Site-archief

Locaal gedicht

Jules Deelder

.

Ook van Jules Deelder (1944-2019) neem ik altijd graag een gedicht op in mijn vakantie. Het gedicht ‘Locaal gedicht’ komt uit zijn bundel ‘Lijf en andere gedichten‘ uit 1991.

.

Locaal gedicht

.

Op 14 mei 1940

wordt de stads-

vernieuwing in

Rotterdam op

radicale wijze

aangepakt – Dor-

.

niers en Heinkels

boven de stad

Pats! Boem! Krak!

In ene klap het

hele centrum plat

.

– De operatie

verloopt geheel

volgens plan en

leidt tot een

opleving in de

plaatselijke bouw

.

Columbus vaart uit

Simon Vinkenoog

.

Vanaf vandaag weer even op vakantie dus vakantiegedichten zonder al teveel duiding of context. Maar wel elke dag een gedicht. Vandaag dag 1 met een gedicht van Simon Vinkenoog (1928-2009) uit de bundel ‘Het nieuwe avontuur‘ Ontdekkingsreizen in de poëzie uit 1991, samengesteld door Hans Heesen. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Spiegelschrift, gebruikslyriek‘ eerste gedichten 49/64 uit 1966.

.

Columbus vaart uit

.

De slaap is een slaaf

– de wil gebroken –

met handen en voeten

aan het schip geklonken

het schip van de droom

die Amerika ontdekt.

.

Een droom die Afrika ontmant

en de oceanen bevolkt

oceanen van liefde.

.

De droom is voortvluchtig

de slaap waanzinnig

een slavenschip van razernij.

.

 

Roes en memorie

Paul Celan

.

Het zal denk ik ruim twintig jaar geleden zijn dat ik voor het eerst hoorde van de dichter Paul Celan (1920-1970). Het was bij een avond over poëzie in de bibliotheek van Den Hoorn. Ik droeg er met een aantal andere mensen voor en de organisator van de avond, een docente Nederlands als ik me niet vergis van een middelbare school in Delft, vertelde er over poëzie en dan met name over Paul Celan.

Op die avond droeg ze zijn gedicht ‘Todesfuge‘ voor en ze gaf een heel mooie analyse van het gedicht. Afgezien van haar voordracht en analyse was ik meteen zeer onder de indruk van het gedicht, van het onderwerp (de Holocaust) en de poëtische zeggingskracht en ik wilde meer weten over Paul Celan. Ik zocht informatie over hem op Internet en sindsdien heb ik verschillende keren over hem en zijn poëzie geschreven.

Vreemd genoeg bezat ik geen bundel van Celan. In verzamelbundels en bloemlezingen las ik verschillende gedichten van hem en op het internet uiteraard, maar in mijn collectie ontbrak nog een dichtbundel van hem. Daar is nu verandering in gekomen. Sinds een week bezit ik de bundel ‘Roes en memorie’ uit 1995 vertaald door dé Celan-vertaler Ton Naaijkens.

‘Roes en memorie’ of ‘Mohn und Gedächtnis’ zoals de bundel in het Duits is getiteld, maakte van Celan in 1952 in één klap een klassiek auteur. De bundel staat in het teken van rouw en verdriet om de verwoestende kracht van een oorlog. In deze bundel zoekt Celan naar mogelijkheden van verwerking: slaap en herinnering, verdoving en besef, roes en memorie. De eerste gedichten ontstonden aan het einde van de oorlog, andere in de tweede helft van de jaren veertig in Boekarest, Wenen en Parijs. ‘Roes en memorie’ is het derde deel van de integrale vertaling die werd uitgegeven door Picaron Editions. Eerder verschenen ‘De niemandsroos’ (1991) en ‘Ademkeer’ (1992).

Ik koos voor een van de eerste gedichten in de bundel ‘Marianne’ vooral omdat ik (samen met Bart) en haar al jarenlang MUGzine maak.

.

Marianne

.

Zonder sering is je haar, je gelaat uit spiegelglas.

Van oog tot oog trekt de wolk, als Sodom naar Babel:

ze stroopt de toren als lover en woedt om de

zwavelstruik.

 

Dan flitst er een schicht rond je mond – die kloof met

de stukken viool.

Met sneeuwige tanden bespeelt er een man de snaren:

o mooier klonk het riet!

.

Geliefde, ook jij bent het riet en wij allen de regen;

een wijn zonder weerga je lijf, en we klinken getienen;

een schuit in het graan is je hart, we roeien haar

nachtwaarts;

een kruikje blauwte, zo dartel je over ons heen, en wij

slapen…

.

