Site-archief

10 jaar Dichter bij de Dood

1 november 2026

Op zondag 1 november, tijdens Allerzielen, wordt op begraafplaats Oud Eik en Duinen voor de 10e keer Dichter bij de Dood georganiseerd. Ontwikkeld in 2016 door Marjon van der Vegt en Liesbeth de Blécourt en sinds enkele jaren ondersteunt door poëziestichting Ongehoord! in mijn persoon, is dit jaarlijkse project inmiddels uitgegroeid tot een bijzondere activiteit die soms wel honderden bezoekers trekt (beetje afhankelijk van het weer). Aanstaande zondag wordt het zacht en droog weer dus we verwachten een grote toeloop van nieuwsgierige mensen maar ook zeker van trouwe bezoekers die dit project al jaren volgen.

Dichter bij de Dood is ooit ontstaan omdat de initiatiefnemers van mening waren dat er meer over de dood en rouw zou kunnen en moeten worden gesproken. Voor velen is rouw, overlijden en de dood nog altijd iets in de taboesfeer terwijl er juist zoveel troost en schoonheid ligt in het herdenken en stil staan bij geliefden, familie en vrienden die zijn overleden.

Waar in vorige jaren de dichters zich verbonden aan een bekende Nederlander (er liggen nogal wat bekende mensen begraven op Oud Eik en Duinen), hebben de dichters zich dit jaar verbonden aan een onbekende. Met Allerzielen dragen de dichters, die in een route aan het begin van de begraafplaats staan opgesteld, verlicht door fakkels en een verlichte plek onder een, eveneens verlichte, paraplu, een gedicht op aan een persoon die begraven ligt op de begraafplaats waaraan zij zich hebben verbonden. Ook zullen zij een kort gedicht van troost voordragen.

Dichter bij de Dood begint om 18.45 en duurt tot 21.00 uur. Zoals elk jaar is er van de voorgedragen gedichten een bundeltje samengesteld die bezoekers meekrijgen. Ook dit jaar wordt Dichter bij de Dood ondersteund door Monuta, stadsdeel Segbroek van de gemeente Den Haag en de Cultuur Schakel in Den Haag. De ingang van begraafplaats Oud Eik en Duinen is aan de Laan van Oud Eik en Duinen 40 in Den Haag. Toegang is gratis.

Deelnemende dichters zijn: Marilou Klapwijk, Karen de Boer, Jaap van Oostrum, Hans Franse, Brigitte Spiegeler, Remco Lausberg, Jos de Waard, Jan en Gepke, Hans Monnickendam, Marjon van der Vegt, Liesbeth de Blécourt en ik zelf.

Om alvast in de troostrijke sfeer te komen hier een gedicht van P.N. van Eyck (1887-1954) uit de bundel ‘Verzameld werk 1’ uit 1958.

.

O Dood, geheime nachtegaal

Die in de donkere hagen zingt

Uw nooit ontraadselbaar verhaal

Dat tot in ’t diepst der harten dringt,

.

En lokt ons beiderzijds van ’t pad

Over het dompe dove mos

Voort van de wemellichte stad

Naar ’t ver en stil en duister bos, –

.

Ik volg u, dood, zing gij mij voor,

Ik zal niet talmen aan de zoom,

Dat ik de laatste sterregloor

Ontvinge voor mijn laatste droom.

.

Wat is herinnering van licht?

Ik ben tot duisternis bereid.

Onhoorbaar sluit de nacht zich dicht…

Mijn ziel wordt vol van eeuwigheid.

.


Uit mijn boekenkast

Th. van Os

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast (op een stoel, je moet variëren in planken vind ik) en daar pakte ik, ongezien, de bundel ‘Ik heb alleen woorden’ De 100 meest troostrijke gedichten over afscheid en rouw uit de Nederlandse poëzie, van een plank. Opnieuw zonder te kijken opende ik de bundel en daar staat op pagina 139 het gedicht zonder titel van Th. van Os (1954). Th. van Os publiceerde diverse romans als ‘Zonde van begeerte’ en ‘Zelf bommen leggen’, en dichtbundels als ‘Berliner lullaby’  (1997) en ‘Vrouwenliefde & andere gedichten’ (2008). Het gedicht dat ik ongezien koos komt oorspronkelijk uit zijn bundel ‘Beurtzang‘ uit 1996.

.

Je bent gestorven maar niet dood.

Je beeld verschijnt als ik wat sta

te staren naar een pagina:

een Hawaii-bloes paars met rood,

je lange vingers op het bruidssatijn,

een hoofd waarvan ik weet dat het van jou moet zijn.

.

