Site-archief
Emotiemanagement
Lotte Dodion
.
Op internet zag ik een filmpje over het reguleren van emoties. Ik wist niet dat dat een ding was, je emoties horen bij je, elk mens heeft emoties en die kunnen sterk en minder sterk zijn maar waarom die reguleren? Uiteindelijk begreep ik, is het reguleren van je emoties bedoelt om ze te herkennen, te begrijpen en ze op een gezonde manier te beïnvloeden zonder ze te onderdrukken.
Poëzie en emoties hebben een moeilijke relatie met elkaar. Poëzie die voortkomt uit een (sterke) emotie, is niet altijd de beste poëzie. Waar een emotie een innerlijke beleving van gemoedsbeweging is daar is poëzie juist de vertaling van een emotie of beleving op een manier waarin de emotie niet de bovenliggende partij is. Poëzie gebruikt de gereedschappen die haar is gegeven (klank, rijm, ritme, vorm, muzikaliteit, woordgebruik, zinsindeling etc.) om een bepaalde emotie weer te geven of op te roepen bij de lezer.
Ik moest na het zien van dit filmpje en de gedachten die ik hierbij had denken aan een gedicht dat ik had gelezen in de laatste bundel van de Vlaamse dichter Lotte Dodion (1987) getiteld ‘Verzachtende omstandigheden’ uit 2025. Het betreft hier het gedicht ‘Emotiemanagement’. Een mooi voorbeeld van wat poëzie vermag in relatie tot emoties.
.
Emotiemanagement
.
Het leven is geen ponykamp
fluister ik tegen het paard
dat ik al weken op mijn rug moet dragen,
zijn zwarte manen hangend in mijn hals.
.
Het besprong me in het donker,
zag mij voor zijn nachtmerrie aan.
Ik wilde het verdoven,
maar geen paardenmiddel kon baten.
.
Nu trainen we samen.
Ik schenk het paard
mijn aandachtsveld
en drinkbakken verse tranen.
.
’s Avonds steek ik zacht licht aan,
vraag of het wil dansen
langzaam de nacht door schuifelend
het paard en ik, huiddicht tegen elkaar.
.
Herman de Coninck
Intimiteit onder de melkweg
.
Afgelopen weekend was ik in België en daar verbleef ik in een huis met veel boeken. Een van die boeken had meteen mijn aandacht want het was geschreven door een van mijn favoriete dichters Herman de Coninck (1944-1997). Het bleek een bundel uit 1994 met beschouwingen over poëzie te zijn bijeengebracht onder de titel ‘Intimiteit onder de melkweg’, waarvan de meeste in de jaren daarvoor verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, De Morgen of Ons Erfdeel. ‘Over poëzie’, zo luidt ook de ondertitel, hoewel er ook twee stukken instaan over fotografie. Fotografie dan als een soort van taalloze poëzie, hetzelfde maar anders: ‘Poëzie en fotografie gaan over iedereen, altijd, overal. Persoonlijk vond ik deze twee stukken wel interessant om te lezen maar vanuit een poëzie standpunt minder belangrijk.
Tijdens het lezen bedacht ik me dat ik dit boek wilde hebben, ook omdat ik niet genoeg tijd had om het uit te lezen. Dus bestelde ik het tweedehands bij een antiquariaat in Rotterdam. Wel noteerde ik al een paar zinnen die ik las en die ik interessant vond. Deze twee zinnen zijn:
‘Poëzie komt pas als het er niet meer op aankomt’ en ‘Door een beschaving van het teveel, sterft de kunst van het weinige uit’.
Over beide zinnen is veel te zeggen. De eerste zin geeft aan dat (in de visie van Herman de Coninck) poëzie niet aan actualiteit hoeft te doen, niet activistisch hoeft te zijn. Pas wanneer er ruimte en tijd is om rustig te contempleren wordt poëzie geboren. Een interessante gedachte en kloppend in wat ik weet van Herman de Coninck en hoe hij poëzie schreef.
De tweede zin is juist weer heel actueel. Poëzie opnieuw is de kunst van het weglaten, het ruimte bieden aan inzichten en ideeën die de dichter niet opschrijft maar waar de dichter wel ruimte toe biedt door het gedicht. De Coninck was ook heel uitgesproken over proza en poëzie; die gaan niet samen. Als je kijkt naar de prozaïsche poëzie die momenteel zo populair is, dan weet ik zeker dat Herman de Coninck daar niet blij van zou worden. Maar deze uitspraak gaat op voor zoveel meer dan alleen de poëzie. Leg zo’n uitspraak tegen de wereld van nu en je begrijpt wat ik bedoel.
