Site-archief

Wat we verloren in het moeras

Grant Chemidlin

.

Grant Chemidlin is een queer dichter, docent en auteur. Hij was finalist voor de Gival Press Oscar Wilde Award en de Philip Levine Prize for Poetry en zijn werk is gepubliceerd in onder andere Quarterly West, Iron Horse Literary Review, Tupelo Quarterly  en de Academy of American Poets.  In 2023 publiceerde Grant Chemidlin de bundel ‘What We Lost in the Swamp’ gevolgd door de bundel ‘In the Middle of a Better World’ in 2026. Hij woont in Los Angeles met zijn man en kat en geeft les in poëzie bij PocketMFA en de Poetry Society of New York.

‘What We Lost in the Swamp is een weelderige en levendige dichtbundel die de vele verschijningsvormen van ‘groen’ onderzoekt: natuur, onervarenheid, jaloezie, ontluikende liefde en het ontdekken van seksualiteit. Het is een langzame openbaring, een liefdesbrief aan groei, aan herontdekking, aan het eindelijk leren spreken van de waarheid. De verrassende gedichten in deze bundel stellen de lezer de vraag: Wie wil je zijn in deze wereld? Hoe wil je je leven opbouwen?

De bundel is via welib.org gratis te downloaden en uit deze bundel koos ik het titelgedicht en voor wie het Engels niet (goed) machtig is vertaalde ik het ook naar het Nederlands.

.

What We Lost in the Swamp

.

Boys do not kiss boys. They catch frogs.

Is what I told myself the second it happened.

 

& there we were, hidden in the hemlocks of a secret swamp.

Your lips drifting away from mine like a silent ship

 

leaving harbor. Gone, as quickly as it came. I watched the shame

leap into the pond of your face. O the ripples.

 

How good we were at turning moments into paper,

into things we could crumple up & throw away.

 

You grabbed the frog squirming in my palms

& headed to the “cave,” to the crack between the rocks,

 

where the black & white striped garter snake

slithered into shade. How I wish I could say

 

that I stopped you, that I didn’t watch unhinged jaws

spring out like lightning, wrap around that poor

 

& unsuspecting frog, but I did.

Still too young to believe it, I wanted to see it

 

gone, eaten, that green & slippery part of myself

buried in the belly of a beast.

.

Wat we verloren in het moeras

.

Jongens kussen geen jongens. Ze vangen kikkers.

Dat zei ik tegen mezelf op het moment dat het gebeurde.

.

En daar waren we dan, verborgen tussen de hemlocksparren van een geheim moeras.

Jouw lippen gleden weg van de mijne als een stil schip

.

dat de haven verlaat. Weg, net zo snel als het gekomen was. Ik zag de schaamte

in de vijver van je gezicht springen. O, de rimpelingen.

.

Wat waren we goed in het omzetten van momenten in papier,

in dingen die we konden verfrommelen en weggooien.

.

Je greep de kikker die in mijn handpalmen spartelde

en ging naar de ‘grot’, naar de spleet tussen de rotsen,

.

waar de zwart-wit gestreepte kousebandslang

de schaduw in gleed. Wat zou ik graag willen zeggen

.

dat ik je tegenhield, dat ik niet zag hoe je ontwrichte kaken

als bliksem uitsprongen en zich om die arme,

.

nietsvermoedende kikker wikkelden, maar dat deed ik wel.

Nog te jong om het te geloven, wilde ik hem weg zien,

.

opgegeten, dat groene, glibberige deel van mezelf

begraven in de buik van een beest.

.

Berkenbosch

Elly de Waard

.

Dichter Elly de Waard (1940) schreef in haar werkzame leven al meer dan twintig dichtbundels, en als er een ding over gezegd kan worden dan is het wel dat de liefde een van de belangrijkste, zo niet hét belangrijkste onderwerp in haar poëzie. Het verlangen naar de geliefde, de idylle van het samenzijn, de pijn van het niet-samenzijn, het verdriet na de breuk, en daarnaast het lichamelijke, het zinnelijke, het sensuele.

De Waard schreef honderden gedichten over de liefde. Maar wat tot nu toe nog niet bekend was, is dat vele daarvan geïnspireerd waren door of geschreven voor een zekere C., van wie de identiteit en sekse onbekend blijft. Uit haar omvangrijke oeuvre heeft De Waard nu een selectie gemaakt van deze gedichten in de bundel met de veelzeggende titel ‘Liefdesgedichten’ die eerder dit jaar verscheen.

