Categorie archief: Vlaamse dichters
Randschade
Een recensie
.
Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.
De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer.
De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.
In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.
In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.
Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.
Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.
.
Uitzicht
.
De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.
.
Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.
.
In hun voetafdruk hangt randschade.
.
De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.
.
Pompejaans rood en nachtzwart
rollen erdoor heen. Feest
op de rand van een vulkaan.
.
Señorita’s
Christophe Vekeman
.
In mijn zoektocht naar steeds weer nieuwe en interessante dichters kwam ik op het pad van de Vlaamse schrijver, columnist, dichter en performer Christophe Vekeman (1972). Hij publiceerde verscheidene romans, een verhalenbundel, een novelle, een biografie, een literaire musical en gedichtenbundels en essays. In 2020 wijdde ik al eens een blogbericht aan zijn bundel ‘Dit is geen slaapkamer meer nu‘.
En nu pas kwam ik een andere bundel van hem tegen die ik kocht met de titel ‘Señorita’s’ gedichten en andere podiumteksten uit 2009. In deze bundel zijn zijn beste (en vaak hilarische) gedichten en teksten bijeengebracht. Vekemans schrijfstijl kenmerkt zich door humor, een pessimistisch levensgevoel en weelderige zinnen. Tot zijn leermeesters behoren onder andere Willem Frederik Hermans, Richard Yates, Jeroen Brouwers en Gerard Reve. Het gedicht ‘Bijvoorbeeld’ laat zich in eerste instantie wat lastig lezen (doe het hardop dat helpt) maar geeft langzaam zijn diepere betekenis vrij.
.
Bijvoorbeeld
.
Bijvoorbeeld klaprozen bezwaren donderdag, kalkoenen
bedelaars zonder de jaren gaan geld langzaam staren
stofwolken geweld en al die rare dingen
.
Zoals zonneschijn realiteit omdat berouw pijn bordkarton
dood graag vreselijk feesten wezen is in duisternis
komaan altijd een beetje zingen
.
Gezien de vlucht van pantalons en hemelsblauw en
daltonisme is er lucht in open dichters hier want buiten
daar ballon ballast papier en rendement tijd toekomst
zwaar en tamelijk – of toch op dit moment – geen
ogenblik ober waarom ook vrij
.
Daarom dus zou men astronautenvoedsel prot bril
zielsverwanten in het land der God weet wandklok
spleen hé wat wandelstok steek de moord loop heen
vergeet een woord nee hoor niemand en niets betekent
iets voor mij
.
Behalve jij
.
Jenever
Lynn Vandermeulen
.
Ik heb hier op dit blog al vaker aandacht besteed aan bloemlezingen en verzamelbundels rond een bepaald thema. Dat zo’n thema echt van alles kan zijn bleek mij maar weer eens toen ik de bundel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ op de kop tikte. In 2023 werd in het Nationaal Jenevermuseum in Schiedam de tentoonstelling georganiseerd met de gelijknamige naam.
In deze tentoonstelling stonden drie eeuwen Nederlandstalige jeneverpoëzie centraal. De titel ‘Straks gaat het jenever sneeuwen’ was gebaseerd op een gelijknamige bundel, waarin 148 jenevergedichten verzameld zijn. ‘De veelheid aan jeneverpoëzie, ook hedendaagse, nodigt ons uit om deze voor het voetlicht te brengen. Jenever kan de Muze wekken, maar komt ook veelvuldig zelfstandig in gedichten voor en wordt daarin bezongen, bejubeld, verguisd en beschuldigd. Het programma spreekt dan ook bewust diverse groepen aan; van poëten tot kroegtijgers en scholieren,’ aldus directeur Diederik von Bönninghausen destijds.
De tentoonstelling werd gepresenteerd in dichtvorm: Romantiek, Schiedam & Nederland, Matrozen & Soldaten en Jaargetijden. Een vijfde thema – Graan -van Korrel tot Borrel – was in Museummolen De Walvisch te bewonderen. De tentoonstelling is natuurlijk al lang weer verdwenen maar gelukkig waren de organisatoren zo verstandig een bundel van de poëzie uit de tentoonstelling uit te geven (door het PoëzieCentrum). Op deze manier is het verleden en de toekomst van jenever in poëzie bewaard gebleven voor de poëzieliefhebber.
Uit de bundel uit 2020, samengesteld door René Smeets nam ik het gedicht ‘Zoals’ van de Vlaamse dichter Lynn Vandermeulen. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Jenever en poëzie’ (heel toepasselijk) dat in 1998 door de Stedelijke Dienst voor Cultuur Hasselt en het Jenevermuseum Hasselt werd gepubliceerd.
