Site-archief

Gedichten 69 t/m 75

Silva Ley

.

In een kringloopwinkel in Vlaanderen, in de buurt van Leuven, was ik op zoek naar de afdeling (meestal een plankje) poëzie. In deze betreffende kringloopwinkel hadden ze verschillende onderwerpen en thema’s ontsloten maar geen poëzie. Ik was dus al enigszins teleurgesteld tot ik ergens bij een volledig andere categorie een stapel boeken ontwaarde. Het bleken acht edities te zijn van ‘Gedichten‘ gevolgd door een jaartal. In dit geval ‘Gedichten 69’ tot en met ‘Gedichten 75’ (en dan nog apart ‘Gedichten 79’). Deze reeks die samengesteld werd door onder andere Hubert van Herrewhegen, Jos de Haes en Willy Spillebeen (die het overnam van Jos de Haes na zijn overlijden in 1974) samengesteld. Vanaf 2001 nam Hugo Brems de rol van Hubert van Herreweghen over.

De serie werd uitgegeven door het Davidfonds in Leuven en gesteund door het Noordstarfonds van de kulturele stichting van de Vlaamse verzekeringsmaatschappij De Noordstar en Boerhaave. Deze reeks heeft bestaan van 1960 tot 2000. De samenstellers maakte een selectie van 50 gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften.

Uit de editie ‘Gedichten 69’ nam ik het gedicht ‘Park’ van Silva Ley, een mij onbekende dichter. Silva Ley (1927) is het pseudoniem van Johanna van Aelst-Versteden. Silva (latijn) betekent bos  en de Ley is een stroompje door Tilburg. Het gedicht verscheen in het tijdschrift ‘Proeve’.

Toen zij les gaf aan de basisschool stelde zij de bundels ‘Kinderwensen’ en ‘Kindertoneel’ samen, uitgegeven door haar  vader. Rond 1960 sloot Silva zich aan bij de Eindhovense dichterskring en uitgeverij Opwenteling waar vier bundels van haar uitkwamen. Ook schreef zij haiku’s, senryu’s en tanka’s.

.

Park

.

klokken en fonteinen bruisen samen

.

avondsauna voor de mensen:

zij zweten stad uit

staan éven naast de hoge

persoonlijkheden van bomen

.

nu worden hun armen lui en langer

hun wangen bladzacht naar het licht

.

nu nemen de bomen stem aan

en vermenselijken

.

er is éven

een vergetelheid hersteld

.

Kunst in de poëzie

Marc Tritsmans

.

De combinatie van kunst en poëzie heeft me altijd bezig gehouden. Aan de ene kant is poëzie een literaire kunstvorm en behoeft dus geen bekrachtiging door een andere kunstvorm maar aan de andere kant is de combinatie van twee kunstvormen juist vaak wel een spannende. Ik ken dichters die niets moeten hebben van poëzie die op muziek gezet wordt of poëzie in een kunstwerk (bijvoorbeeld een schilderij), maar ik ken er ook die juist steeds die combinatie opzoeken om een extra laag toe te voegen aan hun poëzie.

Combinaties zijn er in allerlei vormen, zo schreef ik al eens over Nico Dijkshoorn en de bundel die hij schreef bij kunstwerken van het Kröller-Müllermuseum, over de gedichten van Elise Vos bij foto’s van Eddy Verloes, gedichten bij tekeningen van Charlotte Mutsaerts, de collages van Herta Müller, gedichten van en bij schilderijen van Marlene Dumas, de grafische kunst poëzie van Eelkje Christine Bosch, een gedicht van Christian Bök bij zijn kunstwerk ‘Protein 13’, gedichten over kunstwerken van duinen en zo kan ik nog wel even doorgaan. In de categorie Poëzie en Kunst kun je nog veel meer voorbeelden vinden.

Ook in Vlaanderen is de combinatie van verschillende kunstvormen geen onbekende, het beste voorbeeld is misschien wel het kunstenfestival in Watou. Maar ook in boekvorm verschijnt er regelmatig een combinatie. Zo ook in 2006, toen verscheen de bundel ‘Zie’ Kunst en poëzie uit Vlaanderen, verzameld en ingeleid door Kurt De Boodt, dichter en kunstcriticus (1969).  Hij werkt bij Bozar in Brussel, en stippelt daar mee het artistieke beleid uit. Geregeld komen kunst en poëzie bij hem samen. Poëzie ziet hij als woordkunst. Als dichter schrijft hij speelse, muzikale gedichten, en zo wordt elke nieuwe bundel voor hem een ontdekkingstocht. Moderne kunst ligt hem na aan het hart, hij maakte tentoonstellingen over kunstenaars en hij verdiept zich in de banden tussen kunst, politiek en oorlog.

