Categorie archief: Vlaamse dichters

Memento Mori

Emerald Liu

.

Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.

Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.

Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.

.

Memento Mori

.

je staart

komt dichterbij

kijk me aan

bewandel mijn hand

land zacht op mijn hoofd

.

er is geen buigzaam verleden

enkel roest

een kroonblad staat wit op zwart

wankelt wordt wacht neen is

een verrukking

.

kantel je gezicht zo

nu haast een glimlach die balanceert op je

lippen robijnen in een hap van een kers en

barst het is zo voorbij bijt me bont

alsjeblieft is enkel een achtste rust in

de tijd dirigeert onze handen zoeken een

houvast

.

viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood

en bid voor een morgen die we kunnen

delen

het licht kruimelt

en in de verte landt een roetvlok in

de sneeuw

vergaat

.

Erik Heyman

Gerard Bodifée

.

Erik Heyman ( 1960-2010) was behalve dichter ook kernfysicus en docent. Hij debuteerde in 1981 met ‘Neergeschreven’ en was medewerker van de tijdschriften ‘Vers’ (dat zijn eerste bundel uitbracht) en ‘¿Quarant Dash?’. Na zijn bundel ‘IJstijd’ (1984) publiceerde hij ‘Dagmaat’ (1994) en ‘Mantis’ (2006).

Heymans poëzie werd bekroond met onder andere de Nationale Poëzieprijs te Harelbeke en een prijs van de Vlaamse Club te Brussel.
Op 25 februari 2010 overleed hij aan de gevolgen van een hersentumor. Erik Heyman was een gedreven leraar en dichter die met steeds groter wordende intervallen vier weldoordacht gecomponeerde bundels met uitgepuurde, gepolijste, poëzie publiceerde.

In de bundel ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers, in het 3e hoofdstuk, ‘Geologie’, introduceert Heyman personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot, van wie hij de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel ‘In haar gebarentaal boots ik haar na’. Zoals in het sonnet dat hij schreef over Vlaanderens bekendste geleerde, astrofysicus, filosoof, essayist en columnist Gerard Bodifée (1946).

 

Bodifée

.

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.

.

Latrine poëzie

Toiletpoëzie 

 

De inscripties op de latrines van het voormalige Geboorteklooster in Tepoztlán, Mexico, zijn bijna volledig in de vergetelheid geraakt, maar bieden een onverwacht staaltje poëzie. Tegenwoordig is in het voormalige klooster het Museo de la Natividad gevestigd. Tijdens de renovatie van het historische gebouw werd graffiti ontdekt op de muren van de latrines. Aanvankelijk kon echter niemand de inhoud ontcijferen. 

Gelukkig  werd er tegelijkertijd aan de inwoners van Tepoztlán gevraagd om deel te nemen aan een ‘herinneringswedstrijd’ en voorwerpen met een betekenisvolle boodschap naar het museum te brengen.  Tot ieders verbazing meldde zich een vrouw met een stuk papier waarop een familielid de volledige tekst van de graffiti op het toilet had geschreven.

In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten in een oude kerkbadkamer, waren de korte teksten geen gebeden of religieuze verwijzingen, maar een reeks scabreuze gedichten, geschreven in 1840 door José Manuel de Mata en vervolgens in 1895 in het klooster geschilderd door José Donaciano. Ze gaan allemaal over toiletbezoek. Elk gedicht is nu afgedrukt op museumborden voor de latrine waar ze werden gevonden.  Hier zijn enkele voorbeelden:

‘Als je tijdens het eten fatsoenlijk bent,  in je kleding en spraak,  gedraag je dan ook netjes tijdens het toiletbezoek; toon jezelf dan niet onfatsoenlijk.’

‘Over ontlasting  maken we allemaal grapjes, en wanneer de tijd rijp is en de darmen weer tot rust komen, daalt de koning van zijn troon en verlaat de paus zijn stoel.’

Hoewel het klooster onder meer bekendstaat om het behoud van zijn originele muurschilderingen uit de Renaissance, is de poëzie van het buitentoilet een unieke bezienswaardigheid op zich.

Om toch met een hedendaags toiletgedicht te eindigen hier het gedicht ‘Sanitaire saltarello’ van dichter Erik Heyman (1960-2010).

.

Sanitaire saltarello

.

