Site-archief

Tongval van het verdwijnen

Anke Cuijpers

Anke Cuijpers is schrijfster en dichter. Ze volgde een divers scala aan beroepsopleidingen, van maatschappelijk werker tot verzekeringsadviseur, en werkte in meer dan een dozijn ambachten, variërend van schoonmaker en lopende band werk tot copywriter. Een tijdlang was ze mede-eigenaar van een goedlopend eetcafé. Ze gooide het roer om nadat ze het literaire vak ging studeren aan de Schrijversvakschool Amsterdam (proza en poëzie). Ze publiceerde in de literaire tijdschriften Het Liegend Konijn, Kluger Hans, de Poëziekrant en De Revisor. Ze droeg meermaals voor in de Prinsentuin in Groningen. Op 7 mei is ze een van de dienstdoende dichters in een van de mooiste boekhandels ter wereld, Boekhandel Dominicanen in Maastricht, waar de Klimaatdichters  optreden in een pop-up expositie van Dorine van der Ploeg.

In de nieuwe bundel van de Klimaatdichters ‘Tongval van het verdwijnen’ gedichten vanuit niet menselijk perspectief, is het gedicht ‘Wrange vrucht’ van haar hand opgenomen. Bij haar bijdrage is de volgende tekst opgenomen: Met takken die eindigen in doorns en kleine appelvruchten die bovendien hard en wrang van smaak zijn, is de wilde appel door bastaardering verdrongen door cultuurvarianten. In Nederland is hij uitgestorven. De zeldzame Vlaamse exemplaren worden bedreigd door schuurschade.
.
Wrange vrucht
.
wilde boom worden in mezelf een kringloop
zijn, maar wist niet hoe vanwaar ik hing, herfst
dacht ik soms, is dat een container waarin ik pas
.
wilde wortel schieten wilde in de grond
wilde de regen wormen en de mieren horen wilde
met neven en nichten in een boomgaard staan
.
voelde herten tegen de takken schuren
waaraan mijn kleine lijf te plukken viel,
hoe anders dan als wind, ik dacht sindsdien
.
aan vallen, iets moet een appel doen om te
verleiden, het vlees te laten rotten zodat de pitten
verder alle werk, lieve God, was dit zoals het was.
.

Slopersverdriet

Philip Hoorne

.

Vandaag een gedicht van een dichter in de geest van een andere dichter. Philip Hoorne (1964) is een Vlaamse dichter, schrijver, bloemlezer en recensent. Hij debuteerde in 2002 met de bundel ‘Niets met jou’ in de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. De bundel werd genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs. Voor zijn tweede bundel ‘Inbreng nihil’ uit 2004 werd hij genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Zijn werk werd opgenomen in meerdere bloemlezingen, onder meer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ van Gerrit Komrij en verschijnt in literaire tijdschriften als Het liegend konijn, De Revisor, Bunker Hill, Landauer en Tirade. Hoorne richtte de poëzierecensiewebsite Poëzierapport op en schreef recensies voor onder meer Knack, de Poëziekrant en Meander.

In 2022 verscheen ‘Beste meneer, Bloem’, een selectie uit 20 jaar op J.C. Bloem geïnspireerd werk, uitgegeven door de Stichting Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs. Wanneer een dichter wordt genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, zoals Hoorne in 2005, dan wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven geïnspireerd op de persoon Bloem, zijn werk of zelfs een regel of titel uit zijn oeuvre. In deze bundel zijn 20 van deze dichters (niet alle dichters hebben gereageerd op het verzoek tot het schrijven van een dergelijk gedicht) met hun gedicht opgenomen waaronder dus het gedicht ‘Slopersverdriet’ van Philip Hoorne.

.

Slopersverdriet

Naar ‘Insomnia’ van J.C. Bloem

.

Denkend aan de daad kan ik niet slopen,

En niet slopend denk ik aan de daad,

En mijn hamer aarzelt voor hij slaat,

Zijn puin en gruis mijn enige hopen?

.

Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘ga lopen’,

Als een muur tegen de vlakte gaat.

Stof waait door de opgebroken straat.

‘k Denk dat ik mij beter op kan knopen.

.

