Site-archief

Poëziegenerator

Geert Mul

.

In het depot van museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam was tot vorige week een tentoonstelling met verschillende digitale kunstenaars. Een van hen is mediakunstenaar Geert Mul (1965), zijn werk was in een aparte zaal te zien en toen ik er was, was hij toevallig ook aanwezig. Omdat er tussen de vele schermen die er hingen ook een over poëzie ging ben ik met hem in gesprek gegaan. In 2010 werd hij gevraagd door theater/schouwburg Agnietenhof en de gemeente Tiel om iets met poëzie en de website van de Agnietenhof te doen.

Hij heeft toen, samen met Mothership Rotterdam, die de productie deden, een poëziegenerator (interactieve lichtinstallatie) gemaakt die nieuws, poëzie en architectuur integreert en die met woorden en stukken van zinnen gerijmde poëzie maakte. De speciale software haalt de tekstuele beschrijvingen van de theatervoorstellingen op en knipt deze op. Vervolgens vormt het algoritme op basis daarvan voortdurend nieuwe, poëtische zinnen en gedichten.

Deze poëzie werd aan de buitenkant van het gebouw getoond in een golfpatroon waarmee de lichtkrant (want dat was het) refereert aan het zicht op de rivier de Waal die door Tiel stroomt. In de presentatie van deze poëziegenerator las ik (en zo noemde hij het ook) ‘Teksten van de schouwburg worden door de computer gebruikt voor rijmelarij die op de lichtkrant te lezen is.  Ik weet niet of de lichtkrant heden ten dagen nog altijd gevoed wordt met rijmen maar het idee vond ik leuk genoeg om hier te delen.

Een paar voorbeelden van rijmende zinnen opgemaakt uit woorden van de website:

 

“charmant, subtiel en muzikaal, hoe overleef je dat allemaal.”

“en het ergste is, dromen, verlangen en gemis.”

“begint staat voor hoop, ergens aan beginnen / ze ontdekken dat meedoen belangrijker is dan winnen.”

.

Dichtregels op een sprekende vaas

Victor Hugo en Émile Gallé

.

De Franse kunstenaar Émile Gallé (1846-1904) was een van de bekendste glaskunstenaars uit de Franse Art Nouveau. Gallé werkte met sterke kleuren, maar zijn glas bleef doorzichtig. Hij zette vaak teksten uit boeken of gedichten op zijn objecten. Op de zogenaamde ‘sprekende vaas’ of vase parlant ‘Les Lumineuses’ die hij maakte in 1899/1900, nam hij de zin ‘Want alle mensen zijn zonen van dezelfde vader. Zij zijn dezelfde traan en ontspringen uit hetzelfde oog’ op.

Deze regels komen uit het gedicht ‘Ce que c’est que la mort’ dat verscheen in de dichtbundel ‘Contemplations’ (Overpeinzingen) uit 1856 van Victor Hugo (1802-1885) op. In de Nederlandse vertaling luidt de titel van dit gedicht ‘Wat de dood is’. Hier het gedicht in vertaling en, uiteraard, een afbeelding van deze prachtige vaas.

.

Wat de dood is

.

Zeg niet: sterf; zeg: word geboren. Geloof.
We zien wat ik zie en wat jij ziet;
Wij zijn de slechte mens die ik ben, die jij bent;
We storten ons halsoverkop in plezier, wervelwinden en uitbundigheid;
We proberen de bodem, het einde, de valkuil te vergeten,
De sombere gelijkheid van het kwaad en de doodskist;
Hoewel het kleinste het meest waard is;
Want alle mensen zijn zonen van dezelfde vader,
Zij zijn dezelfde traan en ontspringen uit hetzelfde oog.
We leven, en vullen onszelf met trots;
We lopen, we rennen, we dromen, we lijden, we buigen, we vallen,
we staan ​​op. Wat is dan deze dageraad? Het is het graf.
Waar ben ik? In de dood. Kom! Een onbekende wind
werpt je naar de drempel van de hemel. We sidderen; we zien onszelf naakt,
Onzuiver, afzichtelijk, gebonden door de duizend grafknopen
Van onze misdaden, onze schandelijke kwaden, onze duisternis;
En plotseling horen we iemand in de oneindigheid
zingen, en door iemand voelen we ons gezegend,
zonder de hand te zien waaruit
de liefde op onze zondige ziel neerdaalt, en zonder te weten wiens stem zingt.
We komen aan als mens, rouwend, ijspegel, sneeuw; we voelen onszelf
smelten en leven; en, vervuld van extase en azuurblauw,
beeft ons hele wezen bij de vreemde nederlaag
van het monster dat in het licht een engel wordt.

