Site-archief

Twaalf niet zo moeilijke gedichten

Hans Vlek

.

De dichter Hans Vlek (1947-2016) is geen onbekende dichter op dit blog. Al een aantal maal kwam hij en zijn poëzie voorbij. Na zijn dood werd in 2024 het Hans Vlek genootschap opgericht met het doel de herinnering aan de dichter Hans Vlek levend te houden en bij te dragen aan de kennis en waardering van zijn werk. Het Genootschap wordt bestuurd door Teunis IJdens, Antoon van Rosmalen, Renske van Dillen en Sander Bax. Ook is er een comité van aanbeveling waar naast dichters Frans Kuipers en Jan Kuijper ook mijn bibliotheek collega en directeur van de bibliotheek in Den Bosch Nan van Schendel, schrijver A. F. Th. van der Heijden en Roos Vlek (dochter van Hans) zitting hebben.

Doel van het Hans Vlek Genootschap is om beschikbare informatie over werk en leven van de dichter toegankelijk te maken; nieuwe informatie te verzamelen en toegankelijk te maken; lezingen, festivals en andere openbare evenementen te (doen) organiseren; studie naar het werk van Hans Vlek en verwante dichters, schrijvers, beeldend kunstenaars en musici te bevorderen; publicaties te (doen) uitgeven.

En dat laatste is nu precies wat het Genootschap gaat doen. Op 4 juli, de Vlekdag, 10 jaar na zijn overlijden, organiseren zij samen met Huis73 (de bibliotheek) onder andere de presentatie van de bundel ‘Twaalf niet zo moeilijke gedichten’ in een oplage van 150 genummerde exemplaren. Deze bundel bevat twaalf eerder gepubliceerde gedichten van Hans Vlek die sinds 2 juli 2025 bij zes zogenaamde Vlekflitsen, om de twee maanden, werden voorgedragen op een openbare plek in Den Bosch. Meer informatie over het Genootschap vind je op hun website hansvlek.nl 

Ik heb de inhoud van deze bundel mogen inzien en ik heb gekozen voor het gedicht ‘Fatum’ dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘Iets eetbaars’ uit 1966.

.

Fatum

.

Of ik nu goede gedichten schrijf

of niet, of ik nu 1 liter melk

of bier drink, of als

het ophoudt te regenen

En ga zo maar even door

– Het is een goedkoop thema

zoals ook lucht goedkoop is

maar onmisbaar

ik weet het –

.

Mijn haren zullen schaarser

m’n brilleglazen dikker

en m’n ogen kleiner worden.

Ook zal ik niet meer door

voor aanstormende auto’s weg te sprinten

veilig de overkant bereiken.

.

Ik bedoel dichters

gaan ook dood. Iets anders

houd ik niet voor mogelijk

.

Robert VanderMolen

Het meer

.

In het Volkskrantmagazine van afgelopen zaterdag staat een mooi artikel over een miljardair wiens vader begin vorige eeuw naar Amerika vertrok en daar een keten van supermarkten opzette. Zijn naam: Hendrik Meijer. Nu zul je je misschien afvragen waarom ik, op een blog over poëzie, iets ga schrijven over een miljardair die zijn geld verdient met het uitbaten van supermarkten in de Verenigde Staten? Een terecht vraag.

In het zeer leesbare artikel wordt Hendrik Meijer niet alleen als een zeer vriendelijk en sociaal begaan persoon beschreven maar wordt ook gewag gemaakt van het feit dat hij zeer in poëzie geïnteresseerd is, zelf poëzie schrijft maar zichzelf een zeer matig dichter noemt (hij heeft ooit eens een gedicht weten te laten publiceren in een verzamelbundel getiteld ‘Comfort Inn, een gedicht dat ik overigens nergens heb kunnen vinden in full text).

In het artikel wordt beschreven dat hij deel uitmaakt van een groep die zichzelf The Scribblers noemen (vertaling: de pennenlikkers), allemaal geboren zijn vanuit ouders die ooit Nederland voor Amerika verruilde, en samen over literatuur, poëzie, politiek (allemaal zijn ze anti-Trump) praten. Op tafel ligt een bundel poëzie van Bob VanderMolen (1947-2025), een vriend en dichter die overleden is. Een romantisch, poëtisch figuur en een lokale beroemdheid, volgens de schrijver van het artikel.