Om de vrouw die zich te weinig geeft,

Slechts eens per maand wil minnekozen,

Te min haar vreugde om mijn krachtig zaad,

.

Tot meer paringsdaden niet in staat.

Op steenslag zal ik mijn kiemen lozen,

‘k Wil in mij geen leven dat niet leeft.

.

 

 

 

Verblijf

Yasmin Namavar

.

Yasmin Namavar (1983) werkt als psychiater en is daarnaast schrijver en dichter. Haar gedichten verschenen onder andere in De Gids, Tirade, Hollands Maandblad, Samplekanon en Poëziekrant. Ze won de Hollands Maandbladbeurs voor poëzie in 2024. In 2022 was ze finalist bij de El Hizjra Literatuurprijs. Ze debuteerde in 2025 met de bundel ‘Verblijf’. In deze bundel komt steeds de vraag naar boven wat het betekent om ergens te zijn. Ze trad op tijdens de 42e Nacht van de Poëzie en bij Dichters in de Prinsentuin.

In een interview op de website van Meander zegt ze over hoe ze in aanraking kwam met poëzie: “Als kind las mijn vader soms Perzische poëzie voor. Vooral Hafez. Ik begreep er niets van, maar ik werd meegenomen door het ritme en de klanken. Met Nederlandse poëzie kwam ik pas op de middelbare school in aanraking, en tijdens mijn studententijd begon ik zelf poëzie te lezen. De bundel ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen‘ van Tjitske Jansen was de eerste dichtbundel die ik op mijn nachtkastje had liggen. Destijds was mijn favoriet, het gedicht dat zo begint: ‘Liefste, Op deze dag zo grijs als haring schrijf ik je een brief waarin het waait’”.

Op de website Sampol.be staat een gedicht van haar hand waarin ze naar Iran trok om te kijken wat haar vader heeft nagelaten. Het gedicht ‘Droogte’ kun je hier lezen. Uit de festivalbundel van de 42ste Nacht van de Poëzie nam ik het onderstaande gedicht van haar hand zonder titel.

.

ze ploegt haar gangen, elke dag

met de schop in haar handen, sandalen in aarde

vrouw uit klei gemaakt

.

daarginds op het erf

bewegen kippen amechtig en schuw – de mens!

in haar schort legt ze eieren in stro

.

na het avondgebed dipt ze koek in sterke thee

en wanneer de nacht door het ledikant zakt

herneemt de schepping opnieuw haar kleine kiem

.

de volgende morgen in de kou – in de holte

van haar buik, spint een rupsachtig beest

nesten vol witte moerbeizijde

.

in de keuken zucht de gootsteen

stokt het hart van een segrijnslak

wacht het servies argeloos op de dood

.

en het paard knikkebolt in de stal

hij let niet op de vrouw

of haar ruw gesponnen draad.

.

sabel

Lize Spit

In een kringloopwinkel in Stadskanaal kocht ik de bundel ‘De Branie’ 2016 Dichters in de Prinsentuin. Nu heb ik een paar keer getracht een plekje in de Prinsentuin te bemachtigen, hoewel ver van mijn woonplaats een mooie plek om voor te dragen uit eigen werk, maar blijkbaar kon mijn werk de organisatoren niet bekoren want een aantal keren kreeg ik te horen dat men al vol zat of ik kreeg niks te horen (behalve dat ik niet uitgenodigd zou worden). Het is niet anders, jammer want ik draag dit festival een warm hart toe.

In 2016 werd een bundel uitgebracht, een bloemlezing waarin meer dan 40 dichters zijn bijeengebracht met een gedicht. Onder hen bekende namen en een aantal dichters waar ik niet eerder (en ook nooit nader meer) van gehoord had. En er staat een gedicht ‘sabel’ in van de Vlaamse schrijver Lize Spit (1988) waarvan ik even vergeten was dat ze ook poëzie schrijft. Dat doet ze zeker niet meer nadat ze doorbrak met haar roman ‘Het smelt’ in 2016. En hoewel ze poëzie publiceerde in onder andere Das Magazin, De Gids en de Poëziekrant lijkt het erop dat haar dagen als dichter achter ons liggen. Daarom hier het gedicht ‘sabel’ uit deze bloemlezing.

