Site-archief

Twee koningen

Tim Pardijs

.

Toen ik mijn kast aan het opruimen was kwam ik de krant van Wintertuin Literair Productiehuis ‘de uitvreters‘ tegen uit 2012. In 2017 deelde ik al eens een gedicht uit deze krant van Rinske Kegel. En toen ik de namen las van de bijdragende dichters en schrijvers vielen me een paar dingen op. Een aantal dichters ken ik, hebben op een podium gestaan dat ik organiseerde, heb ik over geschreven en/of hebben een bijdrage geleverd aan MUGzine (Wout Waanders, Elfie Tromp, Rinske Kegel, Maarten Inghels, Dennis Gaens) maar een aantal, met name dichters, ken ik niet.

En omdat ik altijd nieuwsgierig ben naar nieuwe namen en nieuwe dichters (zelfs al zijn ze van jaren geleden of in het ergste geval al overleden) heb ik de krant opnieuw gelezen. Namen als Johan Roos, Oscar Wyers, Bart van Oost, Bessel en Nasja Covers, allemaal dichters die veelbelovend waren, anders waren ze niet opgenomen in deze krant neem ik aan, maar waar ik dus nog niet eerder heb gehoord. Dat zegt op zichzelf natuurlijk niets. Dichters kunnen een andere weg in zijn geslagen (gaan bijvoorbeeld proza schrijven), stoppen met het schrijven van poëzie of hebben, al dan niet bewust, gekozen voor een bestaan in de schaduw.

Een naam die ik ook las in deze krant, is die van Tim Pardijs (1978), voormalig stadsdichter van Zutphen (2013-2014) en tegenwoordig schrijver, dichter, redacteur bij literair tijdschrift Liter en museumdocent bij CODA. Zijn naam kende ik maar ik had nog niet eerder iets van hem gelezen. Daarom, uit ‘de uitvreters’ het gedicht van zijn hand getiteld ‘2 koningen 13:14-19’.

.

2 koningen 13:14-19

.

Dit is hoe ik heers. Schilden geheven de grenzen bewaakt

met vooral: goede pijlen. Van de twee bomen met veren

van de sterkste vogels. Handenvol schieten mijn

mannen er af en geen pijl vliegt zonder mijn doel.

.

Maar vandaag bezoek ik jou, stervende man van God

met je onmogelijke opdracht. ‘Sla tegen de aarde.’

Mijn brandende ogen kijken naar onze handen op de

boog. Het touw snijdt als je woorden door mijn schild.

.

Hoe vaak kan je met een bos pijlen op de grond

slaan voordat de witte veren groezelig worden,

de blanke schachten versplinteren? Hoe leeg

.

wil je mijn handen hebben? Ik voel je

zachte vingers nog op de mijne,

iedere keer als ik een boog span.

.

Ewewig

Dichter aan huis

.

Tussen 1991 en 2011 organiseerde de stichting ‘Dichter aan huis‘ een tweejaarlijks poëzie-evenement, vanaf 2013 gecombineerd met proza, in huiskamers in Den Haag. Het programma bood ruimte aan poëzie in al zijn facetten, van hermetische poëzie tot light verse, en proza in alle disciplines zoals fictie, non-fictie, thrillers, reisverhalen, geschiedenis en biografieën. Helaas, met nog een herstart in 2016, bleef het bij 11 edities en werd de stichting die dit bijzonder sympathieke en zeer goed bezochte evenement organiseerde, in 2017 opgeheven.

Maar zoals er altijd bij ‘Dit was het nieuws’ wordt gezegd, ‘Gelukkig hebben we de foto’s nog’ of in het geval van Dichter aan huis; Gelukkig hebben we de bundels nog. Want in de loop van de tijd dat dit evenement werd georganiseerd, werden er bundels met poëzie uitgegeven van de deelnemende dichters. En dat waren niet de minste. Heel veel bekende dichters kwamen de huiskamers van gewone Hagenaars binnen om daar voor een klein maar zeer geïnteresseerd publiek hun poëzie voor te dragen.

