Site-archief

Tymen Trolsky

Breekbare kruik

.

Schrijver en dichter Jasper Mikkers (1948) debuteerde in 1974 bij De Bezige Bij met de roman ‘Hyacintha en Pasceline’ onder het pseudoniem Tymen Trolsky. Hij publiceerde ook onder het pseudoniem Artur Raven en na 1990 weer onder zijn eigen naam (tussen 1976 en 1990 lag zijn productie stil). Van 2013 – 2015 was Mikkers stadsdichter van Tilburg.

Zijn gedichten worden geschaard onder de Neoromantiek, vooral de gedichten in zijn debuutbundel als dichter ‘Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin’, ook uit 1974. Ze zijn te typeren als een verlangen naar iets groots, meestal de liefde. Het gewone leven is te gewoon, er moet iets groters zijn. De neoromantiek is een reactie op het naturalisme waarbij noodlot centraal staat. Het noodlot is iets bovennatuurlijks en geheimzinnigs, waar de mens geen invloed op kan hebben. Je ziet ook dat neoromantische schrijvers een voorkeur hebben voor het geheimzinnige en fantastische in hun boeken en bundels.

In de bundel ‘Ontmoet de dichters’ uit 1977 van De Bezige Bij, zijn allemaal dichters uit dat fonds opgenomen met een gedicht en enige (bibliografische) informatie. Bijzonder is dat bij Tymen Trolsky als geboortejaar 1950 genoemd staat terwijl op zijn eigen website heel duidelijk 1948 wordt genoemd. Uit deze verzamelbundel nam ik het gedicht ‘Breekbare kruik’.

.

Breekbare kruik

.

Het oliepitje brandt, de waanzin flakkert.

Jij ligt lui in de kuil van je kussen,

je ogen diep en  donker als een put,

je lichaam een kleine, heimelijke kelder,

volgetast met tedere dranken,

ritselend van geuren.

.

De maan, Spaanse gitana, danst

naakt en zingt

onhoorbaar.

Een krekel die zijn  horloge opwindt.

.

Als boer vermomd begeef ik mij

op jouw erf, naar jouw put,

om een emmer mosgroene tederheid uit je op te takelen.

Bedroefd en dronken als een waard

daal ik in jouw kelder af

om je met mijn tong af te stoffen

en behoedzaam aan te breken:

.

Breekbare kruik op een wankele plank.

.

Ewewig

Dichter aan huis

.

Tussen 1991 en 2011 organiseerde de stichting ‘Dichter aan huis‘ een tweejaarlijks poëzie-evenement, vanaf 2013 gecombineerd met proza, in huiskamers in Den Haag. Het programma bood ruimte aan poëzie in al zijn facetten, van hermetische poëzie tot light verse, en proza in alle disciplines zoals fictie, non-fictie, thrillers, reisverhalen, geschiedenis en biografieën. Helaas, met nog een herstart in 2016, bleef het bij 11 edities en werd de stichting die dit bijzonder sympathieke en zeer goed bezochte evenement organiseerde, in 2017 opgeheven.

Maar zoals er altijd bij ‘Dit was het nieuws’ wordt gezegd, ‘Gelukkig hebben we de foto’s nog’ of in het geval van Dichter aan huis; Gelukkig hebben we de bundels nog. Want in de loop van de tijd dat dit evenement werd georganiseerd, werden er bundels met poëzie uitgegeven van de deelnemende dichters. En dat waren niet de minste. Heel veel bekende dichters kwamen de huiskamers van gewone Hagenaars binnen om daar voor een klein maar zeer geïnteresseerd publiek hun poëzie voor te dragen.

In de loop der tijd heb ik verschillende van de uitgegeven bundels weten te bemachtigen. En afgelopen week heb ik weer een exemplaar (1997) gekocht met de titel ‘Alleen de kamer luistert’ een zin genomen uit het gedicht ‘Nacht’ van Johanna Kruit (1940-2026) dat in de bundel is opgenomen. Het omslag werd genomen uit een tekening van een andere deelnemende dichter Eva Gerlach (1948). Ook opgenomen is het gedicht ‘Ewewig’ van Herman de Coninck (1944-1997).  Hij zou meedoen aan de editie van 1997 maar tijdens de voorbereidingen kwam het bericht dat hij plotseling was overleden. Hij zou als een van de meest prominente dichters deelnemen aan de manifestatie. Als eerbetoon werd het door hem ingezonden gedicht ‘Ewewig’ in de bundel opgenomen. Omdat Herman de Coninck al sinds jaar en dag een van mijn favorietste dichters is en het gegeven dat het alweer even geleden is dat ik een gedicht van hem plaatste, is reden genoeg om het gedicht, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Vingerafdrukken‘ uit 1997 hier met jullie te delen.