Op de website van Meander schrijft Ali Şerik in zijn recensie van deze bundel: “De gedichten van De Waard zitten vol ritme en cadans. De dichtregels sluiten op elkaar aan als het bouwmodel van de liefde. Veel gedichten zijn opgebouwd uit disticha. Bovendien beheerst zij de kunst van het afbreken van regels uitstekend. De meeste gedichten hebben geen titel en bestaan uit korte dichtregels die de lezer moeiteloos door het gedicht voeren. Haar toon is zuiver en zorgvuldig. Zij wil begrepen worden en werpt geen raadsels op.”

In deze bundel staat ook het gedicht ‘Berkenbosch’ dat oorspronkelijk verscheen in haar bundel ‘Onvoltooiing’ uit 1988 en het is opgenomen op haar persoonlijke website.

.

Berkenbosch

.

Zij haalde adem, als naalden
die diep door een stof
getrokken worden en regelmatig
ondergedoken is haar draad.

Wij sliepen onder de hanebalken,
het gevlekte, houten hobbelpaard
stond goeiig wakend in een hoek,
de ijsbeer op de grond droeg

op zijn kop mijn muts van bont. Ik was
je lading, lieveling, ik sprong
terwijl het vroor op je wagon, ik
stookte je vuur en samen stoomden

wij de zomen van de nacht langs en
het uur. O nooit moe van met het oog
van de naald van doen te hebben, naait haar
ademen haar slaap steeds vaster toe.

.

Derrel Fest

Derrel Niemeijer (1977-2016)

.

Op 13 oktober 2016 overleed de eerste nachtburgemeester van Eindhoven, dichter, uitgever, columnist en allround bijzonder mens Derrel Niemeijer (1977-2016). Naar aanleiding van zijn overlijden 10 jaar geleden organiseren Abraham von Solo en Irene Siekman op 10 en 11 oktober het Derrelfest 2026. Ik heb louter mooie herinneringen aan deze rebelse maar eigenlijk heel lieve en correcte man die ons veel te vroeg verliet. Zijn manier van dichten, zijn performances, zijn volledig uit de hand gelopen B@Mfest, zijn liefde voor de poëzie, ik schreef voor zijn herdenkingsbundel het gedicht ‘Voor Derrel’ en zoals in het gedicht beschreven zal ik hem mij altijd herinneren.

En nu dus een herdenking van deze kleurrijke dichter, die als beginnend dichter graag naar de podia van poëziestichting Ongehoord! kwam en passagier van het eerste uur van de Poëziebus was. In zijn eigen Eindhoven op plekken waar veel van zijn voetstappen liggen. Zoals in de Gouden Bal en in Artspace Flipside. Komt allen want dit gaat iets bijzonders worden, al is het maar een grote reünie van dichters die Derrel van dichtbij gekend en gewaardeerd hebben. Hieronder vind je de uitnodiging, er is ook een Facebookgroep aangemaakt voor dit event.


Op zaterdag 10 oktober: Het grootste en gekste Open Podium voor woordkunst dat je je kunt voorstellen!
Iedereen kan meedoen.
Iedereen komt aan de beurt.
Alle remmen los!
En dat alles ter ere van de tien jaar geleden naar de eeuwige dichtvelden verhuisde Nachtburgemeester van Eindhoven: Derrel Niemeijer.
De volgende dag op zondag 11 oktober is er een heuse herdenkingshappening met een uitgebreid cultureel programma in de voormalige Artspace Flipside in Woensel (tegenwoordig T56).
Met onder andere, mogelijk wel of niet, in volstrekt willekeurige volgorde, lijfelijk dan wel in geest aanwezig:
DICHTERS: Lynn van Hooff, Gijs ter Haar, Jules Deelder, Doeko L., Petra Fenijn, Von Solo, Monique Hendriks, Gert Vanlerberghe, O’ ten Tic Tim, Pom Wolff, Hans F. Marijnissen, Menno Smit, Simon Vinkenoog, Andrew Cartwright, Joz Knoop, Gerard Scharn, Willem Adelaar, Paul Sterk, Pit van Nes, Irene Siekman, Finn Pelser, William S. Burroughs, Lea Theunissen, Jan Ducheyne, Think Poets e.v.a.
MUZIEK: Iris Penning, Stijn Charpentier, Woordspoken
FILM: Gershard Coxx (unieke avant-première)
Met kunstexpo!
PRAKTISCH:
10 oktober, 15:00 uur – laat (inloop 14:00 uur)
(Sl)open Mic @ Cafe de Gouden Bal
Hoogstraat 112a (gratis toegang)
11 oktober, 14:00 – 16:30 uur (inloop 13:00 uur)
Happening @ Artspace Flipside (T56)
Tarwelaan 56 (gratis toegang)
met kunstexpo!
derrelfest.podiumpoezie.nl
En natuurlijk geen bericht over Derrel zonder gedicht van Derrel. Uit zijn bundel ‘Krankzinnig Aangedicht!!!!!!‘ uit 2013 het gedicht ‘Bedorven vruchten’.
.
Bedorven vruchten
.
Op baby’s gaan zitten is
niet hetzelfde als babysitten, dat had de moeder moeten
vertellen van te voren.
Nu geen geld
en 1 dood op mijn geweten.
Zal niet de 1ste keer zijn
dat ik iets heb gedood,
op de handdoek
nog het massagraf van
fruitvliegjes en
de vensterbank ligt vol
met anders gevleugelde.
Elfjes gooi ik op sterk water
want wil alleen
een “Engeltje” in
mijn leven.