Laat alle water dan maar hier verdwijnen,

keer het de rug toch toe, neem het niet mee,

en raak verlost van alle onderhuidse pijnen.

Druk hier uw wil nog door, vergeef de druppel

niet die met de moed der wanhoop de om-

knelling wil vermijden. En zwijg mij dood, er is

papier genoeg om al uw zonden te belijden.

Weet dat ik u uit uw gedachten haal.

Dus lees en veeg mij weg, negeer mij straal.

.

Randschade

Een recensie

.

Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:

Is het mijn sterfdag?

Vergeet engelen en psalmen

Ik wil het vanille van een oud boek

Ik wil een koud flesje bier

en ik wil jou, nog één keer.

De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de  bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.

In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.

In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.

Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.

Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.

.

Uitzicht

.

De middag zet zijn ramen open:

een tuin vol weegbree, paardenbloem

en kattenpis. Een kraai verdwijnt in

de schaduw van een haag.

.

Daarachter zwijgzame huizen

voorbijschuivende silhouetten

een passant die de dag vervloekt

het niet begrijpende kind

dat hem vergezelt.

.

In hun voetafdruk hangt randschade.

.

De kamer vult zich met het oog

dat kijkt. Licht valt op het lege doek.

Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit

de tuin een strook, het kind een kras.

.

Pompejaans rood en nachtzwart

rollen erdoor heen. Feest

op de rand van een vulkaan.

.

Señorita’s

Christophe Vekeman

.

In mijn zoektocht naar steeds weer nieuwe en interessante dichters kwam ik op het pad van de Vlaamse schrijver, columnist, dichter en performer Christophe Vekeman (1972). Hij publiceerde verscheidene romans, een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een literaire musical en gedichtenbundels en essays. In 2020 wijdde ik al eens een blogbericht aan zijn bundel ‘Dit is geen slaapkamer meer nu‘. 

En nu pas kwam ik een andere bundel van hem tegen die ik kocht met de titel ‘Señorita’s’ gedichten en andere podiumteksten uit 2009. In deze bundel zijn zijn beste (en vaak hilarische) gedichten en teksten bijeengebracht. Vekemans schrijfstijl kenmerkt zich door humor, een pessimistisch levensgevoel en weelderige zinnen. Tot zijn leermeesters behoren onder andere Willem Frederik Hermans, Richard Yates, Jeroen Brouwers en Gerard Reve. Het gedicht ‘Bijvoorbeeld’ laat zich in eerste instantie wat lastig lezen (doe het hardop dat helpt) maar geeft langzaam zijn diepere betekenis vrij.

.

Bijvoorbeeld

.

Bijvoorbeeld klaprozen bezwaren donderdag, kalkoenen

bedelaars zonder de jaren gaan geld langzaam staren

stofwolken geweld en al die rare dingen

.

Zoals zonneschijn realiteit omdat berouw pijn bordkarton

dood graag vreselijk feesten wezen is in duisternis

komaan altijd een beetje zingen

.

Gezien de vlucht van pantalons en hemelsblauw en

daltonisme is er lucht in open dichters hier want buiten

daar ballon ballast papier en rendement tijd toekomst

zwaar en tamelijk – of toch op dit moment – geen

ogenblik ober waarom ook vrij

.

Daarom dus zou men astronautenvoedsel prot bril

zielsverwanten in het land der God weet wandklok

spleen hé wat wandelstok steek de moord loop heen

vergeet een woord nee hoor niemand en niets betekent

iets voor mij

.

Behalve jij

.

 

 

Iedereen begint in het klein

Raad

.

Afgelopen weekend was ik in Vlaanderen (Mechelen en Leuven en omstreken) en wat ik dan in ieder geval altijd doe is in de plaatselijke kringwinkels (zoals ze ze daar noemen) op zoek naar de boekenafdeling en dan het plankje (indien aanwezig) poëzie zoeken. Nu was ik in de Sjans! (what’s in a name!) en daar hadden ze allerlei thema’s in de boeken kasten maar geen poëzie. Toch stuitte ik op een alleraardigst bundeltje met de titel ‘Iedereen begint in het klein’ geboortegedichten uit 2022.