Ik heb je langzaam zien vervagen

tot ik de ramen van de kamer sloot

bang dat een zuchtje wind je weg zou dragen,

tot ik de lakens voor het raam hing

en jij zo licht de achterdeur uitging.

.

Wanneer ik naar de bakker loop voor brood,

wanneer ik hyacinten ruik of chocola,

wanneer ik coniferen zie, avondrood

of schoorsteenrook, daar ga je dan,

de wolken achterna.

.

 

Cantilene

Bert Bevers

.

Ik las in een verzamelbundel een gedicht van dichter en beeldend kunstenaar Bert Bevers (1954) getiteld ‘Cantilene’. Nu wist ik niet wat een cantilene is dus dat heb ik eerst opgezocht. Een cantilene (ook wel cantilena) is een in de hoge middeleeuwen beschaafd Frans gezongen gedicht, dat ten dienste stond van de heiligenverering. Vervolgens ging ik op dit blog op zoek naar de dichter Bart Bevers. Het is me al eens overkomen dat ik een gedicht wilde plaatsen dat ik, ergens in de afgelopen 19 jaar, al eens geplaatst had. Dat was met het gedicht ‘Cantilene’ niet het geval.

Wat me wel opviel toen ik Bevers als zoekterm intypte, was dat de blogberichten die ik plaatste waarin hij genoemd werd, vrijwel allemaal gingen over gedichten op vreemde plekken of eigenlijk in de openbare ruimte. Zo is een gedicht van hem onderdeel van de gedichtenroute in Bergen op Zoom, maakt een ander gedicht van hem deel uit van de poëtische fiets- en wandelroute door de uiterwaarden van Rijn en Waal bij Millingen en Kekerdom, en staat een gedicht van hem bij een boom in Bergen op zoom.

Het gedicht ‘Cantilene heb ik hier dus nog nooit gedeeld en daar gaat nu verandering in komen. Het gedicht komt uit de bundel ‘Onaangepaste tijden’ uit 2006.

.

Cantilene

.

Daar flaneert mijn Geertje in haar nieuwe robe,

als  bijna eenenvijftigjarig meisje. Keer op keer

weer ben ik blij dat wij elkaar zo mogen kennen.

.

Natuurlijk dromen we niet parallel maar onze

nachten varen zacht. wij hebben ons in het leven

weten te bekwamen, delen veel verleden.

.

We kennen van elkaar de zwakke plekken zonder

daar te raken, en hebben zelfs geheimen samen soms.

Zoals het weten in het midden van de stad verborgen

.

tussen kreupelhout een bedje bosaardbeien.

Ik hou niet net zoveel van jou als toen we hand

in hand de wereld binnen sprongen maar veel meer.

.

Portret gemaakt door Mart Franken

Uit-spuit-de-bocht

Elma van Haren

.

Kinderliedjes zijn van alle tijden en het kinderliedje ‘In spin de bocht gaat in’ kennen velen van ons als een touwspringliedje waarbij je op een zeker moment in het liedje in het touw moest springen dat gedraaid werd. Dat zo’n liedje, in dit geval ‘In spin de bocht gaat in’ dat stamt uit ca. 1880 uit ‘Kinderdeuntjes, wiegeliedjes, speel-, tel-, raadsel- en andere rijmpjes’ samengesteld door J.J.A. Goeverneur, nog steeds inspireert blijkt uit een gedicht van Elma van Haren (1954).

In haar bundel ‘Uit de klatergouden boot gevallen’ uit 2025 kwam ik het gedicht ‘uit-spuit-de-bocht’ tegen en wie het voornoemde liedje kent weet dat dat de vervolgzin is op de titel(zin).

Elma van Haren studeerde aan de kunstacademie in ‘s-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’, waar ze de C. Buddingh’-prijs voor ontving op Poetry International in Rotterdam. Het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt.

In 1997 kreeg ze de Jan Campert-prijs voor de bundel ‘Grondstewardess’. Sinds de dichtbundel ‘De wiedeweerga’ (1998) schrijft ze ook voor kinderen. Sinds 2003 is ze jurylid van de P.C. Hooft-prijs en ze is redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B.

.

Uit-spuit-de-bocht

.

Vanaf mijn fijnsnarig weefwerk in het Heelal bekeken,

Lijken Gaia’s bergen een fluwelen vrouwendracht,

Een donkerrode en okeren geplooide pracht,

Achteloos op een hoop gesmeten en zoals is gebleken

.

Grijpt het arrogante mannen bij de lurven onverwacht

En snijdt het hen de adem af, een doddelijk teken

Dat het voor hen niet goed toeven is in deze streken.

Vrouwgewaad wreekt hongermacht.