.

Ewewig

.

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelooflijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ’t is zondag.’

.

Later verteld Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog stil bleef liggen

.

was de muur waterpas. Zo schrijft werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.

.

Eerste groet

Lévi Weemoedt

.

Vrijdag dus een keuze uit mijn boekenkast zonder te kijken welke. In dit geval blijkt het de bundel ‘Met enige vertraging’ van Lévi Weemoedt (1948) te zijn uit 2014. De bundel opengeslagen op een willekeurige pagina (23 in dit geval) en daar staat het gedicht ‘Eerste groet’.

.

Eerste groet

.

Komt u uit Limburg, dan is het een eindje reizen,

woont u in Drenthe, dan is het vlak om de hoek,

maar u kunt mij al de eerste eer bewijzen

als u het kerkhofje van Rolde bezoekt.

.

Er ligt daar al een strookje gras te wachten

tot ik de geest geef, als ik zoiets had.

’t Is nu nog heerlijk rustig op dat pad:

ik sta er zelfs soms ook, verzonken in gedachten.

.

Ja, u hoort het goed: u kunt me daar nog ontmoeten,

wat maar de vraag is als u naar de groeve gaat

van andere dichters: Achterberg of Bloem.

.

Ik bedoel maar: hoe vaak zult u het graf  bezoeken

van een schrijver die nog levend vóór u staat

en dankt voor uw eerste groet? Ik zou het maar gauw doen.

.

Niek Verhaagen

Uit mijn boekenkast

.

Vandaag pakte ik de bundel ‘Dichters bij de Bezige Bij 1944-1984’ uit 1984, uit mijn boekenkast, opende deze op een willekeurige bladzijde (in dit geval pagina 275) en daar staat het gedicht zonder titel dat hieronder is overgenomen van Niek Verhagen (1915-1948). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De laatste Adam’ uit 1944.

Als dichter is Niek Verhaagen vrijwel vergeten, toch kwam ik een aardig stuk tegen over hem en zijn poëzie op het blog van Teunis Bunt. In dat artikel schrijft hij onder andere: “In zijn beste gedichten mijdt Verhaagen de grote woorden en heeft hij vooral aandacht voor het alledaagse”.

.

Wat wilt Gij?… Dat ik verzen schrijven zal,

die ene deugd die ik misschien nog kende?-

Och, als ik mij aan deze stilte wende

en aan het lege beeld van dit verval,

.

dan zou ik woorden vinden, arm en smal

en haast geluidloos, maar toch allengs stemden

de klanken, die het levensritme remden,

te zamen … Als ik stil ben, klinkt het al.

.

Ntozake Shange

Gedicht  bij een tentoonstelling

.

Afgelopen weekend was ik in Parijs en daar bezocht ik het Fotomuseum, het MEP (Maison Européenne de la Photographie). In dit museum is een prachtige tentoonstelling van het werk van de Nederlandse fotograaf Dana Lixenberg (1964) met de titel ‘American Images’ (nog te zien tot 24 mei). De tentoonstelling, die meer dan drie decennia omvat, brengt een geëngageerd en diep menselijk oeuvre samen en schetst een gelaagd portret van de Verenigde Staten, waarin zowel beroemdheden als minder bekende personen met gelijke zorg worden benaderd en met waardigheid worden geportretteerd, aldus de aankondiging.

Het deel dat mij bijzonder aansprak en waar het engagement van Lixenberg heel duidelijk naar voren komt is het deel over Imperial Courts dat is begonnen in 1993 en doorloopt tot heden ten dage. Imperial Courts is een sociale woningbouwproject in Watts, Los Angeles, Californië. Een plek van armoede, onveiligheid, drugs en misdaad maar ook een plek waar de mensen die daar wonen een hechte gemeenschap vormen.