In dit bundeltje gedichten van bekende namen (vooral Vlaamse maar niet exclusief) als Lotte Dodion, Shari Van Goethem, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Siel verhanneman, Benno Barnard, Vrouwkje Tuinman en Ingmar Heytze. De reden dat men deze bundel uitgaf is op de achterkant beschreven: “In blijde verwachting? Je hebt al een naam gekozen maar je bent nog op zoek naar gepaste woorden? Iedereen begint in het klein bevat gebalde gedichten voor wie nood heeft aan mooie, gloedvolle woorden om je verbazing, ongeduld en hoop het best te omschrijven.”

Het leuke aan deze verzamelbundel op thema (ik hou ervan) is dat nu eens niet gegrepen is naar de canon van de Nederlandstalige poëzie met al haar grote, bekende namen, maar gekozen is voor dichters van nu, misschien niet allemaal bekend bij een groot publiek, maar voor wie zich in de poëzie van nu interesseert (of MUGzine leest), namen die men wel kent of waar men van gehoord heeft. Ik kende slechts drie van de vijfentwintig namen niet (alle drie Vlaamse dichters).

Uit de gedichten, die een grote afwisseling in vorm en inhoud kennen (van Haiku’s tot proza-gedichten en alles wat er tussen valt), koos ik voor het gedicht ‘Raad’ van dichter Mustafa Kör (1976) met meteen een goede raad voor het (nog ongeboren) kind.

.

Raad

.

Het mag dan zijn

dat jij begon te zijn

met een schreeuw

kind

Daar hoef je je geen zorgen om te maken

Waar je voor moet waken is het zuchten

Een zucht is opgeven

Een schreeuw is een begin

Hoe pril ook

.

Jenever

Lynn Vandermeulen

.

Ik heb hier op dit blog al vaker aandacht besteed aan bloemlezingen en verzamelbundels rond een bepaald thema. Dat zo’n thema echt van alles kan zijn bleek mij maar weer eens toen ik de bundel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ op de kop tikte. In 2023 werd in het Nationaal Jenevermuseum in Schiedam de tentoonstelling georganiseerd met de gelijknamige naam.

In deze tentoonstelling stonden drie eeuwen Nederlandstalige jeneverpoëzie centraal. De titel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ was gebaseerd op een gelijknamige bundel, waarin 148 jenevergedichten verzameld zijn. ‘De veelheid aan jeneverpoëzie, ook hedendaagse, nodigt ons uit om deze voor het voetlicht te brengen. Jenever kan de Muze wekken, maar komt ook veelvuldig zelfstandig in gedichten voor en wordt daarin bezongen, bejubeld, verguisd en beschuldigd. Het programma spreekt dan ook bewust diverse groepen aan; van poëten tot kroegtijgers en scholieren,’ aldus directeur Diederik von Bönninghausen destijds.

De tentoonstelling werd gepresenteerd in dichtvorm: Romantiek, Schiedam & Nederland, Matrozen & Soldaten en Jaargetijden. Een vijfde thema – Graan -van Korrel tot Borrel – was in Museummolen De Walvisch te bewonderen. De tentoonstelling is natuurlijk al lang weer verdwenen maar gelukkig waren de organisatoren zo verstandig een bundel van de poëzie uit de tentoonstelling uit te geven (door het PoëzieCentrum). Op deze manier is het verleden en de toekomst van jenever in poëzie bewaard gebleven voor de poëzieliefhebber.

Uit de bundel uit 2020, samengesteld door René Smeets nam ik het gedicht ‘Zoals’ van de Vlaamse dichter Lynn Vandermeulen. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Jenever en poëzie’ (heel toepasselijk) dat in 1998 door de Stedelijke Dienst voor Cultuur Hasselt en het Jenevermuseum Hasselt werd gepubliceerd.

.

Zoals

.

niet als champagne parels

die sterven op je tong

(tot slechts een dure gedachte rest)

.

niet als bier: teveel

en te vaak (een vluchtige

ontmoeting)

.

neen,

als jenever: langs de scherpte

van citroen, naar de rust

van rode bessen (met steeds

de zekerheid van graan)

.

–  dàt soort leven.

.

Spiegel van de ziel

Een recensie

.

