Site-archief

Straatpoëzie in het ‘nieuws’

Willem Hussem

.

In de zomerspecial Lezen en Luisteren van Elseviers Weekblad (week 29/30) staat een aardig artikel over Straatpoëzie met als titel ‘Alleen dichters (soms dwazen) mogen schrijven op muren en glazen, geschreven door René van Rijckevorsel. In het artikel beschrijft René een wandeling met Gerben Beutick (masterstudent journalistiek en redactie stagiair bij dagblad Trouw, die deze wandeling langs poëzie in de openbare ruimte verzorgt in opdracht van de bibliotheek Utrecht.

In het artikel wordt de wandeling beschreven; langs welke gedichten men gaat, iets van de achtergrond van de gedichten en de dichters en er wordt wat breder stil gestaan bij straatpoëzie in het algemeen. Straatpoëzie die niet begint bij de neonletters op het verzekeringskantoor Nieuw Rotterdam, een regel van Lucebert ‘Alles van waarde is weerloos’ daterend van 1978, maar die al veel ouder is. Zo wordt bijvoorbeeld de regel ‘De cost gaet voor de baet uyt’ van de Romeinse toneelschrijver Platus dat al sinds 1912 de gevel van een gebouw aan het Damrak in Amsterdam siert, en de regels op de beurs van Berlage van Albert Verwey ‘Beidt uw tijd’ en Duur uw uur’ uit 1903.

Die laatste regels, en dan met name ‘Beidt uw tijd’ staan me heel goed bij. Toen ik in Amsterdam studeerde liep ik dagelijks langs de Beurs van Berlage en las ik die regel al (jaren ’80 van de vorige eeuw). Destijds heb ik er zelfs over geschreven in het huisblad van de P.A. Tiele Academie in Den Haag ‘Schuddegeest’.

De schrijver van het zeer inhoudelijke artikel maakt wat mij betreft wel een uitglijder. Over Ingmar Heytze (1970) van 2009 – 2011 de eerste stadsdichter van Utrecht en ruim vertegenwoordigd in de stad met straatpoëzie, schrijft René: “Heel virtuoos ongetwijfeld, maar het is geen poëzie die patsboem binnenkomt, zoals het gedicht over Truus” (Truus van Lier, verzetsvrouw die haar leven verloor in de oorlog). Ik vind hier wat van. Heytze wegzetten als een dichter zonder inhoud gaat me echt te ver. René begaat hier de fout die veel lezers van poëzie maken en dat is dat een gedicht emotioneel moet zijn of in ieder geval een emotie moet losmaken bij de lezer (en dan bedoelen ze meestal niet de emotie van schoonheid ervaren).

Elders in het artikel wordt het gedicht dat ik hier onder met jullie wil delen van Willem Hussem (1900-1974) als populair en aansprekend beoordeeld. Een aardig gedicht, zeker, maar in vergelijking met gedichten van Heytze zeker niet erboven uit stekend. Uiteraard wordt de onvolprezen studie ‘Poëzie buiten het boek‘ uit 2017 waar ze in 2021 op promoveerde, van Kila van der Starre (1988) aangehaald in het artikel, evenals de gedichten op vuilniswagens in Rotterdam en de Letters van Utrecht. Al met al geen nieuws maar aardig om te lezen, zeker voor lezers die niet veel hebben met poëzie.

.

zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op

.

 

 

Anatomisch sonnet

Marijke Boon

.

Poëzie is zo serieus hoorde ik van de week iemand verzuchten. Toegegeven het was een middelbare scholier en waarschijnlijk werd het haar niet makkelijk gemaakt met een gedicht van de Tachtigers dat geanalyseerd moest worden of iets dergelijks. En poëzie is zo nu en dan ook helemaal niet makkelijk of luchtig en daarin schuilt juist heel veel schoonheid. En toch is er binnen de poëzie heel veel luchtigs te ontdekken. Denk aan (kleinkunst-) liederen en light verse gedichten.