.

Nogmaals Loeber

Afscheid van mijn schildersloopbaan

.

Schreef ik pas geleden nog over een bezoek aan het Stedelijk Museum Schiedam en aan het gedicht ‘Polderland’ van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) waar de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983) een schilderij bij maakte, dit keer een gedicht van de hand van de kunstenaar (Loeber) zelf.

In 1974 maakte Lou Loeber haar laatste schilderij. Zoals het in het Stedelijk Museum Schiedam verwoord stond: “Tegen de achtergrond van subtiel verschillende tinten grijs, creëert ze een opwaartse beweging, bestaande uit eenvoudige blokjes en een licht ronde vorm. ‘Stijging’ noemt ze het schilderij, waarbij ze ook een gedicht schrijft.”

Prachtig hoe ‘kunstmensen’ kunst kunnen beschrijven en bijzonder dat de kunstenaar zelf een gedicht maakt bij (in dit geval) haar laatste schilderij. Hieronder het gedicht ‘Afscheid van mijn schildersloopbaan’ en het schilderij ‘Stijging’.

.

Afscheid van mijn schildersloopbaan

(geschreven in de ongewoon warme aprilmaand in 1974)

.

De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven

naar de zonnige, stralende hemel toe –

Dit is een hemel die veel kan beloven

licht en warmte en lente toe

.

De bloeiende bloemen trekken mijn ogen naar boven

naar de stormige wolkenhemel toe –

Dit is een hemel die veel kan beloven

regen en koelte en frisheid toe

.

De bloeiende bloemen trekken  mijn ogen naar boven

naar de druilerige grijze hemel toe –

Dit is de hemel die ’t meest kan beloven

stilte en rust  en vrede toe

.

Polderland

Lou Loeber en Jan Willem Schulte Nordholt

.

Enige tijd geleden was ik in het Stedelijk Museum Schiedam. Voor wie dit museum niet kent, het is een absolute aanrader voor iedereen die van moderne kunst houdt. In het museum was (en nog is meen ik) een tentoonstelling te zien van werken van de kunstenaar Lou Loeber (1894-1983). Loeber was een sociaal maatschappelijk geëngageerde kunstenaar en lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij). Haar werk werd beïnvloed door het kubismeDe Stijlexpressionismeneoplasticisme en symbolisme maar ze beschouwde zichzelf niet als een abstracte schilder. Al deze elementen en stijlfiguren zijn goed en herkenbaar te zien in de getoonde werken. 

Bij een van de werken van Loeber, het schilderij getiteld ‘Verten’ hing een bordje met enige informatie. Dit schilderij is geïnspireerd door het gedicht ‘Polderland’ uit 1950 van Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995). Schulte Nordholt was dichter, historicus en hoogleraar in de geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika. Hij is vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten.

Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ‘Het bloeiende steen’ een illegale oorlogsuitgave, onder het pseudoniem W.S. Noordhout. Hierna zouden nog zeven dichtbundels verschijnen en verschillende bloemlezingen. Schulte Nordholt kreeg voor wijn werk als dichter onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1952), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1961) en de Zilveren Anjer (1991).