De bundel ga ik verder lezen en ik kom er hier vast en zeker nog op terug. Voor nu wil ik eindigen met, uiteraard, een gedicht van Herman de Coninck. Ik koos voor het gedicht ‘Parabel van de verloren vader’ uit zijn bundel ‘Vingerafdrukken uit 1997.
.
Parabel van de verloren vader
.
Zoon wil wereld veranderen.
Vader eigenlijk liever zoon.
Maar hij kan alleen een zin veranderen
tot die niet meer anders wil.
Je zal maar jong zijn en meningen hebben
van anderen, en verder niks,
niet eens een dode vader.
‘Dat eigen leven, begin daar gvd. eens mee,
en kom over tien jaar eens terug met verdriet
in plaats van gelijk, bijvoorbeeld na een vrouw of twee.
Dat ik kan zeggen: je bent dezelfde gebleven.’
Het bovenstaande is tien jaar geleden geschreven.
En aldus is tien jaar later geschied.
.
Dorpsbibliotheek
Geert van Istendael en Wim van den Abeele
.
Ik kreeg de bundel ‘Dorpsbibliotheek’ in handen, een bundel met poëzie van twee Vlamingen te weten prozaschrijver, dichter, essayist, publicist en vertaler Geert van Istendael (1947) en dichter en leraar Nederlands Wim van den Abeele (1940-2023).
Van den Abeele publiceerde onder andere gedichten in Dietsche Warande & Belfort, Poëziekrant en De Brakke Hond. Van hem verschenen vier dichtbundels: ‘Archetypen’ (1963), ‘Poëzie in 300 lijnen’ (1965), ‘Archetypen II’ (1968), ‘Archetypen III’ (1983) en ‘Ingeblikt’ (1993).
Van Istendael debuteerde in 1978 met de bundel ‘Bomen wijzen niet maar wuiven’ en publiceerde hierna nog vele dichtbundels, essays, romans en zelfs een thriller. Hij schrijft bewust een heel toegankelijke poëzie met een thematische voorkeur voor het alledaagse eigentijdse en met een duidelijk humanitair engagement. Zijn poëzie breekt met een maatschappij die zichzelf verliest in “de desastreuze modernisering” van een geïndustrialiseerde en technologische wereld waar de mens en de menselijkheid dreigen verdrukt te worden.
Deze twee dichters hebben dus een bundel samen uitgegeven bij uitgeverij P. De bundel ‘Dorpsbibliotheek’ kwam tot stand omdat beide dichters in Oud-Heverlee wonen nabij Leuven. Zeer verschillende poëzie in één bundel maar alle gedichten hebben iets gemeenschappelijks. Ze gaan over de vijf dorpen van Oud-Heverlee; Vaalbeek, Weert. Oud-Heverlee, Rode en Blanden. Of zoals de uitgeverij op de achterflap liet noteren: Lokaal. Mondiaal. Bezorgd en zorgend, maar evengoed recht voor zijn raap. Voeten op de grond, letterlijk, allesbehalve gladjes of weggestopt in een ivoren toren.
Ik koos voor het gedicht ‘Nevel op de Doode Bemde’ van Geert van Istendael, omdat ik daar gewandeld heb en hoewel een negatieve naam (Doode Beemde) een zeer mooi natuurgebied.
.
Nevel op de Doode Beemde
.
Is dit wit? Of grijs? Het kruipt, het glijdt,
nee hangt, het vlijt zich neer op geel en groen,
wat rest van bramen en spirea. Verspreidt
het zich? Het lijkt ochtend zijn te verdoen
in zon en stilte. Kilte. Wolligheid.
,
Zuigt struikgewas het in? Heft het zichzelf op?
Een paar uur duurt een veelbelovend waas.
Voorbij nu. Onverschillig. Wijs en dwaas.
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
René Verbeeck
.
De naam René Verbeeck (1904-1979) zal niet bij veel mensen een lichtje doen laten branden. Deze Vlaamse dichter was in zijn tijd echter geen onbekende dichter en was op het gebied van de poëzie onder de mensen brengen zeer actief. Hij is de auteur van elf dichtbundels en essayist.
Hij stond mee aan de wieg van de literaire tijdschriften De Tijdstroom (1930-1934) en Vormen (1936-1940) en richtte in 1937 de poëziereeks Bladen voor de Poëzie op. Tussen 1937 en 1943 verschenen in die reeks een zeventigtal dichtbundels, waaronder werk van collaboratiegezinde auteurs als Paul de Vree, Bert Peleman en Blanka Gijselen. Omdat hij samenwerkte met de Duitse bezetter zat hij na de oorlog 22 maanden in de gevangenis.
Samen met dichter als Buckinx en Demedts wordt hij gerekend tot de generatie van dertig, de zogenaamde postexpressionisten die een terugkeer naar de innerlijkheid en persoonlijke uitdrukking voorstonden. Verbeeck debuteerde in 1926 met de bundel ‘Oriëntering’ en pas in de jaren ’60 van de vorige eeuw werd zijn werk weer opgepakt en publiceerde hij een aantal bundels.