Een vertegenwoordiger van de lichte en luchtige poëzie is Marijke Boon (1951). Ik deelde al eens gedichtjes van haar hand en dat wil ik vandaag weer doen. Boon is zangeres, cabaretier en podiumkunstenaar en in die hoedanigheden schrijft ze naast liedjes ook gedichten. Van haar hand zijn inmiddels 6 bundels verschenen. In 1988 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Ik fiets door het leven op het zadel des tijds’ en haar laatste bundel dateert alweer van 2019 en had als titel ‘Oude haas’.

Dat Marijke Boon niet onopgemerkt is gebleven blijkt uit het feit dat Gerrit Komrij maar liefst drie gedichten van haar opnam in ‘Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’ in mijn geval de versie uit 2004. De drie gedichten nam hij uit haar bundel ‘Tranen op het tafelzeiltje’ uit 1999 en de CD ‘Vandaar dat ik ween’ uit 1992. Het gedicht ‘Anatomisch sonnet’ komt van die laatste CD.

.

Anatomisch sonnet

.

Kiezen

Tenen

Schenen

Liezen

.

Armen

Klieren

Nieren

Darmen

.

Enkelbanden

Tanden

Mond

.

Smaakpapillen

Billen

Kont

.

Uit-spuit-de-bocht

Elma van Haren

.

Kinderliedjes zijn van alle tijden en het kinderliedje ‘In spin de bocht gaat in’ kennen velen van ons als een touwspringliedje waarbij je op een zeker moment in het liedje in het touw moest springen dat gedraaid werd. Dat zo’n liedje, in dit geval ‘In spin de bocht gaat in’ dat stamt uit ca. 1880 uit ‘Kinderdeuntjes, wiegeliedjes, speel-, tel-, raadsel- en andere rijmpjes’ samengesteld door J.J.A. Goeverneur, nog steeds inspireert blijkt uit een gedicht van Elma van Haren (1954).

In haar bundel ‘Uit de klatergouden boot gevallen’ uit 2025 kwam ik het gedicht ‘uit-spuit-de-bocht’ tegen en wie het voornoemde liedje kent weet dat dat de vervolgzin is op de titel(zin).

Elma van Haren studeerde aan de kunstacademie in ‘s-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel ‘De reis naar het welkom geheten’, waar ze de C. Buddingh’-prijs voor ontving op Poetry International in Rotterdam. Het was de eerste keer dat deze prijs werd uitgereikt.

In 1997 kreeg ze de Jan Campert-prijs voor de bundel ‘Grondstewardess’. Sinds de dichtbundel ‘De wiedeweerga’ (1998) schrijft ze ook voor kinderen. Sinds 2003 is ze jurylid van de P.C. Hooft-prijs en ze is redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DW B.

.

Uit-spuit-de-bocht

.

Vanaf mijn fijnsnarig weefwerk in het Heelal bekeken,

Lijken Gaia’s bergen een fluwelen vrouwendracht,

Een donkerrode en okeren geplooide pracht,

Achteloos op een hoop gesmeten en zoals is gebleken

.

Grijpt het arrogante mannen bij de lurven onverwacht

En snijdt het hen de adem af, een doddelijk teken

Dat het voor hen niet goed toeven is in deze streken.

Vrouwgewaad wreekt hongermacht.

.

Rotsen breken de benen van de paarden

Doornen haken zich in mantels rondom.

Gaia’s geilheid piekt hoger dan haar mededogen,

.

Ze strooit fluweelheet zand in mannenogen,

Verdort hun tong tot taal verstomt, stort zich

Wellustig over de kam en bedelft hen onder aarde.

.

 

 

Liefdesbrief van tandenborstel aan fietsband

Sarah Kay

Toen ik vorige week bij de opening van Poetry International was vroeg ik me weer eens af hoe zij de dichters die ze uitnodigen selecteren. Nu weet ik dat Poetry International allerlei mensen in dienst heeft die banden onderhouden met poëzieorganisaties uit de hele wereld en dat ze zo aan hun dichters komen. Tenminste dat vermoed ik. Zelf mag ik altijd graag op zelfonderzoek uitgaan. Bijvoorbeeld door te zoeken op internet. Zo kwam ik enige tijd geleden terecht op de website van de Colorado State University bij de vakgroep Engels. Op de website heeft de vakgroep een bericht geplaatst met de uitdagende titel ’10 moderne dichters die geschiedenis schrijven’. Een van die dichters is Sarah Kay (1988).

