Site-archief

Memento Mori

Emerald Liu

.

Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.

Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.

Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.

.

Memento Mori

.

je staart

komt dichterbij

kijk me aan

bewandel mijn hand

land zacht op mijn hoofd

.

er is geen buigzaam verleden

enkel roest

een kroonblad staat wit op zwart

wankelt wordt wacht neen is

een verrukking

.

kantel je gezicht zo

nu haast een glimlach die balanceert op je

lippen robijnen in een hap van een kers en

barst het is zo voorbij bijt me bont

alsjeblieft is enkel een achtste rust in

de tijd dirigeert onze handen zoeken een

houvast

.

viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood

en bid voor een morgen die we kunnen

delen

het licht kruimelt

en in de verte landt een roetvlok in

de sneeuw

vergaat

.

Erik Heyman

Gerard Bodifée

.

Erik Heyman ( 1960-2010) was behalve dichter ook kernfysicus en docent. Hij debuteerde in 1981 met ‘Neergeschreven’ en was medewerker van de tijdschriften ‘Vers’ (dat zijn eerste bundel uitbracht) en ‘¿Quarant Dash?’. Na zijn bundel ‘IJstijd’ (1984) publiceerde hij ‘Dagmaat’ (1994) en ‘Mantis’ (2006).

Heymans poëzie werd bekroond met onder andere de Nationale Poëzieprijs te Harelbeke en een prijs van de Vlaamse Club te Brussel.
Op 25 februari 2010 overleed hij aan de gevolgen van een hersentumor. Erik Heyman was een gedreven leraar en dichter die met steeds groter wordende intervallen vier weldoordacht gecomponeerde bundels met uitgepuurde, gepolijste, poëzie publiceerde.

In de bundel ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers, in het 3e hoofdstuk, ‘Geologie’, introduceert Heyman personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot, van wie hij de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel ‘In haar gebarentaal boots ik haar na’. Zoals in het sonnet dat hij schreef over Vlaanderens bekendste geleerde, astrofysicus, filosoof, essayist en columnist Gerard Bodifée (1946).

 

Bodifée

.

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.

.

Latrine poëzie

Toiletpoëzie 

 

De inscripties op de latrines van het voormalige Geboorteklooster in Tepoztlán, Mexico, zijn bijna volledig in de vergetelheid geraakt, maar bieden een onverwacht staaltje poëzie. Tegenwoordig is in het voormalige klooster het Museo de la Natividad gevestigd. Tijdens de renovatie van het historische gebouw werd graffiti ontdekt op de muren van de latrines. Aanvankelijk kon echter niemand de inhoud ontcijferen. 

Gelukkig  werd er tegelijkertijd aan de inwoners van Tepoztlán gevraagd om deel te nemen aan een ‘herinneringswedstrijd’ en voorwerpen met een betekenisvolle boodschap naar het museum te brengen.  Tot ieders verbazing meldde zich een vrouw met een stuk papier waarop een familielid de volledige tekst van de graffiti op het toilet had geschreven.

In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten in een oude kerkbadkamer, waren de korte teksten geen gebeden of religieuze verwijzingen, maar een reeks scabreuze gedichten, geschreven in 1840 door José Manuel de Mata en vervolgens in 1895 in het klooster geschilderd door José Donaciano. Ze gaan allemaal over toiletbezoek. Elk gedicht is nu afgedrukt op museumborden voor de latrine waar ze werden gevonden.  Hier zijn enkele voorbeelden:

‘Als je tijdens het eten fatsoenlijk bent,  in je kleding en spraak,  gedraag je dan ook netjes tijdens het toiletbezoek; toon jezelf dan niet onfatsoenlijk.’

‘Over ontlasting  maken we allemaal grapjes, en wanneer de tijd rijp is en de darmen weer tot rust komen, daalt de koning van zijn troon en verlaat de paus zijn stoel.’

Hoewel het klooster onder meer bekendstaat om het behoud van zijn originele muurschilderingen uit de Renaissance, is de poëzie van het buitentoilet een unieke bezienswaardigheid op zich.