.

Jonge dichter

Louise van der Veen

.

Louise van der Veen (2000) studeert klinische technologie in Delft en filosofie in Rotterdam. Het volgen van de minor creative writing aan de UvA heeft haar al bestaande voorliefde voor taal verder versterkt. Haar gedichten worden gekenmerkt door introspectie; dit vormt het uitgangspunt voor bredere reflecties. Ze haalt zowel vragen als inspiratie uit de filosofie. Filosofie is haar zoektocht naar de bron van dingen en poëzie is voor haar de manier om deze zoektocht in relatie te brengen met de geleefde wereld. In haar poëzie onderzoekt ze brein, perceptie en verbeelding.

Alles is volgens haar een beetje vreemd, zo lang je er maar goed genoeg naar kijkt. Toen ik dat las had ik meteen een zwak voor haar. Met een open en nieuwsgierige blik de wereld bezien, zo zie ik het graag. Haar gedichten verschenen bij Elders Literair, Hard//hoofd, en in de bundel ‘Omhoog slaan’ (2026) van het Haagse jonge dichterscollectief FFÛH. FFÛH is een collectief en literair platform voor jonge Haagse schrijvers. In FFÛH zit een groot verlangen naar een breder podium voor het onontdekte schrijftalent dat zich in Den Haag schuilhoudt. Het heeft zich ontpopt tot platform voor poëzieavonden, open mics en collectieve schrijfsessies. En het biedt de ruimte aan nieuwe dichters om in een bundel gepubliceerd te worden. Ook draagt ze haar gedichten vaak voor in samenwerking met haar poëzieband Wildgroei (samen met Bart Lanser en Tara Zagorac). Van haar hand is het onderstaande gedicht ‘Pluto’.

.

Pluto

.

hiervoor?
hiervoor was er beweging

nu besta je het meest, eigenlijk alleen, vastgeklampt aan stenen
dus je redt wat je kan dragen
vormt een slaapkamer vol verjaardagskaarten
te klein geworden spijkerbroeken, vijf gemiste oproepen
dingen die je weet

je probeert je eigen baan schoon te vegen
ontdekt handen die vuisten zijn geworden, dus je knoeit
biedt de verkeerde plekken schaduw
begint te denken dat het falen ligt in de moed voor dingen
dat je als een boom met takken nog niet in je armen bent gegroeid
probeert je armen los te kloppen, ontdekt dat ze wel kunnen slingeren
maar nog niet los van elkaar

het probleem is het gebrek aan licht in de slaapkamer
je denkt dat een plafondlamp wensen kan vervullen
wil bezem en aansteker, wil schouders
die passen, handen die je in de toekomst
recht kan houden, de vingers gescheiden

je bent alleen
er is niemand om deze woorden een duwtje in de rug te geven

je bukt
handen rondom het stopcontact gekromd
vertel je het witte kastje fluisterend
over het verlangen naar een navelstreng
het vormen van bladeren, dagen die je zelfstandig kan dragen

weggeschopte stenen

.

De kerkdijk

Clara de Groen

.