In de loop der tijd heb ik verschillende van de uitgegeven bundels weten te bemachtigen. En afgelopen week heb ik weer een exemplaar (1997) gekocht met de titel ‘Alleen de kamer luistert’ een zin genomen uit het gedicht ‘Nacht’ van Johanna Kruit (1940-2026) dat in de bundel is opgenomen. Het omslag werd genomen uit een tekening van een andere deelnemende dichter Eva Gerlach (1948). Ook opgenomen is het gedicht ‘Ewewig’ van Herman de Coninck (1944-1997).  Hij zou meedoen aan de editie van 1997 maar tijdens de voorbereidingen kwam het bericht dat hij plotseling was overleden. Hij zou als een van de meest prominente dichters deelnemen aan de manifestatie. Als eerbetoon werd het door hem ingezonden gedicht ‘Ewewig’ in de bundel opgenomen. Omdat Herman de Coninck al sinds jaar en dag een van mijn favorietste dichters is en het gegeven dat het alweer even geleden is dat ik een gedicht van hem plaatste, is reden genoeg om het gedicht, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Vingerafdrukken‘ uit 1997 hier met jullie te delen.

.

Ewewig

.

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelooflijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ’t is zondag.’

.

Later verteld Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog stil bleef liggen

.

was de muur waterpas. Zo schrijft werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.

.

Straatpoëzie in het ‘nieuws’

Willem Hussem

.

In de zomerspecial Lezen en Luisteren van Elseviers Weekblad (week 29/30) staat een aardig artikel over Straatpoëzie met als titel ‘Alleen dichters (soms dwazen) mogen schrijven op muren en glazen, geschreven door René van Rijckevorsel. In het artikel beschrijft René een wandeling met Gerben Beutick (masterstudent journalistiek en redactie stagiair bij dagblad Trouw, die deze wandeling langs poëzie in de openbare ruimte verzorgt in opdracht van de bibliotheek Utrecht.

In het artikel wordt de wandeling beschreven; langs welke gedichten men gaat, iets van de achtergrond van de gedichten en de dichters en er wordt wat breder stil gestaan bij straatpoëzie in het algemeen. Straatpoëzie die niet begint bij de neonletters op het verzekeringskantoor Nieuw Rotterdam, een regel van Lucebert ‘Alles van waarde is weerloos’ daterend van 1978, maar die al veel ouder is. Zo wordt bijvoorbeeld de regel ‘De cost gaet voor de baet uyt’ van de Romeinse toneelschrijver Platus dat al sinds 1912 de gevel van een gebouw aan het Damrak in Amsterdam siert, en de regels op de beurs van Berlage van Albert Verwey ‘Beidt uw tijd’ en Duur uw uur’ uit 1903.

Die laatste regels, en dan met name ‘Beidt uw tijd’ staan me heel goed bij. Toen ik in Amsterdam studeerde liep ik dagelijks langs de Beurs van Berlage en las ik die regel al (jaren ’80 van de vorige eeuw). Destijds heb ik er zelfs over geschreven in het huisblad van de P.A. Tiele Academie in Den Haag ‘Schuddegeest’.

De schrijver van het zeer inhoudelijke artikel maakt wat mij betreft wel een uitglijder. Over Ingmar Heytze (1970) van 2009 – 2011 de eerste stadsdichter van Utrecht en ruim vertegenwoordigd in de stad met straatpoëzie, schrijft René: “Heel virtuoos ongetwijfeld, maar het is geen poëzie die patsboem binnenkomt, zoals het gedicht over Truus” (Truus van Lier, verzetsvrouw die haar leven verloor in de oorlog). Ik vind hier wat van. Heytze wegzetten als een dichter zonder inhoud gaat me echt te ver. René begaat hier de fout die veel lezers van poëzie maken en dat is dat een gedicht emotioneel moet zijn of in ieder geval een emotie moet losmaken bij de lezer (en dan bedoelen ze meestal niet de emotie van schoonheid ervaren).

