Site-archief

Anatomisch sonnet

Marijke Boon

.

Poëzie is zo serieus hoorde ik van de week iemand verzuchten. Toegegeven het was een middelbare scholier en waarschijnlijk werd het haar niet makkelijk gemaakt met een gedicht van de Tachtigers dat geanalyseerd moest worden of iets dergelijks. En poëzie is zo nu en dan ook helemaal niet makkelijk of luchtig en daarin schuilt juist heel veel schoonheid. En toch is er binnen de poëzie heel veel luchtigs te ontdekken. Denk aan (kleinkunst-) liederen en light verse gedichten.

Een vertegenwoordiger van de lichte en luchtige poëzie is Marijke Boon (1951). Ik deelde al eens gedichtjes van haar hand en dat wil ik vandaag weer doen. Boon is zangeres, cabaretier en podiumkunstenaar en in die hoedanigheden schrijft ze naast liedjes ook gedichten. Van haar hand zijn inmiddels 6 bundels verschenen. In 1988 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Ik fiets door het leven op het zadel des tijds’ en haar laatste bundel dateert alweer van 2019 en had als titel ‘Oude haas’.

Dat Marijke Boon niet onopgemerkt is gebleven blijkt uit het feit dat Gerrit Komrij maar liefst drie gedichten van haar opnam in ‘Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’ in mijn geval de versie uit 2004. De drie gedichten nam hij uit haar bundel ‘Tranen op het tafelzeiltje’ uit 1999 en de CD ‘Vandaar dat ik ween’ uit 1992. Het gedicht ‘Anatomisch sonnet’ komt van die laatste CD.

.

Anatomisch sonnet

.

Kiezen

Tenen

Schenen

Liezen

.

Armen

Klieren

Nieren

Darmen

.

Enkelbanden

Tanden

Mond

.

Smaakpapillen

Billen

Kont

.

Eden

Jules Deelder

.

Vandaag voor mijn boekenkast gaan staan en daar, ongezien, de bundel ‘Dag & Nacht‘ van Jules Deelder (1944-2019) uit 2014 (uitgegeven destijds voor zijn 70ste verjaardag) gepakt. De gedichten in deze bundel zijn gekozen en ingeleid door (toen nog) burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb. Zonder te kijken een willekeurige pagina opgeslagen , 82 in dit geval, en daar staat het gedicht ‘Eden’. Deelder is een vaste gast op mijn blog, zo kwam ik erachter dat de eerste keer dat ik over hem schreef al uit 2008 dateert.

.

Eden

.

Het leven in de Hof van Eden

was te mooi om waar te wezen

.

De zon kwam op de zon ging onder

De tijd was nog niet uitgevonden

.

Er was hemel er was aarde

Er was lucht en er was water

.

In het bos de wilde beesten

Er was Adam er was Eva

.

Ze leefden met elkaar in vrede

Zonder doel en zonder reden

.

Ze kenden oorzaak noch gevolg

Er was toekomst noch verleden

.

Ze waren en dat was genoeg

Te zijn zonder het te weten

.

Bevroren in de tijd

Frozen poets

.

De website frozenpoets.blogspot.com ken ik al wat langer maar vreemd genoeg heb ik er hier, op dit blog, nog nooit aandacht aan besteed. En een beetje aandacht verdient dit blog. Dichter Albert Hagenaars verzamelt al sinds oktober 2010 foto’s en voorbeelden van standbeelden, graven en andere artefacten van (inmiddels) 439 dichters.

Het doet me denken aan een combinatie van de categorie Gedichten op vreemde plekken en mijn instagram accounts @meerovergedichten en @struikeloverpoëzie, maar ere wie ere toekomt, deze blog is uniek in zijn soort en biedt heel veel geweldige informatie over dichters en poëzie. Neem dus vooral een uitgebreid bezoek en verwonder je over de prachtige beelden, de graven en andere artefacten die men in de loop der tijd heeft gewijd aan dichters.

Een van de dichters die ik er uit vond springen is George Rodenbach (1855-1898) en dan vooral het beeld dat er van hem gemaakt is en geplaatst is op zijn graf op begraafplaats Père Lachaise in Parijs. De foto is gemaakt door Albert Hagenaars zelf in oktober 2010 (daar dus terug te vinden).

