Site-archief

Tussen hemel en aarde

Leo Mesman

.

In de bundel ‘Tussen hemel en aarde’ uit 2013 heeft Gerrit Komrij ‘vignetten, voetnoten en verzuchtingen over de poëzie’ opgeschreven. een zeer informatief en vermakelijk boek over poëzie. Zo schrijft hij over een vers van Leo Mesman, getiteld ‘Op de poëzij’ dat je hieronder kan lezen: “het vers mag krom zijn maar de observaties zijn terecht. Het gekibbel der poëten kent geen einde. En je doet er maar het beste aan ervan te genieten, zoals je ook kunt genieten van al het vals gevlei en de jaloezij in de showbiz-wereld of de voetballerij. Wat mij betreft zouden ze morgen moge starten met een RTL Boulevard voorde poëzie (gelukkig ben ik a-typisch).”

Ik merk dat het lezen van beschouwende en inhoudelijke boeken over poëzie me op nieuwe ideeën en inzichten brengt en, niet onbelangrijk, heel erg leuk zijn om te lezen. Zo schrijft Komrij dat hij het gedicht tegenkwam op de website van Leo Mesman (1949). Natuurlijk ben ook ik daar een kijkje gaan nemen en wat blijkt? Zijn blog (want dat is het feitelijk, net als dit blog) is een bron van gedichten in allerlei vormen en verdeeld in vele categorieën. Voor de liefhebber zeker een aanrader om daar eens te gaan kijken. In het gedicht waarover Komrij (1944-2012) schreef ‘Op de poëzij’ komt hij zelf ook aan het woord.

.

Op de poëzij

.

‘Poëzie, ’t is maar aanstellerij’,

zegt de dichter Komrij.

Maar net al hij ben ik toch blij:

het brengt leven in de brouwerij.

.

Niet alleen de poëzij!

.

Je krijgt er ook nog gratis

het gekibbel bij,

met vals gevlei en jaloezij:

‘wie kijkt er meest naar mij?’

.

Poetry bundeltjes

Gerrit Krol

.

In een kringloopwinkel kocht ik vier kleine bundeltjes die in 2001, 2004, 2005 en 2006 werden uitgegeven naar aanleiding van Poetry International in Rotterdam. In 2001, toen Rotterdam Culturele hoofdstad was van Europa, was het thema van Poetry International ‘Lof der zotheid’ naar het boek van, de misschien wel beroemdste Rotterdammer, Desiderius Erasmus (1466-1536). In zijn beroemde satirische werk, ‘Lof der zotheid’, dat hij rond 1509 schreef, nam hij praktijken van allerlei maatschappelijke groepen op de korrel.

Met dit in gedachte werd een aantal dichters (Jules Deelder, Gerrit Komrij, Ramsey Nasr, Wim T. Schippers, Toon Tellegen, Leo Vroman, Mohammed Benzakour, Gerrit Krol, Joke van Leeuwen en Hagar Peeters) gevraagd een gedicht te schrijven. Deze gedichten staan in dit kleine bundeltje.

Ik koos voor het gedicht ‘Als’ van Gerrit Krol (1934-2013) om hier te delen.

.

Als

.

Als ik een kleur was, zou ik wit zijn.

Was ik een vrouw, dan was ik iets zachts.

Als ik God was – ik zou de mensen straffen.

Was ik de duivel, dan natuurlijk niet.

Als ik een kip was, zou ik liever een haan zijn.

Was ik een klok, dan stond ik vaak stil.

Als ik een boek was, lag ik graag open.

Helaas, na 1x lezen hebt u mij uit.

Als ik verboden was, zou ik branden.

Was ik een clown, dan liet ik een traan.

Als ik een aap was, zoudt u om mij lachen.

Was ik een roos, dan was u een hoed.

Als ik de zon was, zou de hemel zwart zijn.

Scheen ik alleen maar ’s nachts.

.

Dilemma

Bart Boom

 

Het overkomt me weleens dat ik een gedicht lees van een dichter die ik niet ken en, wanneer ik op zoek ga naar meer informatie over die dichter, ik niets kan vinden. Dat gebeurde me met de dichter Bart Boom. In de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ de 100 beste gedichten uit de Turing  Nationale Gedichtenwedstrijd 2009 lees ik het gedicht ‘Dilemma’ van Bart Boom.