Hieronder de afbeelding van het schilderij van Loeber ‘Verten’ en het gedicht van Schulte Nordholt ‘Polderland’.

.

Polderland

.

De verten komen eindeloos mij tegen,

Gaan door mij heen en achter mij te loor,

Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,

Recht en gelukkig, en weet niet waarvoor

ik zoveel hemel heb van God gekregen,

.

Met zoveel wolken en met zoveel dromen,

Met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.

Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,

Dit is het landschap voor zijn paradijs.

.

Ach, d’avond valt – Rijd ik het donker door,

Dan is het groot geluid van wind en regen

Het enig landschap in mijn diepe oor.

.

Florentine Rey

Erotische gedichten

.

In een boekhandel in Frankrijk vond ik het boek ‘La poésie erotique aujourd’hui’ uit 2025, met daarin heel veel Franse erotische gedichten met prachtige tekeningen. Een van deze gedichten is van Florentine Rey (1975). Heel veel over haar kon ik niet terug vinden maar ik weet dat ze, na het oprichten van een artistieke productiestructuur op het snijvlak van kunst en technologie, zich heeft gewijd aan schrijven, dichten en performance.

Haar poëzie verscheen bij uitgeverijen als Bruno Doucey en Castor Astral. In de bundel is het onderstaande gedicht (vertaling gemaakt met behulp van AI, mijn Frans is helaas niet goed genoeg dit zelf te doen). Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Pampilles’ uit 2023.

.

Onder mijn Franse cancan-rok

knijpt mijn oog van ongekende gedachten zich samen

en streelt hun gulzige hoofden

ik heb de ambitie om met een hand

hun verlangen te vertalen, goed verlicht tussen

de dijen peddel ik voluit, vooral

het kleine geslacht dat daar staat

.

De liminale fase

MUGzine #32 bijna klaar

.

April is daar, de lente is begonnen en dat betekent dat er een nieuwe MUG uitkomt. Dit keer is de richting van de MUG de luminale of liminale fase (een antropologisch begrip dat de chaotische, onzekere tussentijd beschrijft tussen twee situaties in). Nog nooit was MUGzine zo actueel. Maar het betreft hier slechts een richting, geen thema. De bijdragende dichters mogen dit naar eigen inzicht invullen met hun gedichten. En dat hebben ze gedaan.

In #32 is poëzie opgenomen van Katelijne Brouwer (1966), de Vlaamse dichter Lies Wullaert en de eerste Meanderdichter Annet Zaagsma (1971). Het artwork is dit keer van de jonge Ben Smeets a.k.a. Pseudowight (2002). Natuurlijk een voorwoord van Marianne en een Luule. Wil je nou een leuk poëtisch cadeau (zelf samenstellen)? Maak dan gebruik van onze voorjaarsactie die loopt tot de zomer.

MUGzine verschijnt op de website mugzines.nl maar de echte poëzieliefhebber wil al dat moois natuurlijk gewoon in handen hebben. Dat kan, word dan donateur. Of volg ons op Instagram, X of gewoon op dit blog.

Geen blogbericht zonder poëzie, vandaar hier een gedicht van Lies Wullaert.

.

zij las boeken, bouwde steden
en honderden huisjes aan het strand.
in het zandpaleis liet ze mensen toe,
daar speelde het lichte leven.
elke kamer had een bad, minstens een.
de mensen in de huisjes eromheen,
wasten en spiegelden zich in zee.
brachten water naar de grachten,
zetten voor hun kleinsten thee.
in het zandpaleis dachten zij niet
aan de zwaarte
in de huisjes eromheen.

.

Wij hullen ons zeemeermin

Lena Plantinga

.