Lixenberg kreeg het voor elkaar om het vertrouwen van de bewoners te winnen en zij maakte op drie verschillende momenten (1993, 2008 en 2015) foto’s van de bewoners in hun wijk, en een documentaire over het leven in Imperial Courts. Sommige bewoners zie je terug steeds iets ouder, andere zijn overleden of zitten in de gevangenis maar wat steeds opnieuw uit haar foto’s en de documentaire blijkt is het menselijke aspect en de bijzondere wijze waarop de bewoners Lixenberg in hun hart hebben gesloten.

Van haar eerste serie uit 1993 werden een aantal foto’s gepubliceerd in het magazine Vibe tezamen met een gedicht van Ntozake Shange (1948-2018) getiteld People of Watts (de wijk Watts, waarin de Imperial Courts deel van uitmaakt). Ntozake Shange was een Amerikaanse toneelschrijfster en dichter. Als zwarte feministe behandelde ze in veel van haar werk thema’s rond ras en zwarte emancipatie.

.

People of Watts

.

where we come from, sometimes, beauty
floats around us like clouds
the way leaves rustle in the breeze
and cornbread and barbecue swing out the backdoor
and tease all our senses as the sun goes down.

dreams and memories rest by fences
Texas accents rev up like our engines
customized sparkling powerful as the arms
that hold us tightly black n fragrant
reminding us that once we slept and loved
to the scents of magnolia and frangipani
once when we looked toward the skies
we could see something as lovely as our children’s
smiles white n glistenin’ clear of fear or shame
young girls in braids as precious as gold
find out that sex is not just bein’ touched
but in the swing of their hips the light fallin cross
a softbrown cheek or the movement of a mere finger
to a lip many lips inviting kisses southern
and hip as any one lanky brother in the heat
of a laid back sunday rich as a big mama still
in love with the idea of love how we play at lovin’
even riskin’ all common sense cause we are as fantastical
as any chimera or magical flowers where breasts entice
and disguise the racing pounding of our hearts
as the music that we are
hard core blues low bass voices crooning
straight outta Compton melodies so pretty
they nasty cruising the Harbor Freeway
blowin’ kisses to strangers who won’t be for long
singing ourselves to ourselves Mamie Khalid Sharita
Bessie Jock Tookie MaiMai Cosmic Man Mr. Man
Keemah and all the rest seriously courtin’
rappin’ a English we make up as we go along
turnin’ nouns into verbs braids into crowns
and always fetchin’ dreams from a horizon
strewn with bones and flesh of those of us
who didn’t make it whose smiles and deep
dark eyes help us to continue to see
there’s so much life here.

.

 

De mei van Heytze

Dichter over dichter

.

Toen ik in de bundel ‘Alle goeds‘ van Ingmar Heytze (1970) uit 2001, de titel van het gedicht ‘De mei van Heytze’ las, dacht ik in eerste instantie dat Ingmar een relatie in zijn gedicht had gelegd met het beroemde (in Nederland) gedicht ‘Mei’ van Herman Gorter (1864-1927) uit 1889 (waar ik tot mijn eigen verrassing nog nooit over geschreven heb op dit blog). Maar niets bleek minder waar, het gedicht is opgedragen aan Lévi Weemoedt (1948). In de categorie Dichter over dichter daarom dit gedicht.

.

De mei van Heytze

Voor Lévi Weemoedt

.

De kievit baltst zijn hoogste vlucht.

Het slachtvee dartelt in de zon.

Mijn ogen staren troebel

door een zonnebril van klei.

.

De herfst herhaalt zich achterwaarts.

Het broedsel stort zich uit het nest.

De nachtuil fladdert in mijn buik.

Ik zoek het laatste dodo-ei.

.