Op de website van de Turingfoundation bespreekt Gerrit Komrij dit gedicht in een programma van ‘Met het oog op morgen’ uit 2010. Hoewel hij spreekt over een gruwelkamer van poëtische gemeenplaatsen, en vindt hij het een pathetisch gedicht, toch heeft hij ook goede woorden over voor het gedicht. Hij vindt het ook een charmant gedicht. Een klassiek sonnet en in zijn soort zeer geslaagd.

Geen reden dus om het te negeren. En omdat ik op dit blog de volle breedte van de poëzie wil beschrijven en behandelen is er ook plaats voor onbekende dichters met poëzie die je tegenwoordig misschien niet vaak meer hoort maar die ook hun plek onder de poëzieparaplu verdienen.

.

Dilemma

.

De kamer kijkt nergens op uit, alleen

Drie vastbesloten grijze muren.

Ik kan hun zwijgen niet verduren

De echo van mijn eenzaamheid op steen.

.

Op kille vlerken daalt de avond neer

En stelt met schaduwen zijn vragen

Wortels onder ons behagen

Dichten is vluchten en biedt geen verweer.

.

Moet ik omwille van een kruimel brood

Het hart dat hongert laten  bloeden

Als een monnik die zich in zijn cel kastijdt

Of, van het uitzichtloze raam bevrijd,

Naar aders zoeken die het voeden

De stad, een vrouw, het leven en de dood?

.

Anatomisch sonnet

Marijke Boon

.

Poëzie is zo serieus hoorde ik van de week iemand verzuchten. Toegegeven het was een middelbare scholier en waarschijnlijk werd het haar niet makkelijk gemaakt met een gedicht van de Tachtigers dat geanalyseerd moest worden of iets dergelijks. En poëzie is zo nu en dan ook helemaal niet makkelijk of luchtig en daarin schuilt juist heel veel schoonheid. En toch is er binnen de poëzie heel veel luchtigs te ontdekken. Denk aan (kleinkunst-) liederen en light verse gedichten.

Een vertegenwoordiger van de lichte en luchtige poëzie is Marijke Boon (1951). Ik deelde al eens gedichtjes van haar hand en dat wil ik vandaag weer doen. Boon is zangeres, cabaretier en podiumkunstenaar en in die hoedanigheden schrijft ze naast liedjes ook gedichten. Van haar hand zijn inmiddels 6 bundels verschenen. In 1988 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Ik fiets door het leven op het zadel des tijds’ en haar laatste bundel dateert alweer van 2019 en had als titel ‘Oude haas’.

Dat Marijke Boon niet onopgemerkt is gebleven blijkt uit het feit dat Gerrit Komrij maar liefst drie gedichten van haar opnam in ‘Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’ in mijn geval de versie uit 2004. De drie gedichten nam hij uit haar bundel ‘Tranen op het tafelzeiltje’ uit 1999 en de CD ‘Vandaar dat ik ween’ uit 1992. Het gedicht ‘Anatomisch sonnet’ komt van die laatste CD.

.

Anatomisch sonnet

.

Kiezen

Tenen

Schenen

Liezen

.

Armen

Klieren

Nieren

Darmen

.

Enkelbanden

Tanden

Mond

.

Smaakpapillen

Billen

Kont

.

Rafels

Jan Eijkelboom

.

Soms lees ik een gedicht en dan vallen me dingen op. Dat gebeurde me ook toen ik in de bundel ‘Je bent mijn liefste woord’  gedichten voor bijzondere momenten uit 2015 aan het lezen was. In deze bundel heeft Anne Vegter ‘nuttige gedichten’ bijeengebracht zoals te lezen is op de achterflap. Het uitgangspunt van deze bloemlezing was dan ook het nut van een gedicht. Op zichzelf natuurlijk een best leuke insteek als het gaat om bloemlezen van poëzie. Of zoals er ook staat: “We zoeken nu eenmaal vaak naar woorden bij bijzondere gelegenheden. En wanneer we iets moeilijk onder woorden kunnen brengen, zijn er gelukkig onze dichters die het voorwerk hebben gedaan”.

