haar nieuwste bundel ‘Tussen messen slapen’. Het is alweer haar zevende bundel en zij is voor mij geen onbekende. Eerder schreef ik al een recensie van haar bundel ‘Ten minste houdbaar‘ uit 2022 en schreef ik over haar bundel ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn‘ uit 2019. Ook verschenen gedichten van haar in het kleinste maar leukste poëzietijdschrift van de lage landen MUGzine.
Maar dan nu een nieuwe bundel met de intrigerende titel ‘Tussen messen slapen’. De bundel begint met een gedicht waaruit liefde spreekt, tegenover de pagina met de opdracht ‘Voor Joris’. Hierna volgt het hoofdstuk of vierluik getiteld ‘Een wolfskwint huilen’. En hoewel de strekking van de gedichten na een eerste lezing meteen duidelijk is heb ik toch maar even opgezocht wat een wolfskwint is. Een wolfskwint is in de muziek een valse interval, het kan in verschillende stemmingen ontstaan maar in de gelijkzwevende stemming komt de wolfskwint niet voor. Het lijkt alsof Jana in deze vier gedichten korte metten wil maken, een niet gelijkzwevende stemming schetst die ze van zich af lijkt te willen schrijven. Dat deze vier gedichten in eerste instantie op zichzelf lijkt te staan blijkt uit het volgende hoofdstuk.
In dit hoofdstuk met de weinig verhullende titel ‘De zelfmoord van de dichters’ zijn zeven gedichten opgenomen over dichters die zichzelf om het het leven hebben gebracht; Jotie T’Hooft, Sylvia Plath, Paul Celan, Yukio Mishima, John Berryman, Wim Brands en Jan Arends. Uit het gedicht over Jotie T’Hooft nam Jana de titel van de bundel ‘Daar trok hij de besteklade open, / stroopte zijn jeugd op, / bekende dat hij tussen de messen sliep’.
In het hoofdstuk dat daarop volgt met de titel Hashtag bracht Jana gedichten bijeen die naar aanleiding van een dag, week of moment van het jaar zijn geschreven zoals bijvoorbeeld #stillestrijd. Momenten in het jaar waarbij men stilstaat bij zaken die (opnieuw) niet tot vrolijkheid stemmen; dementie, armoede, zelfmoord, slachtoffer, pleegzorg. In ‘Een laatste ademwolk’ staan opnieuw weinig vrolijk makende gedichten over de herfst, dode vogels en vervuiling van de kust. Met één uitzondering het gedicht ‘Generatietuin’ geschreven voor vzw Ter Leenen.
In het hoofdstuk ‘Wildklem’ ook geen optimisme of jolijt, en had ik mijn hoop gevestigd op de epiloog voor nog een sprankje licht of lucht, helaas, ook in dit laatste gedicht brengt Jana de werkelijkheid terug tot haperende rollators, brood in vuilniszakjes en jam met bloedklonters. Je zou er te neer geslagen van kunnen worden.
En toch gebeurde dat niet. Jana Arns bezit de gave om in een eigen taal zelfs de meest schurende, verdrietige of naargeestige onderwerpen interessant, of nieuwsgierig makend te maken. Jana’s poëzie is vaak stellend , beschrijvend, haar taal is beeldend en knap gecomponeerd. En zelfs in een bundel die de donkere kant van het leven beschrijft valt er veel te genieten, of zoals de uitgever het stelt op de binnenflap; Deze bundel snijdt goud. En door te openen met een gedicht vol liefde, empathie en mededogen behoudt je de hoop en het vertrouwen dat het goed komt, zelfs als je tussen de messen slaapt. Een knappe en zeer lezenswaardige bundel kortom.
.
Voor Jan Arends
.
Hier staan wij
aan het begin van de taal
op het schap vijf hoog
.
rug aan rug gebonden
elkaar te behoeden
voor nog een sprong.
.
Weet je nog
op het Roelof Hartplein
waar men samenklonterde
onder de kruin van de boom
die je val niet roofde?
.
Je had lokaas gestrooid.
Een zwerver stond zijn nooddeken af,
jij je initialen.
.
Op dat landingsplatform
vertrok de laatste vlucht.
Je droeg een mager verenkleed
van lege pennen.
.
Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld
Een recensie
.