Om toch met een hedendaags toiletgedicht te eindigen hier het gedicht ‘Sanitaire saltarello’ van dichter Erik Heyman (1960-2010).

.

Sanitaire saltarello

.

Laat alle water dan maar hier verdwijnen,

keer het de rug toch toe, neem het niet mee,

en raak verlost van alle onderhuidse pijnen.

Druk hier uw wil nog door, vergeef de druppel

niet die met de moed der wanhoop de om-

knelling wil vermijden. En zwijg mij dood, er is

papier genoeg om al uw zonden te belijden.

Weet dat ik u uit uw gedachten haal.

Dus lees en veeg mij weg, negeer mij straal.

.

Randschade

Een recensie

.

Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:

Is het mijn sterfdag?

Vergeet engelen en psalmen

Ik wil het vanille van een oud boek

Ik wil een koud flesje bier

en ik wil jou, nog één keer.

De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de  bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.

In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.

In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.

Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.

Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.

.

Uitzicht

.

De middag zet zijn ramen open:

een tuin vol weegbree, paardenbloem

en kattenpis. Een kraai verdwijnt in

de schaduw van een haag.

.

Daarachter zwijgzame huizen

voorbijschuivende silhouetten

een passant die de dag vervloekt

het niet begrijpende kind

dat hem vergezelt.

.

In hun voetafdruk hangt randschade.

.

De kamer vult zich met het oog

dat kijkt. Licht valt op het lege doek.

Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit

de tuin een strook, het kind een kras.

.

Pompejaans rood en nachtzwart

rollen erdoor heen. Feest

op de rand van een vulkaan.

.

Gedichten 69 t/m 75

Silva Ley

.

In een kringloopwinkel in Vlaanderen, in de buurt van Leuven, was ik op zoek naar de afdeling (meestal een plankje) poëzie. In deze betreffende kringloopwinkel hadden ze verschillende onderwerpen en thema’s ontsloten maar geen poëzie. Ik was dus al enigszins teleurgesteld tot ik ergens bij een volledig andere categorie een stapel boeken ontwaarde. Het bleken acht edities te zijn van ‘Gedichten‘ gevolgd door een jaartal. In dit geval ‘Gedichten 69’ tot en met ‘Gedichten 75’ (en dan nog apart ‘Gedichten 79’). Deze reeks die samengesteld werd door onder andere Hubert van Herrewhegen, Jos de Haes en Willy Spillebeen (die het overnam van Jos de Haes na zijn overlijden in 1974) samengesteld. Vanaf 2001 nam Hugo Brems de rol van Hubert van Herreweghen over.

De serie werd uitgegeven door het Davidfonds in Leuven en gesteund door het Noordstarfonds van de kulturele stichting van de Vlaamse verzekeringsmaatschappij De Noordstar en Boerhaave. Deze reeks heeft bestaan van 1960 tot 2000. De samenstellers maakte een selectie van 50 gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften.

Uit de editie ‘Gedichten 69’ nam ik het gedicht ‘Park’ van Silva Ley, een mij onbekende dichter. Silva Ley (1927) is het pseudoniem van Johanna van Aelst-Versteden. Silva (latijn) betekent bos  en de Ley is een stroompje door Tilburg. Het gedicht verscheen in het tijdschrift ‘Proeve’.

Toen zij les gaf aan de basisschool stelde zij de bundels ‘Kinderwensen’ en ‘Kindertoneel’ samen, uitgegeven door haar  vader. Rond 1960 sloot Silva zich aan bij de Eindhovense dichterskring en uitgeverij Opwenteling waar vier bundels van haar uitkwamen. Ook schreef zij haiku’s, senryu’s en tanka’s.

.

Park

.

klokken en fonteinen bruisen samen

.

avondsauna voor de mensen:

zij zweten stad uit

staan éven naast de hoge

persoonlijkheden van bomen

.

nu worden hun armen lui en langer

hun wangen bladzacht naar het licht

.

nu nemen de bomen stem aan

en vermenselijken

.

er is éven

een vergetelheid hersteld

.

Kunst in de poëzie

Marc Tritsmans

.