Sarah Kay woont in New York City. Ze is bekend om haar voordrachtskunst. Ze is de oprichtster en mededirecteur van Project VOICE, een project dat zich inzet om jongeren te inspireren met voordrachtskunst. Kay heeft vier dichtbundels gepubliceerd:  ‘All Our Wild Wonder’, ‘No Matter the Wreckage’, ‘B’ en ‘The Type.’ Op haar website staan verschillende van haar gedichten. Een van die gedichten ‘Love Letter from Toothbrush to Bicycle Tire’ heb ik hier in vertaling opgenomen. In de video draagt ze dit gedicht voor.

.

Liefdesbrief van tandenborstel aan fietsband

.Ze vertelden me dat ik voor een schoner leven bestemd was, dat jij me door het slijk zou halen. Ze zeiden dat je over me heen zou lopen, dat ze dwars door je heen konden kijken, dat je vol gebakken lucht zat, dat ik je altijd zou achtervolgen, altijd zou zien verdwijnen achter elegantere modellen, dat het een vicieuze cirkel zou zijn.

Maar ik weet wel beter. Ik ken je ruwe kantjes en ik heb je perfecte rondingen gezien, en ik pas me aan elke ruimte aan die je me geeft. Als van je houden betekent dat ik vies moet worden, laat het vuil dan maar komen, ik laat dit porseleinen huisje achter me. Ik ben gewend aan relaties van twee keer per dag, maar met jou neem ik alle tijd. En ik weet het, we leven in verschillende werelden en we hebben het allebei erg druk.

Maar in mijn dromen draai je zo snel om me heen dat ik altijd duizelig wakker word. Dus misschien word je op een dag moe van het reizen en rol je terug naar me. En als ik ’s ochtends mijn ogen open doe, zal jouw glimlach het enige zijn wat ik zie. 

.

.

De geheimen van wikke en dille

Wiel Kusters en Gerrit Kouwenaar

.

Vandaag, omdat het vrijdag is en ik het erg druk heb gehad, een bundel uit mijn boekenkast ‘blind gepakt’. In dit geval eens geen dichtbundel (verrassing!) maar ‘aantekeningen over poëzie’ van Wiel Kusters met de titel ‘De geheimen van wikke en dille’ uit 1988. In dit boek staan “indrukken die een gewone, aandachtige lezer van poëzie opdoet, verwoord op een manier die andere gewone en aandachtige lezers met gemak kunnen volgen”. Eigenlijk zou dit een motto van mijn blog kunnen zijn.

Maar terug naar Wiel Kusters (1947) en dit boek. Hij begint met een stuk over de dichter Kouwenaar en laat dat nou precies de dichter zijn over wie ik, zonder te kijken, een pagina opende (188). Daar staat het gedicht van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) zonder titel met de  beginzin ‘Men is vandaag ontzettend onsterfelijk’.

.

Men is vandaag ontzettend onsterfelijk

het is eindelijk de echte heldere herfst

die er haast nog niet is.

.

de bladeren vergelen, nog betrekkelijk groen

de wind is nog blauw, wijst geen enkele richting

de grond ligt nog onder het gras

.

men rookt de zwarte sigaar van de dokter

men raakt bezweet door het werpen van darts

men drinkt zijn zevende glas

.

in een ligstoel later men stippelt

onder het genot van dit tijdstip

een reis uit

.

de reis voor de komende heldere winter

en men vindt met de pink weer die heldere weg

naar dat denkbeeldige eindpunt-

.

Lizzy Sara May

Bijna vergeten dichter

.

Dichter en schrijfster Lizzy Sara May (1918-1988) zal voor de meeste lezers waarschijnlijk geen bekende naam zijn. Wellicht heb je ooit de naam weleens gehoord maar haar werk wordt niet of nauwelijks nog gelezen. Ze werd als Lissie Sara Maij geboren (Lizzy Sara May is een wat internationaler klinkend pseudoniem). Ze was aanvankelijk balletdanseres en mimespeelster, en debuteerde in 1956 met ‘Blues voor voetstappen’ waarin ze duidelijk affiniteit vertoont met het werk van de Vijftigers. De bundel werd opgedragen aan haar overleden joodse ouders. Ook in de daarna volgende dichtbundels experimenteerde ze met rijmloze associatieve verzen. Zoals in ‘Weerzien op een plastic-huid’ uit 1957. Ze werd echter bekender door haar proza, dat deels autobiografisch is en vaak de moeilijke relatie van een vrouw tot haar vader behandelt.