De Vlaamse dichter, kunst- en cultuurfilosoof en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, Antoon Van den Braembussche (1946) heeft bij uitgeverij P een nieuwe bundel gepubliceerd, zijn negende alweer. De titel van deze nieuwe bundel ‘Spiegel van de ziel’ is losjes geïnspireerd door een uitspraak van de Estse componist Arvo Pärt, die de muziek in de zijkamers van de ziel omschreef als een ‘spiegel in de spiegel’.

De netjes uitgegeven bundel (zoals we gewend zijn van P) bestaat uit 8 onderdelen of hoofdstukken als je wil, die vaak maar niet altijd worden voorafgegaan door een uitspraak van een dichter, schrijver of filosoof. Daarnaast zijn er drie afbeeldingen opgenomen van kunstenaars Sofie Muller, Johan Clarysse en Christian Clauwers.

Met het hoofdstuk ‘Zij herinnert zich’ wordt je meteen in de bundel getrokken; dromerig, melancholisch, met gedichten over verlies, afscheid en een ‘zij’ als onderwerp van deze emoties, die samen de ziel vormen en als zodanig weerspiegelt worden in de gedichten. De pijn in ‘Nabijheid’, het verdriet in ‘Luwte’, het verlangen in ‘Zij herinnert zich’, de hoop in ‘Wellicht tot later’, de dichter heeft het vermogen om emoties die we allemaal zo goed kennen op een manier in poëtische taal te verwoorden, die je als lezer verrast en weer anders laat kijken.  Zijn taal is helder en geeft je als lezer houvast om je eigen emoties, herinneringen en ervaringen te koppelen aan zijn woorden.

In het tweede hoofdstuk ‘Franse suite’ borduurt de dichter voort op het eerste deel. In gedichten met Franse titels beent hij een periode in de tijd uit waarin ‘zij’ er nog was. Opvallend zijn de strofen in twee gedichten die beginnen met de vraag ‘is dit..’ alsof de dichter de poëzie gebruikt als instrument voor zijn eigen duiding en verwerking. Hierdoor krijgen de gedichten nog meer zeggingskracht, je wordt als lezer meegenomen in de binnenwereld van de dichter (in zijn spiegel van de ziel).

In het derde hoofdstuk ‘Momentopnamen’ zijn gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan een persoon, maar ook weer niet alle gedichten. Dit deel begint met drie gedichten waarin de kleur wit een belangrijk onderwerp is (sneeuw, Antarctica, Whiteout) en dat eindigt met twee wielergedichten. Na de zwaarte van de eerste twee hoofdstukken lijkt de dichter je hiermee een moment te gunnen van terugkeren naar het nu.

In het deel dat volgt ‘Zo bleef ik spreken’ geeft de dichter een inkijkje in zijn dichter-zijn, waarmee hij een soort legenda lijkt te willen geven voor de bundel, voor zijn poëzie, een context, als hulp voor de lezer. Bij het lezen van het hoofdstukje ‘Zegswijzen’ bekroop me de vraag of deze gedichten niet ook onder één van de andere delen hadden kunnen worden gerangschikt. Als lezer probeer je een rode lijn te ontdekken in de reis die je maakt door een bundel. Door zo’n (in mijn ogen) ‘tussendeel’ raak te ik die lijn even kwijt, wat ik jammer vind.

Gelukkig keert de dichter terug naar zichzelf in het hoofdstuk ‘Modus Vivendi’, prachtig geïllustreerd door het schilderij van Sofie Muller dat ook de omslag siert. Dit ene beeld geeft zoveel informatie die aansluit bij de gedichten in dit deel van de bundel en op het moment van lezen/zien vallen de kwartjes, die de dichter heeft uitgedeeld, op zijn plek. Dit is de spiegel van de ziel in woord en beeld.

Het hoofdstuk ‘Ars musica’ en het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ hoe fraai en poëtisch ook, voegen aan het wezen van de bundel weinig toe wat mij betreft. Deze kunnen separaat gelezen worden en genoten door de lezer, los van de andere inhoud.

Antoon Van den Braembussche levert met ‘Spiegel van de ziel’ een persoonlijk intiem een aansprekende bundel af waarin niet alleen een kijkje in de ziel van de dichter wordt gegeven maar waarin je als lezer ook een spiegel wordt voorgehouden. En dat alleen, naast de andere redenen die ik al noemde, is al een reden om deze bundel te lezen.

Ik heb als voorbeeld het gedicht uit het eerste hoofdstuk met de titel ‘Alles wat ons scheidde’.

