Site-archief

Jonge dichter

Louise van der Veen

.

Louise van der Veen (2000) studeert klinische technologie in Delft en filosofie in Rotterdam. Het volgen van de minor creative writing aan de UvA heeft haar al bestaande voorliefde voor taal verder versterkt. Haar gedichten worden gekenmerkt door introspectie; dit vormt het uitgangspunt voor bredere reflecties. Ze haalt zowel vragen als inspiratie uit de filosofie. Filosofie is haar zoektocht naar de bron van dingen en poëzie is voor haar de manier om deze zoektocht in relatie te brengen met de geleefde wereld. In haar poëzie onderzoekt ze brein, perceptie en verbeelding.

Alles is volgens haar een beetje vreemd, zo lang je er maar goed genoeg naar kijkt. Toen ik dat las had ik meteen een zwak voor haar. Met een open en nieuwsgierige blik de wereld bezien, zo zie ik het graag. Haar gedichten verschenen bij Elders Literair, Hard//hoofd, en in de bundel ‘Omhoog slaan’ (2026) van het Haagse jonge dichterscollectief FFÛH. FFÛH is een collectief en literair platform voor jonge Haagse schrijvers. In FFÛH zit een groot verlangen naar een breder podium voor het onontdekte schrijftalent dat zich in Den Haag schuilhoudt. Het heeft zich ontpopt tot platform voor poëzieavonden, open mics en collectieve schrijfsessies. En het biedt de ruimte aan nieuwe dichters om in een bundel gepubliceerd te worden. Ook draagt ze haar gedichten vaak voor in samenwerking met haar poëzieband Wildgroei (samen met Bart Lanser en Tara Zagorac). Van haar hand is het onderstaande gedicht ‘Pluto’.

.

Pluto

.

hiervoor?
hiervoor was er beweging

nu besta je het meest, eigenlijk alleen, vastgeklampt aan stenen
dus je redt wat je kan dragen
vormt een slaapkamer vol verjaardagskaarten
te klein geworden spijkerbroeken, vijf gemiste oproepen
dingen die je weet

je probeert je eigen baan schoon te vegen
ontdekt handen die vuisten zijn geworden, dus je knoeit
biedt de verkeerde plekken schaduw
begint te denken dat het falen ligt in de moed voor dingen
dat je als een boom met takken nog niet in je armen bent gegroeid
probeert je armen los te kloppen, ontdekt dat ze wel kunnen slingeren
maar nog niet los van elkaar

het probleem is het gebrek aan licht in de slaapkamer
je denkt dat een plafondlamp wensen kan vervullen
wil bezem en aansteker, wil schouders
die passen, handen die je in de toekomst
recht kan houden, de vingers gescheiden

je bent alleen
er is niemand om deze woorden een duwtje in de rug te geven

je bukt
handen rondom het stopcontact gekromd
vertel je het witte kastje fluisterend
over het verlangen naar een navelstreng
het vormen van bladeren, dagen die je zelfstandig kan dragen

weggeschopte stenen

.

Klaske Havik

Haperend

.

Klaske Havik (1975) is hoogleraar Methoden van Analyse en Verbeelding aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. In haar academische werk ontwikkelde zij een literaire benadering van architectuur die zich toespitst op de ervaring, het gebruik en de verbeelding van ruimte. Haar literaire werk verscheen onder meer in DWB, Terras en De Revisor en Vanuit de Lucht. Haar gedichten werden vertaald naar het EngelsWay and Further’ (2021) en naar het Ests als ‘Tee Edasine’ (2026).