Ik ben groot fan van literaire- en poëzietijdschriften. Die lees ik in de koninklijke bibliotheek, openbare bibliotheken of via een abonnement. En natuurlijk ben ik zelf mede verantwoordelijk voor één van de leukste tijdschriften met poëzie (MUGzine). Deze week viel via een abonnement het literaire kunstmagazine Hard//hoofd door de brievenbus. Dit tijdschrift is voor 80% afhankelijk van donateurs en bevat derhalve geen advertenties. Wat zeker bijdraagt aan het leesplezier. Sinds kort ben ik erachter gekomen dat de uitgever Lisanne Brouwer een nichtje is van een van mijn beste vriendinnen en de chef Magazine Elianne van Elderen als aanstormend talent al met gedichten in nummer 4 van MUGzine (2020) stond. Nog meer reden dus om dit prachtige tijdschrift hier extra te promoten.

In #8 van Hard//hoofd met als thema Harnas staan, naast essays, proza, een beeldverhaal en veel kunst, gedichten opgenomen van Elise Vos, Roan Kasanmonadi, Sophia Blyden en Lena Plantinga. Deze laatste dichter, Lena Plantinga herinnerde ik me van haar voordracht tijdens De Nacht van de Poëzie in 2024 maar kende ik verder nog niet.

Plantinga (1999) is schrijver van proza, theaterstukken en dichter. Thema’s die vaak langskomen in haar werk zijn vrouwelijkheid, mythen en volksverhalen, popcultuur en moeders. In 2023 studeerde ze af aan de opleiding Writing for Performance (HKU). Behalve in Hard//hoofd verschenen gedichten van haar in Het Liegend Konijn en Tirade. Ze trad verder op bij onder andere Frontaal en Mensen Zeggen Dingen. Vanaf 2025 maakt ze deel uit van het Utrechts Stadsdichtersgilde.

In Hard//hoofd is haar gedicht ‘Wij hullen ons zeemeermin’ opgenomen.

.

Wij hullen ons zeemeermin

.

We vragen ChatGPT naar schrijfsters die zichzelf verdronken in zee, duiken een nacht

in de levens van een kleine lijst vrouwen om erachter te komen dat

het merendeel zichzelf door het hoofd schoot, van bruggen sprong

in een gesloten garage met een glas wodka en moeders bontjas aan de auto-uitlaatgassen

op vrije loop, overdosissen barbituraten of met zakken vol stenen een rivier in

.

‘excuses voor de verwarring’, zegt ChatGPT, wij wensen onszelf niet Ophelia,

wij hullen ons zeemermin, zoeken naar een prins, het liefst eentje

ver weg zodat we brieven kunnen schrijven en we likken onszelf schoon

met waterijstopjes van bubbelgum knettersuiker, hier hebben we op geoefend

met Barbies in bad, knakken benen in de juiste hoek, tijdens het schuiven

blijven de Barbiesnglimlachen en wij denken ons onsterfelijk

.

één schrijfster liep van de pier van Brighton af, ‘she stripped naked and walked into the sea,’

meldt de plaatselijke krant, voor Ann Quin afdreef schreef ze een kortverhaal

waarin een man het levenloze naakte lichaam  van een vrouw over het strand sleept

zoekend naar de visueel aantrekkelijkste opstelling

onthoofd hij haar zoals wij scharen in onze Barbies staken, ‘kijk,’ zegt hij,

‘nu klopt het beeld’

.

onze tongen slushpuppieblauw spelen wij een spel met bontjassen aan

drukken in shotjesbar een voor een op de tanden van het groene zeemonster

tot haar kaken dichtslaan, leveren onze stem in door rietjes en leren in ruil

twerken zonder kont, dat betekent steeds verder zakken

tot we vastkoeken aan de plakkende biervloer en als de prins in storm afdwaalt

snijden wij ons los met scheermesjes omdat we hem willen redden

.

 

L’homme qui marche II

Dijkshoorn kijkt kunst

.