Elders in het artikel wordt het gedicht dat ik hier onder met jullie wil delen van Willem Hussem (1900-1974) als populair en aansprekend beoordeeld. Een aardig gedicht, zeker, maar in vergelijking met gedichten van Heytze zeker niet erboven uit stekend. Uiteraard wordt de onvolprezen studie ‘Poëzie buiten het boek‘ uit 2017 waar ze in 2021 op promoveerde, van Kila van der Starre (1988) aangehaald in het artikel, evenals de gedichten op vuilniswagens in Rotterdam en de Letters van Utrecht. Al met al geen nieuws maar aardig om te lezen, zeker voor lezers die niet veel hebben met poëzie.

.

zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op

.

 

 

Simone Atangana Bekono

Podcast en gedicht

.

Ik was wat aan het ronddolen op het wereld wijde web en kwam zo op de website van Kluger Hans terecht, en dan specifiek op het platform Roergebied. Daar stuitte ik op de podcast Grensgangers #9 uit 2020 waarin de Rotterdamse schrijver (van proza en poëzie zoals ze zelf zegt) Simone Atangana Bekono (1991) wordt geïnterviewd door Daan Janssens en Jens Meijen. In deze podcast gaat het over de debuutbundel van Simone met als titel ‘Hoe de eerste vonken zichtbaar waren’ uit 2017 en hoe deze tot stand is gekomen. Maar ook over haar schrijverschap, activistische noodzaak en de verschillen tussen poëzie en proza.

Op de website van Poetry International wordt zij geïntroduceerd met deze woorden: In de poëzie van Simone Atangana Bekono wisselen strijdvaardigheid en tederheid elkaar voortdurend af. Zij laat zien hoe het persoonlijke tegelijkertijd poëtisch, politiek en universeel kan zijn. In haar gedichten verkent ze het verband tussen lichaam en identiteit. Het besef een zwart en vrouwelijk lichaam te hebben leidt tot uiteenlopende gevoelens; van ontheemding, maar ook van woede jegens de mensen die dat lichaam, die identiteit onderdrukken. Typerend voor Atangana Bekono is dat zij haar ontegenzeggelijke politieke engagement niet verwerkt in lekker klinkende kreten maar op spannende wijze tot onderzoeksobject maakt. Voor haar debuutbundel ontvang zij de Poëziedebuutprijs aan Zee 2018 en het Charlotte Köhler Stipendium 2019

Het gedicht waarmee de Podcast begint heeft als titel ‘III’.

.

III

.

Ik schreef een gedicht dat over mezelf ging
ik schreef vijf versies van mezelf die mannelijk,
gebroken, lichaamloos en in de war waren
ik schreef mezelf in de hel van het kunstenaarschap en liet mij daarin wegrotten
ik schreef mezelf compleet weg en kwam tot een hoop lege woorden

Dat elke herinnering valt of staat bij het moment van ontsteking
dat context niet toegevoegd mag worden, maar vanzelf moet ontstaan
dat ik mijn vaders urn in de stoppenkast heb gezet toen hij mij op de vingers tikte
voor mijn onherleidbare motoriek en twijfelachtige borsten
dat ik alleen besta in het verlengde van het brein van een blanke, westerse man:
ik leen geld van een blanke, westerse man
ik koop toiletpapier voor een blanke, westerse man:
ik ben een gedachte-experiment van de blanke, westerse man

Want ik lig dronken op een vloer en hij vraagt wie ik ben
en ik ben een in een mal gepropte versie van Kunta Kinte
ik voel geen verbintenis met mijn gegeven naam

Ik lig dronken op een vloer en zie patronen in het plafond
de jongen naast mij is een kind dat ik kennis wil laten maken
met mijn donkerste gedachten
om hem kapot te maken
om hem op te voeden
ik ben het poppetje van een aapachtige jazzmuzikant
ik ben Sylvana, Loewija
een enorme kont waar mensen geld voor betalen om naar te staren
ik kan mezelf in honderden vormen presenteren