In de literair tijdschrift Liter #121 las ik het gedicht ‘De Kerkdijk’ van dichter Clara de Groen. Clara de Groen is geen onbekende voor de lezers van Liter, in 2025 (#116) stond ze al met het gedicht ‘De groene Maria’ in het tijdschrift en eerder ook al in nummers 107 en 108. Clara de Groen (1952) studeerde Journalistiek in Tilburg. Tijdens een weekend Creatief Schrijven raakte ze gefascineerd door de vele beelden die in haar hoofd opkwamen en volgde ze cursussen poëzie in Nijmegen en bij ’t Colofon in Maastricht/Amsterdam.

Naast de publicaties van haar gedichten in Liter verscheen poëzie van haar hand op Meander, In Het Gezeefde Gedicht, in verschillende verzamelbundel en in Meulenhoffs Poëziekalender. Een bundel van haar is in voorbereiding. In Liter #121 is het gedicht ‘De Kerkdijk’ opgenomen.

.

De Kerkdijk

.

Trek je oudste kleren aan, liefst ongestreken.

Poets je tanden niet, was je niet en kam je haren niet.

.

Rommel wat aan in huis, maar ruim niets op en was

niets af. Laat de onrust van je afglijden.

.

Ga op de bank liggen en luister naar de regen

of naar de muziek, die traag en langzaam

.

door je aderen vloeit, je hart aanraakt. Treur een beetje

als de maand van het nieuwe leven ontluikt.

.

Je kent de namen die geschreven staan op de grafstenen

op het kerkhof. Mijmer wat over wie je kende.

.

Trek je oudste kleren aan, liefst ongestreken.

Poets je tanden niet, was je niet en kam je haren niet.

.

Woorden vallen uiteen

Sasha Stiles

.

In 2018 vroeg Sasha Stiles(1980), een Kalmykisch-Amerikaanse dichter, kunstenaar en AI-onderzoeker van de eerste generatie, zich af wat de opkomst van grote taalmodellen zou betekenen voor schrijvers en voor creativiteit in het algemeen. Om de mogelijkheden te verkennen, begon ze meer dan tien jaar aan analoge gedichten en onderzoek te vertalen naar een gepersonaliseerd AI-model, waarbij ze de menselijke stem aanvulde met de verbeeldingskracht van de volgende generatie.

Ze wordt algemeen erkend als een pionier op het gebied van generatieve literatuur en taalkunst. ‘Technelegy’ (2021), een gezamenlijk project van Stiles en haar poëtische alter ego,  is een vooruitziend artefact uit het tijdperk vóór ChatGPT, een verzameling generatieve gedichten ingebed in hun eigen trainingsdata, en een ongekend experiment dat verleden en toekomst, vrouw en machine, vers en code, elegie en woordspel versmelt, op zoek naar antwoorden op de dringende vraag: wat betekent het om mens te zijn in een bijna postmenselijke wereld? 

In een tentoonstelling getiteld “Poem in Residence” in het Museum of Modern Art in New York (MoMA) die tot het voorjaar van 2026 liep, onderzochten Sasha Stiles en haar samenwerkingsverband Technelegy wat het betekent om te leven in het tijdperk van kunstmatige intelligentie. Via een oneindige tekst, aangedreven door menselijke verbeelding en computeralgoritmes geïnspireerd op tekstkunst uit de collectie van MoMA, herschrijft het gedicht zichzelf elk uur. Wat hieruit voortkomt is niet alleen een nieuwe generatieve methodologie, maar ook een kader voor het begrijpen en uitdrukken van wat het betekent om vandaag de dag mens te zijn. 

Hieronder zie je een paar voorbeelden en van het eerste voorbeeld ook de tekst.

.

Words come undone
in our hands —
a pulse not heard
but felt. Deep
within, vibrations stir
the core. You
read — lines
form, meanings
shift. Each
mark a revelation.

.

Ruisen van berken, een recensie

Jan Kleefstra

.

De Friese dichter Jan Kleefstra (1964) is geen onbekende, zo stond hij in MUGzine #30 en ik schreef al eens eerder over hem op dit blog. En nu is er een nieuwe bundel van hem gepubliceerd bij uitgeverij Aspekt met als titel ‘Ruisen van berken’.

De bundel is netjes uitgegeven met een omslagafbeelding van een berkenbos van Christiaan Kuitwaard. De bundel kent geen hoofdstukken en de gedichten hebben geen titels.

Het openingsgedicht lijkt een soort mantra voor de bundel te bevatten:

.