In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw publiceerde ze met regelmaat in literaire tijdschriften als De Gids, De Nieuwe Stem, Maatstaf, en Roeping. In 1988 verscheen voor het laatst een dichtbundel van haar hand getiteld ‘Het depressionisme’. In 1978 werden gedichten van haar gebundeld in ‘Gebruikspoëzie’. Een dichter die werd gewaardeerd maar nooit helemaal is doorgebroken. De relatie tot haar vader, de oorlog en het jood-zijn vormen de centrale thema’s van haar werk.

Dat blijkt ook uit het gedicht ‘Vaderhand’ dat ik las in ‘O wie was mijn vader wie was ik’ gedichten over de vader, bijeengebracht door Lucie Th. Vermij uit 1995. Dat gedicht (met de zin waarnaar de verzamelbundel is genoemd) werd gepubliceerd in ‘Tijd voor magnetisch vuur’ uit 1963.

.

Vaderhand

.

Beter het donkere dorp

dan de lichtende stad die

op elke straathoek vraagt

om vuur

zie mijn vader

.

en mijn vader gaf vuur

.

de hele nacht branden de

reclames gaten in de hemel

het dorp daarentegen ligt over

pasgekarnde aarde te slapen

en melkt zijn dromen

zei mijn vader

.

en mijn vader brandde gaten

.

niemand besloeg het plaveisel

als een held

heldhaftig kroop ik tussen

huizen door tussen steden door

kroop[ ik heldhaftig langs

lange wegen

.

waar was de held die viel

die werd weggedragen

.

mijn vader droeg zichzelf

.

ik keek naar het vuiurwerk

maar er was geen ster zo groot

of er hingen tranen aan

ik keek ik keek ik sprong

door de lichtende duisternis

van mijn kinderjaren

.

o wie was mijn vader woe was ik

.

matrozen liepen door tuinen

soldaten liepen door de goten

ik lag op een speelweide

en zag de grote mensen

.

en de vaderhand

verend gespannen van kracht

werd een mens werd een man

liep fluitend naar een

melodramatisch einde

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

Herwig Hensen

.

Afgelopen weekend las ik wat in de bundel ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uitgegeven door Compaan uitgevers in 2012. Het aardige aan dit soort verzamelbundels is dat je altijd ontdekkingen doet, elke weer opnieuw namen van dichters tegenkomt die je niet kent. En dat was ook dit keer het geval.

In de bundel is een gedicht opgenomen met de titel ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ van Herwig Hensen. Meteen moest ik denken aan de Klimaatdichters, had ik een naam gemist? Maar niets bleek minder waar, Herwig Hensen (1917-1989) was al lang overleden toen de Klimaatdichters zich verenigden in een collectief met die naam.

De Vlaamse Herwig Hensen (pseudoniem van Florent Constant Albert Mielants jr.) was schrijver, docent wiskunde, docent dramaturgie en dichter. Aanvankelijk stond de poëzie van Herwig Hensen onder invloed van het impressionisme en het symbolisme van Karel van de Woestijne. Zijn later werk werd meer introvert. Zijn klassieke verzen geven afwisselend een smart weer om de waanzin van deze wereld en een bejubelen van het wonder van het leven.

Voor zijn werk werd hij meerdere malen bekroond, zo kreeg hij onder andere de Grote Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1938-1940). Zijn werk werd in meerdere talen vertaald. Hensen debuteerde in 1934 met een in eigen beheer uitgegeven bundel getiteld ‘Verzen’. Het gedicht ‘Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt’ werd genomen uit ‘Verzamelde gedichten’ uit 1988. Het gedicht dateert waarschijnlijk uit 1971. Toen was deze dichter zijn tijd dus al ver vooruit met zijn gedachten en zorgen om het milieu en de waanzin van de wereld.