Ik ben een coole toevoeging, een drumstel, ik ben een godsdienstfanaat
met gele oogballen en een kapotgeschreeuwde mond,
ik ben een hofnar: ik trek een jurk aan, trek een huidkleurige jurk aan
ben zeventig kilogram vlees zonder naam, taal of herkomst
een nagelbijtende in elkaar stortende bloedende entiteit zonder concreet doel
all energy and no purpose
ik heb wel een goed rapport
goed gedaan en goed opgevoed

Ik ben een virus dat zichzelf opeet bij gebrek aan materie om zich mee te voeden
ik ben de meest huidkleurige jurk die je aan kunt trekken
een gewaagde keuze
en terwijl ik geolied op een hagelwit strand sta
tussen die honderden versies van mijzelf
vraag ik: ‘Zijn we al op vakantie?’
ik krijg geen antwoord

.

Ban

Piet Gerbrandy

.

Afgelopen dinsdag was ik te gast in De Chocoladefabriek, de bibliotheek van Gouda, voor een dag over merk-waardige medewerkersreis (een combinatie van marketing/communicatie en HRM) voor mijn werk. In de Chocoladefabriek waren we te gast in het deel waar de Drukkerswerkplaats is gevestigd. Een werkplaats met ouderwetse drukpersen, letterbakken, loden letters en waar de sfeer van een ouderwetse drukkerij hangt.

Maar er was in deze ruimte ook een lijn gespannen met allerlei voorbeelden van het drukwerk dat men daar maakt. En uiteraard, anders was ik er hier niet over begonnen, hing daar ook een fraai vormgegeven en gedrukt gedicht van Piet Gerbrandy (1958) getiteld ‘Ban’. Het gedicht dat in de gelijknamige bundel verscheen, werd door  dichter, classicus en poëzie-recensent Piet Gerbrandy geschreven voor de bibliofiele uitgeverij Sub Signo Leonis van de Drukkerswerkplaats.

De bundel ‘Ban’ dat ik een kleine genummerde oplage van 60 exemplaren verscheen, werd in 2017 feestelijk gepresenteerd en het eerste exemplaar werd overhandigt aan dichter Hedwig Selles.(1968). Het betreft hier een kleine bundel van 14 pagina’s.

Hieronder de foto van het drukwerk en de tekst van dit gedicht.

.

Ban

.

De dichter gaat zwanger van wat Muze of demonen hem opdringen.

Welke stappen zijn er nodig om wat dwars zit uit te bannen en met lezers te delen?

.

De dichter moet baren in ritme en klank, vluchtige taal groeit op

tot een lichaam van zinnen, woorden zoeken een bed van

letters in een hut van papier, waarin de lezer welkom is.

.

Zonder vormgever, zetter, drukker en binder is het gedicht dakloos en kwetsbaar.

.

Campusdichters

Martina Pocchiari

.

Op de website van de universiteit van Utrecht verscheen in 2017 een aardig overzicht van Ries Agterberg over campusdichters aan universiteiten in Nederland. Ik weet dat er verschillende campusdichters actief zijn, ik schreef al over campusdichters in Nijmegen (Wout Waanders, Thijs Kersten, Merel van Slobbe), Antwerpen, (Esohe Weyden),  Twente, (Egbert van Hattem) en Groningen (Jephta de Visser).

In het artikel van Agterberg lees ik dat er ook campusdichters actief zijn in Tilburg, Rotterdam en Amsterdam (UvA en VU). In 2016 werd de eerste internationale campusdichter geïnstalleerd en wel aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. De Italiaans Martina Pocchiari (1994) was toen masterstudente Marketing Management en inmiddels, 10 jaar later assistent professor aan de Esade Business School in Spanje.