.
Zoals
.
niet als champagne parels
die sterven op je tong
(tot slechts een dure gedachte rest)
.
niet als bier: teveel
en te vaak (een vluchtige
ontmoeting)
.
neen,
als jenever: langs de scherpte
van citroen, naar de rust
van rode bessen (met steeds
de zekerheid van graan)
.
– dàt soort leven.
.
Spiegel van de ziel
Een recensie
.
De Vlaamse dichter, kunst- en cultuurfilosoof en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, Antoon Van den Braembussche (1946) heeft bij uitgeverij P een nieuwe bundel gepubliceerd, zijn negende alweer. De titel van deze nieuwe bundel ‘Spiegel van de ziel’ is losjes geïnspireerd door een uitspraak van de Estse componist Arvo Pärt, die de muziek in de zijkamers van de ziel omschreef als een ‘spiegel in de spiegel’.
De netjes uitgegeven bundel (zoals we gewend zijn van P) bestaat uit 8 onderdelen of hoofdstukken als je wil, die vaak maar niet altijd worden voorafgegaan door een uitspraak van een dichter, schrijver of filosoof. Daarnaast zijn er drie afbeeldingen opgenomen van kunstenaars Sofie Muller, Johan Clarysse en Christian Clauwers.
Met het hoofdstuk ‘Zij herinnert zich’ wordt je meteen in de bundel getrokken; dromerig, melancholisch, met gedichten over verlies, afscheid en een ‘zij’ als onderwerp van deze emoties, die samen de ziel vormen en als zodanig weerspiegelt worden in de gedichten. De pijn in ‘Nabijheid’, het verdriet in ‘Luwte’, het verlangen in ‘Zij herinnert zich’, de hoop in ‘Wellicht tot later’, de dichter heeft het vermogen om emoties die we allemaal zo goed kennen op een manier in poëtische taal te verwoorden, die je als lezer verrast en weer anders laat kijken. Zijn taal is helder en geeft je als lezer houvast om je eigen emoties, herinneringen en ervaringen te koppelen aan zijn woorden.
In het tweede hoofdstuk ‘Franse suite’ borduurt de dichter voort op het eerste deel. In gedichten met Franse titels beent hij een periode in de tijd uit waarin ‘zij’ er nog was. Opvallend zijn de strofen in twee gedichten die beginnen met de vraag ‘is dit..’ alsof de dichter de poëzie gebruikt als instrument voor zijn eigen duiding en verwerking. Hierdoor krijgen de gedichten nog meer zeggingskracht, je wordt als lezer meegenomen in de binnenwereld van de dichter (in zijn spiegel van de ziel).
In het derde hoofdstuk ‘Momentopnamen’ zijn gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan een persoon, maar ook weer niet alle gedichten. Dit deel begint met drie gedichten waarin de kleur wit een belangrijk onderwerp is (sneeuw, Antarctica, Whiteout) en dat eindigt met twee wielergedichten. Na de zwaarte van de eerste twee hoofdstukken lijkt de dichter je hiermee een moment te gunnen van terugkeren naar het nu.
In het deel dat volgt ‘Zo bleef ik spreken’ geeft de dichter een inkijkje in zijn dichter-zijn, waarmee hij een soort legenda lijkt te willen geven voor de bundel, voor zijn poëzie, een context, als hulp voor de lezer. Bij het lezen van het hoofdstukje ‘Zegswijzen’ bekroop me de vraag of deze gedichten niet ook onder één van de andere delen hadden kunnen worden gerangschikt. Als lezer probeer je een rode lijn te ontdekken in de reis die je maakt door een bundel. Door zo’n (in mijn ogen) ‘tussendeel’ raak te ik die lijn even kwijt, wat ik jammer vind.
Gelukkig keert de dichter terug naar zichzelf in het hoofdstuk ‘Modus Vivendi’, prachtig geïllustreerd door het schilderij van Sofie Muller dat ook de omslag siert. Dit ene beeld geeft zoveel informatie die aansluit bij de gedichten in dit deel van de bundel en op het moment van lezen/zien vallen de kwartjes, die de dichter heeft uitgedeeld, op zijn plek. Dit is de spiegel van de ziel in woord en beeld.
Het hoofdstuk ‘Ars musica’ en het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ hoe fraai en poëtisch ook, voegen aan het wezen van de bundel weinig toe wat mij betreft. Deze kunnen separaat gelezen worden en genoten door de lezer, los van de andere inhoud.