Toch was de opzet en uitvoering van deze bloemlezing niet waarom ik specifiek bij een gedicht bleef hangen. Dat was het woord ‘caran d’ache’ of eigenlijk het merk caran d’ache want voor zover ik weet is dat het merk van kleurpotloden. Even opgezocht voor je en ja hoor: Caran d’Ache is afgeleid van het Russische woord karandaš (карандаш), wat overstroming betekent. Deze term stamt oorspronkelijk van het Turkse kara-tash , wat zwarte steen (grafiet) betekent. Het is de naam van een gerenommeerd Zwitsers merk van luxe schrijfwaren en kunstenaarsbenodigdheden, genoemd naar de Frans-Russische cartoonist Emmanuel Poiré, die dit pseudoniem gebruikte.

De reden dat ik juist bij dit woord bleef hangen is dat ik zelf ooit het woord heb gebruikt in een gedicht en ik mij herinner dat Gerrit Komrij het ooit gebruikte in een gedicht. Soms is een aanleiding gelegen in het detail, zoals in dit geval. Het gedicht waarin ik het las is van Jan Eijkelboom (1926-2008) is getiteld ‘Rafels’ en het onderwerp is de dood of doodgaan. Het werd oorspronkelijk gepubliceerd in de bundel ‘Het arsenaal’ uit 2000.

.

Rafels

.

Toen ving een roodbruine stam nog

de ochtendzon op, puur cederhout

van caran d’ache.

.

Later fladderden er raven

tussen de al even gerafelde takken

van de lariks.

.

Een schicht: de schaduw

van één zwaluw schoot

door de zomer.

.

En in het sprookjesbos

is plotseling de stinkzwam

dwingend aanwezig.

.

Doodgaan behoort tot het zeer weinige

dat niet zou mogen. Toch

wordt het veel gedaan.

.

 

Slopersverdriet

Philip Hoorne

.

Vandaag een gedicht van een dichter in de geest van een andere dichter. Philip Hoorne (1964) is een Vlaamse dichter, schrijver, bloemlezer en recensent. Hij debuteerde in 2002 met de bundel ‘Niets met jou’ in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De bundel werd genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs. Voor zijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ uit 2004 werd hij genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Zijn werk werd opgenomen in meerdere bloemlezingen, onder meer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ van Gerrit Komrij en verschijnt in literaire tijdschriften als Het liegend konijn, De Revisor, Bunker Hill, Landauer en Tirade. Hoorne richtte de poëzierecensiewebsite Poëzierapport op en schreef recensies voor onder meer Knack, de Poëziekrant en Meander.

In 2022 verscheen ‘Beste meneer, Bloem’, een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk, uitgegeven door de Stichting Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs. Wanneer een dichter wordt genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, zoals Hoorne in 2005, dan wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven geïnspireerd op de persoon Bloem, zijn werk of zelfs een regel of titel uit zijn oeuvre. In deze bundel zijn 20 van deze dichters (niet alle dichters hebben gereageerd op het verzoek tot het schrijven van een dergelijk gedicht) met hun gedicht opgenomen waaronder dus het gedicht ‘Slopersverdriet’ van Philip Hoorne.

.

Slopersverdriet

Naar ‘Insomnia’ van J.C. Bloem

.

Denkend aan de daad kan ik niet slopen,

En niet slopend denk ik aan de daad,

En mijn hamer aarzelt voor hij slaat,

Zijn puin en gruis mijn enige hopen?

.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘ga lopen’,

Als een muur tegen de vlakte gaat.

Stof waait door de opgebroken straat.

‘k Denk dat ik mij beter op kan knopen.

.

Om de vrouw die zich te weinig geeft,

Slechts eens per maand wil minnekozen,

Te min haar vreugde om mijn krachtig zaad,

.

Tot meer paringsdaden niet in staat.

Op steenslag zal ik mijn kiemen lozen,

‘k Wil in mij geen leven dat niet leeft.

.

 

 

 

Hans Mirck

Gedicht over de oorlog

.

Naar aanleiding van een ansichtkaart die ik vond tussen mijn spullen (van tijdschrift Liter) met daarop een regel uit een gedicht van Lans Stroeve, ging ik eens neuzen op de website van ‘Liter’. Daarop kwam ik een gedicht van Hans Mirck tegen met een intrigerende titel geschreven aan het begin van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.

Hanz Mirck (1970), is docent Nederlands en vertaler, muzikant, dichter, ex-stadsdichter van Zutphen en Apeldoorn (dat kan, zie ook Joris Brussels) en schrijver. Hij studeerde Nederlands aan de Universiteit Utrecht en studeerde af met de scriptie over de overeenkomsten tussen de teksten in Bredero’s Groot Lied-boeck en de popgroep Doe Maar. Hij gaf de teksten van de band uit in hun definitieve vorm in het boek “Dit is alles”.