Omdat ze de nieuwe, en eerste internationale, campusdichter van de Erasmus universiteit was, werd in het Erasmusmagazine een interview met haar geplaatst. Daar werd ook een Engelstalig gedicht bij geplaatst ‘Four times December’ dat ik heb vertaald en hieronder te lezen is.

.

Vier keer december Websie

.

Het was kouder, er waaide een fellere wind –

en in de wind gaf ik mijn hart weg.

Alles

is sindsdien veranderd.

Vandaag is de wind zachter;

de kou, gastvrij.

Maar mijn hart is bevroren

en te midden van een storm.

Hoeveel dingen kunnen er gebeuren,

bij een windvlaag.

Hoeveel dingen kunnen veranderen,

zonder dat wij het merken.

Ik verloor mijn hart in de wind, en nu

Ik weet niet waar het is neergezet.

Maar ik zal voortdurend over de wegen van de wereld

lopen om het opnieuw te vinden.

.

Vasalisvogel

Vicky Francken

.

Dag zes alweer van -Kort weg- en opnieuw ben ik in mijn boekenkast gedoken voor een gedicht. Ik word altijd erg blij wanneer ik lees dat een dichter zijn of haar (hun) klassiekers kennen. Toen ik in ‘Röntgenfotomodel‘ van Vicky Franken (1989) uit 2017 het gedicht ‘Vasalisvogel’ las moest ik meteen aan de bundel ‘De vogel Phoenix‘ van Vasalis (1909-1998) denken uit 1947. Een prachtige bundel van een van mijn lievelingsdichters. Dat deze bundel ten grondslag ligt aan dit gedicht mag duidelijk zijn, al is het maar door de feniks uit de voorlaatste regel.

.

Vasalisvogel

.

Ik droomde toen het vrede was al dat er vrede was

waar die nog niet bestond: een witte duif

die zich in cirkels een beroerte vloog –

.

Met mijn hielen kerfde ik een kruis,

ik was al als de dood, het was alsof

de dood zich in mijn hoofd bevond.

.

Ik keek omhoog en zag de vrede vliegen.

Ze leek intens tevreden, barstte snel

en hevig los.

.

In haar val heb ik haar aangekeken.

Ze bleef zo stil, welhaast afwezig,

ik trok haar in twijfel, ze leek wel god.

.

Nu neem ik haar veren brandend in mijn hand,

verbind haar snavel, zing een psalm.

.

Ik strooi haar as uit in mijn ogen.

.

Vrede, wrede feniks,

sticht alsof het niets is brand.

.

Poëziewandelingen

Dorien De Vylder

.

Op de website In de voetsporen van schrijvers, literaire wandelingen in Nederland en Vlaanderen, staan tal (20) van interessante literaire poëziewandelingen. Eén van die wandelingen wil ik hier behandelen en wel die in Damme. Want behalve dat Damme een heel gezellig en mooi historisch dorpje is in West Vlaanderen, herbergt het dorp ook het Tijl Uilenspiegelmuseum (de moeite waard) en profileert het zich al jarenlang als boekendorp van Vlaanderen.

Naar aanleiding van 25 jaar Damme Boekendorp vernieuwde Stad Damme in 2022, in samenwerking met curator Willy Tibergien van boekhandel Diogenes, een reeds bestaande literaire wandeling. De literaire wandeling werd een Poëziewandelpad en telt tien gedichten van tien dichters die bij het poëziefonds van uitgeverij Vrijdag publiceren.

Naast Esohe Weyden, Moya De Feyter, Sylvie Marie en David Troch is Dorien De Vylder één van de dichters waarvan een gedicht is opgenomen. Dorien De Vylder (1988) studeerde in 2011 af als apotheker. Ze debuteerde als dichter in 2017 met de bundel ‘Vertraagd stilleven’ gevolgd in 2020 door de bundel ‘Heerlijk afgebakend eindeloos’. Haar gedicht ‘Alles is er’ werd opgenomen in ‘De 44’, een bloemlezing met de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2021.

