Site-archief

Dichter uit Letland

Angsten

.

Afgelopen week was ik, samen met een groep bibliotheekdirecteuren, een paar dagen in Riga (Letland) op studiereis. Daar hebben we de Nationale Bibliotheek en verschillende openbare bibliotheken bezocht. Bij het bezoek aan elke bibliotheek viel op hoe ambivalent men staat tegenover de grote buur Rusland en de Russische literatuur. Men ziet heel duidelijk het gevaar van de agressor maar men heeft tegelijkertijd te maken met een land waar 40% van de inwoners van Russische afkomst zijn. Russische boeken worden niet meer aangeschaft (valt onder de sanctiewetgeving) uit Rusland maar wanneer een boek in Letland of een andere Baltische staat is gepubliceerd in het Russisch dan zijn er uitzonderingen mogelijk. Uiteindelijk heeft de van oorsprong Russische bevolking zich in de afgelopen decennia gemengd met de Letse bevolking.

Wat mij ook opviel, en dat heb ik al eerder ook in Oost-Europese landen geconstateerd, is hoe men daar met schrijvers en dichters omgaat, het belang dat men hecht aan literatuur en de plaats die, in dit geval dan even, dichters innemen. In twee van de openbare bibliotheken waren plekken ingericht rondom een plaatselijke maar bekende Letse dichter. Zo waren we in Ulbroka en daar had men een hele ruimte ingericht met foto’s, afbeeldingen, boeken, gedichten en informatie over de dichter Pēters Brūveris (1957-2011) die in Riga werd geboren en overleed in Ventspils.

Pēters Brūveris (ze hebben in Letland de wonderlijke gewoonte om achter elke naam een S te plaatsen) was dichter en vertaler. Hij schreef onder eigen naam maar ook onder de pseudoniemen Anna N. en Aldaris Stabis. Brūveris debuteerde in 1977 als kinderboekenschrijver. Zijn eerste dichtbundel kwam uit in 1987 en was getiteld ‘Melnais strazds, sarkanie ķirši’ (De zwarte merel, de rode kersen).

Hij schreef in totaal tien dichtbundels, evenals kinderboeken en liedteksten. Sinds 1988 was Pēters Brūveris lid van de Letse Schrijversbond en werkte hij enkele jaren als redacteur bij diverse culturele tijdschriften. Naast zijn eigen werk vertaalde hij poëzie in het Lets, voornamelijk, maar niet uitsluitend, uit verschillende delen van de voormalige Sovjet-Unie . Hij beheerste een groot aantal talen, waaronder Russisch, Turks, Litouws, Azerbeidzjaans, Krim-Tataars, Mordovisch, Gagaoezisch, Duits en Pruisisch. Brūveris ontving voor zijn literaire werk verschillende prijzen waaronder in 2004 de Baltische Assembleeprijs voor literatuur voor zijn dichtbundel ‘Het landschap van de taal’.

Natuurlijk heb ik een gedicht van Brūveris gezocht en gevonden. Een gedicht dat nog steeds heel actueel is getiteld ‘Angsten’ in een vertaling van Julius Keleras.

.

Angsten

.

De een vreest God, de ander de keizer.
Bloed vreest het lichaam te verlaten.
Boeken vrezen vuur, manuscripten vrezen de censoren.
Naties vrezen het recht op zelfbeschikking niet.

Is de kapitalist banger voor de communist dan
de communist voor de kapitalist? Ik weet het niet.
De dronkaard is niet bang voor wodka. Er was een tijd dat wodka
niet bang was voor de dronkaard. Nu is het ondergronds gedreven.

De kleinere kameel vreest de grotere.
De grotere baas vreest de kleinere.
In de gevangenis der naties in moeder Rusland
is vader tsaar bang voor eten.

Paddenstoelen zijn niet bang voor regen.
Goden zijn niet bang voor mensen.
De lijken van tirannen zijn niet bang voor de wederopstanding.
Letten zijn dit jaar niet bang voor een armzalige cultuur.