Voor de tent trekt het honderdschap op, we dragen je

brassend ten grave.

Nu rinkelt op ’s werelds plavuizen de daalder, de

harde, der dromen.

.

 

Astrologie voor beginners

Charlotte Van den Broeck

.

Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan en daar pulkte ik, zonder te kijken, de bundel ‘Kameleon’ van Charlotte Van den Broeck uit 2015, tussen een dikke stapel dunnen bundels tevoorschijn. Opnieuw zonder te kijken liet ik de pagina’s door mijn vingers gaan en toen ik stopte (op pagina 42) las ik het gedicht ‘Astrologie voor beginners’. Nou weet ik niet of je in astrologie gelooft of dat je het meer ziet als een onschuldig volksvermaak. Maar wat Charlotte Van den Broeck (1991) mij hier voorschotelt is een verlangen naar duiding (zou astrologie dan toch…?) maar nee, uiteindelijk blijken er aan den einder slechts halogeenlampen aan een lege hemel te staan.

.

Astrologie voor beginners

.

Kilometers onder de korst

bewijst  de aarde roodverbrand zijn rondheid.

.

Zo zullen ook wij op een dag

samenvallen op eenzelfde as: amper vrouw

bijna man met een uniseks regenjas.

.

Je blik, die mijn rok aan mijn enkels denkt.

Ik heb een huid, die enkel nog jouw vingers kent.

.

Die keer toen we de haas aanreden en in zijn ingewanden

de oorzaak van verdriet probeerden te lezen.

We vreesden dat het nooit zou drogen.

.

Misschien ligt er een antwoord in het oog van de telescoop.

Een verklarende wetmatigheid in de baan van Venus.

.

Nachtenlang hebben we gekeken.

We zagen enkel halogeenlampen aan een lege hemel.

.

.

 

Grens 206

Iduna Paalman

.

Gisteren schreef ik een blogbericht over het rijwielplaatje. Ik begon dat bericht met allerlei autovignetten die tegenwoordig nodig zijn om door Europa te reizen (en ik noemde er slechts een paar, er zijn er veel meer). De aanleiding tot die inleiding lag niet bij het rijwielplaatje maar bij een gedicht van Iduna Paalman (1991) getiteld ‘Grens 206’ uit haar bundel ‘Bewijs van bewaring‘ uit 2022. In dit gedicht gaat het over juist die autovignetten.

Omdat ik al schrijvend ook de fiets en het openbaar vervoer noemde zoek ik dan wat verder, kom ik op een website die over het rijwielplaatje gaat en plots lees ik daar een gedicht. Interessant genoeg om over te schrijven. Vandaar gisteren het gedicht van Speenhoff en vandaag, alsnog dus, het gedicht ‘Grens 206’ van Iduna Paalman.

.

Grens 206

.

De bijsluiter schrijft voor dat het grensvignet

niet mag ontbreken maar ook niet te zichtbaar mag zijn,

de blik niet mag belemmeren maar een trouwe metgezel is

een coalitiepartner celgenoot strafmaat een geliefde

.

ik sta op het punt van vertrek en nee, de auto

heeft zichzelf uit de slalom weggehaald en het boeket

is niet op het dak blijven liggen, op klein snelheidsverlies

staat straf, ik heb me nog niet verdiept in de hoogte maar de ruiten

geven ons een magnifiek tafereel, ik ben zo blij dat ze schoon zijn

zo sprakeloos zo misselijk waren we ziek? het is geen eenmalige koop

.

zo’n vignet heb ik begrepen verloopt en verloopt en de hitte

van de weg stikt zich eraan vast, de herinnering die na een paar weken boenen

ofwel versleten ofwel als nieuw is, even was het logisch: we zijn geen dieven

van de volle tank, we zijn de volle tank

.

daarna geflits over de juiste bescheiden, bronnen bewaren

indienen, de boetes ten volste beleven, ik ontdekte de meest

schitterende besluitenloosheid die ik kende, we vertrokken

telkens bijna

.

Niet naar het water kijken

Merlijn Huntjens

.

De Limburgse dichter en maker Merlijn Huntjens (1991) ken ik al vanaf 2013 toen hij als jonge dichter voordroeg op een podium van poëziestichting Ongehoord! Na zijn voordracht kocht ik destijds zijn bundel ‘Ja, blokfluit’ met daarin 10 tracks (gedichten) en 1 bonustrack. Het verbaasde mij dan ook toen ik las dat zijn uitgeverij De Harmonie, zijn nieuwe bundel ‘Onder mij de mat’ als debuut afficheert. Helemaal omdat Merlijn in 2022 ook nog een scrapbook (met gedichten) bij Wintertuin uitgeverij heeft gepubliceerd met de titel ‘de zee waait terug’.