Hoewel ik de bundel ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ van Alja Spaan (1957) al enige tijd in huis heb (ik mocht de presentatie doen van de bundel in Alkmaar) was ik er nog niet toe gekomen om de bundel aandachtig van voor naar achter te lezen. Door de feestdagen en drukte had ik wel enkele gedichten gelezen maar voor een recensie is het belangrijk alles en in chronologische volgorde te lezen. Dat doet een lezer tenslotte ook. Inmiddels heb ik de bundel gelezen (zelfs tweemaal) en waar de uitgever in de voorflap heeft afgedrukt dat het hier een complexe moeder-dochter-relatie betreft waarin veel melancholie en schoonheid schuilt, wil ik mijn recensie anders beginnen.
In het tweede gedicht in de bundel ‘aanspraak’ staat misschien wel het hele verhaal van deze, liefdevolle bundel, mag ik wel zeggen. Dit gedicht begint met de regel ‘Door erover te schrijven verandert het /perspectief’. Want dat is wat Alja in deze bundeling van geschreven herinneringen doet. Het perspectief van de chique, afstandelijke, beheerste moeder laten kantelen naar een liefdevolle, intelligente, warme en emotionele moeder. Naar een persoon die altijd al aanwezig was, maar door opvoeding en conventies, dat tot op hoge leeftijd in een ‘keurslijf’ had weten te verpakken. Een keurslijf dat aan allerlei kanten liet doorschemeren wat eronder zat, maar pas op hoge leeftijd zich volledig aan de dichter/dochter openbaarde.
Alja blikt terug op gelukkige momenten met haar moeder (bijvoorbeeld in het gedicht ‘intrek nemen’) waarin ook haar vader enige keren om de hoek komt kijken. In deze gedichten klinkt regelmatig bijna achteloos hoe haar moeder was, hoe haar moeder een mening had over hoe het hoort. Door regels als ‘We hoesten niet, we gapen niet, we zitten keurig rechtop'(uit ‘drie afleveringen’) of ‘Ik zou wit moeten dragen zoals mijn huid en daar / niet moeten blijven zitten’ of ‘De foto van de boerderij met de bomen zoals die nu niet meer gemaakt worden’. Of ‘De punt van mijn schoen is vies, mijn mama knijpt in mijn arm’. Ogenschijnlijk terloopse tussenzinnetjes maar hiermee schept Alja een tijdsbeeld, een opvoeding, liefdevol maar duidelijk volgens de regels.
En dan begint het loslaten en verbinden. Het loslaten van de herinneringen van de moeder, een proces dat iedereen met een ouder of grootouder die ging dementeren of erger zal herkennen. En tegelijkertijd het verbinden met die ‘nieuwe persoon’ die een andere kant laat zien. Een kant die minstens zo mooi en liefdevol is. Dat is precies wat Alja in deze bundel doet en laat zien.
Ik moest bij het lezen onwillekeurig aan mijn oma en vader denken. Hoe zij de alledaagse realiteit hadden verruild door een nieuwe realiteit, waarin ineens heel veel nieuw was. De vragen, vaak herhaald, de behoefte aan bevestiging, de voorzichtige angst en de behoefte aan fysiek contact; weten dat je nog bestaat. Al deze facetten komen terug in de gedichten van Alja en altijd op de zo herkenbare manier beschreven die ik ken uit haar dagelijkse gedichten en haar eerdere bundels. Altijd in vaste strofen van 2,3 of 4 regels met uitzondering van de laatste bijna prozagedichten of korte verhalen aan het einde van de bundel. Maar zelfs dan, zou je die in stukken van 3 of 4 regels knippen dat zijn ze nog onmiskenbaar Alja.
Alja beschrijft wat ze meemaakt met haar moeder, haar diepste gevoelens en beschouwingen van een (het) leven. De gedichten zijn afwisselend terugblikken op hoe het vroeger was, melancholisch maar op een mooie herkenbare manier geschreven, en op de momenten met haar moeder thuis en in het tehuis. Juist deze gedichten zijn zo herkenbaar en zullen veel lezers als troostrijk ervaren. Mij in ieder geval. Ik denk dat ik nog het meest heb genoten van haar beschrijvingen van hoe om te gaan met de dingen ‘die er niet zijn’. Het onverwachte, het geconfronteerd worden met zaken die er niet zijn of bestaan maar er wel degelijk zijn in het hoofd van haar moeder. De creativiteit en fantasie die je nodig hebt om zaken ‘recht te trekken’, haar bij je te houden en het comfort te bieden om rustig met elkaar verder te kunnen. In deze gedichten (‘oponthoud’ en ‘vrij gekomen plekken’) excelleert Alja als geen ander, of ik moet zeggen zoals ik haar ken. Haar vermogen om situaties zo te verwoorden dat het allemaal eenvoudig lijkt terwijl het juist zo moeilijk is.