Fluister maar niet

in al dit gedruis ga je toch verloren

.

zo nu en dan een klein woord ertussendoor

.

wind heeft tijdenlang nodig de op hoge

stelten vertrokken verzen neer te halen

.

hier en daar als zaad neergestrooid

halen ze de oneindigheid niet

.

maar als je hier zo graag wilt leven

.

heb nog een beetje geduld

.

In dit gedicht maar dit is in vrijwel alle gedichten het geval, verhoudt de dichter zich tot de natuur. En dan niet alleen de natuur van de berken in de titel (maar daarover later meer) maar allerlei vormen van natuur; vogels (ik noteerde de zwaluw, de lijster, de gans, de leeuwerik, de stern, de havik, de raaf, de spreeuw en de meeuw), het weer (regen, wind, wolken, mist) maar ook het leven in een dorp (het uitzicht, de beperkingen van een dorp, de weilanden, het bos) en de seizoenen (en dan vooral de winter).

De dichter neemt je mee in zijn wereld, en beschrijft deze in een mix van de genoemde onderdelen: “pas dan schudt ook de wind haar veren” of “licht dat een wulp meebracht”, “dat zwaluwen een dag langer / de winter zacht maken” of “het vogelarm sjouwen van de voortjagende hemel”.

Wat verder opvalt is het ontbreken van de mens in de gedichten. Er is een ik van waaruit indrukken en ervaringen worden gedeeld en benoemd, de dichter die alles ziet, in zich opneemt, hoort en weergeeft in poëzie. Ik weet niet of dat het is dat de gedichten mij tot rust brengen, of dat bij elk gedicht de lezer in ‘rust’ (ook als er wind waait of berken ruisen) wordt gesust, maar het werkt.

Dat de  bundel ‘Ruisen van berken’ als titel heeft meegekregen verraste me na lezing. De berken komen eigenlijk pas voor in de laatste gedichten. Veel prominenter aanwezig zijn de wind, de meeuwen en de wolken die vanaf het begin tot het einde regelmatig langskomen. Omdat de bundel geen hoofdstukken kent en de gedichten geen titels is het eigenlijk een lang verhalend gedicht dat in stukjes is opgeknipt. Dat zorgde er bij mij in ieder geval voor dat ik de bundel in één stuk heb gelezen, de dichter gunt je geen rust maar schenkt je die in de vaak verstilde gedichten. Ik heb ervan genoten.

Tot slot nog een gedicht uit de bundel.

.

Maar aan één zijde van de sloot waait het

laten we daar gaan zitten

een territorium verover je niet zomaar

.

het nadert anders dan het ons achterlaat

.

de onrust van de meeuwen

voorspelt een hongerig voorjaar

.

kijk maar wat er siddert

daar waar met de eenden

plekken onberoerd zijn gebleven

.

.

 

Klaske Havik

Haperend

.

Klaske Havik (1975) is hoogleraar Methoden van Analyse en Verbeelding aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. In haar academische werk ontwikkelde zij een literaire benadering van architectuur die zich toespitst op de ervaring, het gebruik en de verbeelding van ruimte. Haar literaire werk verscheen onder meer in DWB, Terras en De Revisor en Vanuit de Lucht. Haar gedichten werden vertaald naar het Engels ‘Way and Further’ (2021) en naar het Ests als ‘Tee Edasine’ (2026).

Nu is bij uitgeverij Van Oorschot haar eerste Nederlandse dichtbundel verschenen met de titel ‘Benader’. De uitgever schrijft over deze bundel op haar website: “In ‘Benader’ bouwt architect, hoogleraar en schrijver Klaske Havik werelden met woorden. Aarde en steen, licht en klank zijn de bouwmaterialen die volgens Havik plekken tot leven roepen. De bundel voert langs landschappen, steden en gebouwen en schetst sfeerbeelden van voetstappen in stegen, stilte in sneeuw, licht dat valt op een betonnen muur, een ontmoeting, een verte. Het zijn plaatsen van herinnering, verbeelding en benadering: dichten is dichtbij brengen. Elke beschrijving is een benadering – het is een dichtbij komen op een manier die niet definieerbaar is, maar doorvoeld.”

Ik koos uit deze bundel het gedicht ‘Haperend’. beoordeel zelf of de woorden van de uitgever hout snijden.

.