In 1973 werd een gedicht van Verbeeck opgenomen in ‘Gedichten 1973’ de poëziereeks van het Davidsfonds te Leuven onder redactie van Jos de Haes en Hubert van Herreweghen. Het gedicht ‘Mijn ziel is op het lijf verliefd’ lees je hieronder.
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
.
Mijn ziel is op het lijf verliefd
zij heeft er alles van ontvangen
.
zij mag in al zijn kamers wonen
in ’t wonder van de warmte binnenin
.
in ’t hart dat haar zo teder dwingt
te paren met de dingen die daarbuiten zijn.
.
zij kan er wandelen in haar ver verleden
over de vruchtbare weiden van de slaap
.
feestvieren in het schuimend bloed, ’t luidruchtig vlees
waarin de beenderen zo stil hun uur verbeiden.
.
zij krimpt ineen soms in de vingers van de pijn
die in de zenuw boort en beitelt
.
verstomt bij ’t instorten van de stem
terwijl vanuit de grond een andre dwingend roept
.
en leert allengs in liefdes lijflijk avontuur
– arm zieltje mij – wat tijd is en verval
.
en wat, wat kan zij later daarmee doen?
.
Soldaatje spelen
Laurens Hoevenaren
.
Het is soms wonderlijk hoe ik aan informatie over poëzie, gedichten of dichters kom. Zo kwam ik op Facebook een video over een website tegen waar je miljoenen boeken kon downloaden en/of beluisteren. De website welib.org heb ik bekeken en ik heb daar gewoon eens gekeken of en welke poëzie in het Nederlands daar terug te vinden is. Een van mijn eerste hits was ‘De schuilkelders van de poëzie’ van De Scriptomanen Vzw.
Vzw de Scriptomanen organiseerde in 2014 in samenwerking met de Afdelingen Literaire Creatie en Voordracht van de Academie voor Podiumkunsten Aalst een poëziewedstrijd, naar aanleiding van 100 Jaar Kerstbestand Eerste Wereldoorlog, met als thema ‘Oorlog & Vrede’. Een poëziewedstrijd dus waarvan een bundel is uitgegeven.
Onder de inzenders van de gedichten een voor mij bekende namen als Hervé Deleu en Gerard Scharn, beide winnaar van de Ongehoord! poëziewedstrijd (respectievelijk in 2012, de eerste editie, en 2014). Toch werd een andere dichter als laureaat gekozen of in het Nederlands tot winnaar van deze poëziewedstrijd, namelijk Laurens Hoevenaren met het gedicht ‘Soldaatje spelen’ (die overigens ook de tweede plaats won met een ander gedicht).
In het juryrapport opgesteld door Ellen Lanckman, wordt het winnende gedicht als volgt beschreven: “Soldaatje spelen / Hoe ver is veilig hier vandaan? De gedichten Soldaatje spelen en Hoe ver is veilig hier vandaan? zijn de respectievelijke nummer een en twee van de wedstrijd. Ze werden beide geschreven door Laurens Hoevenaren en waren erg aan elkaar gewaagd. De jury was het unaniem eens dat de gedichten kwalitatief hoogstaand zijn: er is nagedacht over de vorm, de inhoud, het ritme én het onderwerp. Dat Soldaatje spelen als winnend gedicht werd gekozen, ligt enkel en alleen aan het verschil in smaak van de juryleden onderling. Beide gedichten zijn literaire pareltjes. Een terechte winnaar!”
Laurens Hoevenaren (1960) debuteerde in 2015 met de bundel ‘Hoe ver is veilig hiervandaan?’, werd met gedichten opgenomen in vele verzamelbundels en won in 2015 de Jotie T’Hooft poëzieprijs en de Turing gedichtenwedstrijd. Wil je het andere gedicht ook lezen zoek deze bundel dan zelf even op. Hieronder het winnende gedicht.
.
Soldaatje spelen
.
we gingen kruisen tellen
op het allereerste veld
maar wisten niet
wat er na honderd kwam
dus deden we: wie vindt de jongste
je had er wel van zeventien
.
en daarna: wie heet er net als jij
dezelfde voornaam gaf vijf punten
een achternaam wel tien
.
ooit vond ik er
mijn voor- en achternaam
in marmeren zonlicht staan
toen ben ik stil
en zonder punten
heel stil gegaan
.
Ewewig
Dichter aan huis
.