Uit de bundel ‘Zie’ die hij samenstelde koos ik het gedicht ‘Vermeer’ van dichter Marc Tritsmans (1959).

.

Vermeer

.

Zoals dode fazanten en patrijzen

precies hun plaats kennen op een

glanzende schaal, versierd met

een handvol bedauwde druiven, zo

vanzelfsprekend mooi in kamers

met een raam op het noorden, in

ingehouden licht, als vogels in een

kooi met het deurtje open, niet bij

machte om te vluchten, wachtend

op iets dat vanuit dat raam misschien

ooit: deze vrouwen vaak het hoofd

gebogen, bezig met wat nauwelijks

bewegen nodig maakt. Een brief

die wordt gelezen, melk gegoten,

een parel gewogen, een leven geleefd.

.

Señorita’s

Christophe Vekeman

.

In mijn zoektocht naar steeds weer nieuwe en interessante dichters kwam ik op het pad van de Vlaamse schrijver, columnist, dichter en performer Christophe Vekeman (1972). Hij publiceerde verscheidene romans, een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een literaire musical en gedichtenbundels en essays. In 2020 wijdde ik al eens een blogbericht aan zijn bundel ‘Dit is geen slaapkamer meer nu‘. 

En nu pas kwam ik een andere bundel van hem tegen die ik kocht met de titel ‘Señorita’s’ gedichten en andere podiumteksten uit 2009. In deze bundel zijn zijn beste (en vaak hilarische) gedichten en teksten bijeengebracht. Vekemans schrijfstijl kenmerkt zich door humor, een pessimistisch levensgevoel en weelderige zinnen. Tot zijn leermeesters behoren onder andere Willem Frederik Hermans, Richard Yates, Jeroen Brouwers en Gerard Reve. Het gedicht ‘Bijvoorbeeld’ laat zich in eerste instantie wat lastig lezen (doe het hardop dat helpt) maar geeft langzaam zijn diepere betekenis vrij.

.

Bijvoorbeeld

.

Bijvoorbeeld klaprozen bezwaren donderdag, kalkoenen

bedelaars zonder de jaren gaan geld langzaam staren

stofwolken geweld en al die rare dingen

.

Zoals zonneschijn realiteit omdat berouw pijn bordkarton

dood graag vreselijk feesten wezen is in duisternis

komaan altijd een beetje zingen

.

Gezien de vlucht van pantalons en hemelsblauw en

daltonisme is er lucht in open dichters hier want buiten

daar ballon ballast papier en rendement tijd toekomst

zwaar en tamelijk – of toch op dit moment – geen

ogenblik ober waarom ook vrij

.

Daarom dus zou men astronautenvoedsel prot bril

zielsverwanten in het land der God weet wandklok

spleen hé wat wandelstok steek de moord loop heen

vergeet een woord nee hoor niemand en niets betekent

iets voor mij

.

Behalve jij

.

 

 

Iedereen begint in het klein

Raad

.

Afgelopen weekend was ik in Vlaanderen (Mechelen en Leuven en omstreken) en wat ik dan in ieder geval altijd doe is in de plaatselijke kringwinkels (zoals ze ze daar noemen) op zoek naar de boekenafdeling en dan het plankje (indien aanwezig) poëzie zoeken. Nu was ik in de Sjans! (what’s in a name!) en daar hadden ze allerlei thema’s in de boeken kasten maar geen poëzie. Toch stuitte ik op een alleraardigst bundeltje met de titel ‘Iedereen begint in het klein’ geboortegedichten uit 2022.

In dit bundeltje gedichten van bekende namen (vooral Vlaamse maar niet exclusief) als Lotte Dodion, Shari Van Goethem, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Siel verhanneman, Benno Barnard, Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze. De reden dat men deze bundel uitgaf is op de achterkant beschreven: “In blijde verwachting? Je hebt al een naam gekozen maar je bent nog op zoek naar gepaste woorden? Iedereen begint in het klein bevat gebalde gedichten voor wie nood heeft aan mooie, gloedvolle woorden om je verbazing, ongeduld en hoop het best te omschrijven.”