De combinatie van kunst en poëzie heeft me altijd bezig gehouden. Aan de ene kant is poëzie een literaire kunstvorm en behoeft dus geen bekrachtiging door een andere kunstvorm maar aan de andere kant is de combinatie van twee kunstvormen juist vaak wel een spannende. Ik ken dichters die niets moeten hebben van poëzie die op muziek gezet wordt of poëzie in een kunstwerk (bijvoorbeeld een schilderij), maar ik ken er ook die juist steeds die combinatie opzoeken om een extra laag toe te voegen aan hun poëzie.

Combinaties zijn er in allerlei vormen, zo schreef ik al eens over Nico Dijkshoorn en de bundel die hij schreef bij kunstwerken van het Kröller-Müllermuseum, over de gedichten van Elise Vos bij foto’s van Eddy Verloes, gedichten bij tekeningen van Charlotte Mutsaerts, de collages van Herta Müller, gedichten van en bij schilderijen van Marlene Dumas, de grafische kunst poëzie van Eelkje Christine Bosch, een gedicht van Christian Bök bij zijn kunstwerk ‘Protein 13’, gedichten over kunstwerken van duinen en zo kan ik nog wel even doorgaan. In de categorie Poëzie en Kunst kun je nog veel meer voorbeelden vinden.

Ook in Vlaanderen is de combinatie van verschillende kunstvormen geen onbekende, het beste voorbeeld is misschien wel het kunstenfestival in Watou. Maar ook in boekvorm verschijnt er regelmatig een combinatie. Zo ook in 2006, toen verscheen de bundel ‘Zie’ Kunst en poëzie uit Vlaanderen, verzameld en ingeleid door Kurt De Boodt, dichter en kunstcriticus (1969).  Hij werkt bij Bozar in Brussel, en stippelt daar mee het artistieke beleid uit. Geregeld komen kunst en poëzie bij hem samen. Poëzie ziet hij als woordkunst. Als dichter schrijft hij speelse, muzikale gedichten, en zo wordt elke nieuwe bundel voor hem een ontdekkingstocht. Moderne kunst ligt hem na aan het hart, hij maakte tentoonstellingen over kunstenaars en hij verdiept zich in de banden tussen kunst, politiek en oorlog.

Uit de bundel ‘Zie’ die hij samenstelde koos ik het gedicht ‘Vermeer’ van dichter Marc Tritsmans (1959).

.

Vermeer

.

Zoals dode fazanten en patrijzen

precies hun plaats kennen op een

glanzende schaal, versierd met

een handvol bedauwde druiven, zo

vanzelfsprekend mooi in kamers

met een raam op het noorden, in

ingehouden licht, als vogels in een

kooi met het deurtje open, niet bij

machte om te vluchten, wachtend

op iets dat vanuit dat raam misschien

ooit: deze vrouwen vaak het hoofd

gebogen, bezig met wat nauwelijks

bewegen nodig maakt. Een brief

die wordt gelezen, melk gegoten,

een parel gewogen, een leven geleefd.

.

Señorita’s

Christophe Vekeman

.

In mijn zoektocht naar steeds weer nieuwe en interessante dichters kwam ik op het pad van de Vlaamse schrijver, columnist, dichter en performer Christophe Vekeman (1972). Hij publiceerde verscheidene romans, een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een literaire musical en gedichtenbundels en essays. In 2020 wijdde ik al eens een blogbericht aan zijn bundel ‘Dit is geen slaapkamer meer nu‘. 

En nu pas kwam ik een andere bundel van hem tegen die ik kocht met de titel ‘Señorita’s’ gedichten en andere podiumteksten uit 2009. In deze bundel zijn zijn beste (en vaak hilarische) gedichten en teksten bijeengebracht. Vekemans schrijfstijl kenmerkt zich door humor, een pessimistisch levensgevoel en weelderige zinnen. Tot zijn leermeesters behoren onder andere Willem Frederik Hermans, Richard Yates, Jeroen Brouwers en Gerard Reve. Het gedicht ‘Bijvoorbeeld’ laat zich in eerste instantie wat lastig lezen (doe het hardop dat helpt) maar geeft langzaam zijn diepere betekenis vrij.