.

sabel

.

de buurman duwt zijn hond

de leiband strakgespannen als een sabel

de grasmaaier trekt de man die zijn ogen sluit

zo recht mogelijk achter zich uit

.

hier kan men hoogstens te pletter

lopen tegen lakens die maar niet drogen

op de hoek van het kerkhof ligt een café

daar zitten mensen te zitten

tot ze ergens anders te laat kunnen komen in hondenlevens

is er zeven keer minder tijd maar honden geven nooit de indruk

tenzij ze konijnen ruiken

.

duwen heeft veel weg van trekken

als het aan tegenovergestelde kanten plaatsvindt

.

zij die aan het kerkhof zitten bier drinken lijden waarschijnlijk

aan te weinig

fantasie bijvoorbeeld wat als de avond valt en onze hoofde

van onze rompen scheidt

.

Vreemd vel

Mahlu Mertens

.

De sinds 2011 in Gent woonachtige Nederlandse dichter Mahlu Mertens (1987) is naast dichter ook theatermaker én doctor in de literatuurwetenschap werkt nu als postdoc aan de Universiteit Antwerpen. In 2019 debuteerde ze met de bundel ‘Ik tape je een bed’ bij uitgeverij Peeraer. Deze bundel won in 2019 de eerste Zeef Poëzieprijs. Haar gedichten verschenen eerder in Het gezeefde gedicht, het Liegend Konijn, Meander, de Poëziekrant en in bloemlezingen zoals ‘Zwemlessen voor later’, ‘Uit de Zeef’ en ‘De grote inkijk’. Dit jaar verscheen haar tweede bundel bij uitgeverij De Zeef met als titel ‘Brooddoosomhelzing’.

Taco van Peijpe schreef in zijn recensie van deze bundel op de website van Meander: “Mahlu Mertens biedt in deze bundel een verzameling toegankelijke gedichten in parlandostijl. De inhoud is veelal anekdotisch en ondubbelzinnig. Desondanks zijn het heel poëtische teksten dankzij de originele metaforen, de beeldende taal en de doordachte strofe-indeling.” Reden genoeg dus om een gedicht van haar hand uit haar debuutbundel hier te plaatsen.

.

Vreemd vel
.
Vanavond is de dresscode wit
in deze maatschappij. Morgen ook.
Met een kleur kom je het feest niet binnen.
.
Als je wil, mag je mijn vel wel aan.
Van kop tot teen, inclusief haar,
zolang je belooft vanuit je heupen te lopen.
Leg mijn lijf maar in de zetel.
.
Je zult je kleiner moeten maken
dan je bent, schouderbladen tegen elkaar,
ruggengraat gekromd, ietsje door de knieën,
maar je zult vrijer kunnen ademen
.
als je een politieagent passeert.
Probeer gerust een keer zwart te rijden,
maar oefen op je dommeblondjesblik.
Bouwvakkers zijn een ander verhaal.
misschien heeft je zus dat al verteld?
.
Blikken zullen anders over je heen dwalen
vertragen bij borsten, bij billen,
opzichtig je decolleté in glippen.
.
Veiligheidswaarschuwing: niet na zonsondergang gebruiken
in een donker park, korte rokjes op eigen risico.

.

Verknoping

Sandra Roobaert

.

In 2023 debuteerde de Vlaamse dichter Sandra Roobaert (1968) bij uitgeverij De Zeef met de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’. De bundel kreeg goede recensies. Zo schrijft Tom Veys op de website van Meander: “De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. ‘De inventaris van wat blijft’ is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.”

Sandra Roobaert won in 2022 met het gedicht ‘Als het trilt’ de Poëzieprijs van de stad Oostende. Ze bedacht Dichter&Dichter waarbij je als dichter (maar ze geeft ook andere beroepsgroepen de mogelijkheid dit te doen) echt in gesprek gaat met een andere dichter, of zoals ze het zelf beschrijft: “Omdat ik hou van gesprekken die veel meer zijn dan praatjes of babbels (maar niks mis met praatjes en babbels hè). Omdat we als auteur / maker / creatieveling voortdurend de boodschap meekrijgen dat een online community en sociale media onmisbaar zijn om te groeien. Ik wil dat niet betwisten of ontkennen, maar wil er graag iets naast zetten.”