In het dagelijks leven huisschilder, publiceerde ‘Bob’ Robert VanderMolen maar liefst dertien bundels met glasheldere gedichten. Wanneer ik zoiets lees ga ik uiteraard op zoek en ik vond inderdaad allerlei gegevens en gedichten van deze Robert. Zo verscheen zijn werk in The London review of Books, Poetry Daily, The Poetry Foundation, Grand Street Parnassus, Poetry, Epoch Michigan Quarterly Review en Saint Ann’s Review. Uit zijn bundel ‘Skin’ uit 2021 komt zijn gedicht ‘The Lake’.

.

The Lake

.

Dry snow, the pines scaly

As deer parade single file

As if on duty, declining

The ridge without effort

Their nostrils and breath

Suddenly enlarged, down

To the dock stacked

Under snow and

What has blown into it,

Twigs and bark from birches,

And out onto ice

Above fish staring skyward

As dry as stuffed bass and pickerel

Mounted over a mantel

Growing smaller, like in a dust

Of snow flakes,

Or a broken sentence

In Old English

During that era we did

So many illuminating detours

—a breeze stirs,

Something barks back

.

As the surface bends

Under its own weight

.

De geheimen van wikke en dille

Wiel Kusters en Gerrit Kouwenaar

.

Vandaag, omdat het vrijdag is en ik het erg druk heb gehad, een bundel uit mijn boekenkast ‘blind gepakt’. In dit geval eens geen dichtbundel (verrassing!) maar ‘aantekeningen over poëzie’ van Wiel Kusters met de titel ‘De geheimen van wikke en dille’ uit 1988. In dit boek staan “indrukken die een gewone, aandachtige lezer van poëzie opdoet, verwoord op een manier die andere gewone en aandachtige lezers met gemak kunnen volgen”. Eigenlijk zou dit een motto van mijn blog kunnen zijn.

Maar terug naar Wiel Kusters (1947) en dit boek. Hij begint met een stuk over de dichter Kouwenaar en laat dat nou precies de dichter zijn over wie ik, zonder te kijken, een pagina opende (188). Daar staat het gedicht van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) zonder titel met de  beginzin ‘Men is vandaag ontzettend onsterfelijk’.

.

Men is vandaag ontzettend onsterfelijk

het is eindelijk de echte heldere herfst

die er haast nog niet is.

.

de bladeren vergelen, nog betrekkelijk groen

de wind is nog blauw, wijst geen enkele richting

de grond ligt nog onder het gras

.

men rookt de zwarte sigaar van de dokter

men raakt bezweet door het werpen van darts

men drinkt zijn zevende glas

.

in een ligstoel later men stippelt

onder het genot van dit tijdstip

een reis uit

.

de reis voor de komende heldere winter

en men vindt met de pink weer die heldere weg

naar dat denkbeeldige eindpunt-

.

Vasalisvogel

Vicky Francken

.

Dag zes alweer van -Kort weg- en opnieuw ben ik in mijn boekenkast gedoken voor een gedicht. Ik word altijd erg blij wanneer ik lees dat een dichter zijn of haar (hun) klassiekers kennen. Toen ik in ‘Röntgenfotomodel‘ van Vicky Franken (1989) uit 2017 het gedicht ‘Vasalisvogel’ las moest ik meteen aan de bundel ‘De vogel Phoenix‘ van Vasalis (1909-1998) denken uit 1947. Een prachtige bundel van een van mijn lievelingsdichters. Dat deze bundel ten grondslag ligt aan dit gedicht mag duidelijk zijn, al is het maar door de feniks uit de voorlaatste regel.

.

Vasalisvogel

.

Ik droomde toen het vrede was al dat er vrede was

waar die nog niet bestond: een witte duif

die zich in cirkels een beroerte vloog –

.

Met mijn hielen kerfde ik een kruis,

ik was al als de dood, het was alsof

de dood zich in mijn hoofd bevond.

.

Ik keek omhoog en zag de vrede vliegen.

Ze leek intens tevreden, barstte snel

en hevig los.

.

In haar val heb ik haar aangekeken.

Ze bleef zo stil, welhaast afwezig,

ik trok haar in twijfel, ze leek wel god.

.