Taal vreest taalvermenging.
Er zijn Joden die niet bang zijn om naar Israël te verhuizen.
Litouwers hoeven niet bang te zijn voor Letten.
En Letten niet voor Litouwers. Chauvinisten vrezen de vriendschap tussen naties.

.

Urgent & Uniek, een recensie

Anne Broeksma

.

Anne Broeksma (1987) debuteerde in 2014 met de bundel ‘regen kosmos kamerplant’. In 2021 verscheen haar tweede dichtbundel ‘Vesper‘ welke genomineerd werd voor de J.C. Bloem Poëzieprijs en de Herman de Coninckprijs. En nu, in 2026 verscheen een nieuwe bundel van haar hand in de reeks ‘De Kreeftafslag’ van uitgeverij Opwenteling, waarin bekende dichters hun a-typische werk publiceren. Na de bundel van Han van der Vegt, dus opnieuw een eigenzinnige bundel. En eigenzinnig is deze bundel. Of eigenlijk zijn deze twee bundels want het is een omkeerbundel. De ene helft is getiteld ‘Urgent & Uniek’ en de andere helft ‘Milieustraat’.

Volgens de achterflap is ‘Urgent & Uniek’ een uitdrijvingsritueel van een herstellend fondsenwerver en consument, een poging het wezen van machinetaal te doorgronden door op te gaan in haar idiomen. En dat is precies wat het is. De bundel begint met een quote van David Graeber uit ‘The Utopia of Rules: On Technology, Stupidity, and the Secret Joys of Bureaucracy’ waarin hij stelt dat corporate management, door het invoeren van managementtechnieken, uiteindelijk bereikt dat we de hele tijd zaken proberen te verkopen aan elkaar (in plaats van het vergroten van efficiency onder welke noemer het gebracht wordt).

Ik schrijf dit hier op omdat de teksten en gedichten in ‘Uniek & Urgent’ voor mij heel herkenbaar zijn. Zelf ben ik al meer dan 25 jaar bezig in een leidinggevende en bestuurlijke functie en ben ik voor mijn organisatie fondsenwerver, en de gedichten van Broeksma zijn een uitvergroting van het ‘idioom’ van deze beroepsgroep. De taal die Broeksma gebruikt in haar poëzie is managementtaal, de termen, de opbouw, de vragen die zij stelt zijn voor elke manager herkenbaar en maken duidelijk hoe we doorgeschoten zijn in het bevragen van en kaders stellen in dit soort processen (ik ga er vanzelf managementtaal in stoppen merk ik).

Subsidie of fondsengeld aanvragen voor een publieksactiviteit bijvoorbeeld beschrijft Broeksma als:

.

meer publiek

breder publiek

meedenkend publiek

betoverd

behekst publiek

jong publiek, godsgruwelijk jong

ongeboren publiek

in bussen treinen parkerend publiek

van vooroordelen beroofd

stiller publiek

doder publiek

met hulpstukken naar voren tredend

stamelend, stamelend publiek

zwaaiend publiek

haatdragend publiek

wij vinden! wij vinden!

naar een miniatuur starend publiek / met / in een vergrootglas

het werk leeft door in de nieren van de doelgroep

met bolle ogen opslokkend, een plaag, het publiek

we komen met twijgen en takken getooid naar de loods het depot het museumpubliek

uit elkaar gereten door oneindig veel over elkaar heen buitelende perspectieven publiek

polyfoon, altruïstisch, opladend publiek

publiek dat meerstemmig is

vanuit zijn verre sloppenwijken naar ons is toe gereisd

ontsnappend aan andere bevolkingslaag

in gesubsidieerde bussen, zingend zijn ze onderweg

onderzoekend. opwekkend, herkennend, deskundig publiek

op handen dragend wij:

het publiek

we spiegelen onze werking voor

we spiegelen we spiegelen

in onze ogen kennen de subsidies zich toe

elke lege ruimte met kunst aan de muren moet gevuld met publiek

wat hoor je, publiek?

wat is de reden van je bezoek, publiek?

zeg in godsnaam iets

gesloten, fermé [of]  open, publiek?

het lied van het publieke klinkt om mij

nadat ik mij door zevenkoppige portalen vocht

alfabetvormig gruis in tekstvakken kriebelde

als ik het probeer te grijpen beweegt het uiteen

een school vissen gelijk

.