.

Rotsen breken de benen van de paarden

Doornen haken zich in mantels rondom.

Gaia’s geilheid piekt hoger dan haar mededogen,

.

Ze strooit fluweelheet zand in mannenogen,

Verdort hun tong tot taal verstomt, stort zich

Wellustig over de kam en bedelft hen onder aarde.

.

 

 

Trein halen

Bart Chabot

.

Voor ik mij dit weekend weer ga wijden aan het lezen van een nieuwe dichtbundel om daar een recensie over te schrijven, vandaag nog even snel een gedicht. Op de bekende manier. Voor je boekenkast gaan staan, daar zonder te kijken een bundel uit te pakken (in dit geval ‘Greatest hits vol. I.‘ verzamelde gedichten 1954-2005, van de Haagse dichter Bart Chabot (1954) uit 2009), zonder kijken een pagina opslaan en het gedicht dat zich daar openbaart, hier plaatsen. De ondertitel van deze bundel vind ik wel wat wonderlijk, alsof Bart Chabot als baby van nog geen jaar oud al gedichten schreef, maar goed een kniesoor die daarop let.

In dit geval opende ik de bundel op een gedicht zonder titel over de trein, het perron en ‘een zon die zijn neus tegen de ruit drukt’.

.

hij haalde zijn trein nog net

zakte uitgeteld in een stoel

en leek zichzelf te zijn vergeten

een deur sloeg toe

het perron was leeg

op één man na

er klonk een schrille fluit

ik bleef achter op de kaai

en zwaaide hem uit

buiten het station drukte de zon

als een nieuwsgierig kind

zijn neus tegen de ruit

.

Dit hier is bijna nergens

Henk van Raak

.

Enige tijd geleden was ik in Tilburg in de zeer goed geoutilleerde tweedehandsboekenzaak de Boekenschop (dit is geen verschrijving). Ruim 30.000 boeken hebben ze op voorraad en de opbrengst gaat naar een goed doel. De poëzieafdeling beslaat maar liefst een volledige kast (ruim 5 meter), iets waar de gemiddelde boekenwinkel een puntje aan kan zuigen. Op zichzelf begrijp ik dat wel, aan poëzie valt gewoon te weinig te verdienen en een tweede handswinkel kan oudere bundels gewoon langer in voorraad hebben, waar ik dan juist weer heel blij van word.

Ik kocht er de bundel van Paul Celan, een bundel van Lévi Weemoedt die ik nog niet had en de bundel ‘Door mij spreken verboden stemmen‘. Van de eigenaar van de winkel kreeg ik bij het afrekenen nog een bundeltje mee van een heel goede klant van haar die in 2025 op 72 jarige leeftijd was overleden, de journalist en dichter Henk van Raak. Van Raak was betrokken bij de oprichting van de Literaire Kring Goirle en een tijd lang voorzitter. Hij was ook een serieus boekenverzamelaar, zijn huis was tot en met de zolder gevuld met boeken.

Als dichter debuteerde hij in 2013 met de bundel ‘Dit hier is bijna nergens’ en in 2015 verscheen ‘Plaatsen waar ik nog ben’. Zijn derde bundel waar hij aan werkte zal niet gepubliceerd worden. Favoriete dichters had van Raak ook en niet de minste; Fernando Pessoa, Constantínos Kaváfis, Federico Garcia Lorca en de Nederlandse dichters Rutger Kopland en Judith Herzberg.

De toon van zijn poëzie is melancholisch en zijn dichterlijke houding is filosofisch-beschouwend. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gedicht ‘Herinnering’.

.

Herinnering

.

Al droom ik graag terug naar het verleden,

ik weet dat de herinnering het minst

van alles te vertrouwen is.

.

Men kleedt haar aan als een etalagepop

en maakt van wat schamele kleding was

een blauw tuniek met zilveren knopen.

.

Met terugwerkende kracht wordt

rechtgezet dat ik mij vroeger

knollen voor citroenen liet verkopen.

.

De druk van letters op papier…

Dorothy Wong Loi Sing

.

In 1995 verscheen ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie‘ van de oude liedkunst tot de jongste dichters onder redactie van Michiel van Kempen. Een lijvig werk van 700 pagina’s Surinaamse poëzie vanaf de vroegst bekende poëzietekst in het Sranantongo door Hendrik Schouten (1745-1801) tot de jongste dichter Cándani (1965-2021). Natuurlijk is er veel meer poëzie van jonge dichters verschenen tot en na 1995 maar dat heeft dit verzamelwerk niet gehaald. Een belangrijke verzameling poëzie met onder andere veel onvindbare teksten die chronologisch en overzichtelijk gepresenteerd worden in deze Spiegel. Verder is er ook sprake van niet eerder gepubliceerd materiaal. De bloemlezing bevat een deel orale verzen (van Indianen, Marrons, Hindoestanen en Javanen) gevolgd door geschreven verzen.