Mirck organiseerde in Zutphen jaarlijks een poëziefestival en ook coördineerde hij voor de Zutphense gemeentelijke literaire stichting alle optredens. Hij was werkzaam voor de Ida Gerhardt Poëzie Prijs en lid van verschillende literaire jury’s. In 2002 debuteerde hij met de bundel ‘Het geluk weet niets van mij’, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2003 en tot ‘aanrader’ bestempeld door Neeltje Maria Min en Gerrit Komrij. Na deze prijs werd hij gevraagd voor de jury van de J.C. Bloemprijs en bekleedt hij deze functie nog steeds.

In 2007 ontving hij de J.C. Bloemprijs voor zijn bundel ‘Wegsleepregeling van kracht’ (2006) en inmiddels staan er zeven dichtbundels alsmede romans en kindergedichten in zijn bibliografie. Mirck is ruim tien jaar actief als schrijfdocent en redacteur, onder andere voor de popgroep BLØF. Ook was hij redacteur van het literaire tijdschrift Parmentier en voor uitgeverijen als Passage en Vassallucci.

Het gedicht in ‘Liter’ heeft een nieuwsgierig makende titel en kun je hieronder lezen.

 

Recensie van het optreden van het Russisch staatsorkest in
het theater van Marioepol

 

Een goede noot vindt altijd een goede plaats
maar vanavond struikelden de triolen grotesk
over elkaar, syncopen waren kreupele cyclopen,
de crescendo’s onmachtig lawaai.

Dit was geen musiceren maar vreugdeloos
opvolgen van instructies. Een muziekstuk is de weg
van verre dreiging naar warm licht, loutering,
een climax van mededogen.

De violisten leken laf achter elkaar aan te strijken.
De paukenisten waren blinde kinderen
in een contrapuntisch zwembad,
slagwerkers blikslagers op een kinderboerderij,

de houtblazers megalomane pyromanen
en de koperblazers het luchtalarm,
de pianist speelde geen enkele noot
die niet gelogen was.

Was het zuiver, was het vals? Het was ongeïnspireerd.
De musici leken zelf niet in hun partij te geloven, zo wordt muziek
nooit magisch. Als het bombastisch moet klinken,
laat het dan ook bombastisch klinken!

Een goed stuk zorgt dat alle mensen in de donkere zaal
het innig met elkaar eens zijn, nu bleef de twijfel afleiden.
Een meesterwerk maakt alle ogen even vochtig,
nu knipperden we alleen, als doven.

En dan de dirigent. Te laat, dronken, ongearticuleerd.
Hij leek de enige die wel in vervoering was, terwijl juist hij
de enige zou moeten zijn die het hoofd koel hield.
Hij leek vooral naar huis te willen. Net als wij allemaal.

.

Pieter Boskma

De weg (naar de lezer)

.

Wanneer ik op zoek ben naar berichten over Pieter Boskma op dit blog dan valt me op dat van de 5 blogberichten er twee over Arthur Lava gaan, twee over Leo van der Zalm een over Arie Visser (een gedicht van Boskma over Visser) en eigenlijk maar één blogbericht over Boskma zelf als dichter. Waarschijnlijk komt dat omdat Boskma deel uitmaakte van de Maximalen en ook Arthur Lava daarbij hoorde.

Maar aan deze situatie (slechts 1 bericht over Boskma zelf) gaat nu verandering komen. Pieter Boskma (1956) publiceerde namelijk in oktober zijn nieuwe dichtbundel ‘De stilte variant’. In de communicatie rond het verschijnen van deze bundel lees ik: “Door deze bundel waren twee geliefden: een levende en een dode. Soms blijft in het midden wie het betreft, alsof dat niet uitmaakt, alsof dood en leven in wezen hetzelfde zijn. Alleen de liefde lijkt waarlijk autonoom en zowel het leven als de dood te overstijgen.”

Uit de bundel koos ik het gedicht ‘De weg (naar de lezer)’. In het gedicht wordt een uitspraak van Gerrit Komrij over Simon van het Reve aangehaald. De uitspraak werd waarschijnlijk gedaan in de jaren zeventig. Al heb ik de letterlijke tekst niet terug kunnen vinden.