In dit gedicht op pagina 17 t/m 20 van de bundel wordt voor mij precies het denkproces van een manager of fondsenwerver weergegeven. De behoefte om steeds opnieuw iets ‘nieuws’ of ‘vernieuwends’ te bedenken, steeds weer een stap verder te gaan om het unieke karakter van je aanvraag te benadrukken en door de overdrijving (doder publiek) geeft ze deze gekte heel goed weer. Elk aspect van de beoordelende partij wordt hier genadeloos neergezet. Geen antwoord, geen geld.

In de gedichten die hierna volgen komen handleidingen, tools, richtlijnen en gemeenschappelijke lijsten aan de orde, heel treffend voorzien van een numerieke code (1.9.2., 6.3.1., 6.3.2.). Precies zoals je ze verwacht inclusief termen als impact, vaardigheden, concept, grondslagen. En ook in deze gedichten is sprake van een overdrijving, een uitvergroting, een ridiculisering van dit soort aanvragen en voorwaarden. Ik werd heel blij van het lezen van deze gedichten, ze sluiten naadloos aan bij het onbegrip en de verwarring die ik voel wanneer ik soms zelf met dit soort aanvragen bezig ben. Met als uitsmijter het gedicht ‘selfservice’ want kom je er niet uit (en dat gebeurt) dan is er altijd een hulplijn, de (digitale) assistent. Heel goed getroffen kortom.

Het deel ‘Milieustraat’ begint met een gedicht over het sparen van beestjes gevolgd door een gedicht over een product dat met veel moeite is gemaakt (je bent het waard, ik herken meteen de reclame van L’Oréal) en vervolgens een stuk over social media, de val waarin wij allen vallen. “nu zit ik met honderdduizenden mensen in een rots / en typ driftig voort / terwijl niemand de rust heeft om lange artikelen te lezen”. Over de digitale wereld, bezorgmaaltijden, Bitcoins, stappentellers, de pakketdienst om vervolgens uit te komen bij een gedicht met de veelzeggende titel ‘lijst met restafval’. In de laatste gedichten van ‘Milieustraat’ komt de poëtische dichter Broeksma weer wat meer boven. Waren alle voorgaande gedichten vooral (ook) een aanklacht tegen de moderne gekte van deze tijd, in de gedichten ‘cradle to cradle’ en ‘roze’ lees ik de dichter terug die van een afstand naar zichzelf en de wereld kan kijken en daar introspectief op reageert. Of zoals de laatste regels van ‘roze ‘luiden: “het is alles wat ik ooit gevoeld heb en tot uitdrukking bracht / terwijl ik mijn mond opende, met mijn tong / langs mijn gehemelte streek”.

Met ‘Uniek & Urgent’ en ‘Milieustraat’ van Anne Broeksma heeft uitgeverij Opwenteling opnieuw een pareltje uitgebracht. Voor wie het idioom kent een feest van herkenning, voor de poëzieliefhebber een reis door een wereld die misschien onbekend is maar die na lezing nooit meer hetzelfde zal zijn. Broeksma weet door krachtige stijlmiddelen een duidelijke boodschap af te geven.

.

 

Haagse nacht van de literatuur

René Stoute

.

Zo nu en dan stuit ik in een kringloopwinkel op een kleine verborgen schat. Zo kocht ik voor de luttele som van welgeteld 1 euro de bundel ‘Het laatste woord’ Haagse nacht van de literatuur 1987′ in een kringloopwinkel in de hofstad. Deze bundel is uitgegeven door Stichting de Avonden (jawel) en in het voorwoord, geschreven door Erik Jan Sint en Ritsart Plantenga namens de stichting, schrijven zij: “De Hagenaar lijkt een groot deel van zijn vrije avonden aan lezen te besteden. In weinig steden kan men na 8 uur ’s avonds op straat zo veilig een kanon afschieten. Voor de kunstminnaar valt er in deze stad weinig te beleven. Gelukkig lijkt het culturele klimaat enigszins te veranderen. Experimenten, die wezenlijk zijn voor kunst en cultuur, krijgen een kans. De Haagse Nacht van de Literatuur is één van die experimenten.”