Nu neem ik haar veren brandend in mijn hand,

verbind haar snavel, zing een psalm.

.

Ik strooi haar as uit in mijn ogen.

.

Vrede, wrede feniks,

sticht alsof het niets is brand.

.

Hanezang

Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt

.

Een van de redenen dat ik graag kringloopwinkels bezoek is dat, wanneer men over een ruime, goed geoutilleerde boekenverzameling beschikt, die ook nog eens  goed is ontsloten, ik daar vaak pareltjes van poëziebundels ontdek. Steeds meer mensen doen hun boekenkast de deur uit (dat staat daar maar ruimte in te nemen en stof te verzamelen) en in het gunstigste geval krijgen die boeken een tweede leven, al dan niet in een kringloopwinkel. Dat een huis zonder boeken zielloos oogt en dat juist de aanwezigheid van boeken er voor zorgt dat er gelezen wordt, interesseert helaas teveel mensen niets.

Een kringloopwinkel (met een goed ontsloten boekenverzameling, belangrijk want anders verzuip je in het aanbod en moet je wel heel gemotiveerd zijn om net zolang door te zoeken totdat je iets van je gading vindt) is zo’n plek waar je de leukste, aardigste, meest vergeten boeken en in mijn geval dichtbundels kan vinden. Juist het aanbod dat soms heel karig maar soms juist ook heel verrassend kan zijn, is wat me trekt. In kringloopwinkels kom je titels tegen die al lang vergeten zijn, niet meer te krijgen of slechts in een antiquariaat te koop zijn.

Titels waar je niet naar op zoek bent omdat je ze niet kent. Een voorwaarde wanneer je gaat zoeken op bijvoorbeeld boekwinkeltjes.nl want zomaar een beetje rondgluren kan wel maar dan heb je bijna 70.000 (poëzie) titels te gaan en ik geloof niet dat ik dat heel uitnodigend vind. Natuurlijk heel handig als je een specifieke titel zoekt maar ik hou juist heel erg van de verrassing. Zoals de twee bundeltjes die ik gisteren kocht in een kringloopwinkel in Zoetermeer.

In 1987 werd bij De Bezige Bij het kleine bundeltje ‘Hanezang’ Poëmen van Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt uitgegeven. Bijeengelezen door Marten Toonder (1912-2005) zo vermeldt de titelpagina. De kenners en liefhebbers van het werk van Marten Toonder kennen de markies als een van de vaste bijfiguren uit de Nederlandse stripreeks Tom Poes. Hij heeft de gedaante van een antropomorfe haan. De markies maakte zijn intrede in het krantenstripverhaal ‘Tom Poes en de watergeest’ uit 1947. In 1989 verscheen nog een tweede deel met de titel ‘Vleugeljaren’ en in 1997 ‘De verzamelde poëmen’, waarin opgenomen ‘Vleugeljaren’ en ‘Hanezang’, vermeerderd met herontdekt ongepubliceerd werk.

De Markies is een hooghartig personage met een minachting voor iedereen die niet van zijn stand is. Hij pretendeert van adel te zijn maar dat wordt nergens in de verhalen van Toonder bevestigd. Zijn leefgewoonten en uitspraken zijn door het Franse leven en de Franse taal geïnspireerd en hij heeft een voorliefde voor poëzie en esoterie. In de verantwoording achterin het bundeltje met 17 gedichten wordt verwezen naar de invloed van de dichter Willem Kloos, naar oude Engelse volksliedjes en naar een aantal van de verhalen van heer Bommel en Tom Poes. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Hoe pril was eens de morgenstond’.

.

Hoe pril was eens de morgenstond

.

Hoe jong was ik, hoe groen,

toen ik vroeger, na de noen,

mijn Lopsang-thee genoot

in ’t Rozenpaviljoen,

waar een merel zoete zangen floot.

.

Ach, hoe vredig was het toen,

hoe verre scheen mij daar de dood.

.

De avond is sindsdien gekomen.

Ala wat jool was is vergaan.

De vreugd der jeugd is mij ontnomen;

met ’t fêteren is ’t gedaan.

.

En als ik mijmer voor het vuur

met een Châteauneuf du Pape

over lang vergleden avontuur;

dan komt, hélas! de slaap.

.

Hoe pril was eens de morgenstond,

hoe grijs is ’t thans om negen uur.