Van Kempen selecteerde louter op basis van zijn persoonlijke voorkeur en niet omdat het om bekende teksten gaat. De bundel bevat dus geen overzicht van alle Surinaamse dichters. In de inleiding zegt de samensteller dat hij niet alleen geselecteerd heeft uit werk geschreven door dichters geboren in Suriname maar ook uit werk van hen die zich in Suriname vestigden en hun lot definitief met het lot verbonden. De opname van het aantal gedichten correspondeert met het relatieve belang van een dichter in de Surinaamse letteren.

Een van de dichters uit deze Spiegel is Dorothy Wong Loi Sing (1954) schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Ze bracht meer dan vijftien werken in eigen beheer uit, gestencild, gefotokopieerd, in ringbandjes of geniet: poëzie, proza, toneel, zowel voor de jeugd als voor volwassenen. Het meeste succes had ze met haar bundel ‘Zwarte muze, witte creoolse’ (1983) met gedichten in het Sranan, Engels en Nederlands. In 1984 won ze met drie gedichten een prijs in The Black Youth Annual Penmanships Awards te Londen. Na 1991 stopte ze met schrijven. Gelukkig hebben we haar werken nog. Zoals het onderstaande gedicht dat werd opgenomen in ‘Spiegel van de Surinaamse poëzie’.

.

De druk van letters op papier
keur ik niet diep genoeg
om in te werken op jouw stramme rug.
De geprononceerde schreeuw van klanken
door een zelfbewuste microfoon
moet, ritmisch een patroon verklankend
zich rijgen aan een houten spit
in jouw doorkerfd evenwicht
en ter plekke de balans verstoren
zodat je hangt, en ligt, en zit
in onmogelijke standen.

In mijn gedichten wil ik jou
in de luren leggen.
Daar lig je dan, als schaschlick,
te marineren,
doordringend stinkend naar mijn ongelijk,
want je moet weten, ik draag de norm
van deze opgelegde maatschappij
met kromgebogen rug.
Zij hebben mij eronder gedouwd,
goed beschouwd:
tot ik gestikt ben in hun geregeld streven.

.

Navajo poëzie

Shonto Begay

.

De 23ste Amerikaanse Poet Laureate (dichter des vaderlands) van 2019-2022 Joy Harjo (1951) schreef over de poëzie en literatuur van de inheemse bevolking van de Verenigde Staten: “De literatuur van de inheemse bevolking van Noord-Amerika definieert Amerika. Het is niet exotisch. De thema’s zijn specifiek, maar vaak universeel.” De dichters en gedichten die op de website van de Poetry Foundation verzameld zijn, laten zowel de universele als de specifieke benaderingen zien die inheemse Amerikaanse auteurs hebben gekozen om over diverse, inheemse culturen te schrijven.

De half Navajo, half Salt inheemse dichter, kunstenaar, illustrator, filmmaker, schrijver en docent Shonto Begay (1954) wordt op de website van de Colorado State University tot één van de 10 moderne Amerikaanse dichters die geschiedenis gaan schrijven, betiteld. Zijn werk is gepubliceerd in tal van tijdschriften en kranten, waaronder Canyon Road Arts, Warrior’s Voice en Arizona Daily Sun. Zijn kunst is op vele (solo)tentoonstellingen door de Verenigde Staten geëxposeerd geweest.

Zijn ervaringen met opgroeien in de inheemse Amerikaanse cultuur, zijn gedwongen verblijf op een kostschool van het Bureau of Indian Affairs en zijn tien jaar lange carrière als parkwachter bij de National Park Service hebben al zijn kunst en werk beïnvloed. Begays werk probeert de traditionele Navajo-cultuur levend te houden en tegelijkertijd de realiteit en de worstelingen van moderne inheemse Amerikanen weer te geven. Uit ‘Navajo, Visions and Voices Across the Mesa’ uit 1995 komt het gedicht ‘Down Highway 163.

.

Down Highway 163

.

The old lady in the back of the truck
Has seen days much colder
Someone’s grandmother
On the highway towards Kayenta
Only her face shows from a faded blanket
Her features are strong
Maybe she is related to the people in the front
Laughing and warm
Or maybe she is catching a ride to the trading post
She may even be returning
From the health clinic in Monument Valley
The back of the truck is cold
Among old spare tires and chains
Shovels and bare metal box
She is no stranger to Old Man Winter
She has seen many winters
It has been colder
.