Dat het bij een experiment zou blijven bleek uit het feit dat deze nacht slechts éénmalig werd georganiseerd in het Paard van Troje in Den Haag. Wat dat betreft heeft Den Haag een (negatief) imago hoog te houden; ook de Haagse stadsdichter werd éénmalig benoemd en daarna nooit meer. En het leek zo’n kansrijk idee. In de bundel zijn bijdragen opgenomen van bekende auteurs en van finalisten van onze aanmoedigingsprijs voor literair talent (ook al éénmalig deze prijs). Zo zijn grote namen als Kees van Kooten, Bart Chabot, Boudewijn Büch, Astrid Roemer, Joost Zwagerman, Johnny van Doorn en Kees Stip vertegenwoordigd maar ook Jos de Ree, Maarten Vonder, Sjaak Weg en Bart Brey, voor mij onbekende namen.

Wat ik ook leuk vond om te lezen was dat bij de finalisten van de Avonden-Literatuurprijs 1987 dichter  Pieter Boskma zat (en won). Ik heb uit de bundel voor het gedicht ‘Nazorg’ van René Stoute (1950-2000) gekozen, samen met onder andere Joost Zwagerman, Pieter Boskma, Tom Lanoye en Arthur Lava (ook allemaal vertegenwoordigd in de bundel) lid van dichtersgroep de Maximalen. Met een beetje overdrijving zou je dit een Maximalen bundel kunnen noemen.

.

Nazorg

.

Wij zullen openen

een rusthuis

voor uitgebluste dichters

wij zullen zorgen voor:

trijpen pantoffels

lauwe radiatorbuizen

en elke zaterdag

een glaasje wijn

.

Men zal van ons

niet kunnen zeggen

fat wij de poëzie

een onverschillig hart betoonden

.

Wij zullen eens per maand

de oude dichters

tracteren op wat gaande is

moord & doodslag

en muziek

op de valreep nog een prijs

voor het hele oeuvre

feestelijk voltooide tijd

waarna er tussen 18.00 uur

en 19.00 uur

gelegenheid zal zijn

om nostalgies terug te kijken

.

Dan gooien wij

het graf dicht

en richten op

een zerk met namen

voor onze uitgebluste dichters

die wij tot in lange dagen

een dankbaar hart

toedragen.

.

 

Flanders Literature

Albert Bontridder

.

Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.

Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’. 

Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.

Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.

.

Overweging

.

De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.

.

 

Hanezang

Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt

.

Een van de redenen dat ik graag kringloopwinkels bezoek is dat, wanneer men over een ruime, goed geoutilleerde boekenverzameling beschikt, die ook nog eens  goed is ontsloten, ik daar vaak pareltjes van poëziebundels ontdek. Steeds meer mensen doen hun boekenkast de deur uit (dat staat daar maar ruimte in te nemen en stof te verzamelen) en in het gunstigste geval krijgen die boeken een tweede leven, al dan niet in een kringloopwinkel. Dat een huis zonder boeken zielloos oogt en dat juist de aanwezigheid van boeken er voor zorgt dat er gelezen wordt, interesseert helaas teveel mensen niets.

Een kringloopwinkel (met een goed ontsloten boekenverzameling, belangrijk want anders verzuip je in het aanbod en moet je wel heel gemotiveerd zijn om net zolang door te zoeken totdat je iets van je gading vindt) is zo’n plek waar je de leukste, aardigste, meest vergeten boeken en in mijn geval dichtbundels kan vinden. Juist het aanbod dat soms heel karig maar soms juist ook heel verrassend kan zijn, is wat me trekt. In kringloopwinkels kom je titels tegen die al lang vergeten zijn, niet meer te krijgen of slechts in een antiquariaat te koop zijn.