.

 

 

De keizer van het roomijs

Wallace Stevens

.

De Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955) is geen onbekende op dit blog. Zijn naam wordt genoemd bij berichten over metafysische poëzie, en dichters als Adrienne Rich (1929 – 2012) en Naomi Shihab Nye (1952). Maar tot een blogbericht over deze Amerikaanse modernistische dichter is het (nog) niet gekomen. Daar komt vandaag verandering in.

Wallace Stevens studeerde aan Harvard en vervolgens aan de New York Law School , en bracht het grootste deel van zijn leven door als leidinggevende bij een verzekeringsmaatschappij. Zijn eerste gedichten schrijft hij in die periode in zijn vrije tijd. In 1923 publiceert hij  ‘Harmonium’, gevolgd door een licht herziene en aangepaste tweede editie in 1930. Hierna verschijnen onder andere ‘Ideas of Order’ (1933),  en ‘Transport to Summer’ (1947). In de laatste jaren van zijn leven verschijnen nog ‘The Auroras of Autumn ‘(1950) en  ‘The Collected Poems of Wallace Stevens’ (1954). In totaal verschijnen er bij leven zeven bundels van zijn hand.

Veel van zijn gedichten behandelen de kunst van het maken van kunst en in het bijzonder poëzie. Zijn ‘Collected Poems’ (1954) won in 1955 de Pulitzerprijs voor poëzie. Zijn biograaf noemt als filosofen-dichters waarmee Stevens zich mag meten  Ezra Pound (1885-1972), T.S. Eliot (1888-1965) en  John Milton (1608-1674). E.E. Cummings (1894-1962) wordt door deze biograaf ‘een schaduw van een dichter’ genoemd. Zo zie je maar dat ook biografen het heel erg bij het verkeerde eind kunnen hebben.

Uit de bundel ‘Vir die bysiende leser / Voor de bijziende lezer’ uit 2000 in een vertaling van Tom van de Voorde hier het gedicht ‘De Keizer van het Roomijs’ of The Emperor of Ice-Cream’ zoals de Engelse titel luidt.

.

De Keizer van het Roomijs

.

Roep de man die dikke sigaren rolt,

Die met al zijn spieren, en zeg hem klop

Ritse klodders room in keukenkommen op.

Laat de deernen dreutelen in het soort kleren

Dat zij gewoon zijn te dragen, en laat de jongens

Bloemen brengen in de kranten van verleden maand.

Laat zijn finale zijn van schijn.

Alleen de keizer van het roomijs kan keizer zijn.

.

Haal uit het dennenhouten dressoir,

Dat drie glazen knoppen mist, het laken

Waarop ze ooit paustaartjes borduurde

En vouw het zo open dat haar gezicht is bedekt.

Als haar eeltige voeten er onder uitsteken, komen z\e

Tonen hoe koud ze is, en stom.

Zorg dat de lamp haar goed beschijnt.

Alleen de keizer van het roomijs kan de keizer zijn.

.

Voor Victor van Vriesland

Michel van der Plas

.

In de categorie Dichter over dichter vandaag een gedicht van dichter, schrijver, journalist, vertaler, tekstschrijver en samensteller van bloemlezingen Michel van der Plas (1927-2013) over dichter, criticus, vertaler en voorzitter van de (internationale) PEN-club Victor van Vriesland (1892-1974).

Van Vriesland bezocht het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag, dat toen nog Eerste Stedelijk Gymnasium heette. Daar kwam hij in aanraking met de literatuur en raakte hij onder meer bevriend met Martinus Nijhoff. Hij maakte er kennis met het werk van de Franse auteurs André Gide en Paul Valéry. Sterk beïnvloed door de poëzie van laatstgenoemde publiceerde Van Vriesland reeds op jeugdige leeftijd gedichten in Verweys tijdschrift De Beweging.

Michel van der Plas debuteerde in 1947 met de bundel ‘Going my way’ en vertalingen van Engelse poëzie. Hij had een voorkeur voor sonnetten en sloot daarbij aan bij een eerdere dichtkunst, die in de jaren 1950 werd overvleugeld door de vrije regelval van de ‘Vijftigers’. Toch heeft hij deze dichtvorm nooit vaarwel gezegd. Naast dichter was hij vooral bekend als tekstschrijver voor het cabaret van onder andere Wim Zonneveld, Gerard Cox en Wim Kan.