Het leuke aan deze verzamelbundel op thema (ik hou ervan) is dat nu eens niet gegrepen is naar de canon van de Nederlandstalige poëzie met al haar grote, bekende namen, maar gekozen is voor dichters van nu, misschien niet allemaal bekend bij een groot publiek, maar voor wie zich in de poëzie van nu interesseert (of MUGzine leest), namen die men wel kent of waar men van gehoord heeft. Ik kende slechts drie van de vijfentwintig namen niet (alle drie Vlaamse dichters).

Uit de gedichten, die een grote afwisseling in vorm en inhoud kennen (van Haiku’s tot proza-gedichten en alles wat er tussen valt), koos ik voor het gedicht ‘Raad’ van dichter Mustafa Kör (1976) met meteen een goede raad voor het (nog ongeboren) kind.

.

Raad

.

Het mag dan zijn

dat jij begon te zijn

met een schreeuw

kind

Daar hoef je je geen zorgen om te maken

Waar je voor moet waken is het zuchten

Een zucht is opgeven

Een schreeuw is een begin

Hoe pril ook

.

Jenever

Lynn Vandermeulen

.

Ik heb hier op dit blog al vaker aandacht besteed aan bloemlezingen en verzamelbundels rond een bepaald thema. Dat zo’n thema echt van alles kan zijn bleek mij maar weer eens toen ik de bundel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ op de kop tikte. In 2023 werd in het Nationaal Jenevermuseum in Schiedam de tentoonstelling georganiseerd met de gelijknamige naam.

In deze tentoonstelling stonden drie eeuwen Nederlandstalige jeneverpoëzie centraal. De titel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ was gebaseerd op een gelijknamige bundel, waarin 148 jenevergedichten verzameld zijn. ‘De veelheid aan jeneverpoëzie, ook hedendaagse, nodigt ons uit om deze voor het voetlicht te brengen. Jenever kan de Muze wekken, maar komt ook veelvuldig zelfstandig in gedichten voor en wordt daarin bezongen, bejubeld, verguisd en beschuldigd. Het programma spreekt dan ook bewust diverse groepen aan; van poëten tot kroegtijgers en scholieren,’ aldus directeur Diederik von Bönninghausen destijds.

De tentoonstelling werd gepresenteerd in dichtvorm: Romantiek, Schiedam & Nederland, Matrozen & Soldaten en Jaargetijden. Een vijfde thema – Graan -van Korrel tot Borrel – was in Museummolen De Walvisch te bewonderen. De tentoonstelling is natuurlijk al lang weer verdwenen maar gelukkig waren de organisatoren zo verstandig een bundel van de poëzie uit de tentoonstelling uit te geven (door het PoëzieCentrum). Op deze manier is het verleden en de toekomst van jenever in poëzie bewaard gebleven voor de poëzieliefhebber.

Uit de bundel uit 2020, samengesteld door René Smeets nam ik het gedicht ‘Zoals’ van de Vlaamse dichter Lynn Vandermeulen. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Jenever en poëzie’ (heel toepasselijk) dat in 1998 door de Stedelijke Dienst voor Cultuur Hasselt en het Jenevermuseum Hasselt werd gepubliceerd.

.

Zoals

.

niet als champagne parels

die sterven op je tong

(tot slechts een dure gedachte rest)

.

niet als bier: teveel

en te vaak (een vluchtige

ontmoeting)

.

neen,

als jenever: langs de scherpte

van citroen, naar de rust

van rode bessen (met steeds

de zekerheid van graan)

.

–  dàt soort leven.

.

De zelfverkozen dood

Rogi Wieg

.

Tien jaar geleden (ruim) was het een zwaar jaar voor de poëzie. Binnen een jaar pleegden maar liefst drie bekende Nederlandse dichters zelfmoord; Rogi Wieg (1962-2015), Joost Zwagerman (1963-2015) en Wim Brands (1959-2016). Drie generatiegenoten ook nog. In de geschiedenis zijn zij niet de enige dichters die zich van het leven beroofden, wat denk je van Jan Arends (1925-1974), Halbo C. Kool (1907-1968) en Jan Emmens (1924-1971). De bekendste dichter uit de 19e eeuw is François Haverschmidt (1835-1894) bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. En kijken we nog verder terug dan is er in de 18e eeuw nog de Friese jonker Willem van Haren (1710-1768). 

