Site-archief

Han van der Vegt

Eenzame goden, een recensie

.

Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.

Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante  verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”

Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.

Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.

In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.

Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?

Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.

Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.

Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.

Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.

.

Babylon

.

bij de rivier van mijn verlies zit ik neer

wat zal ik maken

om wat ik gemaakt heb te vergeten

.

bij de rivier zit ik neer

en luister hoe ze me uitlacht

terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee

.

bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer

ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven

en ik herken ze niet

.

mijn machtige handen

zijn wanstaltige handen

mijn stem die de golven beveelt

versta ik niet langer

.

bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer

wat zal ik maken

om te vergeten dat ik niet maken kan?

.

Duitse stalen doodskist

René Dislaire

.

Afgelopen weekend bracht ik een bezoek aan het Belgische plaatsje Houffalize in de Ardennen. In Houffalize en omgeving is in de tweede wereldoorlog, tijdens het Ardennenoffensief,  heftig gevochten tussen de geallieerden en de Duitsers. Veel dorpjes in de Ardennen lagen aan doorgaande wegen in een heuvelachtig en hier en daar moerassig gebied, waardoor de militaire voertuigen aangewezen waren op dit interlokale wegennet. De troepen trokken dwars door de dorpen. Daar werd regelmatig zwaar gevochten, zoals in Bastogne, Malmédy, Houffalize, La Roche en Saint-Vith. Het hele gebied was feitelijk één langgerekt rangeerterrein, bijna volledig platgebombardeerd door de Amerikaanse en Britse luchtmacht.

In Houffalize staat op een pleintje een Duitse tank. Daarnaast een informatiecentrum waarop, middels borden, het verloop van de gevechten wordt beschreven. Aan deze tank zit een bijzonder en ook wel gruwelijk verhaal. Ergens tijdens het Ardennenoffensief eind 1944, begin 1945, toen de Duitsers zich terugtrokken, reed deze tank door Houffalize en stak daarbij de brug over de Ourthe over. Door een stuurfout schoof de tank van de brug af en belande op zijn kop in de rivier. Hierbij werden vier van de bemanningsleden gedood. Een vijfde zou later aan zijn verwondingen  overlijden. De tank heeft echter nog tot 1948 in de rivier gelegen. Toen pas werd de tank door de genie van Namen uoit de rivier gehaald en al die tijd lagen de lijken van de Duitsers in de tank.

In 2022 schreef schrijver en dichter René Dislaire (1945) hier een gedicht over. Het gedicht is getiteld ‘Cercueil d’acier germain, recyclé dinky toys toursitique’. In de vertaling wordt dit ‘Duitse stalen doodkist’.

.

Duitse stalen doodskist

gerecycled toeristische Dinky Toy

Ik ben de tank, een merkwaardig lot, gevallen in het water
Van een bevroren stroom, in Houffalize, verlaten
Gedurende drie jaar, werd mijn bemanning daar aangevreten
door vette ratten, op hun gemak, tot op het bot.

Vier skeletten, vuile Duitsers, werden opgeruimd
met het afval. En om het beter te zeggen, de smerige vergetelheid
wacht op jullie allemaal, een eindeloos, nooit bloeiend grafmonument.
Tot het niets veroordeeld. Voor altijd leeggelopen.

Reservoir voor lijken, o tank die een pantser is geworden,
Duitse stalen doodskist, bij toeval hier gestrand
bij ons! Daar ben je, een modieus woord, gerecycled.

Aan de lopende band veranderd in een plastic dinky toy
voor de winkels, vergeet dat je gespierd was:
Een nieuwe, toeristische bestemming wacht op je.

 

.

 

Gwij Mandelinck

Erfenis

.

Afgelopen week overleed de Vlaamse dichter en geestelijk vader van Poëziezomers van Watou Gwij Mandelinck (1937-2024). Mandelinck was een pseudoniem voor Guido Haerijnck. Zijn pseudoniem kwam van de rivier de Mandel die te Wakken in de Leie vloeit. Paul Snoek zou hem hebben opgedragen een pseudoniem te kiezen, omdat die één vissennaam in de Vlaamse literatuur wel genoeg vond. Op zoek naar wat achtergrond informatie kwam ik erachter dat we niet alleen op dezelfde dag jarig waren maar ook nog eens hetzelfde beroep hebben uitgeoefend (bibliothecaris). Gwij Mandelinck  heeft samen met zijn vrouw in het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw het, toen nog ingeslapen, dorpje Watou in de Westhoek van Vlaanderen op de poëtische, Belgische en internationale kaart gezet.