Georges Raymond Constantin Rodenbach  was een Belgische symbolistische dichter en romanschrijver uit een Franse moeder en een Duitse vader. Rodenbach werkte als advocaat en journalist. Hij was een van de eerste medewerkers van het literaire tijdschrift La Jeune Belgique, en bracht de laatste tien jaar van zijn leven door in Parijs als correspondent van de Journal de Bruxelles. Hij publiceerde acht dichtbundels en vier romans, evenals korte verhalen, toneelstukken en kritieken. Een groot deel van zijn oeuvre is het resultaat van een hartstochtelijke idealisering van de rustige Vlaamse stadjes waarin hij zijn jeugd en vroege adolescentie had doorgebracht. Daarnaast wordt zijn werk gekenmerkt door een ‘zeer persoonlijk cachet van stilte, wazigheid, subtiele melancholie en mysticisme’. Rodenbach debuteerde in 1877 met de dichtbundel ‘Le Foyer et les Champs’. Zijn poëzie verscheen vooral in zijn beginjaren als schrijver en dichter, later zou hij zich meer op romans en korte verhalen toeleggen.

Natuurlijk bij deze informatie een gedicht van George Rodenbach en wel een zeer toepasselijk gedicht ‘Zoet herdenken’ dat verscheen in De Tweede Ronde, jaargang vijf uit 1984 in een vertaling van Peter Verstegen.

.

Zoet herdenken

.

O zoet herdenken van een liefde die verging!
O zoet herdenken van een droom die niet mocht wezen!
Je wandelt en denkt droef aan verzen, ooit gelezen;
Zeeschuim geeft aan het strand zilveren schittering.
.
Je hoort nog klokgelui, al is de kerk verdwenen!
O zoet herdenken van ziekbed en van herstel!
Bekoring van gedempte stemmen, van stil spel,
Waardoor de wildste ritmen ver verwijderd schenen.
.
Liefde die eindigt lijkt avondmelancholie;
Wie onderaan de berg zijn bloem geplukt heeft, moet
Zijn knieën verder sparen, ook zijn longen die
.
Zo moeten zwoegen als hij tot de top wil komen,
Want was de liefde die je ziel deed overstromen
Van langer duur geweest, dan was ze niet zo zoet!
.

Gerust

Lianne Sasja van Kalken

.

In 2024 schreef ik al een bericht over een bundel ‘Bar’ van Lianne van Kalken uit 2007. Naast dat zij wethouder was (waar ik vier jaar mee heb samengewerkt) bleek zij ook in haar jonge jaren een dichtbundel te hebben uitgegeven bij uitgeverij Textmessage in Vlaardingen onder de naam Lianne Sasja van Kalken (1990). Met 17 jaar was ze destijds de jongste poëziedebutant van Nederland.

In de ontmoetingen die ik met haar had hebben we het hier over gehad en ze vertelde me dat ze nog een paar exemplaren had liggen. Een van die exemplaren heb ik van haar gekregen bij haar afscheid als wethouder. Op de achterflap staat: Ze schrijft ogenschijnlijk naïef en tegelijkertijd gevaarlijk volwassen. Haar onderwerpen zijn zo triviaal als die van Herzberg, haar taal helder als van Kopland. Een belofte die uitkomt.

Die belofte is nooit helemaal uitgekomen als dichter, wel als gepromoveerd dr., politica en wethouder. Lianne was één van de winnaars van Doe Maar dicht Maar in 2007 en was deel van de redactie van Krakatau. Ik heb de hele bundel met veel plezier gelezen en ik koos als gedicht ‘Gerust’.

.

Gerust

.

een haven slaapt zich wakker

na één nachtje zaterdag

.

aan de overkant van het water

is het net zo leeg als hier

.

hij niet

wij maken zondag heel

.

na weer een dag

nachtwaken.

.

 

Han van der Vegt

Eenzame goden, een recensie

.

Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.

Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante  verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”

Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.

Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.

In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.

Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?

Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.

Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.

Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.

Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.

.

Babylon

.

bij de rivier van mijn verlies zit ik neer

wat zal ik maken

om wat ik gemaakt heb te vergeten

.

bij de rivier zit ik neer

en luister hoe ze me uitlacht

terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee

.

bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer

ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven

en ik herken ze niet

.

mijn machtige handen

zijn wanstaltige handen

mijn stem die de golven beveelt

versta ik niet langer

.

bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer

wat zal ik maken

om te vergeten dat ik niet maken kan?

.