Titels waar je niet naar op zoek bent omdat je ze niet kent. Een voorwaarde wanneer je gaat zoeken op bijvoorbeeld boekwinkeltjes.nl want zomaar een beetje rondgluren kan wel maar dan heb je bijna 70.000 (poëzie) titels te gaan en ik geloof niet dat ik dat heel uitnodigend vind. Natuurlijk heel handig als je een specifieke titel zoekt maar ik hou juist heel erg van de verrassing. Zoals de twee bundeltjes die ik gisteren kocht in een kringloopwinkel in Zoetermeer.

In 1987 werd bij De Bezige Bij het kleine bundeltje ‘Hanezang’ Poëmen van Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt uitgegeven. Bijeengelezen door Marten Toonder (1912-2005) zo vermeldt de titelpagina. De kenners en liefhebbers van het werk van Marten Toonder kennen de markies als een van de vaste bijfiguren uit de Nederlandse stripreeks Tom Poes. Hij heeft de gedaante van een antropomorfe haan. De markies maakte zijn intrede in het krantenstripverhaal ‘Tom Poes en de watergeest’ uit 1947. In 1989 verscheen nog een tweede deel met de titel ‘Vleugeljaren’ en in 1997 ‘De verzamelde poëmen’, waarin opgenomen ‘Vleugeljaren’ en ‘Hanezang’, vermeerderd met herontdekt ongepubliceerd werk.

De Markies is een hooghartig personage met een minachting voor iedereen die niet van zijn stand is. Hij pretendeert van adel te zijn maar dat wordt nergens in de verhalen van Toonder bevestigd. Zijn leefgewoonten en uitspraken zijn door het Franse leven en de Franse taal geïnspireerd en hij heeft een voorliefde voor poëzie en esoterie. In de verantwoording achterin het bundeltje met 17 gedichten wordt verwezen naar de invloed van de dichter Willem Kloos, naar oude Engelse volksliedjes en naar een aantal van de verhalen van heer Bommel en Tom Poes. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Hoe pril was eens de morgenstond’.

.

Hoe pril was eens de morgenstond

.

Hoe jong was ik, hoe groen,

toen ik vroeger, na de noen,

mijn Lopsang-thee genoot

in ’t Rozenpaviljoen,

waar een merel zoete zangen floot.

.

Ach, hoe vredig was het toen,

hoe verre scheen mij daar de dood.

.

De avond is sindsdien gekomen.

Ala wat jool was is vergaan.

De vreugd der jeugd is mij ontnomen;

met ’t fêteren is ’t gedaan.

.

En als ik mijmer voor het vuur

met een Châteauneuf du Pape

over lang vergleden avontuur;

dan komt, hélas! de slaap.

.

Hoe pril was eens de morgenstond,

hoe grijs is ’t thans om negen uur.

.

 

 

AMAI en MUG

Instadichtersbal

.

Op zaterdag 28 maart organiseert AMAI het jaarlijkse Instadichtersbal in de Steentjeskerk in Eindhoven. Tijdens deze avond vol live optredens (van onder andere Ingmar Heytze en Yanaika Zomer), voordrachten en performances komen dichters, lezers en taalmakers bij elkaar en wordt het AMAIZING magazine 2026 feestelijk gepresenteerd. Van 1 december 2025 tot en met 12 januari 2026 konden Instagram dichters hun werk insturen voor de AMAI Awards. De jury bestaande uit Yanaika Zomer (1979) en Lotte Dodion (1987) selecteerde 144 gedichten uit de duizenden inzendingen en die worden gepubliceerd in het nieuwe AMAIZING Magazine.
Naast de winnende gedichten bevat het magazine een reeks verdiepende artikelen, interviews en portretten die de rijkdom van de Nederlandse online poëzie zichtbaar maken. Zo bevat het magazine een artikel met Lotte Dodion en Yanaika Zomer over de kracht van poëzie en de rol van Instagram, een interview met Bette Westera over schrijven voor kinderen en een portret van Ivo en Guido de Wijs en Theo Danes over light verse, vakmanschap en de kunst van het schaven aan taal.
Tickets voor het Instadichtersbal zijn nog te verkrijgen via de website van AMAI. Naast het Instadichtersbal werkt AMAI aan een Schrijverskompas, een overzicht van geselecteerde literaire magazines, microzines en schrijfplatforms die men in het magazine en op de website presenteren aan de lezers, deelnemers en volgers. Ook MUGzine is hiervoor benaderd en uiteraard werken we graag met AMAI mee aan het verder verrijken van het poëtisch landschap.
Geen blogbericht, ook niet een bericht over een evenement als dit, zonder gedicht, daarom een gedicht gekozen van Yanaika Zomer dat ik nam van haar website kustwijf.nl getiteld ‘Eén gedicht’ dat ze schreef voor Internationale Vrouwendag 2025.
.
Eén gedicht
.