In 1980 begon hij met het festival Watou Poëziezomer. Samen met zijn vrouw trokken ze grote dichters naar deze uithoek van België. In eerste instantie dichters uit de lage landen maar al snel ook dichters van over de hele wereld. Het festival trok al snel veel bezoekers uit voornamelijk België en Nederland. Ze kwamen voor de kunst en voor de poëzie. Door dit festival dat twee maanden per jaar allerlei activiteiten rond kunst en poëzie bood, onderging het dorp zelf ook een verandering. Zo zijn er inmiddels een Hugo Clausplein, een Paul Snoekstraat en en Rutger Koplandstraat. Ook een aantal kunstobjecten en muurbeschilderingen bleven bewaard en dichter Eddy van Vliet liet zijn as uitstrooien in Watou.

In 2008 stopte Mandelinck met de Poëziezomers in Watou. Financieel was het niet meer rond te krijgen. Hij probeerde een doorstart in Brugge onder de naam Kunstenfestival Watou. Zelf verhuisde ze naar Aartrijke (bij Gent) en hun huis in Watou werd het Huis van de Dichter, een schrijfresidentie waar dichters een tijdje kunnen werken. Naast zijn werk voor de poëzie in Watou en daarbuiten was Gwij Mandelinck ook dichter. In 1962 debuteerde hij met een in eigen beheer uitgegeven bundel ‘De Wake’ waarna nog vele bundels zouden verschijnen, de laatste in 2014 ‘Lotgenoten’.

Voor zijn letterkundige werk ontving hij verschillende keren prijzen zoals de Maurice Gilliamsprijs en de Guido Gezelleprijs. Uiteraard ben ik op zoek gegaan naar een gedicht van Mandelinck en dat heb ik gevonden in Maatstaf jaargang 41 uit 1993. Het gedicht is getiteld ‘Erfenis’ en ik koos het omdat de erfenis van Gwij Mandelinck er een is van bijzondere betekenis.

.

Erfenis

.

Nu het ouderpaar is uitgedragen, weegt wat
hangen bleef er zwaar; de kalk rondom de spijkers
brokkelt op de grond. Zij die gewicht aan onze
dagen gaven lijken nu te zweven in het rond.
.
Elkaar de stofjes uit de ogen sparend erven wij dit sterven;
uitvergroot in wat de doden samen waren zullen ons de maten
van hun deuren nauwelijks een doorgang laten. Nog voor
de grendels uit de handen schuiven, sluiten wij ons buiten.
.
.

De Bevera

Max Niematz

.

De in Tilburg geboren maar in Groningen wonende dichter, schrijver Max Niematz (1942) debuteerde in 1987 als dichter met de dichtbundel ‘De bestijging van Popoque’ bij BZZTOH waarna in 1988 en 1991 nog twee dichtbundels werden gepubliceerd. De laatste bundel was ‘Zielsvrienden’. En dat was ook echt de laatste want daarna schreef Niematz nog slechts romans. Op zijn website schrijft hij daarover:

“Hoewel Niematz de poezie een warm hart toedraagt, ging hij zich vanaf 1991 volledig op proza toeleggen en wel om twee redenen: hij merkte dat de poëzie een te introverterende werking op hem had, zij werd te beklemmend, de dichter in hem begon alsmaar dieper te denken, dieper te voelen, dieper in zichzelf af te stijgen. En twee: hij zou graag ook die meer sociale aspekten van zijn karakter aan bod laten komen als humor, mensenliefde c. q. -verachting, narratief talent, gevoel voor theater. Helaas moest hij constateren dat proza zo mogelijk nog hogere eisen stelt aan het denk-, voel- en in-zichzelf-afstijgvermogen dan poëzie, ja, dat proza nog beklemmender is en zeker zo vervreemdend en consumptief werkt op de scheppende geest.”