Daar schrik je toch van

Nico Dijkshoorn

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en daar pakte ik, zonder te kijken, de bundel van P. Kouwes , pseudoniem van Nico Dijkshoorn (1960) getiteld ‘Daar schrik je toch van’ de eerste 1000 gedichten (2008), van een plank. Vervolgens (jullie kennen de procedure) op een willekeurige bladzijde geopend en daar stond het gedicht ‘Lenie ’t Hart’.

.

Lenie ’t Hart

.

nadat

de

voorzichtig

vrijgelaten

lenie ’t hart

voor

de zeventiende

maal

binnen

een

week

op haar

buik

zeehondencrèche

pieterburen

weer

binnenkroop

moest

men

constateren

dat

zij helaas

te veel

aan

zeehonden

gewend was

.

Zwemmen

Gustaaf Peek

.

Schrijver en dichter Gustaaf Peek (1975) kennen de meeste mensen wel van zijn romans (‘Godin’ en ‘Ik was Amerika’ bijvoorbeeld) maar hij begon aanvankelijk, na zijn studie Engelse Taal- en Letterkunde, als dichter. Gedichten van zijn hand verschenen in onder andere De Tweede Ronde en Tzum. Pas in 2025 verscheen zijn poëzie debuutbundel (en tot nu toe enige), nadat hij vijf romans had gepubliceerd waar hij dan ook vooral bekendheid door heeft gekregen.

In die dichtbundel ‘Orang/oetang’ komen thema’s als identiteit, weerstand, liefde en afkomst voor. De reden dat ik hier aandacht besteed aan deze bundel is het warme weer. Klinkt misschien vreemd maar juist met dit warme weer verdrinken er vaker mensen in zee en in meren en rivieren. Afgelopen maand nog in de Waal. Toen ik dit las moest ik denken aan het gedicht ‘Zwemmen’ dat ik las in de bundel van Peek. Daarom dus hier dit gedicht.

.

Zwemmen

.

Ze zei tijdens een schoolreis sterven er

Altijd wel een stuk of drie omdat

Ze niet kunnen zwemmen

Ze sprak niet als een van de kinderen

fijn het strand de vrije dag

Maar als een ouder aan het ontbijt

.

O schoolplein de gedachten die je niet verdient

Zit die van mij straks niet meer

Achter het raam wat heeft tellen dan nog voor zin

Bij het instappen

.

Er wordt maar weinig uitgezwaaid

Elk jaar weer zeker drie omdat ze niet

Kunnen zwemmen

.

Gedichten in het spoorwegmuseum

Gedichtenroute

.

In het spoorweg museum in Utrecht is een gedichtenroute voor alle leeftijden te volgen. ‘Bestijg nooit de trein zonder uw valies met dromen’. Deze eerste regel uit het gedicht ‘Bericht aan de reizigers’ (1934) van Jan van Nijlen (1884-1965) staat groot op de muur van het Maliebaanstation. Op de labels van de koffers onder dit gedicht staan verschillende ander gedichten, geïnspireerd door de trein.

Dat het gedicht ‘Bericht aan de reiziger’ tot allerhande inspiratie heeft geleid blijkt uit het gedicht van voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen (1943-2010) met diezelfde titel, of wat dacht je van de bundel ‘Gedicht aan de reizigers‘. En het gedicht van Jan van Nijlen is ook te lezen op het Centraal Station van Antwerpen.

Maar het Spoorwegmuseum gaat verder dan het plaatsen van gedichten over het spoor her en der in het museum. Als je zelf een mooi gedicht geschreven hebt over de trein en je wil dat terugzien in de verzameling labels op de koffers, dan kun je je gedicht doorsturen  per e-mail naar gedichten@spoorwegmuseum.nl

Elk half jaar worden twee nieuwe gedichten gekozen die worden toegevoegd op een label. Let wel, het gedicht mag uit maximaal 50 woorden bestaan en moet over treinreizen gaan. Het moet een zelf geschreven gedicht zijn. Over de selectie van de gedichten wordt niet gecorrespondeerd.

Om in stijl dit bericht te beëindigen een gedicht over treinreizen van dichter Armando (1929-2018) met als titel ‘September in de trein’ uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999.

.

September in de trein

(fragment)

.

– oh, het is hier verboden te roken.

– verboden te roken? ja, verboden te roken.

– ja. het is nu eenmaal verboden, hè.

– er is anders elders nog plaats genoeg.

– nou ja, ik zit nou eenmaal.

– da’s waar.

– als ik zit dan zit ik.

.