Nu is bij uitgeverij Van Oorschot haar eerste Nederlandse dichtbundel verschenen met de titel ‘Benader’. De uitgever schrijft over deze bundel op haar website: “In ‘Benader’ bouwt architect, hoogleraar en schrijver Klaske Havik werelden met woorden. Aarde en steen, licht en klank zijn de bouwmaterialen die volgens Havik plekken tot leven roepen. De bundel voert langs landschappen, steden en gebouwen en schetst sfeerbeelden van voetstappen in stegen, stilte in sneeuw, licht dat valt op een betonnen muur, een ontmoeting, een verte. Het zijn plaatsen van herinnering, verbeelding en benadering: dichten is dichtbij brengen. Elke beschrijving is een benadering – het is een dichtbij komen op een manier die niet definieerbaar is, maar doorvoeld.”

Ik koos uit deze bundel het gedicht ‘Haperend’. beoordeel zelf of de woorden van de uitgever hout snijden.

.

Haperend

.

hij wijst boeken met voeten aan

ademt tussen woorden door

mijn stappen in zijn

.

huis zijn zwaar in zijn

bewegingsloze dagen

haperend is ons verhaal

.

wat zeggen nog de lichamen

wanneer alleen de taal

ons niet verlamt?

.

we zijn verder weg dan ooit

maar zijn er nog

en dichterbij dan mogelijk

.

 

Roes en memorie

Paul Celan

.

Het zal denk ik ruim twintig jaar geleden zijn dat ik voor het eerst hoorde van de dichter Paul Celan (1920-1970). Het was bij een avond over poëzie in de bibliotheek van Den Hoorn. Ik droeg er met een aantal andere mensen voor en de organisator van de avond, een docente Nederlands als ik me niet vergis van een middelbare school in Delft, vertelde er over poëzie en dan met name over Paul Celan.

Op die avond droeg ze zijn gedicht ‘Todesfuge‘ voor en ze gaf een heel mooie analyse van het gedicht. Afgezien van haar voordracht en analyse was ik meteen zeer onder de indruk van het gedicht, van het onderwerp (de Holocaust) en de poëtische zeggingskracht en ik wilde meer weten over Paul Celan. Ik zocht informatie over hem op Internet en sindsdien heb ik verschillende keren over hem en zijn poëzie geschreven.

Vreemd genoeg bezat ik geen bundel van Celan. In verzamelbundels en bloemlezingen las ik verschillende gedichten van hem en op het internet uiteraard, maar in mijn collectie ontbrak nog een dichtbundel van hem. Daar is nu verandering in gekomen. Sinds een week bezit ik de bundel ‘Roes en memorie’ uit 1995 vertaald door dé Celan-vertaler Ton Naaijkens.

‘Roes en memorie’ of ‘Mohn und Gedächtnis’ zoals de bundel in het Duits is getiteld, maakte van Celan in 1952 in één klap een klassiek auteur. De bundel staat in het teken van rouw en verdriet om de verwoestende kracht van een oorlog. In deze bundel zoekt Celan naar mogelijkheden van verwerking: slaap en herinnering, verdoving en besef, roes en memorie. De eerste gedichten ontstonden aan het einde van de oorlog, andere in de tweede helft van de jaren veertig in Boekarest, Wenen en Parijs. ‘Roes en memorie’ is het derde deel van de integrale vertaling die werd uitgegeven door Picaron Editions. Eerder verschenen ‘De niemandsroos’ (1991) en ‘Ademkeer’ (1992).

Ik koos voor een van de eerste gedichten in de bundel ‘Marianne’ vooral omdat ik (samen met Bart) en haar al jarenlang MUGzine maak.

.

Marianne

.

Zonder sering is je haar, je gelaat uit spiegelglas.

Van oog tot oog trekt de wolk, als Sodom naar Babel:

ze stroopt de toren als lover en woedt om de

zwavelstruik.

 

Dan flitst er een schicht rond je mond – die kloof met

de stukken viool.

Met sneeuwige tanden bespeelt er een man de snaren:

o mooier klonk het riet!

.

Geliefde, ook jij bent het riet en wij allen de regen;

een wijn zonder weerga je lijf, en we klinken getienen;

een schuit in het graan is je hart, we roeien haar

nachtwaarts;

een kruikje blauwte, zo dartel je over ons heen, en wij

slapen…

.