Dat Merlijn geen nieuwe naam in de poëzie is blijkt onder andere ook uit het feit dat hij al poëzie publiceerde in De Revisor, Het Liegend Konijn, Tirade, Kluger Hans en MUGzine #6. Daarnaast stond hij drie keer in de finale van het NK poetry slam en was hij één van de dichters die met de Poëziebus meereed in 2015. Hij is artistiek leider van PANDA, een collectief dat verhalen van Limburgse bodem op onorthodoxe wijze vertelt en literaire programma’s samenstelt. Het maakt zich tevens sterk voor literatuur en poëzie op scholen en creëert ruimte voor jong talent uit de regio.

Omdat er momenteel overal aandacht is voor zijn nieuwe bundel grijp ik nog even terug naar ‘de zee waait terug’. In deze bundel schrijft hij over een fictief eiland waar een gesloten gemeenschap woont. De mensen maken er onderdeel uit van een oud en magisch universum. De gedichten vertellen het verhaal van de teloorgang van deze oude wereld en de onzekere toekomst die erop volgt: wat is de invloed van technologische vooruitgang in een wereld van tradities en rituelen? Is er in een steeds donker wordende wereld nog ruimte voor individuele kwetsbaarheid? In de gedichten onderzoekt Merlijn hoe de eilanders omgaan met radicale veranderingen en het verlies dat daarmee gepaard gaat. Uit deze bundel het gedicht ‘niet naar het water kijken, niet naar het water kijken’.

.

niet naar het water kijken, niet naar het water kijken

.

demi wil ademhalen boven de wereld
naast een satelliet zwemmen in de ruimte
om dichterbij de droge maan te zijn.

haar eerste woning spoelde weg
doordat de zee het eiland opat.
ze herinnert zich dat ze door het gesprongen raam
met het matras als vlot naar buiten stroomde
in haar tuin opgevangen werd door een brandweerman.

haar opgevouwen telescoop past
in de kofferbak van de sedan van haar broer
ze hangt hem aan haar rugzak
wanneer ze het dak
van haar spiegeleihuis op klimt
via de boom die vlak naast het huis groeit.

demi is het hoogste punt van het eiland.
ze kijkt naar de maan.
ze denkt dat ze daarboven iets heeft gezien:
donkere kraters als koeienvlekken
kurkdroge vlaktes, nergens gras of verrassingen.

.

Dochter

Judith Mok

.

Ik sta weer voor mijn boekenkast en pak daar een willekeurige dichtbundel uit zonder te kijken wat het is. Het is ‘Vrouwen dichten anders’ samengesteld en ingeleid door Cox Habbema, uit 2000. Ik open de bundel op een willekeurige pagina (72) en daar staat het gedicht ‘Dochter’ van Judith Mok dat is genomen uit haar bundel ‘Het Feestmaal’ uit 1997.

Judith Mok (1954-2024) is een voor mij onbekende dichter, ik schreef nog nooit over haar en haar naam werd zelfs niet terloops in een blogbericht genoemd. Mok was een multi-talent. Ze was een Nederlandse sopraan, schrijfster en dichteres. Ze verhuisde in haar veertiger jaren naar Ierland en publiceerde romans en andere werken in het Engels. Ze publiceerde fictieve memoires, drie romans en vier dichtbundels. In 1985 debuteerde ze als schrijver en dichter met de dichtbundel ‘Sterkwater’. Hierna volgde nog ‘Materiaal’ in 1991, ‘Het Feestmaal’ in 1997 en ‘Goden van Babel’ in het Engels in 2011.

.

Dochter

.

Ik sta naast je bed

Er zingt iets in mijn oren

alsof je slaap de melodie kent

van toen. Kind, je huid

laat een bloemengeur toe

je bent je vaders gedicht

mijn Ierse roos

je rijdt op wilde paarden

en spreekt je wijze taal.

Ik luisterde naar het sterven

van mijn moeder, terwijl de dood

aan jouw masker begon te kerven.

.

Charlotte Van den Broeck

Winnaar Boekenbon Literatuurprijs

.