De keizer van het roomijs

Wallace Stevens

.

De Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955) is geen onbekende op dit blog. Zijn naam wordt genoemd bij berichten over metafysische poëzie, en dichters als Adrienne Rich (1929 – 2012) en Naomi Shihab Nye (1952). Maar tot een blogbericht over deze Amerikaanse modernistische dichter is het (nog) niet gekomen. Daar komt vandaag verandering in.

Wallace Stevens studeerde aan Harvard en vervolgens aan de New York Law School , en bracht het grootste deel van zijn leven door als leidinggevende bij een verzekeringsmaatschappij. Zijn eerste gedichten schrijft hij in die periode in zijn vrije tijd. In 1923 publiceert hij  ‘Harmonium’, gevolgd door een licht herziene en aangepaste tweede editie in 1930. Hierna verschijnen onder andere ‘Ideas of Order’ (1933),  en ‘Transport to Summer’ (1947). In de laatste jaren van zijn leven verschijnen nog ‘The Auroras of Autumn ‘(1950) en  ‘The Collected Poems of Wallace Stevens’ (1954). In totaal verschijnen er bij leven zeven bundels van zijn hand.

Veel van zijn gedichten behandelen de kunst van het maken van kunst en in het bijzonder poëzie. Zijn ‘Collected Poems’ (1954) won in 1955 de Pulitzerprijs voor poëzie. Zijn biograaf noemt als filosofen-dichters waarmee Stevens zich mag meten  Ezra Pound (1885-1972), T.S. Eliot (1888-1965) en  John Milton (1608-1674). E.E. Cummings (1894-1962) wordt door deze biograaf ‘een schaduw van een dichter’ genoemd. Zo zie je maar dat ook biografen het heel erg bij het verkeerde eind kunnen hebben.

Uit de bundel ‘Vir die bysiende leser / Voor de bijziende lezer’ uit 2000 in een vertaling van Tom van de Voorde hier het gedicht ‘De Keizer van het Roomijs’ of The Emperor of Ice-Cream’ zoals de Engelse titel luidt.

.

De Keizer van het Roomijs

.

Roep de man die dikke sigaren rolt,

Die met al zijn spieren, en zeg hem klop

Ritse klodders room in keukenkommen op.

Laat de deernen dreutelen in het soort kleren

Dat zij gewoon zijn te dragen, en laat de jongens

Bloemen brengen in de kranten van verleden maand.

Laat zijn finale zijn van schijn.

Alleen de keizer van het roomijs kan keizer zijn.

.

Haal uit het dennenhouten dressoir,

Dat drie glazen knoppen mist, het laken

Waarop ze ooit paustaartjes borduurde

En vouw het zo open dat haar gezicht is bedekt.

Als haar eeltige voeten er onder uitsteken, komen z\e

Tonen hoe koud ze is, en stom.

Zorg dat de lamp haar goed beschijnt.

Alleen de keizer van het roomijs kan de keizer zijn.

.

Brief

J.B. Charles

.

Na mijn voordracht bij De Groene Fee, het gezellige poëziepodium van Louis van Londen, kocht ik bij de boekentafel de bundel ‘De gedichten tot 1963’ van J.B. Charles (1910-1983) uit 1963. J.B. Charles (pseudoniem van Willem Nagel) begon op ruim dertigjarige leeftijd te publiceren. Hij werd bekroond met de Hendrik de Vriesprijs, de Jan Campertprijs en de romanprijs van de stad Amsterdam. In deze bundeling van zijn gedichten tot 1963 zijn de dichtbundels ‘Zendstation’ (1949), Waarheen daarheen’ (1954), ‘Het geheim’ (1951/1952) en ‘Ekskuseer mijn linkerhand’ (1959) opgenomen.

het meest geciteerde gedicht (destijds) van J. B. Charles is religieus van aard en toch weer niet:

Hij alleen zou met een grote sigaar
In de mond op straat mogen lopen,
Met de duimen in zijn vest,
Want Hij is God.
Maar Hij doet het niet
Want Hij is God.

Uit de  bundel ‘De gedichten tot 1963’ koos ik voor het gedicht ‘Brief’.

.

Brief

.

In antwoord op Uw schrijven van

de dato dinges kan ik U berichten

ik doe reeds wat ik kan,

alleen ik kan niet veel verrichten

ik heb het zelf niet in de hand

en wat ik doe doe ik niet goed,

niet goed genoeg naar ik het kan,

dus wacht U af zoals ik ook maar doe,

verblijvend in de hoop U hiermee te verlichten:

ik doe al boor U wat ik kan.

.