.

Bijvoorbeeld

.

Bijvoorbeeld klaprozen bezwaren donderdag, kalkoenen

bedelaars zonder de jaren gaan geld langzaam staren

stofwolken geweld en al die rare dingen

.

Zoals zonneschijn realiteit omdat berouw pijn bordkarton

dood graag vreselijk feesten wezen is in duisternis

komaan altijd een beetje zingen

.

Gezien de vlucht van pantalons en hemelsblauw en

daltonisme is er lucht in open dichters hier want buiten

daar ballon ballast papier en rendement tijd toekomst

zwaar en tamelijk – of toch op dit moment – geen

ogenblik ober waarom ook vrij

.

Daarom dus zou men astronautenvoedsel prot bril

zielsverwanten in het land der God weet wandklok

spleen hé wat wandelstok steek de moord loop heen

vergeet een woord nee hoor niemand en niets betekent

iets voor mij

.

Behalve jij

.

 

 

Iedereen begint in het klein

Raad

.

Afgelopen weekend was ik in Vlaanderen (Mechelen en Leuven en omstreken) en wat ik dan in ieder geval altijd doe is in de plaatselijke kringwinkels (zoals ze ze daar noemen) op zoek naar de boekenafdeling en dan het plankje (indien aanwezig) poëzie zoeken. Nu was ik in de Sjans! (what’s in a name!) en daar hadden ze allerlei thema’s in de boeken kasten maar geen poëzie. Toch stuitte ik op een alleraardigst bundeltje met de titel ‘Iedereen begint in het klein’ geboortegedichten uit 2022.

In dit bundeltje gedichten van bekende namen (vooral Vlaamse maar niet exclusief) als Lotte Dodion, Shari Van Goethem, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Siel verhanneman, Benno Barnard, Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze. De reden dat men deze bundel uitgaf is op de achterkant beschreven: “In blijde verwachting? Je hebt al een naam gekozen maar je bent nog op zoek naar gepaste woorden? Iedereen begint in het klein bevat gebalde gedichten voor wie nood heeft aan mooie, gloedvolle woorden om je verbazing, ongeduld en hoop het best te omschrijven.”

Het leuke aan deze verzamelbundel op thema (ik hou ervan) is dat nu eens niet gegrepen is naar de canon van de Nederlandstalige poëzie met al haar grote, bekende namen, maar gekozen is voor dichters van nu, misschien niet allemaal bekend bij een groot publiek, maar voor wie zich in de poëzie van nu interesseert (of MUGzine leest), namen die men wel kent of waar men van gehoord heeft. Ik kende slechts drie van de vijfentwintig namen niet (alle drie Vlaamse dichters).

Uit de gedichten, die een grote afwisseling in vorm en inhoud kennen (van Haiku’s tot proza-gedichten en alles wat er tussen valt), koos ik voor het gedicht ‘Raad’ van dichter Mustafa Kör (1976) met meteen een goede raad voor het (nog ongeboren) kind.

.

Raad

.

Het mag dan zijn

dat jij begon te zijn

met een schreeuw

kind

Daar hoef je je geen zorgen om te maken

Waar je voor moet waken is het zuchten

Een zucht is opgeven

Een schreeuw is een begin

Hoe pril ook

.

Jenever

Lynn Vandermeulen

.

Ik heb hier op dit blog al vaker aandacht besteed aan bloemlezingen en verzamelbundels rond een bepaald thema. Dat zo’n thema echt van alles kan zijn bleek mij maar weer eens toen ik de bundel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ op de kop tikte. In 2023 werd in het Nationaal Jenevermuseum in Schiedam de tentoonstelling georganiseerd met de gelijknamige naam.

In deze tentoonstelling stonden drie eeuwen Nederlandstalige jeneverpoëzie centraal. De titel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ was gebaseerd op een gelijknamige bundel, waarin 148 jenevergedichten verzameld zijn. ‘De veelheid aan jeneverpoëzie, ook hedendaagse, nodigt ons uit om deze voor het voetlicht te brengen. Jenever kan de Muze wekken, maar komt ook veelvuldig zelfstandig in gedichten voor en wordt daarin bezongen, bejubeld, verguisd en beschuldigd. Het programma spreekt dan ook bewust diverse groepen aan; van poëten tot kroegtijgers en scholieren,’ aldus directeur Diederik von Bönninghausen destijds.