Desalniettemin verschijnen in Hollands Maandblad 2022-3 maar liefst drie gedichten van zijn hand. Of hij van gedachten is veranderd weet ik niet maar ik hou het in de gaten. Ik koos uit de drie gedichten het gedicht ‘De Bevera’ wat voor zover ik hen kunnen vinden een rivier in Liguria (Noord Italië) is.

.

De Bevera

.

Deze rots… Ooit regende hij neer

uit de wand hoog boven je en deed de aarde

in zijn val beven. Nu ligt hij hier, de rust

zelve, groot en hoekig als een zerk,

een welkome cesuur op je trektocht. Ergens

in deze woeker van klitten en doornen

moet de doorgang zijn die je toestaat naar

de stroom af te dalen. Diep onder je hoor je

het water woelen. Je benen nemen rust,

maar je hoofd gaat alvast vooruit naar

de plek van betovering, het drinkt er

de schoonheid al van in. Terwijl je het lamme

lijf afzinkt in zijn koelte, wordt alles vreemd

om je heen: wie je bent en dat je hier zit

op deze rots – alles wordt verdacht of

hooguit herinnering, alles spoor van vroeger

leven, één slierende vloed van eeuwen

die je meesleurt, de diepte in.

.

 

Twee ton

Jolanda Kooijmans

.

in haar debuutbundel ‘Twee Ton’ neemt dichter Jolanda Kooijmans (1967) de lezer mee naar de Peel. Naar het buitengebied, de boerderij, het bos en de rivier. Ze dompelt je onder in moederliefde, machteloosheid en verwondering.

Jolanda Kooijmans is beeldend kunstenaar en dichter. Ze werkt als redacteur bij KONTmagazine en is freelance copywriter. In haar poëzie zoekt ze naar het fijnzinnige moment in het grote reilen en zeilen van de seizoenen, de liefde, het huishouden, de actualiteit en de taal. Haar gedichten verschenen o.a. bij Revisor, Ooteoote, Deus ex Machina en in de bundels De Branie en De aarde nu.

De gedichten in ‘Twee Ton’ zijn goed afzonderlijk van elkaar te lezen en te interpreteren, maar Kooijmans deelde de bundel ook in vier thema’s in. ,,Het eerste deel is geschreven vanuit de bezieling van de natuur. Het bos heeft voor mij iets religieus. Deel twee gaat over (moeder)liefde en het derde deel staat in het teken van machteloosheid.“

Met een rustige stem draagt ze een stuk voor: In de bijkeuken ligt een hoofd / op een oude krant / het wil iets uitpraten / maar ligt op eigen mond. ,,Dat gaat echt over machteloosheid en frustratie”, lacht ze. ,,Het laatste deel van de bundel is het minst persoonlijk, dat gaat over onderwerpen uit het nieuws

.

Hoogte wil

.

hoogte wil een kaal bos
dubbelepunt lompe sneeuw
hoogkrul en buiging

.

knipperstreep knipperstreep

.

diepte is het omgeploegde veld
zwarte abstracties in grote sneden
uitgemolken landbouwgrond
diepte in het diepe zwarte

.

knipperstreep knipperstreep

.

lengte
knipperstreep knipperstreep
de file op de radio
stapvoets opgelost in het mateloze
lang geleden

.

Rivier

Kusters en Kuypers

.

Vandaag in de categorie Dubbel-gedicht als onderwerp de rivier. Er zijn veel gedichten geschreven over rivieren, meanderend door het Hollandse landschap, over bruggen over rivieren, dorpen en steden aan rivieren en ga zo maar door. En in sommige gevallen krijgt de rivier iets menselijks of vereenzelvigd de dichter zich met een rivier.

In de twee gedichten in dit Dubbel-gedicht is er sprake van de laatste twee voorbeelden.

Het eerste gedicht is van Wiel Kusters (1947) en is getiteld ‘Rivier’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Leesjongen’ Verzamelde gedichten 1978 – 2017 uit 2017. In dit gedicht komt de rivier pas later in het gedicht voor maar Kusters geeft haar menselijke trekjes ( de rivier / die altijd weet waarheen ) en hij betrekt de rivier op zichzelf ( dat ik de rivier / niet meer kan zien / of stromen voel in mij ).