Uiteraard zijn er ook in het buitenland beroemde dichters die zichzelf van het leven beroofden: de bekendste Vlaming is natuurlijk Jotie ‘T Hooft (1956-1977), en de bekendste Amerikaanse dichter Sylvia Plath (1932-1963). Als je kijkt naar schrijvers (dus geen dichters) dan is de lijst nog veel langer. In 2015 wijdde de Volkskrant nog een artikel aan het fenomeen onder de kop ‘Waarom komt zelfmoord onder schrijvers relatief vaak voor?’. Ik weet niet of dit echt zo is (wie werden er meegenomen in het vergelijkend onderzoek?) maar elke zelfmoord is er een teveel. En de dichters die zelfmoord pleegden worden gemist.

Gelukkig is er altijd het werk van deze dichters. Zoals van Rogi Wieg. In 2015 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ een bloemlezing uit het poëtisch oeuvre van Rogi Wieg, samengesteld en ingeleid door Peter de Rijk. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘In de zin dat ik het sterven niet ken’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘De kam’ uit 2007.

.

In de zin dat ik het sterven niet ken

.

Ik zou me niet laten verleiden

door de vrouw, kennis laat me koud.

Het eeuwige leven,

.

in de zin dat ik het sterven niet ken,

een schildpad liggend op zijn rug,

die betekenis ken ik dan niet.

.

De appel niet hebben gezien,

de beet niet hebben gevoeld,

niet weten dat onder de schil de patholoog

aan het werk is.

.

God niet hebben gezien of gesproken.

Ik ben een alleswetende slak,

ik zou me niet laten verleiden.

.

Spiegel van de ziel

Een recensie

.

De Vlaamse dichter, kunst- en cultuurfilosoof en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, Antoon Van den Braembussche (1946) heeft bij uitgeverij P een nieuwe bundel gepubliceerd, zijn negende alweer. De titel van deze nieuwe bundel ‘Spiegel van de ziel’ is losjes geïnspireerd door een uitspraak van de Estse componist Arvo Pärt, die de muziek in de zijkamers van de ziel omschreef als een ‘spiegel in de spiegel’.

De netjes uitgegeven bundel (zoals we gewend zijn van P) bestaat uit 8 onderdelen of hoofdstukken als je wil, die vaak maar niet altijd worden voorafgegaan door een uitspraak van een dichter, schrijver of filosoof. Daarnaast zijn er drie afbeeldingen opgenomen van kunstenaars Sofie Muller, Johan Clarysse en Christian Clauwers.

Met het hoofdstuk ‘Zij herinnert zich’ wordt je meteen in de bundel getrokken; dromerig, melancholisch, met gedichten over verlies, afscheid en een ‘zij’ als onderwerp van deze emoties, die samen de ziel vormen en als zodanig weerspiegelt worden in de gedichten. De pijn in ‘Nabijheid’, het verdriet in ‘Luwte’, het verlangen in ‘Zij herinnert zich’, de hoop in ‘Wellicht tot later’, de dichter heeft het vermogen om emoties die we allemaal zo goed kennen op een manier in poëtische taal te verwoorden, die je als lezer verrast en weer anders laat kijken.  Zijn taal is helder en geeft je als lezer houvast om je eigen emoties, herinneringen en ervaringen te koppelen aan zijn woorden.

In het tweede hoofdstuk ‘Franse suite’ borduurt de dichter voort op het eerste deel. In gedichten met Franse titels beent hij een periode in de tijd uit waarin ‘zij’ er nog was. Opvallend zijn de strofen in twee gedichten die beginnen met de vraag ‘is dit..’ alsof de dichter de poëzie gebruikt als instrument voor zijn eigen duiding en verwerking. Hierdoor krijgen de gedichten nog meer zeggingskracht, je wordt als lezer meegenomen in de binnenwereld van de dichter (in zijn spiegel van de ziel).