.

De weg (naar de lezer)

.

Om te zeggen dat het hard gezegde

beter klinkt maar minder zeg6t

zou de doeners tekortdoen

die op de barricades klommen.

.

‘het is een aardige jongen, maar hij

moest niet zo schreeuwen,’ zei Gerrit

over Simon, en ik zei: ‘Dat is waar,

mits er niks te schreeuwen valt.’

.

Er wordt ook wel gefluisterd dat

er veel te veel gefluisterd wordt,

die valse onverstaanbaarheid

staat blijkbaar altijd nog vooraan.

.

Ik zing er maar wat tussenin

waar mijn lied de weg is

die gelukkig domweg

voert tot U, tot U.

.

 

 

En wat ik haast vergeten zou

Bas Belleman

.

Journalist, essayist, dichter, vertaler en Shakespeare-kenner Bas Belleman (1978) studeerde cultuur- en wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. Naast recensies over proza in Trouw schreef hij over poëzie in Passionate Magazine, de Groene Amsterdammer en het poëzietijdschrift Awater. Ook was hij columnist van dagblad De Gelderlander, schreef hij essays en columns voor Filosofie Magazine en verzorgde hij de programmering van de Maastricht International Poetry Nights. Enkele jaren was Belleman jurylid van de AKO Literatuurprijs. In 2021 verscheen poëzie van Bas in MUGzine #7.

In 2003 debuteerde hij met de bundel ‘Nu nog volop ventilatoren’, deze bundel werd genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs voor beste debuutbundel,  gevolgd jij door ‘Hout’ in 2006 en ‘De drift van Sneeuwwitje’ in 2014. In 2020 verscheen de Nederlandse vertaling ‘Shakespeares Sonnetten’ met daarin de 154 sonnetten en ‘A Lover’s Complaint’. In 2021 won hij voor dit werk de Filter vertaalprijs.

Uit zijn debuutbundel ‘Nu nog volop ventilatoren’ onder redactie van Gerrit Komrij, koos ik het laatste gedicht uit de bundel getiteld ‘En wat ik haast vergeten zou’.

.

En wat ik haast vergeten zou

.

Nog even dit:

.

het woord ‘vervreemdend

.

(een tafel een pen een scheur

in de vitrage voor het raam en ergens

ter lande valt een bonte vogel dood;

zéér vervreemdende regels!)

.

sturen we met liefde naar

de Eeuwige Papierversnipperaar.

.

 

Bevrijdingsdaggedichten

Rogi Wieg

.

Het is bijna 4 mei (dodenherdenking) en 5 mei (bevrijdingsdag) en op de website van Nationaal Comité 4 en 5 mei, is een mooi overzicht te downloaden van gedichten die zijn geschreven door de jaren heen (tussen 1995 en 2005) in opdracht van het Comité, door gerenommeerde dichters. Zo is er poëzie van Jana Beranová, Toon Tellegen, Gerrit Komrij, Remco Campert, Karel Eyckman, Ankie Peypers, Eva Gerlach, Anna Enquist en nog vele anderen te lezen.

Uit 1997 is onder andere een gedicht van Rogi Wieg (1962-2015) opgenomen getiteld ‘Inktvlekken’. In een tijd waarin in de Verenigde Staten de dagboeken van Anne Frank op sommige scholen wordt verboden, is een gedicht als dit harder nodig dan ooit.

.

Inktvlekken 

.

Dagboeken zijn als levens, data, dag in dag

uit. Blauwe, strakke hemels, regen. Als het aan mij lag

zou ik zeggen: laat men de dagboeken voltooien,

handschriften, thema’s doen er niet toe. Gooien

.

we de mens voor leegoogige, gladgeschoren leeuwen

die om het bestaan van een dagboek slechts geeuwen,

dan zijn we niet die betere, verre vriend of goede buur,

al kleden we ons naar de tijd en betalen we zuivere huur.

.

Er zijn slechte buren geweest. Het theeservies

van de mens wiens dagboek als een raam

werd dichtgeklapt – glasgerinkel, inktvlekken – staat vies

op andermans aanrecht. Maak het nu beter, was het af en breng het terug.

.

Maar alleen de doden mogen vergeven en zij kunnen niet spreken.

Hun buren zijn andere doden, eindelijk veilig, zij hebben geen mond

of een kaarsrechte rug.

.