Het tweede gedicht is van Sjoerd Kuyper (1952) en is ook getiteld ‘Rivier’ en dit komt uit de bundel ‘Het heelal van jouw hart’ uit 2012. Kuyper begint zijn gedicht meteen met een wens (Ik zou zo graag / een rivier zijn ) en vervolgt het gedicht door de eigenschappen van een rivier op zichzelf te betrekken.

Twee totaal verschillende gedichten met de rivier als onderwerp.

.

Rivier

.

Toen mijn moeder
net zo oud was als mijn oma
wist ze niet goed meer
wie ze was.
.
Daar ben ik bang voor,
zei ze, en wees
naar witte strepen
in de blauwe lucht.
.
Later vlogen er ganzen
over. Wel zeven,
hoog boven de rivier.
.
(Ik had de strepen uitgewist
en was op weg
naar huis.)
.
Eén vloog er fier voorop,
zes volgden hem.
Allemaal achter die ene aan,
die ene wist de weg.
.
Of volgde hij soms niet
zichzelf maar de rivier
die altijd weet waarheen,
vanzelf?
.
Daar ben ik bang voor,
dacht ik vlug niet oud:
dat ik de rivier
niet meer kan zien
of stromen voel in mij.

.

Rivier

.

Ik zou graag

een rivier zijn

.

die door de zomer

stroomt, zo loom,

.

ik bewoog wel

maar niemand

die het zag.

.

Alleen een steen

zou zeggen:

Wat wriemel je toch!

.

En ik zei:

Praat niet zoveel.

.

Dan zou de steen

graag zijn

ik die dit schrijf

.

in een trein

op een brug.

.

Gouy

Bert Bevers

.

De in Nederland geboren maar in Antwerpen wonende dichter en beeldend kunstenaar Bert Bevers (1954) dicht, blogt, legt vreemde woordenlijstjes aan, verzamelt boodschappenlijstjes, verdwenen deuren en ramen, organisch gegroeide paadjes en Parijse bruggen. Hij fotografeert en vervaardigt monotypes, die hij regelmatig exposeert. Gedichten van zijn hand verschenen in vele bloemlezingen en in literaire tijdschriften in binnen- en buitenland.

De rivier De Schelde (of l’Escaut in het Frans) ontspringt, zoals dat zo mooi heet, in Frankrijk en wel in het plaatsje Gouy. Bert Bevers heeft zijn gedicht de naam van het plaatsje gegeven maar feitelijk gaat het gedicht over De Schelde.

.

Gouy
Bij de Scheldebron

.

Schuw welhaast laat zich traag water
wellen tot niet veel meer dan beek.

.

Ze heeft geen weet nog van de haven
die zij op zal rekken in een ander land.

.

Grond die krimpt en zwelt is klei, dat
voelt ze naarmate het noorden nadert,

.

haar oevers verder van elkaar te liggen
komen. Hier echter is zij beleefd nog

.

stroompje dat gehuchten passeert waarin
lopers roesten in lang vergeten sloten.

.

Met zicht op haar eerste meander schiet
iemand in de regen zich door het hart.

 

Palletgedichten

Papendrecht

.

Eind oktober 2018 werd langs de Merwede een gedicht geschreven in zwarte letters op een pallet aangebracht aan de achterkant van een groot verkeersbord voor de scheepvaart, daar waar Merwede noord en Oude Maas te samen komen. De titel ‘Merwede’ verwijst naar de rivier waarover de schepen varen en was een initiatief van Jan van Wijngaarden. In december 2018 kwam daar een gedicht bij , pallet twee met de titel ‘Noord’ van schrijver/dichter Fred van Os over het verderop gelegen strandje De Noord.

De makers van de eerste twee palletgedichten riepen plaatsgenoten op om ook een gedicht op een pallet te schrijven. Er was voldoende plaats voor meer van deze vorm van low buget poetry zoals de initiatiefnemers het noemen. En al snel werd dit opgepakt door Wim Schut en inmiddels hangt ook pallet drie aan het Aviolandapad waarbij de dichtregels als titel dragen ‘Rivier’.