In 2023 leverde ze een bijdrage aan ‘Wat maakt een gedicht goed’ een uitgave van Meander, werk van haar verscheen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant en Meander en op Het Gezeefde Gedicht. Van 2020-2022 volgde ze de tweejarige opleiding poëzie aan de Schrijversacademie Antwerpen.

Uit de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’ koos ik het gedicht ‘Verknoping’ . Dit gedicht werd ook opgenomen in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2024’.

 

.

Verknoping

.

We waden door de wereld als vissers zonder boot

we stevenen door de gangen van de supermarkt met fuiken voor de buik

aanhangsels genaamd armen vangen

van elkaar zien we de blikken erwten de ananas de afro de blokhak

we taxeren stoppels oogwal kleurspoeling.

.

Achter ons trekken we onzichtbare sleepnetten

dat van de man bij de ontbijtgranen bevat diepgevroren het pesten voor de bel

het mijne een uitval in ochtendchaos naar de voeten van een zusje

het rukken aan schoenen maat 33.

.

Wanneer we elkaar naderen raken netten verstrikt

het mijne en het zijne in kortstondige verkoping

zijn kinderangst rolt in mijn oude blauwe jas van zestien

mijn gevit van lang geleden glijdt door zijn mazen.

.

Tegelijk naar hetzelfde pak koffie grijpend gaan we lichtglimlachen.

.

 

Rouwmuur

Lieve Desmet

.

In de week waarin ik bezig ben met de aanvraag bij de CultuurSchakel in Den Haag om financiën te krijgen voor de activiteiten van Dichter bij de Dood (naast de dichtersmanifestatie op 1 november Allerheiligen, de poëziepodia dit jaar hopelijk ook een dichtwedstrijd en een workshop Rouwpoëzie), las ik in ‘De 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ het gedicht ‘Rouwmuur’ van de Vlaamse dichter Lieve Desmet (1959).

Desmet is actief in de sector van het algemeen welzijnswerk. Sinds 2004 geeft ze ook les aan de Karel De Grote Hogeschool in Antwerpen en ze maakt deel uit van de dichterspoule van  ’De eenzame uitvaart ’ in Leuven. Gedichten van Lieve Desmet werden gepubliceerd in verschillende literaire tijdschriften zoals Deus ex Machina, De Brakke Hond , Het Liegend Konijn en Poëziekrant. In 2020 werden gedichten van haar opgenomen in de tentoonstelling ’Rodin, Meunier en Minne’ museum M in Leuven. Lieve Desmet is lid van de beheerraad van de schrijfresidentie het ‘Huis van de dichter ’ in Watou.

Ze debuteerde in 1993 met de bundel ‘Een kat in een vreemd pakhuis’. Hierna volgde ‘De bedauwde ruimte’ (2003), ‘In de maat van de zee’ (2016) en in 2024 de bundel ‘In de wind staan’ bij uitgeverij P. Uit deze laatste bundel is het gedicht ‘Rouwmuur’ afkomstig. In dit gedicht lees je een dichter die het verstaat om dichter bij ‘De eenzame uitvaart’ te zijn.

.

Rouwmuur

.

Kom bij dauw en buig hier onder de stapelwolken

in je mooie verenkleed waaronder ik graag school.

Lees mijn naam in steen.

.

Ik ben niet langer van gewicht,

sla mijn ogen niet meer neer,

als deze oude muur werp ik schaduw.

.

Kom en biecht zo nodig, eet je boterhammen,

breek als in je kindertijd.

Ik zal horen hoe je bloedt, mijn naam roept.

.

Ik help je ons verloren brood te kneden

help een bres te slaan.

.

Ga dan na de buien huiswaarts,

kom terug

tot je mij kunt  missen met pantoffels aan.

.

Veel komt aan

Margreet Schouwenaar

.