In het derde hoofdstuk ‘Momentopnamen’ zijn gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan een persoon, maar ook weer niet alle gedichten. Dit deel begint met drie gedichten waarin de kleur wit een belangrijk onderwerp is (sneeuw, Antarctica, Whiteout) en dat eindigt met twee wielergedichten. Na de zwaarte van de eerste twee hoofdstukken lijkt de dichter je hiermee een moment te gunnen van terugkeren naar het nu.

In het deel dat volgt ‘Zo bleef ik spreken’ geeft de dichter een inkijkje in zijn dichter-zijn, waarmee hij een soort legenda lijkt te willen geven voor de bundel, voor zijn poëzie, een context, als hulp voor de lezer. Bij het lezen van het hoofdstukje ‘Zegswijzen’ bekroop me de vraag of deze gedichten niet ook onder één van de andere delen hadden kunnen worden gerangschikt. Als lezer probeer je een rode lijn te ontdekken in de reis die je maakt door een bundel. Door zo’n (in mijn ogen) ‘tussendeel’ raak te ik die lijn even kwijt, wat ik jammer vind.

Gelukkig keert de dichter terug naar zichzelf in het hoofdstuk ‘Modus Vivendi’, prachtig geïllustreerd door het schilderij van Sofie Muller dat ook de omslag siert. Dit ene beeld geeft zoveel informatie die aansluit bij de gedichten in dit deel van de bundel en op het moment van lezen/zien vallen de kwartjes, die de dichter heeft uitgedeeld, op zijn plek. Dit is de spiegel van de ziel in woord en beeld.

Het hoofdstuk ‘Ars musica’ en het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ hoe fraai en poëtisch ook, voegen aan het wezen van de bundel weinig toe wat mij betreft. Deze kunnen separaat gelezen worden en genoten door de lezer, los van de andere inhoud.

Antoon Van den Braembussche levert met ‘Spiegel van de ziel’ een persoonlijk intiem een aansprekende bundel af waarin niet alleen een kijkje in de ziel van de dichter wordt gegeven maar waarin je als lezer ook een spiegel wordt voorgehouden. En dat alleen, naast de andere redenen die ik al noemde, is al een reden om deze bundel te lezen.

Ik heb als voorbeeld het gedicht uit het eerste hoofdstuk met de titel ‘Alles wat ons scheidde’.

.

Alles wat ons scheidde

.

Alles wat ons scheidde

lag in de onbehaaglijke uren

waarop niets meer werd gezegd.

.

Tussentijdse vervreemding

waarbij de taal van het gebaar

zelfs niet meer volstond.

.

Alles op een armlengte

van het heilig zwijgen.

.

Op een beenlengte

van het blinde stappen:

.

het hijgen in mineur,

de maanzieke glans in je ogen,

je meest onwezenlijke lach.

.

Levensverhaal

Peter Ghyssaert

.

Het gebeurt steeds minder vaak dat ik een nieuwe dichter ontdek die ik niet ken. Tenzij deze uit het niets of debuterend als jong of nieuw talent zich aandient uiteraard. Nee, het betreft hier dichters die al enige tijd meelopen of soms al zijn overleden maar waar ik nog nooit tegen aan ben gelopen.

Zo’n dichter is Peter Ghyssaert (1966) en dat ik zijn naam nu pas leer kennen is vreemd want hij heeft al een behoorlijke staat van dienst. Zo werd zijn werk tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs (‘Kleine lichamen’ uit 2oo5 en ‘Ezelskaakbeen’ uit 2011) , was hij te gast op onder meer Poetry International, Dichter aan Huis, Nacht van de Poëzie en de Maastricht International Poetry Nights.

Deze Vlaamse dichter en musicus studeerde muziekgeschiedenis, viool en kamermuziek aan de conservatoria van Brussel en Antwerpen. Als dichter debuteerde hij in 1991 met de bundel ‘Honingtuin’ en publiceerde sindsdien nog acht dichtbundels, de laatste in 2018 met de wonderlijke titel ‘Laiwarikon’.

Zijn werk werd meermaals bekroond, met onder andere de Poëzieprijs De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Cameo’ (1993) en de Poëzieprijs Antwerpen voor ‘Sneeuwboekhouding’ (1995). Ook verscheen zijn werk in literaire tijdschriften als  Hollands Maandblad, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Dietsche Warande & Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids.