Voor de tent trekt het honderdschap op, we dragen je

brassend ten grave.

Nu rinkelt op ’s werelds plavuizen de daalder, de

harde, der dromen.

.

 

Poëziefest

DOK Delft 

.

Vanavond is er bij DOK Delft (de bibliotheek van Delft aan Vesteplein 100) een Poëziefest (geen feest, een fest, het staat er echt). Een avond vol activiteiten in het kader van de Poëzieweek 2026.

Wat kun je verwachten? Op het podium zullen bekende dichters zoals Joost Oomen en Sasja Janssen voordragen, je kunt naar de boekenmarkt, een workshop Poëzie en yoga door Elten Kiene meedoen, samen (vertaalde) poëzie lezen met VAK-docent Nadia Palliser of volg een workshop Poëzie schrijven door VAK-docent Marieke van der Honing. Voor de workshops dien je je wel van te voren op te geven). Deze avond wordt gehost door Angelika Geronymaki. De avond begint om 19.00 uur en duurt tot 22.00 (afsluiting met een borrel).

Als voorproefje van een van de voordragende dichters het gedicht ‘Lievegedicht’ van Joost Oomen (1990).

.

Lievegedicht

.

er zijn best wat mensen
die er niet in geloven

en er zijn mensen
die er wel in geloven
maar het helemaal verkeerd uitleggen
of verwarren met iets anders

die zeggen het is als een theekopje rum
terwijl het een theekopje jam moet zijn

die zeggen
een theekopje sinaasappelsap
waar de zon in schijnt
terwijl het juist het oranje sap zelf was
dat de zon deed schijnen
en het theekopje vertrok
als een zucht door de lucht

zo raakt alles door de war
een zwaan landt aan de verkeerde kant
van de waterspiegel
je gooit een stok en de hond komt
terug met een baar goud in zijn bek
je sok is nat, het hindert niet
je vindt haar mooier dan de maan
ze heeft krullen als de kringen in water
als er eendenkuikens voor het eerst
zwemmen gaan.

.

 

Vol

Daan Zeijen

.

Vol is een wonderlijk woord. Het glas is halfvol betekent zoiets als dat je een optimistische kijk op het leven hebt (vrije interpretatie), het land is vol is dan weer een extreemrechtse manier om te verwoorden dat er toch maar vooral geen vreemdelingen bij mogen komen, zelfs niet als die gevlucht zijn uit oorlog- of crisisgebieden waar ze hun leven niet zeker zijn, als iets uitverkocht is (een optreden) dan is het vol (de zaal dan meestal) of je kan je vol voelen wanneer je teveel gegeten hebt. Volgens de encyclopedie maar zijn er maar liefst 15 definities voor het woord vol.

Dichter Daan Zeijen (1993) geeft er in het gedicht ‘Vol’ dat ik las in ‘Dichters uit de bundel’ De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten, samengesteld door Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens uit 2016, meerdere betekenissen aan. De hoofdpersoon in het gedicht is vol van haar, gebruikt vol in de zin dat het eten goed gesmaakt heeft en zijn glas is halfvol.

Daan Zeijen ken ik van een voordracht die hij verzorgde in 2014 in Rotterdam bij een poëziemiddag georganiseerd door poëziestichting Ongehoord! De laatste jaren is van hem op poëtisch vlak niet veel meer vernomen. Tegenwoordig is hij humanistisch geestelijk verzorger maar ruim 10 jaar geleden was hij regelmatig te zien en horen op poetry slams (Bellum Poetica,  Rhythm & Poetry slam in Delft en Festina Lente) en in 2015 werd hij Nederlands kampioen Poetry Slam. Ook trad hij op bij verschillende poëzie evenementen (Museumnacht in Amsterdam, Literaire Manifestatie in Den Bosch, Dichter bij de Bar in Delft).

.