Ik wil één gedicht voor alle vrouwen. Het zou een
monument worden en tegelijkertijd een toevluchtsoord
van woorden die nodig zijn om een plek te bouwen
die ons heel houdt.
Ik schrijf er kamers in. Zinnen zijn het pleisterwerk
op wonden, de wanden slechts in potlood,
zodat we vrij zijn om ons binnen of buiten de lijnen
te bewegen. Ze uit te vegen tot zachte roze rullen
die we wegblazen als een kus van een vlakke hand.

Hier is een plek voor de vrouw die inwaarts schreeuwt
zo hard ze kan in een land waar zij wordt stuk gezwegen.
Er is een bed voor de vrouw die nog leeft, omdat ze
deed waar zij het bangst voor was. Een rugtas en haar
kind in halfslaap op de heup genomen.
Hier komen de vrouwen die niet voldoen, omdat de
norm een vorm is die niemand past. Je hoeft
maar weinig te doen om een lastige vrouw te zijn.
In dit gedicht ligt een wet te wachten die zacht is
voor het vrouwenlijf. Hier verblijven zij die
kozen of dat niet mochten, hulp zochten, maar niet
kregen, achterbleven met een lege schoot of meer leven
dan ze konden dragen.

Hier is plek voor Zij Die Hen zullen heten of een M in hun pas
kregen als een verkeerd gespelde naam. Hier gaan de vrouwen
die niet bidden tot de goede God of de juiste huid bewonen.
Hier zal het meisje wonen die in bomen klimt en probeert
om staand te plassen. Hier past de vrouw die niet geloofd wordt,
beroofd en weggehoond wordt. De vrouw die moeder, loeder, hoer,
secreet, een nymf, een milf, frigide heet. Een maagd, een heks,
te sexy is, die lesbisch is of niet meer van mannen houdt, de vrouw
die ziek is of te oud, want niet meer vruchtbaar is,
het vermogen mist tot gehoorzaamheid.

Ik wil één gedicht voor alle vrouwen. Opgevouwen tot
een klein geheim, bewaard in de zakken van jurken en
broeken, onder sluiers en de bandjes van een kanten bh.
En dat we het aan elkaar kunnen geven of herlezen
wanneer we zoeken naar woorden, een plek die vrouwen
heel houdt of onszelf.

.

Vreemd vel

Mahlu Mertens

.

De sinds 2011 in Gent woonachtige Nederlandse dichter Mahlu Mertens (1987) is naast dichter ook theatermaker én doctor in de literatuurwetenschap werkt nu als postdoc aan de Universiteit Antwerpen. In 2019 debuteerde ze met de bundel ‘Ik tape je een bed’ bij uitgeverij Peeraer. Deze bundel won in 2019 de eerste Zeef Poëzieprijs. Haar gedichten verschenen eerder in Het gezeefde gedicht, het Liegend Konijn, Meander, de Poëziekrant en in bloemlezingen zoals ‘Zwemlessen voor later’, ‘Uit de Zeef’ en ‘De grote inkijk’. Dit jaar verscheen haar tweede bundel bij uitgeverij De Zeef met als titel ‘Brooddoosomhelzing’.

Taco van Peijpe schreef in zijn recensie van deze bundel op de website van Meander: “Mahlu Mertens biedt in deze bundel een verzameling toegankelijke gedichten in parlandostijl. De inhoud is veelal anekdotisch en ondubbelzinnig. Desondanks zijn het heel poëtische teksten dankzij de originele metaforen, de beeldende taal en de doordachte strofe-indeling.” Reden genoeg dus om een gedicht van haar hand uit haar debuutbundel hier te plaatsen.