Haperend

.

hij wijst boeken met voeten aan

ademt tussen woorden door

mijn stappen in zijn

.

huis zijn zwaar in zijn

bewegingsloze dagen

haperend is ons verhaal

.

wat zeggen nog de lichamen

wanneer alleen de taal

ons niet verlamt?

.

we zijn verder weg dan ooit

maar zijn er nog

en dichterbij dan mogelijk

.

 

Han van der Vegt

Eenzame goden, een recensie

.

Uitgeverij Opwenteling weet mij telkens weer te verrassen. Dit keer met de bundel ‘Eenzame goden’ van dichter, schrijver en vertaler Han van der Vegt (1961). De verassing zit hem dit keer niet alleen in de inhoud van de bundel, daarover zo meer, maar vooral ook in de manier waarop deze is gepubliceerd, in oblong formaat maar dan aan de lange kant genaaid. Of anders gezegd zoals de dwarsliggers van de gelijknamige uitgever. Je leest ze overdwars. Voordeel van ‘Eenzame goden’ is dat deze bundel op een groter formaat is gedrukt wat de leesbaarheid ten goede komt. In deze bundel zijn 12 gedichten opgenomen waarvan er 11 eerder verschenen in allerlei tijdschriften, de oudste in 2002.

Waarom dan deze bundeling kun je je afvragen? Daarop geeft de verantwoording achterin de bundel uitsluitsel. Zo schrijft Han: “Tientallen jaren nadat ik en de mij toebedeelde god elkaar verder met rust hadden gelaten, kwamen er goden en aan goden verwante  verschijnselen terug in mijn gedichten. Lang wist ik niet wat ik met die gedichten moest doen. Ze pasten in geen enkele bundel. Ze stapelden zich op. Hier zijn ze eindelijk verenigd. Hier kunnen ze elkaar gezelschap houden.”

Los van de inhoud van de poëzie vind ik dit een mooi gegeven en in de keuze van de gedichten is duidelijk terug te lezen wat Han hier stelt. De goden die Han aanhaalt zijn van diverse pluimage. Dat lees je terug in de titels van de gedichten zoals ‘De terugkeer van de goden’, ‘Geen tweede god’, en ‘Het hemelsnoer’. Maar juist in die andere gedichten lees ik de ‘aan goden verwante verschijnselen’ en de godheid in dingen terug.

Zoals in het gedicht ‘Victory Boogie Woogie’. Hierbij moet ik een persoonlijke ervaring beschrijven waardoor dit duidelijk wordt. Toen mijn dochters jong waren (1 en 3 jaar) nam ik ze vaak mee naar het Gemeentemuseum in Den Haag (tegenwoordig Kunstmuseum), waar ik dichtbij woon. Ik herinner mij de eerste keer dat we de zaal binnenliepen waar de Victory Boogie Woogie hing. Mijn oudste dochter liep ernaar toe, stond stil dichtbij het schilderij en bleef daar minutenlang stilstaan en kijken naar dit werk van Mondriaan. Elke keer wanneer we naar het museum gingen gebeurde dit opnieuw en op enig moment liep ze vooruit en hoefde ik haar alleen maar te volgen, want ik wist naar welke zaal ze ging. Zo’n ervaring zou je een vorm van goddelijke interventie kunnen noemen. In het gedicht lees ik dit terug.

In het eerste gedicht ‘De terugkeer van de goden’ beziet Han de goden van een heel andere kant, alsof hij de wereldgodsdiensten probeert te duiden vanuit een standpunt dat mij deed denken aan het boek ‘Waren de goden kosmonauten’ van Erich von Däniken uit 1968. In ‘Het hemelsnoer’ lees ik een ongebreidelde fantasie terug van de dichter en in ‘Opstand van Majakovski’ is het futurisme en het subversieve karakter van de dichter het ‘aan de goden verwante’ deel.

Dat goden in de ogen van Han van der Vegt niet alleen een soort superwezens zijn of mensen met goddelijke eigenschappen blijkt dan weer uit het gedicht ‘Karbonkel’. Een karbonkel is behalve een groep steenpuisten ook een eenogig monster. In dit gedicht lijkt het of de dichter de eigenschappen van beide heeft willen verenigen in een huis, een huis dat daarmee (goddelijke) krachten krijgt. Een huis met menselijke trekjes of moet ik zeggen goddelijke trekjes en komen die twee misschien wel met elkaar overeen?