De afgelopen tijd heet uitgeverij P weer een aantal fraaie dichtbundels het licht laten zien. ‘Zomerschaduw’ van Job Degenaar, ‘Voetafdruk van stilte’ van Hanna Kirsten en ‘Hazenslaap’ van Margreet Schouwenaar. Over de eerste twee schrijf ik later maar vandaag pak ik de bundel ‘Hazenslaap’ van Margreet Schouwenaar erbij. Het zal toeval zijn dat in dezelfde periode twee dichtbundels verschijnen met in de titel de haas (‘Hazenklop’ van Hanneke van Eijken waarover ik de komende week zal schrijven) maar vandaag dus de bundel ‘Hazenslaap’.

Schrijver en dichter Margreet Schouwenaar (1955) debuteerde in 1991 met gedichten in Revisor en niet lang daarna met de bundel ‘De drempel die vertrek is’ (1992). Daarna volgden maar liefst 14 dichtbundels waaronder de bloemlezing ‘Zwijgen tot het schraapt’ uit 2019. Haar werk wordt geplaatst in literaire tijdschriften als De Poëziekrant, Meander en Het Liegend Konijn.

In 2009 volgde ze Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar, welke functie ze vervolgens maar liefst negen jaar zal invullen. In 2018 wordt een nieuwe stadsdichter, Joris Brussel, gekozen. Ik mocht bij deze verkiezing in de jury plaatsnemen. In haar jaren als stadsdichter richt Margreet Schouwenaar De Eenzame Uitvaart op in Alkmaar. Zij is nog altijd actief binnen deze stichting.

En nu is er dus haar nieuwe bundel ‘Hazenslaap’. Een bundel met 70 nieuwe gedichten (de bundel wordt uitgegeven ter gelegenheid van haar 70ste verjaardag) waarin zij de tijdelijkheid en de eeuwigheid bezingt, de trivialiteit, de onvermijdelijkheid maar ook de hoop. In pagina vullende gedichten waarin vaak ritmische stapelingen van woorden te lezen zijn beschrijft Schouwenaar de hazenslaap. Een haas slaapt met ogen open en merkt dus alles op wat er gebeurt. Zo ook Schouwenaar in deze bundel.

Ik koos voor het gedicht ‘Veel komt aan’ waarin dit mooi naar voren komt.

.

Veel komt aan

.

Google toont hoe ik woon, de plant staat er nog

voor het raam waar ik lang ben weggegaan.

Een bestemming vind ik zelden thuis, wel een

levenstaak: veeg los zand, alles wil grond.

.

Het lijkt op krabben, de honger naar het nauwelijks

vel dat toch kan kloppen. Veel komt aan op het net niet

raken; verwezen, schalen breken, de schepping wil

schuiven. misschien wel littekens. Daar helpt geen

.

wetenschap tegen. Nestdrang zonder feiten, vleugels

willen oefenen. Bewegingen bestaan, nachten

moeten vallen. ‘Je praat in je slaap’, zei hij eens.

We horen buigzaam te zijn, onze gedachten

.

te verzetten. Ik doe denken aan een ander. Ik ben

al weg, of niet, ik ben nog steeds onuitgesproken.

Op een kaart ben ik onvindbaar, maar ik breng me

nader. Als confetti zal ik dalen. Onherroepelijk.

.

Een mug in de zomer

Voorproefje

.

Gedurende het jaar brengen wij Marianne, Bart en ik, vijf keer een MUGzine uit. En elke jaar doen we iets extra’s (een GUM, een Special of een ansichtkaart). Over het extraatje zijn we al hard aan het nadenken maar de eerstvolgende editie van MUGzine, editie 23 is aanstaande. Vijf keer per jaar betekent in de eerste en de laatste vier maanden van het jaar elk twee edities en dan hou je vier maanden over in de zomer waarin we de zomereditie uitbrengen. De zomermaanden gebruiken we om nieuwe ideeën, dichters, kunstenaars, illustrators te zoeken en die voor te leggen aan onze onafhankelijke redactie.

De eerstvolgende MUGzine is dan ook de zomereditie en we verwachten deze in augustus te kunnen publiceren. In deze deze editie met als richting ‘Ins Blaue Hinein’ de Vlaamse dichter Astrid Arns en uit Nederland de dichters Daniël Vis en Floor Tinga. Het artwork komt dit keer van Willem Hansum. Natuurlijk is er een poëtisch voorwoord en een Luule en bieden we, zoals altijd, de mogelijkheid de MUGzine op papier te ontvangen. Al vele poëzieliefhebbers maken gebruik van deze mogelijkheid en ontvangen, voor een bedrag per jaar waar je nog geen dichtbundel van kan kopen, een jaar lang de MUG op papier aangevuld met een extraatje.