Poëzieweek 2026

Ramsey Nasr

Afgelopen week was ik in Assen in het Drents museum. Daar kwam ik behalve het gedicht ‘Symbiose’ uit 2011 van Jean Pierre Rawie (hieronder) in de hal bij de lift, ook dichter, schrijver, acteur en verzamelaar Ramsey Nasr tegen. In de bijzondere tentoonstelling Mikrokosmos – De wereld in een Wunderkammer komen klassieke Wunderkammer-objecten, hedendaagse rariteiten en beeldende kunst samen. Delen van verzamelingen van onder andere schrijver, dichter, bibliofiel en presentator Boudewijn Büch (1948-2002), bioloog Midas Dekkers, Tattoo-artiest Henk Schiffmacher, en ontdekkingsreiziger Redmond O’Hanlon zijn daar te bewonderen. Ik kan een bezoek aan het Drents Museum daarom ook zeker aanbevelen, zeer de moeite waard.

Toen ik vervolgens een paar dagen later op de website van de Poëzieweek 2026 aan het rondkijken was, kwam ik Ramsey Nasr (1974) opnieuw tegen. Onder leiding van Martine Wendrickx zet hij het nieuwe jaar in met vurige, intieme, kritische en liefdevolle gedichten in Het Predikheren, de bibliotheek van Mechelen in Vlaanderen op zondag 4 januari 2026.  Reden dat ik bij dit bericht bleef hangen was dat Het Predikheren, de bibliotheek in Mechelen is ingericht door KSA architecten, dezelfde interieurarchitecten die mijn nieuwe bibliotheek in Vlaardingen in de Grote Kerk gaan inrichten. Alle reden dus om een gedicht van Ramsey Nasr te plaatsen hier. In dit geval het gedicht het liefdesgedicht ‘In bed’ dat komt uit de bundel ’27 gedichten en geen lied’ uit 2000.

.

In bed

.

En dan te denken dat het niet

Meer worden zal dan dit: mijn lief

Haar lijf zacht op te tillen als

Zij plassen moet en mij niet ziet.

.

Monobiblos

Daniel Heinsius

.

Poëzie vertaald uit het Latijn is een niche binnen de niche die poëzie op zichzelf al is (binnen de literatuur) maar dat wil niet zeggen dat er niet te genieten valt van vertalingen van poëzie uit het Latijn (tenzij je tot dat kleine groepje mensen behoort die het Latijn machtig is en geen vertaling nodig hebt). Dat er genoeg te genieten is van vertaalde poëzie uit het Latijn laat Harm-Jan van Dam zien in de bundel ‘Monobiblos’ uitgegeven door uitgeverij P in juni van 2025.

Harm-Jan Van Dam (1948)  is emeritus hoofddocent Latijn aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in Latijnse poëzie, antieke en Neolatijnse  (uit de zestiende en zeventiende eeuw). Hij was tevens lid van de redactie van het tijdschrift Filter, tijdschrift over vertalen en is zelf dichter..
Harm-Jan van Dam vertaalde eerder onder meer Erasmus’ ‘De lof der zotheid’ en, naar het Latijn, het zeer geprezen ‘Jippus et Jannica’, een aantal verhaaltjes uit Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke.

In ‘Monobiblos’ (wat ‘enkel of afzonderlijk boek’ betekent) vertaalde Van Dam liefdespoëzie van van de Vlaamse Daniel Heyns of zoals hij bekend was Daniel Heinsius (1580-1655) naar het hedendaags Nederlands. Daniel Heinsius geldt als de belangrijkste Latijnse dichter van de Lage Landen uit die tijd. Hij schreef ook gedichten in het Oudgrieks en Nederlands en hij was hoogleraar aan de Leidse universiteit. Hij is echter vooral beroemd geworden door zijn Latijnse liefdespoëzie. De gedichten die van Dam voor deze bundel vertaalde zette Heinsius destijds al apart van zijn andere poëzie onder de titel Monobiblos vanwege het aparte, vrijgevochten karakter dat hij eraan toekende. In de bundel zijn naast de vertaalde gedichten ook de gedichten in het Latijn opgenomen, zeer uitgebreide aantekeningen en een uitleiding door de vertaler.

Voor de lezer in de 21ste eeuw mag het allemaal desondanks wat zoet overkomen, er wordt vooral oneindig veel gezoend in de 13 elegieën (in dit geval wordt hier geen klaagzang bedoeld maar er wordt verwezen naar de metrische vorm én de inhoud; gedichten waarin de dichter zijn persoonlijke leven centraal stelt) maar probeer desondanks maar eens onbewogen te blijven onder de inhoud en de zeer bloemrijke taal van Heinsius. Uit de 13 elegieën koos ik voor elegie 4 waarin een licht erotische toon doorklinkt.