.

Vreemd vel
.
Vanavond is de dresscode wit
in deze maatschappij. Morgen ook.
Met een kleur kom je het feest niet binnen.
.
Als je wil, mag je mijn vel wel aan.
Van kop tot teen, inclusief haar,
zolang je belooft vanuit je heupen te lopen.
Leg mijn lijf maar in de zetel.
.
Je zult je kleiner moeten maken
dan je bent, schouderbladen tegen elkaar,
ruggengraat gekromd, ietsje door de knieën,
maar je zult vrijer kunnen ademen
.
als je een politieagent passeert.
Probeer gerust een keer zwart te rijden,
maar oefen op je dommeblondjesblik.
Bouwvakkers zijn een ander verhaal.
misschien heeft je zus dat al verteld?
.
Blikken zullen anders over je heen dwalen
vertragen bij borsten, bij billen,
opzichtig je decolleté in glippen.
.
Veiligheidswaarschuwing: niet na zonsondergang gebruiken
in een donker park, korte rokjes op eigen risico.

.

Diane di Prima

Beatdichter

.

Ergens in het afgelopen jaar (het zal juni geweest zijn) las ik in een rubriek achterop de Volkskrant (Dagboek) een stuk dat uit het dagboek van Dick Hillenius (1927-1987) bioloog en schrijver. Hij schreef in zijn dagboek over taalmuziek. “Taalmuziek heeft al gauw de betekenis van flauwekul. Maar zang en poëzie ontstonden misschien wel uit één bron, lang samen gebleven en door de drang van tijd uit elkaar gedreven.”

Dan gaat hij verder over een avond waarop Diane di Prima (1934 – 2020) Amerikaanse dichter, kunstenaar, prozaschrijver en docent, bekend om haar betrokkenheid bij de Beat-beweging, met een mooie dwingende stem vol stuwing en meeslepend haar poëzie voordraagt. Zoals je begrijpt maakte het me toen al nieuwsgierig maar het bericht was wat op de achtergrond geraakt. Tot ik het nu weer tegenkwam.

Ze ging naar de academisch zeer prestigieuze Hunter College High School, waar ze deel uitmaakte van een kleine vriendengroep, waaronder klasgenote Audre Lorde (schrijfster, professor , filosofe , intersectionele feministe , dichter en burgerrechtenactiviste), die een soort ‘Dode Dichtersgenootschap’ oprichtte en zichzelf ‘de Branded’ noemde. Ze spijbelden om door de stad te zwerven, rond te hangen in boekwinkels, hun eigen gedichten te delen en seances te houden voor dode dichters. Ze bracht de late jaren vijftig en vroege jaren zestig door in Manhattan , waar ze deelnam aan de opkomende Beatbeweging. Ze was redacteur van de krant The Floating Bear en was medeoprichter van het New York Poets Theatre en oprichter van de Poets Press.

Van 1974 tot 1997 gaf di Prima les in poëzie aan de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics van het Naropa Institute in Boulder , Colorado, waar zij het programma deelde met mede-Beats Allen Ginsberg en Anne Waldman (medeoprichters van het programma), William Burroughs , Gregory Corso en anderen. Van 1980 tot 1987 doceerde di Prima hermetische en esoterische tradities in de poëzie, in een kortstondig maar belangrijk masterprogramma in poëzie aan het New College of California, dat ze samen met de dichters Robert Duncan en David Meltzer had opgezet.

In 1979 verscheen bij In de Knipscheer haar bundel ‘Revolutionaire brieven’ met gedichten in een vertaling van Simon Vinkenoog. Haar meest vermaarde gedicht ‘April Fool Birthday Poem for Grandpa’ gaat over haar anarchistische grootvader. Di Prima heeft altijd benadrukt hoe belangrijk geschiedenis voor haar is. Dat komt in dit gedicht goed tot uiting.

.

April Fool Birthday Poem for Grandpa

.