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt

.

Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:

Grond, wateren, beemden, bomen,

De vrucht die smaakt. De bloem die ruikt,

En ’t land waarvan wij dromen

.

Wat geven wij onze kinderen mee

Behalve spreuken en kogels?

Niet eens het zuivre zout van de zee

En ’t zingen van de vogels

.

Maar wél het gif en het haastige kruit,

en haat die alom kan passen.

Sindsdien doven de lentes uit

en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat over in ongeduld

voor wie geen hoop meer bewaren.

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:

Bedriegers of barbaren?

.

Poëziewandelingen

Dorien De Vylder

.

Op de website In de voetsporen van schrijvers, literaire wandelingen in Nederland en Vlaanderen, staan tal (20) van interessante literaire poëziewandelingen. Eén van die wandelingen wil ik hier behandelen en wel die in Damme. Want behalve dat Damme een heel gezellig en mooi historisch dorpje is in West Vlaanderen, herbergt het dorp ook het Tijl Uilenspiegelmuseum (de moeite waard) en profileert het zich al jarenlang als boekendorp van Vlaanderen.

Naar aanleiding van 25 jaar Damme Boekendorp vernieuwde Stad Damme in 2022, in samenwerking met curator Willy Tibergien van boekhandel Diogenes, een reeds bestaande literaire wandeling. De literaire wandeling werd een Poëziewandelpad en telt tien gedichten van tien dichters die bij het poëziefonds van uitgeverij Vrijdag publiceren.

Naast Esohe Weyden, Moya De Feyter, Sylvie Marie en David Troch is Dorien De Vylder één van de dichters waarvan een gedicht is opgenomen. Dorien De Vylder (1988) studeerde in 2011 af als apotheker. Ze debuteerde als dichter in 2017 met de bundel ‘Vertraagd stilleven’ gevolgd in 2020 door de bundel ‘Heerlijk afgebakend eindeloos’. Haar gedicht ‘Alles is er’ werd opgenomen in ‘De 44’, een bloemlezing met de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2021.

Ze won verschillende poëzieprijzen en  bracht haar poëzie op het podium van onder andere het Kunstenfestival Watou, Felix Poetry Festival en Dichters in de Prinsentuin. Werk van haar verscheen in Het gezeefde gedicht, Het Liegend Konijn, Meander Magazine en Poëziekrant. Ook was ze enkele jaren (eind)redacteur bij het literaire tijdschrift Kluger Hans.

Uit haar bundel ‘Heerlijk afgebakend eindeloos’ nam ik het gedicht ‘Luciferdoosje’.

.

Luciferdoosje

.

Die strakke oostenwind, het eerste okkernootje, slaap in een
pissebed, deze maïshakselaar-schorpioen, een cheetasprint,
een verpletterende golf en een majestueuze rots, een leeg en
geblutst olievat met een houten kruis op gebonden, kastanjeglans,
een weggewaaide vlakte, een kapotte bladblazer, hoogzwangere
maretakbol, in een grimas getrokken nachtmerrie, blanco info-
bord, die dolende taxonoom, erosie, zwavelgeel, pimpelmees,
de vertrappelde vouwmeter, deze verreiker-giraf, de pauzeknop,
de pas genivelleerde asfaltweg. Al deze objecten raap ik op uit
de berm, ik pulk ze uit het onkruid, vanonder een peukje, vanuit
een achtergelaten reiskoffer, er gaat niks verloren, in mijn kleine,
kartonnen doosje vang ik ze op en schuif het dicht.

.

Winter(dag)

Dubbelgedicht

.

Omdat het alweer sneeuwde deze week en omdat de winterse kou nog even aanhoudt, wil ik hier graag de harten verwarmen met wat winterse poëzie in de vorm van een dubbelgedicht over diezelfde winter.

Als eerste het gedicht ‘De winter’ van dichter H.H. ter Balkt (1938-2015) dat verscheen in de bundel ‘Uier van het oosten’ uit 1970. Het tweede gedicht is getiteld ‘Een winterdag’ en is van dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) en is genomen uit de bundel ‘Aan het werk’ uit 1981.