.

Elegie 4

.

In dit geheime woud stroomt voor de grot een beekje,

verkwikkend streelt zijn frisse water hier de grond,

zacht begeleidt een briesje de nabije nimfen

en laat bomen ruisen vol van zoel gezucht,

de takken trillen, appels blijven even hangen

en vallen dan toch zonder schudden in mijn schoot,

die. roodgespikkeld, lijken op jouw kleine tepels,

Rossa, wanneer ze trillen op je meisjesborst,

je hemdje eromheen een kleine welving geven

en voor het eerst een beetje wulps zijn als je danst.

.

Liefste, kom hier: kijk, de laurier laat zijn blad vallen

en spreidt beminnelijk ons bed hier op de grond,

dichtbij het kleine stroompje met zijn lichtgroen water,

de bron die uit het mos opborrelt waar hij woont

en met zijn bruisen de lauwlome slaap laat komen

vol fantasieën over levendig plezier,

totdat de slaap je hals loom maakt en daarna langzaam

je geest bedwelmd raakt en door zoete dromen dwaalt,

je ogen vochtig wegdraaien, je ademhaling

wegvliegt vanuit de verste diepten van je borst

tot in mijn hart en het merg van mijn verhitte botten

en ik bewust je ziel met volle teugen drink.

Dit nieuwe medicijn tegen verflauwde hartstocht

nemen wij in. Laat Amor het tevreden zien;

een reiziger mag schuw en zuchtend naar ons kijkend

spontaan de reis opschorten die hij had bedacht,

totdat de Avondster vanuit zijn gouden poorten

ons stervend in lauwlome liefkozing betrapt.

.

Reïncarnatie

Dag drie

.

Op dag drie van mijn vakantie een gedicht met een titel die dichters blijkbaar aanspreekt want ik plaatse al eerder een gedicht met de titel ‘Reïncarnatie’. Van Patricia Lasoen (1948) en van Daan Zonderland (1909-1977). Vandaag echter een gedicht met deze titel van Ester Naomi Perquin (1980) uit haar bundel ‘Servetten halfstok’ uit 2007.

.

Reïncarnatie

.

Wil iemand in mijn benen lopen,

in mijn mond zijn woorden leggen

en in mijn handen stijve vingers

soepel strekken voor pianospel

of strelen – wie wil mij aan?

.

Word ik de eerste keus of heeft

een mooier lichaam niet gepast?

Lig ik opgevouwen achteraan of

hang ik breeduit in de etalage?

.

Hoe weten zij hoe ik mij was?

Welk nog onzichtbaar etiket

is in mijn nekrand vastgezet?

.

Zwaan kleef aan

Henny Vrienten

.

Eind jaren zeventig hoorde ik op de radio een Nederlands bandje met het nummer ‘Ik zou het willen doen’. Ik was meteen verkocht en al snel had ik de LP in huis van Doe Maar met de gelijknamige titel ‘Doe Maar’. Doe Maar bestond toen uit Carel Copier, Piet Dekker, Jan Hendriks en Ernst Jansz. Toen het jaar later ‘Skunk’ uit kwam was ik al fan en ook deze LP was al snel in mijn bezit. Piet Dekker had inmiddels plaats gemaakt voor Henny Vrienten. Ik bleef Doe Maar trouw tot aan de LP 4US maar naar concerten ging ik toen al niet meer, die waren overgenomen door hordes gillende jonge meisjes en daar had ik als 20 jarige echt helemaal niets mee, en de rest is geschiedenis.

In de jaren nadat Doe Maar al gestopt was bleef ik Ernst Jansz en Henny Vrienten wel volgen als schrijvers en liedjesmakers. Dat Henny Vrienten (1948-2022) een grote voorliefde had voor poëzie wist ik wel maar toen ik pas geleden de bundel ‘Zwaan kleef aan’ uit 2009 werd ik verrast door wat hij in het voorwoord schreef: “In mijn jeugd was ik onder de indruk van een pater op het seminarie, die hele veldslagen uit het hoofd in dichtvorm kon navertellen, of ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’ van Tollens. Het galmde als een kathedraal, maar je voelde de kracht van de poëzie. De echte ontdekking kwam met de bloemlezingen ‘Atonaal‘ van Simon Vinkenoog en ‘Nieuwe griffels schone leien‘ van Paul Rodenko. Die heb ik jaren bij me gedragen. Toen ik eenmaal succes kreeg in de muziek, stak ik mijn geld niet in bontjassen, maîtresses of Porsches maar in een zich gestaag uitbreidende poëziebibliotheek”.