Door het palletgedicht te plaatsen op de achterkant van een scheepvaartbord, hoopt Van Wijngaarden geen afbreuk te doen aan het beeldenpark en het uitzicht over de rivier.  Hij hoopt dan ook dat wandelaars even stil staan om de gedichten te lezen. Er staan daar trouwens nog meer grote verkeersborden voor de scheepvaart. Op de achterkant is plaats voor nog meer palletgedichten.

.

De beer

Chronogram

.

Toen ik een kast aan het opruimen was kwam ik een paar bladzijden uit een tijdschrift tegen. Ik wist eerlijk gezegd niet meer waar en wanneer ik deze bladzijden uit had gescheurd maar na een snelle zoekactie op internet wist ik het weer. Een aantal jaar geleden was ik met mijn gezin in de Verenigde Staten op vakantie, onder andere in de staat New York. Dwars door deze staat (en nog een aantal staten) stroomt de rivier De Hudson. Langs dit stroomgebied wordt een tijdschrift gedistribueerd met de titel Chronogram. Naast een tijdschrift is er ook de website https://www.chronogram.com.

In zowel het tijdschrift als de website wordt poëzie gepubliceerd. Dichter Philip Levine (Poet Laureate van de Verenigde Staten in 2011 en 2012) verzorgt de redactie en iedereen mag gedichten inzenden. Op mijn twee bladzijden met gedichten staan naast wat plaatselijk regionale gedichten toch ook wat aardige voorbeelden van aansprekende poëzie. Bijvoorbeeld het gedicht ‘The bear’ van Andrew F. Popper, dat over een dementerende vader gaat.

.

The bear

.

A few weeks before his death

My father told me of a bear.

He saw it one morning

On the nursing home lawn.

.

It ambled, sniffing air and ground.

It was startled by a car horn.

Crossed the stone wall

And in an instant was gone.

.

An ancient physician from Oslo believes me.

He’s the only one, my father says.

The staff? They nod and whisper, he says.

Such inhumanity in this place called a home.

.

You don’t believe me, he says.

Am I losing his mind?

After all, he is 87, unable to walk.

Deaf without hearings aids.

.

It is possible you saw a bear.

Possible? he asks.

A bear is or is not.

It is not the subject of debate.

.

There are two possibilities, he says.

Either it was there or I am mad.

Then it was there, I say.

Go home, he says.

.

It’s time for my lunch, he says.

My day is meals and sleep.

I’ll stay and eat with you.

Go home, he says. and do’t hit the bear.

.

 

Ik was de linde toegedaan

B. Zwaal

.

Ben Zwaal (1944) is een Nederlandstalig dichter en theatermaker en -regisseur uit Vlaardingen. Hij was acteur/regisseur/artistieke leider bij Bewegingstheater BEWTH. Dit gezelschap trad in en bij architectonische bijzondere gebouwen in binnen- en buitenland op. Hij debuteerde in 1984 met de dichtbundel ‘Fiere miniature’ waarna nog elf bundels volgden. In 2017 won hij de Leo Herberghs Poëzieprijs.

Zwaal schreef meerdere korte gedichten, waarin geen woord te veel staat, volgens sommigen zelfs eerder wat woorden te weinig. Met slechts enkele woorden en een eigen stijl weet Zwaal veel beelden op te roepen. Een thema dat vaak terugkeert in de poëzie van Zwaal is het water. In het volgende gedicht met de bekende eerste regel gaat het echter over bomen al komt ook hier de rivier langs. Uit ‘een drifter’ uit 2004.

.

Ik was de linde toegedaan maar eerde ook de beuk

en in min was ik met de eiken en ’t overspel

bracht mij naar de wilgen waar ik mij beknotte

toen zij hun kronen streken

maar in nam mij

de waardin

die achter ’t knotveer dranken dreef

zo gul van slok en in haar schenken onbedaarlijk

klonk zij als golfslag van een kribbende rivier

en ’t sloeg het bijlen van de bomen

.