.

De winter

.

De bonte kraai, de bonthandelaar

de zwarte kraai, viller en hakker

reizen in wintertijd boven weg & trein.

.

Het wapen van de winter is klauw e& snavel

Van honger de steltloper, dorst een groot drinker

hangt het uithangbord aan de zwarte herberg.

.

Vliegende poten verlichten zwakjes het landschap

Met een molensteen om hun nek de dorpen

lezen sprookjes van Hoornroosje en ander droefs.

.

Als droesem liggen de inwoners onderin dat glas

dat kraakt en splintert, en boven stilstaande klokken

vleugelslag van broeder kraai roert de troebele dronk.

.

Lege beker vind je, lege beker mijn vriend

in de zwartgallige winter die de lampen uitgooit

en gromt & hikt onder gekantelde tafels.

.

Een winterdag

.

Er stond een meisje met een heel klein handje

kruimels te strooien voor een mus of wat,

scherp oplettend wie al iets had gehad.

En de haaibaaien gaf ze dan een standje.

.

Het was een langgerekte monoloog.

De telkens weerkerende felle krijs

van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,

ze had die rustverstoorders scherp in het oog.

.

In het heelal hield zij de zaken bij.

Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.

Met een schel stemmetje prees ze en laakte.

En met dat kleine handje voerde zij.

.

 

 

Het betekend zelf | een reis

Albert Schaalma

.

In een kringloopwinkel in Assen kocht ik de bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ uitgegeven door De Beuk in 1986. Nu zal de naam Albert Schaalma weinigen beklend in de oren klinken. En toch is hij sinds 2000 een der 1300 leden der Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Schaalma (1943) was tot 1986 vooral actief als klarinettist en saxofonist in de jazz muziek, hij speelde zelfs op het North Sea Jazzfestival in Scheveningen. Vanaf 1986 verschijnen zijn gedichtencycli in tijdschriften, in bundels zoals bijvoorbeeld het boek Rondreis (2000) en in bloemlezingen. In 1992 verkreeg hij de tweejaarlijkse Masereelprijs voor Poëzie voor zijn cyclus ‘Het gindse’.

Albert Schaalma was bevriend met de bibliofiele drukker Menno Wielinga uit Bedum, die aldaar uitgeverij Exponent runde. Samen initieerden ze de serie Koppelteken-edities, waarbij eigentijdse Groninger grafiek gekoppeld werd aan moderne poëzie. Schaalma emigreerde in het begin van de 21ste eeuw naar Frankrijk. Hij woont in Aigurande in Midden-Frankrijk. Schaalma was medewerker aan onder meer DW&B en De Revisor. In 1988 verscheen ‘Op mijn schreden terug | naar huis’ in 1989 ‘De woorden zelf | de dingen’ en in 1992 ‘Een reis in de spiegel | de expeditie’.

Over de dubbele titels van zijn bundels zegt Schaalma in een interview in de Poëziekrant jaargang 17 in 1993: “In die dubbele titels zit wat mij bij het schrijven altijd bezighoudt: de dualiteit die een eenheid moet worden, omdat ze dat altijd al is: ruimte | tijd, binnenkant | buitenkant, gedicht | ding, dichtheid | openheid enzovoort.” De bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ kent een cyclisch verloop, van ochtend tot avond, van heenreis tot afscheid. Het is een structurele dichtbundel in de letterlijke zin van het woord. Hierover zegt hij: “Ik schrijf ‘als vanzelf structurerend, dat geldt voor bijna al mijn bundels.”

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Museum’ omdat de aankoop van de bundel meteen na mijn bezoek aan het (Drents) museum was.

.

Museum

.

Ziehier, uw in zichzelf gekeerd domein.

Temidden van uw stille coniferen

moet ik dit alles transformeren

zo, dat dit letterlijk  mijn paradijs zal zijn.

.

Daartoe dien ik dit helder pad te gaan,

beschroomd, met open handen,

om aan het einde klaar te staan

voor het beloofde uit aller landen.

.

En ziet, zoals ik alles vond.

Ik wandel heilig in u rond

van eeuwigheid in eeuwigheid.

En ben verloren en gebenedijd. Altijd.

.