In zijn debuutbundel ‘Going my way’ is een gedicht opgenomen dat hij voor Victor van Vriesland schreef.

.

MOET men niet oud zijn, levend van zijn wijsheid,

moet men de open bedelhand der jeugd niet

hebben gesloten, bruusk misschien, vol weerzin,

misschien gelaten,

.

om de zo grootse rijkdom te verdienen

dat men een zoon mag heffen in zijn handen:

hoog, als de droom die eeuwig bleef toen bijna

elke droom dood was?

.

Rijkdom der wijsheid, nimmer zal een kind u

zó leren kennen, als in de ogen van de

man die zijn dagen keuren kan als vruchten

zonder te proeven.

.

Schoon is de morgen als hij met zijn kind de

nachten uittreedt van bitterheid, o, schoon is

alles als men het leven juichend draagt in

Simeonshanden.

.

 

De beste poëzie, slamdichters en rapteksten

André Sollie

.

Op nieuw kocht ik voor een habbekrats een verzamelwerkje uit de Rainbow pockets; Dit keer ‘Dicht! De beste Poëzie, Slamdichters en Rapteksten’. uit 2009. Samengesteld door Henk van Zuiden. Op zichzelf is de combinatie van slampoëzie, rapteksten en poëzie (en wat mij betreft aangevuld met Spoken Word) een heel logische, het zijn eigenlijk allemaal loten aan dezelfde stam van deze hoek van de literatuur, waarbij ik de poëzie dat leidend vind. Slampoëzie is vooral een manier van voordracht en eigenlijk zijn Rapteksten dat ook, maar dan veelal rijmend en daarbij worden de grenzen van het rijm behoorlijk opgerekt, en Spoken Word is eigenlijk meer een vorm van voordracht die niet perse poëzie is, het is eigenlijk een mengvorm van proza en poëzie is en vooral draait om storytelling.

Bijzonder dus dat er een bundeling van zoveel verschillende soorten van uitdrukking (laten we het zo maar even noemen) is samengesteld. De tekst op de achterkant van de bundel biedt uitkomst. Henk van Zuiden verzamelde gedichten en teksten die geschikt zijn voor iedereen – maar toch vooral voor jongeren werden gekozen. Aan de inhoud, de verschillende dichters en rappers in de bundel, kun je zien dat die inderdaad sterk op jongeren leunt. Zo is er werk van Huub van der Lubbe, Brainpower, Ali B. (toen dat nog kon), Lange Frans (voordat ie volledig doordraaide) en Yes-R opgenomen maar grappig genoeg ook werk van Alexander Pola (1914-1992), Ida Vos (1931-2006) en Jana Beranová (1932). Maar ook namen die je juist verwacht; Upperfloor, Gijs ter Haar, Daniël Dee, Bart FM Droog, Ruben van Gogh en Jeroen Naaktgeboren.

Maar ook een naam die ik niet kende namelijk André Sollie (1947-2025) was een Vlaams auteur en illustrator van kinder- en jeugdboeken en dichtbundels (er zijn ook een paar dichters van jeugdpoëzie opgenomen als Ted van Lieshout en Edward van de Vendel). Sollie debuteerde in 1986 met zijn eerste dichtbundel voor de jeugd ‘Soms, dan heb ik flink de pest in’, gevolgd in 1991 door ‘Zeg maar niks’ en in 1997 de autobiografische dichtbundel ‘Het ijzelt in juni’. In 2008 verscheen een dichtbundel voor jonge kinderen ‘Altijd heb ik wat te vieren’. Van Sollie koos ik het gedicht uit ‘Altijd heb ik wat te vieren’ getiteld ‘Toen’.

.

Toen

.

Vroeger vond ik alles leuker.

Toen mijn penvriend me nog schreef,

ik nog niet op internaat was.

Veilig bij mijn ouders bleef.

.

Toen mijn cavia nog leefde,

ik mijn blindedarm nog had.

Hoefde ik nog niet die beugel.

Woonden we nog in de stad.

.

Poes was nog niet weggelopen

en ik had nog geen acne.

En mijn pa nog geen verkering

met die slet uit Merendree.

.