Afgelopen week las ik ergens een gedicht over een kunstwerk en het was erg grappig. Dat deed me denken aan een bundel die ik ergens in mijn kast heb staan van Nico Dijkshoorn (1960) met de veelzeggende titel ‘Dijkshoorn kijkt kunst’. In deze bundel uit 2012 zijn gedichten opgenomen die Nico Dijkshoorn schreef deze gedichten nadat hij in een museum achter een groep Japanners stond die vrijwel simultaan hun hoofden van links naar rechts bewogen. Dat kwam door de audiotour die de Japanners stuurde. Dat wilde hij ook en samen met het Kröller-Müllermuseum schreef hij bij 25 werken uit de vaste collectie gedichten en sprak deze in. Daarna zag hij hoe zijn stem en zijn gedichten mensen stuurde en aan het lachen bracht.

In ‘Dijkshoorn kijkt kunst’ zijn deze gedichten aangevuld met nog eens 30 nieuwe verhalen en gedichten, opnieuw geïnspireerd door werken uit het Kröller-Müllermuseum. Aangezien ik, naast zoveel andere vormen en stijlen, ook van humor in poëzie hou (light verse bijvoorbeeld) heb ik het boek opgezocht en koos ik een gedicht bij de foto van het beeld ‘L’homme qui marche II’ uit 1960 van Alberto Giacometti (1901-1966) een Zwitserse beeldhouwer, schilder, tekenaar en graficus, en een van de belangrijkste beeldhouwers van de 20e eeuw, wiens werk werd beïnvloed door stromingen als het kubisme en het surrealisme.

.

L’homme qui marche II

.

al dertig jaar

keek ik naar foto’s van dit beeld

ik wist niet waarom

nu ik er vlak voor sta

weet ik wat het is

het is iemand

die

loopt

alsof hij ergens naar toe gaat

.

Vers van de pers

MUGzine 31

.

De nieuwe MUGzine is er!, op papier en morgen op de website. Dit keer met de winnende en genomineerde gedichten van de Rob de Vosprijs (de poëzieprijs van Meander). Deze prijs werd in 2025 toegekend door de jury aan de Vlaamse dichter Rik Dereeper (1962). MUGzine #31 opent met het voorwoord van onze redactiefilosoof Marianne Hermans en daarna meteen het winnende gedicht van Dereeper getiteld ‘Veldstraat 39. Een extra aanbeveling voor de kunst in #31 van Mariken van Heugten die deze editie van een voorjaarstintje voorziet, en het MUGgedicht van dichter Irene Wiersma.

De jury van de Rob de Vosprijs bij monde van Marc Bruynseraede en Monique Wilmer-Leegwater schreef over het winnende gedicht van Rik Dereeper:

In ‘Veldstraat 39’ heeft de dichter het thema ‘Dwalen’ treffend weergegeven. Het gedicht ontroert door zijn sobere toon en precieze waarneming van ouderdom, herinnering en verlies. Met groot inlevingsvermogen en zuivere formulering laat de dichter verstaan wat het is aan dementie te lijden. De Jury werd getroffen door de heldere, beheerste taal, waarmee de dichter een man schetst die, op weg naar een huis dat ooit zijn huis was, letterlijk en figuurlijk de weg kwijt is. De twijfel, stuurloosheid, slepende traagheid geven gestalte aan de tragiek. Bij mij kwam het beeld voor ogen van ‘De aardappeleters’ van Vincent Van Gogh: het schaarse licht, het duistere van de scène, de onontkoombaarheid der dingen weegt door in de woorden van de dichter.

De zinnen ademen rust, onzekerheid en melancholie. De dichter vermijdt sentiment en kiest voor kleine observaties: het slaan van de torenklok, het zweet dat parelt, het zoemen van het struikgewas. Juist die details maken de emotie tastbaar, zonder ze te benoemen. Het gedicht toont beheersing, de dichter ademt stilte en suggestie uit.