Tussen 1991 en 2011 organiseerde de stichting ‘Dichter aan huis‘ een tweejaarlijks poëzie-evenement, vanaf 2013 gecombineerd met proza, in huiskamers in Den Haag. Het programma bood ruimte aan poëzie in al zijn facetten, van hermetische poëzie tot light verse, en proza in alle disciplines zoals fictie, non-fictie, thrillers, reisverhalen, geschiedenis en biografieën. Helaas, met nog een herstart in 2016, bleef het bij 11 edities en werd de stichting die dit bijzonder sympathieke en zeer goed bezochte evenement organiseerde, in 2017 opgeheven.
Maar zoals er altijd bij ‘Dit was het nieuws’ wordt gezegd, ‘Gelukkig hebben we de foto’s nog’ of in het geval van Dichter aan huis; Gelukkig hebben we de bundels nog. Want in de loop van de tijd dat dit evenement werd georganiseerd, werden er bundels met poëzie uitgegeven van de deelnemende dichters. En dat waren niet de minste. Heel veel bekende dichters kwamen de huiskamers van gewone Hagenaars binnen om daar voor een klein maar zeer geïnteresseerd publiek hun poëzie voor te dragen.
In de loop der tijd heb ik verschillende van de uitgegeven bundels weten te bemachtigen. En afgelopen week heb ik weer een exemplaar (1997) gekocht met de titel ‘Alleen de kamer luistert’ een zin genomen uit het gedicht ‘Nacht’ van Johanna Kruit (1940-2026) dat in de bundel is opgenomen. Het omslag werd genomen uit een tekening van een andere deelnemende dichter Eva Gerlach (1948). Ook opgenomen is het gedicht ‘Ewewig’ van Herman de Coninck (1944-1997). Hij zou meedoen aan de editie van 1997 maar tijdens de voorbereidingen kwam het bericht dat hij plotseling was overleden. Hij zou als een van de meest prominente dichters deelnemen aan de manifestatie. Als eerbetoon werd het door hem ingezonden gedicht ‘Ewewig’ in de bundel opgenomen. Omdat Herman de Coninck al sinds jaar en dag een van mijn favorietste dichters is en het gegeven dat het alweer even geleden is dat ik een gedicht van hem plaatste, is reden genoeg om het gedicht, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Vingerafdrukken‘ uit 1997 hier met jullie te delen.
.
Ewewig
.
Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:
‘Ongelooflijk hoe waterpas, hè!’
‘En zo weinig scheepjes!’
‘Jamaar, ’t is zondag.’
.
Later verteld Phil du Plessis hoe zijn grootvader
metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.
Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen
oog erop, begon viool te spelen, en als het oog stil bleef liggen
.
was de muur waterpas. Zo schrijft werkelijkheid soms
een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,
omdat het zondag is.
.
Mattijs Deraedt
De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan
.
Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en pak ik, zonder te kijken, een poëziebundel. Het is de bundel ‘De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan‘ uit 2020 van de Vlaamse dichter Mattijs Deraedt (1993). Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar stuit ik op het gedicht met een hele lange titel ‘Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink’.
.
Wanneer ik na honderd dagen nog eens een kop koffie drink
.
ik kom en ga als de wind motherfuckers
ik draag hemden met advocadoprints motherfuckers
de pitten hebben lachende gezichten motherfuckers
ik koop mijn sneakers bij een Spaanse start up motherfuckers
ze planten twee bomen en sturen me
de rest van de zaden met de post motherfuckers
ik gooi ze in de vuilnisbak motherfuckers
want daar heb ik toch helemaal geen tijd voor motherfuckers
ik ben een man motherfuckers
ik ben een god motherfuckers
zie me staan op de toog
met een stukgebeten vinylplaat in mijn hand motherfuckers
ik trek de beanies van koppen van stoere jongens motherfuckers
en wordt bijna gelyncht tegen de wasbak motherfuckers
maar niemand kan me iets maken motherfuckers
zeker jij niet motherfucker
mijn hart doet boem boem motherfuckers
mijn vuist doet bam bam motherfuckers
en wanneer ik mijn armen strek, stijg ik op motherfuckers
.
Memento Mori
Emerald Liu
.
Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.
Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.
Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.
.
Memento Mori
.
je staart
komt dichterbij
kijk me aan
bewandel mijn hand
land zacht op mijn hoofd
.
er is geen buigzaam verleden
enkel roest
een kroonblad staat wit op zwart
wankelt wordt wacht neen is
een verrukking
.
kantel je gezicht zo
nu haast een glimlach die balanceert op je
lippen robijnen in een hap van een kers en
barst het is zo voorbij bijt me bont
alsjeblieft is enkel een achtste rust in
de tijd dirigeert onze handen zoeken een
houvast
.
viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood
en bid voor een morgen die we kunnen
delen
het licht kruimelt
en in de verte landt een roetvlok in
de sneeuw
vergaat
.