Kortom. álles was toen beter;

elke zondag krentenbrood.

Was mijn fiets nog niet gestolen.

En mijn moeder nog niet dood.

.

dichter over dichter

Hanna Kirsten over Marleen de Crée

.

In de laatste bundel van Hanna Kirsten (1947) getiteld ‘Voetafdruk van stilte‘ staat een gedicht voor Marleen de Crée (1941-2021). Marleen de Crée leerde ik kennen toen we haar voor MUGzine #6 in 2021 vroegen. Ze reageerde meteen enthousiast en haar gedichten die ze inleverde rond het thema ‘Insomnia’ waren zo goed gekozen en geschreven. Ik was dan ook verrast en verdrietig toen ik vernam van haar zelf verkozen dood samen met haar man Jean.

Het gedicht ‘voor marleen de crée ‘met een zacht potlood’ wordt in ‘Voetafdruk van stilte’ voorafgegaan door woorden van Marleen: “De stilte, Hanna, is het woord willen en zonder het woord kunnen we niet zeggen dat we de stilte liefhebben’.

.

voor marleen de crée ‘met een zacht potlood’

.

vita vita

leven en lezen

met de nadruk op geen van beide

en het hart op alle twee

.

oktober is wachttijd

verwaaid blijven liggen

in het wit tussen de regels

.

fluisterlicht

verloren woorden die jou

in de stilte van het water

hoorbaar maken

sybilla legt warme vleugels

rond mijn stem

druppelpunt is raakpunt

wortels in de grond

.

uit jouw stilte

groeien woorden

rozen en rozen.

.

Liefdesgedicht

Hanna Kirsten

.

Opnieuw leer ik een dichter kennen; Hanna Kirsten (1947). Ik kende haar niet maar ik heb hier haar nieuwste bundel in handen, uitgegeven door uitgeverij P begin dit jaar. Hanna Kirsten, pseudoniem van Johanna Bral, was tien jaar werkzaam als lerares Nederlands en Verbale Expressie in Antwerpen. Ze publiceerde gedichten in tal van tijdschriften en werd met haar poëzie in verschillende bloemlezingen opgenomen. Ze debuteerde in 1973 met ‘Adem voor vogels’  en publiceerde ze nog ‘Het is erg wit wat er staat’ (1975), ‘De kou is uit de lucht’ (1979), ‘De lucht hangt nog vol dagen’ (1983), ‘Elders wonen’ (2003), ‘Korst en kruim’ (2005) en ‘Hoe sterk is de hechtzijde’ (2007).

En dan verschijnt er nu, 18 jaar na haar laatste bundel dus een nieuwe bundel ‘Voetafdruk van stilte’. Dichter Lut De Block schrijft in het voorwoord over deze bundel: “Voetafdruk van stilte bevat subtiele, intimistische gedichten over liefde en ouder worden, waarbij alle clichés over ‘starre oudjes, triomfantelijk ontkracht worden. de actuele gedichten (over asielzoekers, discriminatie, covid) lijken eenvoudig maar zijn diepmenselijk en geëngageerd. en zoals de winterwereld zachter oogt met een aarzelend laagje sneeuw, zo klinken de gerijpte ‘in memoriam’-gedichten nooit somber of doods. Ze krijgen een Szymborskiaanse lichtvoetigheid mee en getuigen vooral van het leven. ”

Dat belooft veel en ik moet zeggen dat Lut de Block de spijker op zijn kop slaat. In sobere, soms ingetogen maar heldere gedichten beschrijft Hanna Kirsten precies die onderwerpen. Ik ben vooral erg geporteerd van het hoofdstuk getiteld ‘jy is my liefling en ek is so bly’ een zin uit het gedicht ‘Allerliefste’ van de Zuid Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach.  Uit dat deel van de bundel nam ik het titelloze gedicht op pagina 35.

.

ik loop traag

een afdalende weg

droom van een zachte winter

.

mensen op leeftijd

dor hout?

.

zacht hout van naaldbomen

hun toppen door de wolken heen

.

onmacht en rusteloosheid

breken op als ijs dat gaat kruien

.

liefste, herinner me

aan je aanwezigheid

in het kleurveld van een dag

woorden zijn gevonden veren

.

zing van een lente

geen betere tijd

om te zoenen

.