Thematisch is het werk sterk gelaagd. Achter de zoektocht naar een adres schuilt het besef van het verdwalen in tijd en geheugen. De man zal ‘het woonhuis op een middag amper vinden’ en dat zal – in de toekomende tijd – legt een zachte voorbode van verlies. De slotstrofe brengt een indrukwekkende verschuiving: van concrete handelingen (‘zalf proberen’, ‘zijn gebit betalen’) naar een bijna metafysische aanvaarding van vergankelijkheid.
Vormgeving en taalgebruik zijn klassiek, gestructureerd in strofen van driemaal vijf versregels. De onderliggende betekenis in sober beeldgebruik, zonder taaltechnische kunstgrepen, vormgegeven.

Veldstraat 39 is een ingetogen miniatuur over ouder worden, geheugenverlies en het langzaam verdwijnen van wat eens vanzelfsprekend was. De dichter roept in enkele strofen een wereld van weemoed op, zonder één woord teveel.
Een gedicht dat staat als een huis. Het huis waarnaar de getroffene op zoek is.

Het gedicht staat dus in MUGzine #31. Om niet meteen alles hier al weg te geven kun je het gedicht lezen op de website of donateur worden van MUGzine. Een particulier en spontaan poëzie initiatief van drie mensen die een groot hart voor poëzie hebben. MUGzine gaat haar 6e jaar in en ‘is here to stay’. Wil je ons steunen om dit fijne minipoëziemagazine uit te blijven geven, word dan donateur en ontvang alle nummers van 2026 in je brievenbus. Wij doen er dan een leuk extraatje bij.

Om niet zonder gedicht te eindigen hier een ander prijswinnend gedicht van Rik Dereeper (prijswinnend in Poëziepad van A tot Z) uit De schaal van Dighter uit 2020.

.

De kennisboom voorbij

.

Paradijselijke wortels vroegen geen beloning
om de kruin vol appeltjes te hangen. Dankzij
hoge takken kreeg de Schepper wind te horen,
zag Hij wuifplezier. De laagste takken reikten

naar piepjong gevogelte en uitgefloten zielen,
naar de kortgearmde fruitplukster en al te luie
lekkerbek; hij droomde van een houten ladder
uit de stam waarboven verre vruchten lonkten.

Door zo’n hemels ooft ontstonden klimaapjes,
gezonde tanden, zaadpithandel, bloesemwinst
van gaarden, apfelstrudel, cider, sproeistoffen

en bovenal laagstammigen voor hooggehakte
heksen. Met hun lingerie polijsten zij de schil
en krijsen: wie in appels bijt, krijgt gore schijt.

.

Verbinding

Ester Naomi Perquin en Rick Keus

.

Afgelopen zaterdag was ik bij de open dagen van NE Studio’s op het Noordereiland in Rotterdam. Naast de kunst van de verschillende kunstenaars en fotograaf kwam ik voor Marjoke Schulten. In de zomer van 2023 was zij de stuwende kracht achter het poëzie- en kunstfestival Raamwerk | Dichtwerk op de ramen van de NE studio’s en in de tuin van het gebouw waar de NE studio’s zijn gevestigd.

Toen ik rondliep in het gebouw kwam ik de fraai vormgegeven (door Bart van BRRT.Grapgic.Design die ook de MUGzines vormgeeft) catalogus van dit project tegen met daarin foto’s van de verschillende kunstwerken op de ramen en de gedichten van Rotterdamse dichters die daarin verwerkt waren. Een van de dichters was Ester Naomi Perquin (1980), oud stadsdichter van Rotterdam die samen met fotograaf Rick Keus een raam hadden gedaan.

Rick Keus en Ester Naomi Perquin bleken elkaar direct uitstekend te verstaan. De foto’s van Rick, even verstild als beweeglijk, deden Ester Naomi denken aan de rol van ruis in dagelijkse communicatie. En zo ontstond een totaalwerk waarin afstand centraal kwam te staan. Of zoals Ester Naomi Perquin het stelde: “Niet iedere verbinding is immers meetbaar, nodig of zelfs wenselijk – een groot deel van ons uitzicht is een waas, een vorm van ruis. Soms is dat precies wat we nodig hebben”.

.