De jury van de VSB Poëzieprijs schreef over zijn poëzie: Doorgaans wordt de poëzie van Ghyssaert geplaatst in de traditie van het estheticisme en de decadentie, zoals die in het fin de siècle gestalte kreeg. Zijn gedichten hebben iets kunstmatigs, maar zonder dat ze daardoor aan natuurlijkheid verliezen. Zijn thematiek is de voornaamste reden om hem decadent te noemen. In zijn gedichten is een obsessieve aandacht voor dood en verval waar te nemen. In de werkelijkheid ziet hij vooral aftakeling, degeneratie en het zieke. Het beschrijven daarvan heeft bij hem een bezwerend karakter.

De zaken die de jury van de VSB Poëzieprijs hierboven benoemen komen terug in het gedicht dat ik uitkoos met de titel ‘Levensverhaal’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Jubileum en andere gedichten’ uit 1997.

.

Levensverhaal

.

Toen hij geboren was begon het al:

zijn moeder had de bijsluiter verloren.

.

Nooit wist hij waartoe dit

of dat dienen moest. Hoewel

hij toch kan raden

liep het steeds verkeerd.

.

Zijn vrienden durfde hij niets vragen:

in hun jeugd hadden die goed

hun eigen voorschriften gelezen

en die toen verbrand.

.

Iedereen hield alles maar geheim

en deed volmaakt wat hij hij niet kon;

ze lachten hem al op de speelplaats uit:

.

een tegenstrijdigheid, verlamd

en huilend in de zon.

.

Pijnbank

Gwy Mandelinck

.

Uit de bundel ‘Overval’ uit 1997 komt het gedicht ‘Pijnbank’ van de Vlaamse schrijver, dichter en stichter van de Poëziezomers in Watou, Gwy Mandelinck (1937 – 2024).

.

Pijnbank

.

Je strijkt. Terwijl je voet naar binnen staat

gedraaid, lijk je ingekeerd te zijn.

Zodra je mij bedreigt gaan neus en lip omhoog.

Die geven tanden bloot. Je hoofd wordt rood

.

en je besprenkelt breed het pak

waarin ik zat. Je heetste binnenkant

komt stomend op mij neer. een pijnbank

is die plank. je zet mij naar je hand.

.

Slopersverdriet

Philip Hoorne

.

Vandaag een gedicht van een dichter in de geest van een andere dichter. Philip Hoorne (1964) is een Vlaamse dichter, schrijver, bloemlezer en recensent. Hij debuteerde in 2002 met de bundel ‘Niets met jou’ in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De bundel werd genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs. Voor zijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ uit 2004 werd hij genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Zijn werk werd opgenomen in meerdere bloemlezingen, onder meer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ van Gerrit Komrij en verschijnt in literaire tijdschriften als Het liegend konijn, De Revisor, Bunker Hill, Landauer en Tirade. Hoorne richtte de poëzierecensiewebsite Poëzierapport op en schreef recensies voor onder meer Knack, de Poëziekrant en Meander.

In 2022 verscheen ‘Beste meneer, Bloem’, een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk, uitgegeven door de Stichting Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs. Wanneer een dichter wordt genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, zoals Hoorne in 2005, dan wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven geïnspireerd op de persoon Bloem, zijn werk of zelfs een regel of titel uit zijn oeuvre. In deze bundel zijn 20 van deze dichters (niet alle dichters hebben gereageerd op het verzoek tot het schrijven van een dergelijk gedicht) met hun gedicht opgenomen waaronder dus het gedicht ‘Slopersverdriet’ van Philip Hoorne.

.

Slopersverdriet

Naar ‘Insomnia’ van J.C. Bloem

.

Denkend aan de daad kan ik niet slopen,

En niet slopend denk ik aan de daad,

En mijn hamer aarzelt voor hij slaat,

Zijn puin en gruis mijn enige hopen?

.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘ga lopen’,

Als een muur tegen de vlakte gaat.

Stof waait door de opgebroken straat.

‘k Denk dat ik mij beter op kan knopen.

.

Om de vrouw die zich te weinig geeft,

Slechts eens per maand wil minnekozen,

Te min haar vreugde om mijn krachtig zaad,

.

Tot meer paringsdaden niet in staat.

Op steenslag zal ik mijn kiemen lozen,

‘k Wil in mij geen leven dat niet leeft.

.