Of zoals haar vader zegt in het gedicht ‘zij die vrij zijn’: ‘het is niet mogelijk besluit hij even later, elke dag iets nieuws te schrijven’. Dat is het echter wel, dat bewijst Alja elke dag opnieuw. In deze bundel waarin ze een klein monument opricht voor haar moeder, lees ik alle facetten van Alja haar dichterschap terug. Haar gevoel en liefde voor taal, haar creativiteit, haar inlevingsvermogen, haar liefde en scherpe blik, haar vermogen om de lezer van haar poëzie mee te nemen in een wereld die ze voor je schept en waarin het behaaglijk en welkom vertoeven is.
.
aanspraak
.
Door erover te schrijven verandert het
perspectief. Allereerst is het handschrift
ontoegankelijk voor derden.
.
Vervolgens selecteert de intuïtie slechts
dat wat uitvergroot relativeert, belachelijk
maakt of weinig interessant.
.
Daarna is dat wat tussen de regels staat
alleen beschikbaar voor het geoefend
en onvermoeid oog. Lezend
.
denk ik alleen maar dat het steeds niet
is wat ik bedoelde. Schrijvend weet ik
het zeker. Ik zag mijn
.
mama fietsen in de nacht met wapperende
jaspanden en op haar snelle rode fiets,
de banden gevaarlijk dun. Zij
.
lachte voluit. Iets in me wilde opspringen,
mijn fiets pakken en meegaan. Zij ging
aan mij voorbij, niets bewoog.
.
Kostbaar
Kenneth Swaenen
.
De Vlaming Kenneth Swaenen (1990) studeerde aan de universiteit van Gent Taal-en Letterkunde: Nederlands-Latijn. In die periode schreef hij ook zijn eerste gedichten. Momenteel woont en werkt hij in Antwerpen als docent en dichter. Via Creatief Schrijven volgde hij de opleiding poëzie aan de Schrijvers Academie. Op Gedichtendag 2021 won hij de tweede editie van de Zeef Poëzieprijs en als gevolg werd bij uitgeverij De Zeef zijn debuutbundel uitgegeven getiteld ‘Witte dwergen’. In 2025 volgde bij dezelfde uitgeverij de bundel ‘Blos’ en uit die bundel werd het gedicht ‘Kostbaar’ genomen.
Op de website van Meander schrijft Ellis van Atten over deze bundel: “Swaenen raakt universele thema’s aan zoals verlies, verbondenheid, weemoed, verlangen, maar het blijft wat te beschrijvend en te veel aan de oppervlakte naar mijn zin. Ik ben wel nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer er meer stof van zijn schouderbladen afgeschud zou worden, en dan niet te voorzichtig. Iets meer de diepte in. De opbouw van de gedichten – vrije vorm, mooi enjambement, witregels op de juiste plek, lekker ritmisch zonder rijm – én mooie zinnen zijn een belofte voor meer poëzie”.
.
Kostbaar
Karaat
Er gewicht aan geven
opdat het niet door stormwind
of weerwolven wordt weggeblazen
het eens niet op luiheid steken
alsof het eerste biggetje ook niet liever
een huis met stenen had gebouwd
Kleur
er niet blind voor zijn
hoe raamwerk bepaalt in welk licht
we elkaar het allerliefste zien
wit verkwikt, maar waar je warmte mist
wrijven we over wonderlampen
we halen een kaarsvlam voor de geest
Klaarte
er schaarste aan binden
want diep en onder druk
wordt karakter gevormd
wie dan breuken in zich draagt
behoeft geen schoonheidsslaap
zuiverheid zit in hun wens:
Kwaliteit
waarom wij ons samenzijn
niet dezelfde vorm geven
slijpen tot briljant
onze breekbaarheid vergroten
zo tot fonkelen komen
in een huis van diamant.
.