Antoon Van den Braembussche levert met ‘Spiegel van de ziel’ een persoonlijk intiem een aansprekende bundel af waarin niet alleen een kijkje in de ziel van de dichter wordt gegeven maar waarin je als lezer ook een spiegel wordt voorgehouden. En dat alleen, naast de andere redenen die ik al noemde, is al een reden om deze bundel te lezen.
Ik heb als voorbeeld het gedicht uit het eerste hoofdstuk met de titel ‘Alles wat ons scheidde’.
.
Alles wat ons scheidde
.
Alles wat ons scheidde
lag in de onbehaaglijke uren
waarop niets meer werd gezegd.
.
Tussentijdse vervreemding
waarbij de taal van het gebaar
zelfs niet meer volstond.
.
Alles op een armlengte
van het heilig zwijgen.
.
Op een beenlengte
van het blinde stappen:
.
het hijgen in mineur,
de maanzieke glans in je ogen,
je meest onwezenlijke lach.
.
Levensverhaal
Peter Ghyssaert
.
Het gebeurt steeds minder vaak dat ik een nieuwe dichter ontdek die ik niet ken. Tenzij deze uit het niets of debuterend als jong of nieuw talent zich aandient uiteraard. Nee, het betreft hier dichters die al enige tijd meelopen of soms al zijn overleden maar waar ik nog nooit tegen aan ben gelopen.
Zo’n dichter is Peter Ghyssaert (1966) en dat ik zijn naam nu pas leer kennen is vreemd want hij heeft al een behoorlijke staat van dienst. Zo werd zijn werk tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs (‘Kleine lichamen’ uit 2oo5 en ‘Ezelskaakbeen’ uit 2011) , was hij te gast op onder meer Poetry International, Dichter aan Huis, Nacht van de Poëzie en de Maastricht International Poetry Nights.
Deze Vlaamse dichter en musicus studeerde muziekgeschiedenis, viool en kamermuziek aan de conservatoria van Brussel en Antwerpen. Als dichter debuteerde hij in 1991 met de bundel ‘Honingtuin’ en publiceerde sindsdien nog acht dichtbundels, de laatste in 2018 met de wonderlijke titel ‘Laiwarikon’.
Zijn werk werd meermaals bekroond, met onder andere de Poëzieprijs De Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Cameo’ (1993) en de Poëzieprijs Antwerpen voor ‘Sneeuwboekhouding’ (1995). Ook verscheen zijn werk in literaire tijdschriften als Hollands Maandblad, Maatstaf, De Revisor, Tirade, Dietsche Warande & Belfort, Nieuw Wereldtijdschrift en De Vlaamse Gids.
De jury van de VSB Poëzieprijs schreef over zijn poëzie: Doorgaans wordt de poëzie van Ghyssaert geplaatst in de traditie van het estheticisme en de decadentie, zoals die in het fin de siècle gestalte kreeg. Zijn gedichten hebben iets kunstmatigs, maar zonder dat ze daardoor aan natuurlijkheid verliezen. Zijn thematiek is de voornaamste reden om hem decadent te noemen. In zijn gedichten is een obsessieve aandacht voor dood en verval waar te nemen. In de werkelijkheid ziet hij vooral aftakeling, degeneratie en het zieke. Het beschrijven daarvan heeft bij hem een bezwerend karakter.
De zaken die de jury van de VSB Poëzieprijs hierboven benoemen komen terug in het gedicht dat ik uitkoos met de titel ‘Levensverhaal’. Dit gedicht komt uit de bundel ‘Jubileum en andere gedichten’ uit 1997.
.
Levensverhaal
.
Toen hij geboren was begon het al:
zijn moeder had de bijsluiter verloren.
.
Nooit wist hij waartoe dit
of dat dienen moest. Hoewel
hij toch kan raden
liep het steeds verkeerd.
.
Zijn vrienden durfde hij niets vragen:
in hun jeugd hadden die goed
hun eigen voorschriften gelezen
en die toen verbrand.
.
Iedereen hield alles maar geheim
en deed volmaakt wat hij hij niet kon;
ze lachten hem al op de speelplaats uit:
.
een tegenstrijdigheid, verlamd
en huilend in de zon.
.
Pijnbank
Gwy Mandelinck
.
Uit de bundel ‘Overval’ uit 1997 komt het gedicht ‘Pijnbank’ van de Vlaamse schrijver, dichter en stichter van de Poëziezomers in Watou, Gwy Mandelinck (1937 – 2024).