Die koppeling van de sterfelijke en de onsterfelijke vorm lees ik ook terug in het gedicht ‘Uitvaart’. Onwillekeurig moet ik aan Charon, de veerman uit de Griekse mythologie denken die overledenen de rivier de Styx overzette naar de overkant waar het dodenrijk gelegen was.

Om niet alles weg te geven laat ik de laatste 5 gedichten voor de lezer. Wat deze bundel vooral typeert voor mij is de enorme rijkheid van de taal van de dichter, de ongebreidelde fantasie, het vermogen om bekende fenomenen, mensen, zaken, goden, onder de noemer van ontgoochelde goden, verholen goden, aspirant goden en verdoolde goden een plaats te te geven en daar een eenheid van te maken. Voor gedichten die in de loop van meer van 20 jaar geschreven zijn is dat heel knap.

Ik moest even wennen aan de bladspiegel (gecentreerd in het midden, links en rechts, meerdere tekstvlakken op een pagina) maar gek genoeg went dit snel en misschien juist wel door de gekozen, liggende vorm. Deze bundel verschijnt in de serie De Kreeftafslag waarin bekende dichters hun a-typische werk uitbrengen, experimenteel en non-conformistisch. Als gegoten passend in het fonds van uitgeverij Opwenteling; eigenzinnig, anders, aantrekkelijk en inspirerend.

Om met een gedicht te eindigen, koos ik voor het slotgedicht in de bundel ‘Babylon’ dat in de bundel rechts van het midden is gecentreerd maar dat ik hier links zal centreren.

.

Babylon

.

bij de rivier van mijn verlies zit ik neer

wat zal ik maken

om wat ik gemaakt heb te vergeten

.

bij de rivier zit ik neer

en luister hoe ze me uitlacht

terwijl ze al wat ik gemaakt heb meesleurt naar zee

.

bij de rivier van mijn onttakeling zit ik neer

ik zie de brokstukken van wat ik gemaakt heb voorbijdrijven

en ik herken ze niet

.

mijn machtige handen

zijn wanstaltige handen

mijn stem die de golven beveelt

versta ik niet langer

.

bij de rivier van mijn mislukking zit ik neer

wat zal ik maken

om te vergeten dat ik niet maken kan?

.

Memento Mori

Emerald Liu

.

Ik was enige tijd geleden in de centrale bibliotheek van Den Haag voor een afspraak en omdat ik iets te vroeg was begaf ik mij naar de tijdschriftenhoek op de begane grond. Omdat ik geen abonnement heb op de Poëziekrant, lees ik die altijd graag in de bibliotheek. In het tweede nummer van 2026 (de Poëziekrant verschijnt zes keer jaar) las ik een museumgedicht van de Sino-Belgische schrijver en dichter Emerald Liu (1991) getiteld ‘Memento Mori’.

Dit gedicht is bij een schilderij gemaakt van de Meester van Frankfurt getiteld ‘De schilder en zijn vrouw’ uit 1496. De Vlaamse renaissanceschilder de Meester van Frankfurt (1460 – ca. 1533) is de noodnaam van een schilder die waarschijnlijk Hendrik van Wueluwe is. Het pseudoniem Meester van Frankfurt had niets met de afkomst van de schilder te maken, maar met het feit dat zijn belangrijkste werken in Frankfurt am Main zijn verkocht.

Maar terug naar de dichter Emerald Liu. Haar werk werd gepubliceerd in tijdschriften als Deus Ex Machina, nY en Hard//Hoofd, maar ook in ‘Where Else: An International Hong Kong Poetry Anthology. In 2022 werd ze uitgenodigd om deel te nemen aan de Parijs-residentie van deBuren. Liu is naast dichter poëzieredacteur bij Kluger Hans en Poëziekrant, en ze is lid van het feministisch makers-collectief Hyster-X.

.

Memento Mori

.

je staart

komt dichterbij

kijk me aan

bewandel mijn hand

land zacht op mijn hoofd

.

er is geen buigzaam verleden

enkel roest

een kroonblad staat wit op zwart

wankelt wordt wacht neen is

een verrukking

.

kantel je gezicht zo

nu haast een glimlach die balanceert op je

lippen robijnen in een hap van een kers en

barst het is zo voorbij bijt me bont

alsjeblieft is enkel een achtste rust in

de tijd dirigeert onze handen zoeken een

houvast

.

viooltjes vergeet niet ons dagelijks brood

en bid voor een morgen die we kunnen

delen

het licht kruimelt

en in de verte landt een roetvlok in

de sneeuw

vergaat

.