Ze won verschillende poëzieprijzen en  bracht haar poëzie op het podium van onder andere het Kunstenfestival Watou, Felix Poetry Festival en Dichters in de Prinsentuin. Werk van haar verscheen in Het gezeefde gedicht, Het Liegend Konijn, Meander Magazine en Poëziekrant. Ook was ze enkele jaren (eind)redacteur bij het literaire tijdschrift Kluger Hans.

Uit haar bundel ‘Heerlijk afgebakend eindeloos’ nam ik het gedicht ‘Luciferdoosje’.

.

Luciferdoosje

.

Die strakke oostenwind, het eerste okkernootje, slaap in een
pissebed, deze maïshakselaar-schorpioen, een cheetasprint,
een verpletterende golf en een majestueuze rots, een leeg en
geblutst olievat met een houten kruis op gebonden, kastanjeglans,
een weggewaaide vlakte, een kapotte bladblazer, hoogzwangere
maretakbol, in een grimas getrokken nachtmerrie, blanco info-
bord, die dolende taxonoom, erosie, zwavelgeel, pimpelmees,
de vertrappelde vouwmeter, deze verreiker-giraf, de pauzeknop,
de pas genivelleerde asfaltweg. Al deze objecten raap ik op uit
de berm, ik pulk ze uit het onkruid, vanonder een peukje, vanuit
een achtergelaten reiskoffer, er gaat niks verloren, in mijn kleine,
kartonnen doosje vang ik ze op en schuif het dicht.

.

Babel nu

Aad van der Waal

.

In de bundel ‘Daar begint de poëzie’, alweer een bundel met de beste 100 gedichten van de Turing Gedichtenwedstrijd, dit keer uit 2013, lees ik het gedicht ‘Babel nu’ van Aad van der Waal. In dit gedicht klinkt onverholen kritiek op de (perverse) verdeling van geld en welvaart in de wereld door. Benieuwd naar deze dichter ging ik op zoek. Aad van der Waal staat bekend als de meest aanwezige en productiefste stadsdichter van Apeldoorn. Bij zijn afscheid van de functie van stadsdichter (2017-2020) verscheen er een bundel met zijn stadsgedichten (tachtig gedichten) met als titel ‘Apeldoorn tussen twee kussen’. Het eerste gedicht dat Aad van der Waal in 2017 als stadsdichter van Apeldoorn schreef was Kus I; het gedicht waarmee hij drie jaar later afsloot, heet ‘Kus II’.

Aad van der Waal (1963) is naast dichter ook theatermaker, acteur, muzikant, toneelschrijver en oprichter van theater Merlijn in Apeldoorn. De poëzie van van der Waal typeert zich door zijn toegankelijke manier van schrijven, de vele kwinkslagen, treffende woordspelingen, kritische noten en soms ook ontroerende verzen. De twee kussen uit de titel van zijn afscheidsbundel als stadsdichter verwijzen naar 2 kussen. Het eerste gedicht ‘Kus I’ verwijst naar het beeld op het stationsplein in Apeldoorn van Jeroen Henneman ‘De Kus’. Het beeld is geplaatst rond 2007. ‘Kus II’ schreef hij aan het begin van de Coronaperiode toen iedereen anderhalve meter afstand moest houden.

Maar het gedicht waar hij in 2013 meedeed aan de Turing Gedichtenwedstrijd staat los van zijn stadsdichterschap. Een gedicht met twee gezichten, aan de ene kant de welvarende, rijke Westerling, afgewisseld met arme ‘Oosterlingen’ die geen cent te makke hebben.

.

Babel nu

.

Jan Willem wil ‘m medium gebraden
en na ’t dessert een bolknak met cognac
Romano slaat geen acht meer op de maden
en schraapt zijn kostje uit een vuilnisbak

Gerardus wil het nieuwste apparaatje
en Katja; mode van het duurste merk
Nawal begraaft haar uitgedroogde maatje
Vasil verliest zijn jeugd in mannenwerk

Andréas krijgt een Rolex van zijn oma
Rashid; een schijntje voor zijn rechter nier
Marina sleept een cruise uit haar diploma
Mei-lan verkoopt haar lijfje per kwartier

Er gapen tussen talloze verhalen
vaak kloven die geen tolk meer kan vertalen

.