.
Pijnbank
.
Je strijkt. Terwijl je voet naar binnen staat
gedraaid, lijk je ingekeerd te zijn.
Zodra je mij bedreigt gaan neus en lip omhoog.
Die geven tanden bloot. Je hoofd wordt rood
.
en je besprenkelt breed het pak
waarin ik zat. Je heetste binnenkant
komt stomend op mij neer. een pijnbank
is die plank. je zet mij naar je hand.
.
Slopersverdriet
Philip Hoorne
.
Vandaag een gedicht van een dichter in de geest van een andere dichter. Philip Hoorne (1964) is een Vlaamse dichter, schrijver, bloemlezer en recensent. Hij debuteerde in 2002 met de bundel ‘Niets met jou’ in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De bundel werd genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs. Voor zijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ uit 2004 werd hij genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.
Zijn werk werd opgenomen in meerdere bloemlezingen, onder meer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ van Gerrit Komrij en verschijnt in literaire tijdschriften als Het liegend konijn, De Revisor, Bunker Hill, Landauer en Tirade. Hoorne richtte de poëzierecensiewebsite Poëzierapport op en schreef recensies voor onder meer Knack, de Poëziekrant en Meander.
In 2022 verscheen ‘Beste meneer, Bloem’, een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk, uitgegeven door de Stichting Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs. Wanneer een dichter wordt genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, zoals Hoorne in 2005, dan wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven geïnspireerd op de persoon Bloem, zijn werk of zelfs een regel of titel uit zijn oeuvre. In deze bundel zijn 20 van deze dichters (niet alle dichters hebben gereageerd op het verzoek tot het schrijven van een dergelijk gedicht) met hun gedicht opgenomen waaronder dus het gedicht ‘Slopersverdriet’ van Philip Hoorne.
.
Slopersverdriet
Naar ‘Insomnia’ van J.C. Bloem
.
Denkend aan de daad kan ik niet slopen,
En niet slopend denk ik aan de daad,
En mijn hamer aarzelt voor hij slaat,
Zijn puin en gruis mijn enige hopen?
.
Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘ga lopen’,
Als een muur tegen de vlakte gaat.
Stof waait door de opgebroken straat.
‘k Denk dat ik mij beter op kan knopen.
.
Om de vrouw die zich te weinig geeft,
Slechts eens per maand wil minnekozen,
Te min haar vreugde om mijn krachtig zaad,
.
Tot meer paringsdaden niet in staat.
Op steenslag zal ik mijn kiemen lozen,
‘k Wil in mij geen leven dat niet leeft.
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
Herwig Hensen
.
Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.
In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.
De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.
Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt
.
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:
Grond, wateren, beemden, bomen,
De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,
En ’t land waarvan wij dromen
.
Wat geven wij onze kinderen mee
Behalve spreuken en kogels?
Niet eens het zuivre zout van de zee
En ’t zingen van de vogels
.
Maar wél het gif en het haastige kruit,
en haat die alom kan passen.
Sindsdien doven de lentes uit
en dorren vroeg de grassen.
Belofte slaat over in ongeduld
voor wie geen hoop meer bewaren.
Wat zijn wij onder zoveel schuld?:
Bedriegers of barbaren?
.
Airco
Shana DeBusschere
.
Dag vijf van -Kort weg- en vandaag een gedicht van de Vlaamse Shana De Busschere (1993). Over haar heb ik niet veel kunnen vinden behalve dat ze in 2016 meedeed aan de Turing Gedichtenwedstrijd en daar haar gedicht opgenomen zag in de bundel ‘Toch, nachtegaal, zing voort!’ de 100 beste gedichten. Haar gedicht, een sonnet, ‘Airco’ lees je hieronder.
.
Airco
.
Ook onze steden zijn oorlogsgezind:
alles moet weg of opengereten.
Wat nu slechts steengruis is, werd ooit bemind.
De minnaars zijn al lang vergeten.
Hun kinderen lopen verloren vooruit.
Ze graven een hart op, dat ze fileren.
Ze kauwen en slikken. Ze braken het uit.
Zoveel verleden valt niet te verteren.
In een web van ijzer en steen bonkt hard
het hart. Uitgespuwd, maar niet vergeten,
wie erin schreef en die taal heeft ontward:
wie zich aan liefde heeft volgevreten.
Zelfs wanneer alles zich heeft gereset,
zal het hart nog kloppen in dit sonnet.
.