Om alvast in de stemming te komen wil ik hier alvast het gedicht ‘Ontheemden’ plaatsen van één van de dichters van #23 namelijk Astrid Arns (1960). Astrid Arns is onderwijzeres en dichter en publiceerde gedichten in de Poëziekrant, De Schaal van Dighter, Meander. Het Gezeefde Gedicht en De Vallei. In 2018 verscheen haar debuutbundel ‘Mijn naam op de deur’ die inmiddels een tweede druk kent.

Ontheemden

.

Ik voel nog hoe het vroeger was.

Gekroonde hoofden en een kring die ons omsloot.

En wij ontheemden liepen zij aan zij.

Wij schoven voet per voet en kregen dan hun zegen.

Zij waren nog en waren ook geweest.

Gebukte zielen met een afgewende kop.

Zij schreeuwden scheuren in de nacht in krukkentaal,

er werd op hen gewacht.

Wij wisten niets, niet waar ze waren

of vanwaar ze kwamen.

Zij waren marmerblanke webben in ons hoofd.

.

Dat ijsberen eieren eten

Margreet Schouwenaar

.

Dichter Margreet Schouwenaar (1955) schrijft al lang poëzie en kinderboeken. In 1992 debuteerde ze met de bundel ‘De drempel die vertrek is’ maar in 1994 werd ze al genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor vier gedichten van haar die gepubliceerd werden in De Revisor. Inmiddels is haar nieuwe bundel ‘Dat ijsberen eieren eten’ (2024) die bij uitgeverij P is gepubliceerd haar 14e poëziebundel.

Regelmatig verschijnen er publicaties van haar in literaire bladen zoals de Revisor, Tirade (voorheen  ‘Nieuwe Wereld Tijdschrift’) en de Poëziekrant. Daarnaast werden er gedichten van haar hand opgenomen in verzamelbundels als “Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis”,  “Vrouwen dichten anders”, en ‘De 100 beste gedichten van 2000’.

In 2009 volgde zij Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar (tot 2018). In deze functie initieerde zij in navolging van F. Starik ‘De eenzame uitvaart’ in Alkmaar. Zij richtte tevens een dichtersgilde op en gaf de aanzet voor een poëzieroute door de binnenstad van Alkmaar.

Maar nu is er dus een nieuwe bundel. Taal voor Margreet Schouwenaar is een dankbaar middel, een gereedschap om haar poëzie te maken, fysieke en zintuigelijke poëzie, waarin steeds opnieuw iets denkt te herkennen, maar vervolgens verrast bent over dat wat getoond wordt. In de recensie van Pom Wolf schrijft hij dat de titel van de bundel de lading (van deze bundel) niet dekt maar dat het gedicht ‘De weg naar huis’ dit wel doet. Ik ben het met Pom eens, in deze bundel komt de reis die Margreet Schouwenaar heeft afgelegd naar de dag van vandaag, in vele aspecten van haar leven, aan de orde. Er wordt teruggekeken, soms met enige melancholie, soms met een blik naar de toekomst. Persoonlijk en poëtisch.

Het was voor mij een eerste uitgebreide kennismaking met het werk van Schouwenaar en die is me zeer bevallen. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Lucht’ uit het hoofdstuk dat dezelfde titel draagt als de bundel.

.

Lucht

.

De droge lucht laat naalden vallen. De wind windt

klittenband. De kaart met het paradijs is kwijt. Zo

groeit wanhoop. Beloften worden gevouwen en

als vliegtuigjes omhoog gegooid. Zoals altijd

tarten ze de rechte baan, het naadloos scheren.

.

Alles valt op z’n plaats. Misschien is dood

te licht; de hand die aarzelend het water raakt, half

koel, half warm, tot met een beweging in het deinend

oppervlak elk beeld verdwijnt. Onderbreek me maar,

ik wacht op woorden die de weg naar huis weten

.

en zet tot die tijd de ramen open, zodat

de hitte niet verstikt.

.