Blijf de verwonde wereld bezingen

Adam Zagajewski

.

Afgelopen maand schreef ik een bericht over de bundel ‘Averij aan de wereld‘, van Ewa Lipska (1945), een nieuw deel in de kleine Poolse bibliotheek van uitgeverij P. Vandaag opnieuw een deel uit deze bijzondere bibliotheek. De bundel ‘Blijf de verwonde wereld bezingen’ van Adam Zagajewski (1945-2021) bevat honderd gedichten, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door (opnieuw) René Smeets, Maarten Tengbergen en Kris van Heuckelom.

Zagajewski was naast dichter ook schrijver, vertaler en essayist en hij wordt beschouwd als een vooraanstaande dichter van de Generatie van ’68, ofwel de Poolse Nieuwe Golf (Pools: Nowa fala), en een van de meest prominente hedendaagse dichters van Polen. Het doel van de groep Nowa fala was “zich te verzetten tegen de vervalsingen van de werkelijkheid en de toe-eigening van taal door de communistische ideologie en propaganda”. Hij ontving voor zijn werk de Neustadt International Prize for Literature in 2004 , de Griffin Poetry Prize Lifetime Recognition Award in 2016, de Princess of Asturias Award for Literature in 2017 en de Gouden Krans van de Poëzie tijdens de Struga Poetry Evenings in 2018.

In 1967 debuteerde hij als dichter met het gedicht Muziek ‘, dat werd gepubliceerd in het tijdschrift Życie Literackie . Hij publiceerde zijn werken en recensies in tijdschriften als Odra (1969-1976) en Twórczość. Van alle grote naoorlogse dichters is hij waarschijnlijk de meest mysterieuze en ongrijpbare. Na zijn beginjaren als politiek dichter ging hij zich op latere leeftijd steeds meer bezig houden met de meer beschrijvende en bezingende poëzie, werd zijn werk meer beschouwend en filosofisch. Zijn latere poëzie is er één van een soms haast ontastbare wereldvreemdheid; meditatieve gedachtengedichten vol vraagtekens en associatieve verzen vol culturele referenties.

Zijn naam werd regelmatig genoemd als mogelijke derde Poolse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, na Czesław Miłosz (1911-2004) en Wisława Szymborska (1923-2012). Zagajewski is ook de naamgever van de stichting De zoek naar schittering, de naam komt uit een van zijn gedichten. In de opnieuw fraai uitgegeven bundel ‘Blijf de verwonde wereld bezingen’ is een veertigtal gedichten toegevoegd, geselecteerd uit de bundels die Zagajewski na 2013 en vóór zijn overlijden in 2021 heeft gepubliceerd, alsmede uit zijn postume bundel ‘Driekwart’ uit 2024. Uit die laatste bundel komt ook het gedicht ‘Driekwart’ of ‘Try czwarte’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.

.

Driekwart

 Ergens rond 1800 bestond

                     driekwart van de mensheid uit slaven

Adam Hochschild

.

Zie de edele roeping van de mens, zie de waardige gang

Waarmee hij voortschrijdt sinds de tijden dat wij ons ontdeden van die

Saaie Neanderthalers met hun trieste

Blik, en daarna al die ontelbare voorzieningen,

De kampen waarin wij de minder vernuftigen

Verzamelden en die wij altijd weer volstopten met

Vluchtelingen, Joden, Rohingya, Syriërs,

Oeigoeren en zovele anderen, zodat wij hun hopeloze zaken

Op orde konden brengen en zij zich niet zouden bemoeien

Met zaken van een hogere orde, waar één kwart

Van de mensheid veel beter in thuis is, dat wil zeggen

Je hoeft maar om je heen te kijken, jij, mijn dierbare lezer,

en ik, de auteur.

.