Vol

.

van alle manieren om te zeggen

dat het eten goed gesmaakt had,

ben jij het meeste waar.

mijn glas is half vol, maar je rust pas

als ons van de tafel druipt. het

is de afdronk die het doet.

hoe ik vanavond in mijn bed

je berichtjes na zal lezen.

en nog eens. een derde maal.

zo dronken heb je mij.

van alle smaken die het slapen goed

gezegd had, ben jij het meeste rust.

.

Een waakhond

Margriet Westervaarder

.

Van Margriet Westervaarder verscheen in 1990 de dichtbundel ‘lichaam van water in de zee’. Nadien publiceerde zij gedichten in het literair tijdschrift Extaze, uitgegeven door In de Knipscheer, in de jaren 2017,en 2018 en in het tijdschrift voor Kunst en Literatuur Pandora. Bij deze zelfde uitgeverij kwam in 2022 haar bundel  ‘wiggelied’ uit, waarover Hettie Marzak op Meander Magazine schreef: ‘Westervaarder kan haar eigen bestaansrecht in de poëzie opeisen’. Behalve dichter is Margriet Westervaarder ook beeldend kunstenaar. Daarnaast neemt ze deel aan de PWP (Poëzie Werk Plaats) in Delft en is ze lid van de literaire afdeling van de Haagse Kunst Kring.

In juni van dit jaar werd haar nieuwe bundel ‘een waakhond aan me vastgebonden’ gepresenteerd in de Haagse Kunst Kring. Ingmar Heytze schreef over deze bundel: “Westervaarder heeft de gave om te zeggen waar het op staat en daarmee de lucht te klaren voor de lezer. Haar gedichten weigeren om ons opzichtig te troosten, en doen dat juist daardoor. Zoals zelfs de meest vervaarlijke waakhond bij nadere kennismaking een goeie lobbes kan blijken te zijn.”

Alle reden dus om deze bundel ter hand te nemen. Ik koos voor het gedicht zonder titel met de beginzin ‘had ik maar een melaatse zoon’.

.

had ik maar een melaatse zoon

een dochter met verdwijnend haar

een doofstomme zus, een straatvrees broer

een openwonden nicht

een neef met daglichtangst

een seniele vader, een roepende moeder

.

ik heb een huis vol zwachtels en tincturen

hechtklemmen en rustgevende muziek

verpleegstersuniformen en ontsmette handen

ik heb een extra kamer en een extra bed

.

was ik maar nodig om een rug te spalken

iemand te aaien en te sussen

iemand bij wie ik onopgemerkt op schoot kon springen

.

Gedichten op bankjes

Gedichten op vreemde plekken

.

In 2010 begon ik de rubriek ‘Gedichten op vreemde plekken’ omdat ik een afbeelding tegen kwam van een gedicht in een toilet. Ik vond dat toen zo bijzonder maar ook grappig dat ik op zoek ging naar plekken waar je niet meteen een gedicht verwacht. En dat waren er nogal wat! In 2013 bereikte ik deel 100 van deze rubriek, waarna ik gestopt ben met tellen. Als je nu de rubriek in zijn geheel wil lezen ben je denk ik een dag bezig.

Ik denk dat ik eigenlijk alle vreemde plekken wel een keer heb behandeld (al weet je dat natuurlijk nooit, mocht je een echt bijzondere plek tegenkomen mail me deze dan), en daarom ben ik op Instagram een account begonnen met foto’s van lezers @meerovergedichten en later ook nog @struikeloverpoezie.

Als ik zo terugkijk krijg ik het idee dat vooral bankjes in de openbare ruimte populair zijn om gedichten op te plaatsen. Ik heb even een kleine steekproef gedaan en ben eens gaan zoeken op gedichten / poëzie op bankjes. Je weet niet wat je dan allemaal tegenkomt. In Ekeren, Amersfoort, Schalkwijk, Waspik, Purmerend, Berg en Dal, Halle-Zoersel, Amsterdam, Melle,  Denderleeuw, Apeldoorn, Delft, Leeuwarden en Nijmegen staan bankjes met gedichten of dichtregels, en zo kan ik nog wel even door gaan.