Afgelopen donderdagavond werd bekend dat de Vlaamse schrijver en dichter Charlotte Van den Broeck (1991) de winnaar is van de Boekenbon Literatuurprijs van maar liefst € 50.000,-. Een terechte waardering voor haar werk. In dit geval kreeg ze de prijs voor haar boek “Een vlam Tasmaanse tijgers’ het verslag van een reis die Van den Broeck ondernam uit nieuwsgierigheid naar de Tasmaanse tijger en die voert langs archieven, musea, laboratoria, dierentuinen en natuurgebieden uit 2024.

De jury noemde haar in het juryrapport de dichtende journalist heb ik begrepen van Marianne (van MUGzine) die bij de prijsuitreiking aanwezig was. Ik schreef hier al vaker over Charlotte en haar werk. En na het zien en horen van de, door haar voorgedragen, volledige tekst van ‘Plakboel’ in de bibliotheek van Utrecht afgelopen jaar (iets dat ze tijdens de Nacht van de Poëzie nogmaals herhaalde) is mijn bewondering en waardering voor haar alleen maar gestegen.

Uiteraard feliciteer ik Charlotte met deze prachtige prijs maar omdat dit blog over poëzie gaat (maar lees ‘Een vlam Tasmaanse tijgers’ het is echt heel erg de moeite waard) wil ik hier een gedicht van haar plaatsen. In dit geval het gedicht ‘Nachtroer’ het titelgedicht uit haar gelijknamige bundel uit 2017 die ze opdroeg aan Remco Campert.

.

Nachtroer

                                                                     Voor Remco Campert

Avond
en het breeklicht in je ogen en je kijkt
het breekt oranje op in je ogen het vloeiende licht
waarin ik wist wat ik later nooit zou weten
hoe een woord zomaar

een ander woord kan gaan betekenen
en dat dat alles

buiten hangt de avond steriel en laat al, de lome rook
besluiteloos tussen ons in en je kijkt
en wat dat oproert in een avond, in mij, rode glanzende mieren
honderden, even nog, voor het licht krimpt, de jeuk
de laaiende jeuk van je ogen het laat niet af

ook niet nu het licht al

want op het hellingsvlak tussen nu en straks
wacht ons een kamer zonder muggen of aarzeling
het kan niet anders want boven mij hangt je hand

die me niet aanraakt maar me de mogelijkheid geeft
om mezelf ertegen op te drukken de tomeloze mogelijkheid
om mezelf op te drukken tegen een hand die me niet
aanraakt, maar me de mogelijkheid geeft om

wachten en zwellen
zijn bijna hetzelfde, bij de kniklijn
loopt het in elkaar over wat ik wil
en wat ik weet in het neonlicht

het kleurenspectrum in een regenplas even
is het waar geweest en feloranje
het kan niet anders soms

denk ik nog bij de hand een avond
een mond een schouder een geslacht
en dat het alles

en dat jij de mieren niet en de zwellende kleuren niet
dat kleur maar stof en licht dat nauwelijks nog het licht
de avond feloranje even nog

laat het nog even

tot het licht niet langer tot ook het kijken
niets meer dan de richting van je ogen wordt

.

Digitaal crisissonnet

Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen

.

Ik kocht de bundel ‘Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen’ dichters tegen racisme uit 1994. De titel stond me meteen aan want als er iets is dat tegenwoordig niet alleen weer de kop opsteekt maar zeker ook bestreden moet worden, dan is het racisme en racistische uitingen. Kijk naar de gewelddadige protesten tegen de komst van AZC’s en wat de meute daar roept, kijk naar het protest op het Malieveld van extreem rechts waar schaamteloos de Hitlergroet werd gemaakt, racisme en fascisme zijn niet alleen aan de orde van de dag maar ook steeds dreigender.

En deze bundel is uit 1994. Toen werd er dus ook al de noodzaak gevoeld door dichters om zich hierover uit te spreken. De bundel werd gemaakt door Jongerenkomitee Tegen Racisme uit Pajottenland, een streek in Vlaams Brabant. Daar werd in 1991 het extreem rechtse Vlaams Blok heel groot (men ging van 2 naar 12 zetels). Tegenwoordig kijken we niet meer op van extreem rechtse partijen en partijtjes (Forum, Ja 21, PVV, BBB) die ineens opkomen maar destijds was dat een nieuw verschijnsel.

Deze nieuwe beweging in Pajottenland werd actief, ging allerlei activiteiten organiseren, waaronder iets met poëzie. Er werd aansluiting gezocht met bestaande initiatieven, met jongeren die iets wilde met poëzie, met zangers en met bekende dichters en zo ontstond deze bundel. Er werden studenten van het Sint Lucas kunsthumaniora gevraagd voor de illustraties en daarmee was de inhoud en vormgeving (EPO) gereed en verscheen in 1994, drie jaar na deze verkiezingswinst van het Vlaams Blok, de bundel ‘Wie nu nog zwijgt moet alles vrezen’.