Johanna Kruit (1940-2026)

Doodgaan

.

Afgelopen woensdag, 8 juli, overleed dichter en schrijver Johanna Kruit. Johanna Kruit was geen onbekende op dit blog, ik schreef al over haar en haar werk in 2018 en later nog een aantal keren.  Ted van Lieshout schreef in een reactie op haar overlijden: “Johanna was een toonaangevende dichteres en stond in het circuit van de kinder- en jeugdpoëzie vaak alleen in een gezelschap van vooral mannelijke dichters”. En: “Te midden van hen viel ze op met een dromerigheid en zachtheid die, ook qua sfeer en variatie, opvallend goed bij haar pasten en bij het landschap waar zij zich het meest thuis voelde: Zeeland.”

Dat Zeeland een belangrijke plaats innam in haar werk kwam voort uit het feit dat ze een Zeeuwse was. Geboren in Zoutelande en gestorven in Middelburg leefde en werkte ze vanuit deze provincie. Ook in haar poëzie komt Zeeland, de kust, het strand en de zee regelmatig voor. Zoals in ‘Brief aan de zee’ en ‘Strandwandeling‘. In 1976 debuteerde ze met de dichtbundel ‘Achter een glimlach’, een bundel die ze schreef nadat ze met een hernia lange tijd op bed door moest brengen.

Hierna schreef ze heel veel boeken en bundels en werd ze bekend om haar kinder- en jeugdpoëzie. Ze schreef voor Vrij Nederland, Margriet, Okki, Taptoe en Mik-Mak. In 1996 kreeg ze een Vlag en Wimpel voor haar jeugdbundel ‘Zoals wind om het huis’. Kruit wordt samen met de schrijvers Leendert Witvliet, Wiel Kusters, Remco Ekkers en Ted van Lieshout gerekend tot de zogenoemde Blauw Geruite Kiel-groep, genoemd naar de voormalige kinderkrant van Vrij Nederland, die lang onder redactie stond van Karel Eykman.

Johanna Kruit won met haar werk een groot aantal prijzen en haar poëzie wordt nog steeds regelmatig opgenomen in bloemlezingen en bundels. In 2024 werd ze geëerd met de Prijs van de Zeeuwse Boekhandel.

In 1989 verscheen de bundel ‘Als een film in je hoofd’ en daarin staat een prachtig gedicht over doodgaan. Toepasselijker dan dit kon ik geen gedicht vinden.

.

Doodgaan

.

Doodgaan is leuk. Op de feestavond van school b.v.
je ligt heel stil, armen gekruist op de borst.
Geen wimper beweegt (of toch?). Na afloop zegt
iedereen hoe mooi het was. Hoe dood je lag.

Geen wonder. Opa kon het ook en mijn vader.
Goed gezien hoe dood zij lagen. Zelfs die vlieg
deed hen niets. Geen centje pijn of kriebel.

Doodgaan is leuk als het niet echt gebeurt.
Na afloop sta je op. Iedereen klapt en roept bis.
Maar ik denk aan vader en opa, en hoe stom dood
gaan eigenlijk is.

.

Foto: Marit Barentsen

Erik Heyman

Gerard Bodifée

.

Erik Heyman ( 1960-2010) was behalve dichter ook kernfysicus en docent. Hij debuteerde in 1981 met ‘Neergeschreven’ en was medewerker van de tijdschriften ‘Vers’ (dat zijn eerste bundel uitbracht) en ‘¿Quarant Dash?’. Na zijn bundel ‘IJstijd’ (1984) publiceerde hij ‘Dagmaat’ (1994) en ‘Mantis’ (2006).

Heymans poëzie werd bekroond met onder andere de Nationale Poëzieprijs te Harelbeke en een prijs van de Vlaamse Club te Brussel.
Op 25 februari 2010 overleed hij aan de gevolgen van een hersentumor. Erik Heyman was een gedreven leraar en dichter die met steeds groter wordende intervallen vier weldoordacht gecomponeerde bundels met uitgepuurde, gepolijste, poëzie publiceerde.

In de bundel ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers, in het 3e hoofdstuk, ‘Geologie’, introduceert Heyman personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot, van wie hij de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel ‘In haar gebarentaal boots ik haar na’. Zoals in het sonnet dat hij schreef over Vlaanderens bekendste geleerde, astrofysicus, filosoof, essayist en columnist Gerard Bodifée (1946).

 

Bodifée

.

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.

.