Ook ik werd destijds gegrepen door ‘Nieuwe griffels schone leien’ en ik denk dat dat voor mij ook de basis is geweest van wat ik inmiddels wel mijn poëziebibliotheek kan noemen. In zijn voorwoord gaat hij verder met: “Poëzie lees ik om ontroerd te raken, om uit het evenwicht te worden geslagen, om formuleringen te vinden die ik zelf nooit zou kunnen verwoorden. En ook om inspiratie te vinden. Tegenover mijn belastingadviseur, die het merkwaardig vond dat ik vele poëziebundels per week kocht, heb ik hiervoor ook de term ‘kunstmest’ bedacht: de ene dag lees je mooie dingen, de volgende dag bedenk je zelf opeens iets. Poëzie is een fertilizer. Het is daarom ook eigenlijk merkwaardiger als mensen juist geen poëzie lezen.”

Ik dacht heel lang dat ik een van de weinige mensen was die er zo over dacht. Nu weet ik dat ik in goed gezelschap verkeer met deze mening.

In de bloemlezing ‘Zwaan kleef aan’ die op verzoek van Jaffe Vink van het ter ziele gegane weekblad Opinio werd samengesteld, koos Henny Vrienten telkens voor een gedicht waarbij hij telkens een ander gedicht uitzocht dat daarbij past, door vorm, inhoud, associatie of iets anders. Zijn aanpak doet me heel erg denken aan wat ik probeer te doen in de rubriek Dubbelgedicht. Op deze manier wordt je meegenomen door hem in zijn gedachten en ideeën. Vele dichters passeren de revue, Nederlandse dichters, Vlaamse dichters maar ook dichters van over de verschillende continenten.

Ik heb gekozen voor twee gedichten die bij elkaar geplaats werden van Judith Herzberg (1934) getiteld ‘Meeuwen’ en Rutger Kopland (1934-2012) getiteld ‘Een moeder’. Ik heb het commentaar van Henny Vrienten in dit geval erboven gezet. In de bundel staat dit steeds onder de gedichten. Voor liefhebbers van poëzie is de bundel ‘Zwaan kleef aan’ een pareltje, mocht je er nog aan kunnen komen, kopen zeg ik!

“Even denk je in een rustiek gedicht te zijn beland. Het geluid van meeuwen lokt ons naar de kust. Maar er klopt van alles niet: geen vogel vliegt, pikt of deint op een golf. Alleen trage kranen, ijzerwaren. Ook mooi, maar dat zochten we niet. Ik schrik van die laatste regel. Wie vangt de meeuwen, en wat willen ze ermee doen? Is dit een ver buitenland waar barbaarse gebruiken heersen, of loopt er in Nederland ergens een steile steeg omlaag naar de haven? Of is het een droom? Ach eigenlijk wel goed om op het verkeerde been te worden gezet. Op het eerste of zelfs het tweede gezicht hebben deze twee gedichten niet veel met elkaar te maken. Maar net als Judith Herzberg slaat Rutger Kopland in de laatste regel keihard toe.”

.

Meeuwen

.

Het krijsen van meeuwen wees de weg naar de zee;

een nauwe steeg, steil naar beneden, daar was de haven

maar niets dan boten, trage kranen, ijzerwaren. Geen vogel

vloog of liep te pikken of deinde op een golf.

Toch, het geluid hield aan; het geweld van machines

werd zelfs overstemd door het schreeuwen.

De kranen hevelden lichte. niet helemaal dichter kisten.

Tussen de brede spleten leefde opeens de lading: vlerken

en veren. Zo werden de meeuwen het ruim in gehesen.

.

Een moeder

.

loopt langzaam naar haar kind om

het niet te laten schrikken,

pakt het voorzichtig op om

het niet te beschadigen,

slaat dan keihard.

.