Uiteraard vind ik het een bijzonder goed idee om de buitenruimte op te fleuren of aan te kleden met openbare bankjes waarop je ook nog eens van poëzie kan genieten. Een charmant voorbeeld van zo’n bankje kwam ik een paar jaar geleden tegen in Belper (Peak district in Engeland). Slechts een regel was er in gekrast. Het bankje maakte deel uit van het Belper poëziepad. De regel luidt:

 

“I think that I shall never see

a poem lovely as a tree”

.

De regel komt uit het gedicht ‘Trees’ van Joyce Kilmer (1886-1918) uit ‘Poetry 2’, no. 5 (1915). Het volledige gedicht kun je hier lezen.

.

Trees

.

I think that I shall never see
A poem lovely as a tree.
A tree whose hungry mouth is prest
Against the earth’s sweet flowing breast;
A tree that looks at God all day,
And lifts her leafy arms to pray;
A tree that may in Summer wear
A nest of robins in her hair;
Upon whose bosom snow has lain;
Who intimately lives with rain.
Poems are made by fools like me,
But only God can make a tree.
.

Hoeveel letters

Bianca Boer

.

De Rotterdamse dichter Bianca Boer komt uit Groningen maar is inmiddels een ‘echte Rotterdammer’ geworden. Bianca schrijft boeken; romans, kinderboeken en poëzie. In Mugzines #9 staan tekeningen en poëtische teksten van Bianca. Haar achtergrond (Kunstacademie en Schrijversvakschool) staan garant voor veel fraais zowel in beeld als in tekst. Ze is eindredacteur bij literair kindertijdschrift BoekieBoekie en schrijfdocent bij de VAK in Delft en de SKVR in Rotterdam.

In haar laatste poëziebundel ‘Vaste grond’ uit 2022 (genomineerd voor de Mr. J. C. Bloem Poëzieprijs 2023) staat het verlies van een moeder aan Alzheimer centraal en wat dat betekent voor de wereld rondom die moeder.

Uit deze laatste bundel las ik het gedicht ‘Hoeveel letters maak ik aan je vuil’ waarin de tekst dit keer belangrijker is dan het beeld, komt de ziekte duidelijk naar voren.

.

Hoeveel letters maak ik aan je vuil

.

aan het eind van de wereld zwijgen de bomen

woorden spelen verstoppertje

liefde staat bij de z van zucht

.

het zijn de seizoenen geweest

die ons met regen willen troosten

bij eik staat begeerte

onder verliefd verlies

bij jou en mij staat hardhout

.

een snuitkever volgt de openstaande rand

van onze initialen in de stam van de boom

letters als littekens van jaren die verstreken

het bos is oud geworden zonder ons

.

Tijd

Jeroen de Vos

.

Toen ik mijn dichterschap serieus begon (na de publicatie van mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen, waar dit blog naar vernoemd is) waren er een paar dichters waar ik al snel kennis mee maakte via mijn uitgeverij. Dat waren onder andere David Muiderman, Karel Kramer (van wie net de tweede druk verschenen is van zijn bundel ‘Delft, zwarte inkt’ bij mijn facilitaire uitgeverij MUGbooks) en Jeroen de Vos. Van hem verscheen in 2009 in de serie ‘Haags fris’ de bundel ‘Soms zijn drie woorden genoeg’. In 2011 bij het verschijnen van mijn bundel ‘Zoals de wind in maart graven beroert’ deed hij een voordracht en ik deelde een podium met hem in Maassluis.

Toen ik deze week iets aan het opzoeken was kwam ik zijn bundel ‘Soms zijn drie woorden genoeg’ tegen. Wat me lezend in de bundel, opviel was dat Jeroen de Vos zoveel humor en mededogen in zijn gedichten stopt. Dat bleek al eerder in een bericht dat ik schreef over Hoe schrijf je poëzie (dat weer mooi aansluit bij het bericht dat ik hier eergisteren plaatste).