De bundel is verdeeld in veertien hoofdstukken met als thema’s bijvoorbeeld vooroordelen, nationalisme, op de vlucht, de geschiedenis herhaalt zich, migrant en rijkdom van het multiculturele. Uit het hoofdstuk ‘de geschiedenis herhaalt zich’ koos ik voor het gedicht ‘Digitaal crisissonnet’ van Mark van Tongele (1956-2023).

.

Digitaal crisissonnet

.

Stempelende druppels vullen

de tijdvaten van verveling.

Regen op asfalt, rioolroosters

slikken ondrinkbaar leven door.

.

In sloppen schuld geschopt blijft

de dag een doodskist. Vochtmuren

schimmelende brooddozen. Wij

glazig en oneetbaar wachten.

.

Macht slijpt op het machowiel

van de economie blanke messen

om hulpeloze kelen af te snijden.

.

Gelkdkadans kadavert liefde stuk.

Als een deurwaarder ons honds-

dol afblaft, huivert het huis.

.

De beste poëzie, slamdichters en rapteksten

André Sollie

.

Op nieuw kocht ik voor een habbekrats een verzamelwerkje uit de Rainbow pockets; Dit keer ‘Dicht! De beste Poëzie, Slamdichters en Rapteksten’. uit 2009. Samengesteld door Henk van Zuiden. Op zichzelf is de combinatie van slampoëzie, rapteksten en poëzie (en wat mij betreft aangevuld met Spoken Word) een heel logische, het zijn eigenlijk allemaal loten aan dezelfde stam van deze hoek van de literatuur, waarbij ik de poëzie dat leidend vind. Slampoëzie is vooral een manier van voordracht en eigenlijk zijn Rapteksten dat ook, maar dan veelal rijmend en daarbij worden de grenzen van het rijm behoorlijk opgerekt, en Spoken Word is eigenlijk meer een vorm van voordracht die niet perse poëzie is, het is eigenlijk een mengvorm van proza en poëzie is en vooral draait om storytelling.

Bijzonder dus dat er een bundeling van zoveel verschillende soorten van uitdrukking (laten we het zo maar even noemen) is samengesteld. De tekst op de achterkant van de bundel biedt uitkomst. Henk van Zuiden verzamelde gedichten en teksten die geschikt zijn voor iedereen – maar toch vooral voor jongeren werden gekozen. Aan de inhoud, de verschillende dichters en rappers in de bundel, kun je zien dat die inderdaad sterk op jongeren leunt. Zo is er werk van Huub van der Lubbe, Brainpower, Ali B. (toen dat nog kon), Lange Frans (voordat ie volledig doordraaide) en Yes-R opgenomen maar grappig genoeg ook werk van Alexander Pola (1914-1992), Ida Vos (1931-2006) en Jana Beranová (1932). Maar ook namen die je juist verwacht; Upperfloor, Gijs ter Haar, Daniël Dee, Bart FM Droog, Ruben van Gogh en Jeroen Naaktgeboren.

Maar ook een naam die ik niet kende namelijk André Sollie (1947-2025) was een Vlaams auteur en illustrator van kinder- en jeugdboeken en dichtbundels (er zijn ook een paar dichters van jeugdpoëzie opgenomen als Ted van Lieshout en Edward van de Vendel). Sollie debuteerde in 1986 met zijn eerste dichtbundel voor de jeugd ‘Soms, dan heb ik flink de pest in’, gevolgd in 1991 door ‘Zeg maar niks’ en in 1997 de autobiografische dichtbundel ‘Het ijzelt in juni’. In 2008 verscheen een dichtbundel voor jonge kinderen ‘Altijd heb ik wat te vieren’. Van Sollie koos ik het gedicht uit ‘Altijd heb ik wat te vieren’ getiteld ‘Toen’.

.

Toen

.

Vroeger vond ik alles leuker.

Toen mijn penvriend me nog schreef,

ik nog niet op internaat was.

Veilig bij mijn ouders bleef.

.

Toen mijn cavia nog leefde,

ik mijn blindedarm nog had.

Hoefde ik nog niet die beugel.

Woonden we nog in de stad.

.

Poes was nog niet weggelopen

en ik had nog geen acne.

En mijn pa nog geen verkering

met die slet uit Merendree.

.

Kortom. álles was toen beter;

elke zondag krentenbrood.

Was mijn fiets nog niet gestolen.

En mijn moeder nog niet dood.

.