De tentoonstelling werd gepresenteerd in dichtvorm: Romantiek, Schiedam & Nederland, Matrozen & Soldaten en Jaargetijden. Een vijfde thema – Graan -van Korrel tot Borrel – was in Museummolen De Walvisch te bewonderen. De tentoonstelling is natuurlijk al lang weer verdwenen maar gelukkig waren de organisatoren zo verstandig een bundel van de poëzie uit de tentoonstelling uit te geven (door het PoëzieCentrum). Op deze manier is het verleden en de toekomst van jenever in poëzie bewaard gebleven voor de poëzieliefhebber.

Uit de bundel uit 2020, samengesteld door René Smeets nam ik het gedicht ‘Zoals’ van de Vlaamse dichter Lynn Vandermeulen. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Jenever en poëzie’ (heel toepasselijk) dat in 1998 door de Stedelijke Dienst voor Cultuur Hasselt en het Jenevermuseum Hasselt werd gepubliceerd.

.

Zoals

.

niet als champagne parels

die sterven op je tong

(tot slechts een dure gedachte rest)

.

niet als bier: teveel

en te vaak (een vluchtige

ontmoeting)

.

neen,

als jenever: langs de scherpte

van citroen, naar de rust

van rode bessen (met steeds

de zekerheid van graan)

.

–  dàt soort leven.

.

De zelfverkozen dood

Rogi Wieg

.

Tien jaar geleden (ruim) was het een zwaar jaar voor de poëzie. Binnen een jaar pleegden maar liefst drie bekende Nederlandse dichters zelfmoord; Rogi Wieg (1962-2015), Joost Zwagerman (1963-2015) en Wim Brands (1959-2016). Drie generatiegenoten ook nog. In de geschiedenis zijn zij niet de enige dichters die zich van het leven beroofden, wat denk je van Jan Arends (1925-1974), Halbo C. Kool (1907-1968) en Jan Emmens (1924-1971). De bekendste dichter uit de 19e eeuw is François Haverschmidt (1835-1894) bekend onder zijn pseudoniem Piet Paaltjens. En kijken we nog verder terug dan is er in de 18e eeuw nog de Friese jonker Willem van Haren (1710-1768). 

Uiteraard zijn er ook in het buitenland beroemde dichters die zichzelf van het leven beroofden: de bekendste Vlaming is natuurlijk Jotie ‘T Hooft (1956-1977), en de bekendste Amerikaanse dichter Sylvia Plath (1932-1963). Als je kijkt naar schrijvers (dus geen dichters) dan is de lijst nog veel langer. In 2015 wijdde de Volkskrant nog een artikel aan het fenomeen onder de kop ‘Waarom komt zelfmoord onder schrijvers relatief vaak voor?’. Ik weet niet of dit echt zo is (wie werden er meegenomen in het vergelijkend onderzoek?) maar elke zelfmoord is er een teveel. En de dichters die zelfmoord pleegden worden gemist.

Gelukkig is er altijd het werk van deze dichters. Zoals van Rogi Wieg. In 2015 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer ‘Even zuiver als de ongeschreven brief’ een bloemlezing uit het poëtisch oeuvre van Rogi Wieg, samengesteld en ingeleid door Peter de Rijk. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘In de zin dat ik het sterven niet ken’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘De kam’ uit 2007.

.

In de zin dat ik het sterven niet ken

.

Ik zou me niet laten verleiden

door de vrouw, kennis laat me koud.

Het eeuwige leven,

.

in de zin dat ik het sterven niet ken,

een schildpad liggend op zijn rug,

die betekenis ken ik dan niet.

.

De appel niet hebben gezien,

de beet niet hebben gevoeld,

niet weten dat onder de schil de patholoog

aan het werk is.

.

God niet hebben gezien of gesproken.

Ik ben een alleswetende slak,

ik zou me niet laten verleiden.

.