Daarom vandaag nog een gedicht uit deze fijne bundel getiteld ‘Tijd’.

.

Tijd

.

Mijn vader lag al twee weken in het ziekenhuis

en op de vijftiende dag zat er ineens een engel aan zijn bed.

De engel richtte zich tot mij en zei:

‘het is tijd voor je vader om te gaan.’

‘Sinds wanneer maak jij de dienst uit? schreeuwde mijn

vader vanuit het bed.

De engel keek even ontdaan naar mijn vader die nu toch

wat kleur in zijn bleke gezicht begon te krijgen.

‘Het is bepaald’ stotterde hij ‘Het staat in de kaarten’.

‘wat een onzin!’ brulde mijn vader.

‘Kom Jeroen, we gaan.’

Mijn vader pakte zijn spullen en vervolgens mijn hand.

.

Terwijl ik min of meer achter hem aan holde

zei mijn pa ‘Kom, jongen snel naar huis…

want langs je moeder komt hij nooit’.

.

Delft, zwarte inkt

Nieuwe uitgave van MUGbooks

.

Het fonds van mijn kleine facilitaire poëzieuitgeverij MUGbooks wordt opnieuw uitgebreid met een titel; ‘Delft – zwarte inkt’ van acht Delftse dichters. Enige tijd geleden werd ik benaderd door Karel Kramer (1940), die ik ken van zijn bundel ‘Liefdesgedichten’ en  ‘Het virginale luchtkasteel’ die beiden uitkwamen bij onze gezamenlijke uitgeverij De Brouwerij. Inmiddels is Karel de tachtig gepasseerd maar hij schrijft nog steeds. Karel Kramer studeerde piano, Nederlands en Turks, doceerde aan de universiteit van Ankara en gaf regelmatig uitvoeringen van klassieke muziek in combinatie met poëzie en beeldende kunst.

Samen met 5 andere Delftse dichters (Jose Spruyt, Rolf Clason, Faye Oosterhoff, Wim Aarts en Cor Langendijk) maakte hij de bundel ‘Delft – zwarte inkt’. In de negentiger jaren van de 20ste eeuw was de Delftse dichtgroep Zwarte inkt op zijn hoogtepunt. Men sprak er een onderwerp af en maakte daar een gedicht over en besprak die op regelmatige bijeenkomsten, zoals er vele dichtgroepen in Nederland actief zijn. Toen Karel in de twintiger jaren van deze eeuw een bundel voorbereidde van gedichten over Delft, besloot hij de acht leden van deze dichtgroep te vragen daaraan mee te werken. Twee van de dichters zijn inmiddels overleden (Wim Aarts en Cor Langendijk) en twee dichters heeft Karel niet weten te achterhalen (Katinka Kersten en Mariken Wenbelt). Vandaar de ondertitel van de bundel ‘Acht Delftse dichters over Delft. Ze zijn dood, levend of spoorloos.’

Van Karel zijn de meeste gedichten opgenomen, van Jose Spruyt behalve een aantal gedichten ook een aantal foto’s en van de andere 4, waaronder de overleden Wim en Cor, ook een aantal gedichten. Ik heb hier voor het openingsgedicht van Karel Kramer gekozen getiteld ‘Delft’.

.

Delft

.

Ik kijk voorbij de nieuwe Jan naar links

een donker gat met duizend kinderhoofdjes

dat leidt naar ondervraging door de sfinx

en storten van de trap in duizend knookjes

.

voor mij zwijgt de Zwijger na het schot

naast mij wacht De Groot op zijn verbanning

achter mij sterft Harman op ’t schavot

de diefput stinkt en barst uit zijn bemanning

.

eens heb ik u gehaat, museumstad

geen asfaltvolk, geen pijn van inspiratie

niets dat steekt uit het beschreven blad

.

toen kwam er warmte uit uw populatie

uw oude muur stond om een liefdesbad

u werd voor mij de plek van transformatie

.