Today is your

birthday and I have tried

writing these things before,

but now

in the gathering madness, I want to

thank you

for telling me what to expect

for pulling

no punches, back there in that scrubbed Bronx parlor

thank you

for honestly weeping in time to

innumerable heartbreaking

italian operas for

pulling my hair when I

pulled the leaves off the trees so I’d

know how it feels, we are

involved in it now, revolution, up to our

knees and the tide is rising, I embrace

strangers on the street, filled with their love and

mine, the love you told us had to come or we

die, told them all in that Bronx park, me listening in

spring Bronx dusk, breathing stars, so glorious

to me your white hair, your height your fierce

blue eyes, rare among italians, I stood

a ways off, looking up at you, my grandpa

people listened to, I stand

a ways off listening as I pour out soup

young men with light in their faces

at my table, talking love, talking revolution

which is love, spelled backwards, how

you would love us all, would thunder your anarchist wisdom

at us, would thunder Dante, and Giordano Bruno, orderly men

bent to your ends, well I want you to know

we do it for you, and your ilk, for Carlo Tresca,

for Sacco and Vanzetti, without knowing

it, or thinking about it, as we do it for Aubrey Beardsley

Oscar Wilde (all street lights shall be purple), do it

for Trotsky and Shelley and big/dumb

Kropotkin

Eisenstein’s Strike people, Jean Cocteau’s ennui, we do it for

the stars over the Bronx

that they may look on earth

and not be ashamed.

 

Diane di Prima en Allen Ginsberg

Ik heb meermaals

Bart Plouvier

.

Het is vrijdag dus sta ik weer eens voor mijn boekenkast en pak, ongezien een bundel uit mijn boekenkast. Dit keer is dat ‘De 100 mooiste wielergedichten uit de Vlaamse & de Nederlandse literatuur’, verzameld door Patrick Cornillie uit 2014. Vervolgens open ik de bundel op een willekeurige pagina en daar staat het gedicht van Bart Plouvier, getiteld ‘Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen’ eerder verschenen op het blog geelzucht.wordpress.com.

Bart Plouvier (1951-2021) was een Vlaams schrijver en dichter. Plouvier (pseudoniem van Bart Van Schaeren) leverde sinds zijn debuut met de roman ‘De maquette’ in 1987 bijdragen aan talloze tijdschriften en publiceerde hij journalistieke verslagen, diverse romans, theaterteksten, kinderboeken, poëzie, verhalenbundels en reisimpressies.

.

Ik heb meermaals de Tour de France gewonnen

.

Plastic wielen zonder spaken

mijn hoofd kan er door en ik zie

veel kleuren, groen en geel

en het blauw dat niet bestond

mijn vader was God in Frankrijk

hij groef de bergen en de dalen

trok de meten met een regel

plantte mensen langs de geul

mul zand was mijn terrein

sneller dan de buren was ik

de dobbelstenen en Bahamontes

.

ik heb mijn fiets aan de haak gehangen

het peloton is voorbijgezoefd

ik hoor alleen nog ’t kraken van hun banden

.

Esthetiek van de baviaan

Maria Bochicchio

.

In het laatste nummer van Deus ex Machina met als thema Moedertaal. lees ik poëzie van de Italiaanse dichter Maria Bochicchio (1987) is een Italiaanse schrijver en dichter en woonachtig in België. Ze studeerde moderne literatuur en is auteur van de roman Cazzamala (2020) en de dichtbundel ‘Accùra, complementi d’arredo’ (2022). Haar werk is verschenen in bloemlezingen, blogs en literaire tijdschriften – van La Repubblica tot Corriere della Sera , naast Ellin Selae, Poesia del Nostro Tempo en vele andere.

Ze is onderzoeker gespecialiseerd in literatuurwetenschap en dan met name de Portugese en Italiaanse literatuur. Haar expertise ligt bij filologie, linguïstiek, vertalen en tekstkritiek. Voor Deus ex Machina vertaalde ze zelf een aantal van haar gedichten. Ik koos er een van zonder titel.

.

de maag

de ingewanden

het vlees

.

het onzichtbare werk van je botten

levert aan de woestijn

zijn eerste doorn

.

het waakt

op het ritme van de trommels

het open hart van een pad

.

je ziel verslindt de aarde

wachtend op een gebaar,

je zit waar de wind spreekt.

.