.

Alles wat ons scheidde

.

Alles wat ons scheidde

lag in de onbehaaglijke uren

waarop niets meer werd gezegd.

.

Tussentijdse vervreemding

waarbij de taal van het gebaar

zelfs niet meer volstond.

.

Alles op een armlengte

van het heilig zwijgen.

.

Op een beenlengte

van het blinde stappen:

.

het hijgen in mineur,

de maanzieke glans in je ogen,

je meest onwezenlijke lach.

.

Levensverhaal

Peter Ghyssaert

.

Het gebeurt steeds minder vaak dat ik een nieuwe dichter ontdek die ik niet ken. Tenzij deze uit het niets of debuterend als jong of nieuw talent zich aandient uiteraard. Nee, het betreft hier dichters die al enige tijd meelopen of soms al zijn overleden maar waar ik nog nooit tegen aan ben gelopen.

Zo’n dichter is Peter Ghyssaert (1966) en dat ik zijn naam nu pas leer kennen is vreemd want hij heeft al een behoorlijke staat van dienst. Zo werd zijn werk tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs (‘Kleine lichamen’ uit 2oo5 en ‘Ezelskaakbeen’ uit 2011) , was hij te gast op onder meer Poetry International, Dichter aan Huis, Nacht van de Poëzie en de Maastricht International Poetry Nights.

Deze Vlaamse dichter en musicus studeerde muziekgeschiedenis, viool en kamermuziek aan de conservatoria van Brussel en Antwerpen. Als dichter debuteerde hij in 1991 met de bundel ‘Honingtuin’ en publiceerde sindsdien nog acht dichtbundels, de laatste in 2018 met de wonderlijke titel ‘Laiwarikon’.

Zijn werk werd meermaals bekroond, met onder andere de Poëzieprijs De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Cameo’ (1993) en de Poëzieprijs Antwerpen voor ‘Sneeuwboekhouding’ (1995). Ook verscheen zijn werk in literaire tijdschriften als  Hollands Maandblad, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Dietsche Warande & Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids.

De jury van de VSB Poëzieprijs schreef over zijn poëzie: Doorgaans wordt de poëzie van Ghyssaert geplaatst in de traditie van het estheticisme en de decadentie, zoals die in het fin de siècle gestalte kreeg. Zijn gedichten hebben iets kunstmatigs, maar zonder dat ze daardoor aan natuurlijkheid verliezen. Zijn thematiek is de voornaamste reden om hem decadent te noemen. In zijn gedichten is een obsessieve aandacht voor dood en verval waar te nemen. In de werkelijkheid ziet hij vooral aftakeling, degeneratie en het zieke. Het beschrijven daarvan heeft bij hem een bezwerend karakter.

De zaken die de jury van de VSB Poëzieprijs hierboven benoemen komen terug in het gedicht dat ik uitkoos met de titel ‘Levensverhaal’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Jubileum en andere gedichten’ uit 1997.

.

Levensverhaal

.

Toen hij geboren was begon het al:

zijn moeder had de bijsluiter verloren.

.

Nooit wist hij waartoe dit

of dat dienen moest. Hoewel

hij toch kan raden

liep het steeds verkeerd.

.

Zijn vrienden durfde hij niets vragen:

in hun jeugd hadden die goed

hun eigen voorschriften gelezen

en die toen verbrand.

.

Iedereen hield alles maar geheim

en deed volmaakt wat hij hij niet kon;

ze lachten hem al op de speelplaats uit:

.

een tegenstrijdigheid, verlamd

en huilend in de zon.

.

Pijnbank

Gwy Mandelinck

.

Uit de bundel ‘Overval’ uit 1997 komt het gedicht ‘Pijnbank’ van de Vlaamse schrijver, dichter en stichter van de Poëziezomers in Watou, Gwy Mandelinck (1937 – 2024).

.

Pijnbank

.

Je strijkt. Terwijl je voet naar binnen staat

gedraaid, lijk je ingekeerd te zijn.

Zodra je mij bedreigt gaan neus en lip omhoog.

Die geven tanden bloot. Je hoofd wordt rood

.

en je besprenkelt breed het pak

waarin ik zat. Je heetste binnenkant

komt stomend op mij neer. een pijnbank

is die plank. je zet mij naar je hand.

.