Site-archief

Hotelkamer

Koningsdag

.

Vanmorgen hoorde ik op de radio dat de koning en koningin vannacht in een van der Valkhotel hebben geslapen in Hurdegaryp (ze zijn zo gewoon gebleven). Omdat ik vandaag een gedicht wilde delen dat over een koning of over een vrijmarkt gaat (maar die kon ik zo snel niet vinden) heb ik dit gegeven aangegrepen. In de bundel ‘Door mij spreken verboden stemmen’ bloemlezing uit de moderne buitenlandse poëzie 1900-1950 samengesteld door Sybren Polet uit 1975 (1e druk 1961) vond ik het gedicht ‘Hotelkamer’.

Ik zie dat helemaal voor me, de koning en koningin in een kamer in een vleugel waar buiten de prinsesjes alleen maar beveiliging aanwezig is. ’s Morgens naar het ontbijtbuffet in de ontbijtzaal waar opnieuw geen andere gasten aanwezig zijn; broodje kaas, broodje jam, koffie en thee, heerlijk kneuterig allemaal. Het gedicht ‘Hotelkamer’ van de Tsjechische dichter Jiří Wolker (1900-1924) beschrijft zo’n kamer, zoals ook in het hotel waar de koninklijke familie verblijft. Het gedicht ‘Hotelkamer’ werd vertaald door J. Molitor.

Jiří Wolker behoort, ondanks zijn vroegtijdige dood op 23 jarige leeftijd (tuberculose), tot de belangrijkste Tsjechische dichters. Tijdens zijn leven publiceerde hij slechts drie boeken: ‘Host do domu (Gast in het huis), ‘Svatý Kopeček’ en ‘Těžká hodina’ (Het zware uur) alle drie uitgegeven in 1921. De gedichten in ‘Host do domu’ worden gekenmerkt door elementen als harmonie, afwezigheid van conflicten, de schoonheid van het leven en liefde voor mensen en alledaagse dingen.

Wolker was samen met Karel Teige de oprichter van de Tsjechische kunststroming Proletářské umění (Proletarische kunst). Daarom werd hij beschouwd als een proletarische dichter, hoewel hij nooit tot de proletariërs behoorde. Deze stroming beeldde vooral de arbeidersklasse uit , haar onderdrukking en uitbuiting. Ze werd gekenmerkt door haat tegen oorlog en een verlangen naar een rechtvaardige wereld.  

,

Hotelkamer

.

Een kamertje van zes kroon,

nummer vijfentwintig,

met uitzicht op een muur, wasstel en bed,

knikkebolt op een samengelijmde

stoel en tuurt

als een jonkvrouw rijk aan jaren,

die veel gezien heeft, niet bemind, geen min ervaren.

Wie des middags al komt voor de nacht

gaat zitten op het bed, met lege handen,

en denkt ingespannen na

of niet iemand

of niet iemand uit deze vreemde stad

kan komen om hem een onbetaalde glimlach te brengen

en iets goedigs, lichts en warms te zeggen,

dat zelfs de allerdroefste dingen in de kamer zien,

dat alles toch niet zó is als zij soms wel denken.

.

Yo! de liefde

Maria van Daalen

.

Over de schrijver en dichter Maria van Daalen (1950) schreef ik al een aantal malen. Over een bijdrage die ze schreef in ‘Die eeuwige wind‘ (over de Wierde van Wierum in Friesland) uit 2010,  over haar erotische bundel ‘Elektron, muon, tau‘ uit 2000 en over haar werk als vertaler van de poëzie van Dorothy Porter.

Vandaag wil ik een mooi liefdesgedicht met een licht erotische ondertoon van Maria (pseudoniem van Maria Machelina de Rooij) met jullie delen. Omdat het alweer even geleden is en omdat het altijd een goed moment is om een liefdesgedicht te lezen. Uit haar bundel ‘Yo! de liefde’ uit 2003 komt het gedicht ‘Opening’.

.

Opening

.

Het langzame ballet van twee lichamen

in bed, je hand onderzoekt mijn borst, je kust

de tepel, je zucht, legt je voorhoofd rustig

tegen mijn borstbeen, mijn hart, we zijn samen

.

voorzichtig op zoek naar liefde, een drama

in één bedrijf, steeds hetzelfde toegerust

maar nieuwe benaderingen, intussen

geef je wankel koningsgambiet aan dame.

.

Je zoekt veiligheid als je onder me ligt,

als ik over je heen welf, warm en levend,

mijn tepel raakt je lippen, mijn hand steunt je.

.

Ben je bij me? In mijn ogen, jouw gezicht.

Ik til je hoofd omhoog. Daar gaan we, zwevend.

Je bijt in mijn onderarm, en dan kreun je.

.

Gelijk de Phoenix

Jaap van Yperen

.

Van mijn collega kreeg ik een, door de bibliotheek Rotterdam, afgeschreven tijdschrift met de titel ‘Vlaardingen vooruit’ dat werd uitgegeven ter gelegenheid van de grote tentoonstelling , welke gehouden werd van 3 tot en met 14 augustus 1946. Volgens het redactionele stukje voorin had dit blad tot doel de ontwikkeling der gemeente Vlaardingen in de loop der jaren te demonstreren. Van een klein vissersdorp aan de Maas werd Vlaardingen tot de derde (!) zeehaven van Nederland en een belangrijk industriecentrum.

Toen ik dit las moest ik meteen aan iets denken uit 1997. In dat jaar werd ik directeur van de bibliotheek Maassluis en Maasland. In de bibliotheek stond een kast vol boeken in het Fries. Ik verwonderde mij hierover en mijn collega’s wisten mij ook niet meer te vertellen dan dat er veel vraag was naar Friese boeken. Later begreep ik dat na de tweede wereldoorlog er heel veel mensen uit het noorden van Nederland (Groningen, Friesland en Drenthe) naar het Rijnmond gebied waren getrokken omdat er hier heel veel werk was te vinden. Het belangrijke industriecentrum in Vlaardingen zal hierin ongetwijfeld een rol hebben gespeeld.

Terug naar ‘Vlaardingen vooruit’. Op pagina drie onder het redactioneel commentaar en de woorden van de toenmalige burgemeester is een gedicht geplaatst van ene Jaap van Yperen (1901-1972). Jaap van IJperen (van Yperen was zijn pseudoniem) schreef voornamelijk sonnetten. Hij was zeeman en arbeider op een scheepswerf. Hij debuteerde in 1945 met de bundel ‘Blauwe lucht’ en pas in 1956 verscheen zijn tweede bundel ‘De Aeolusharp’. In 1968 verscheen ‘Twee vrienden op een havenhoofd’ maar daarvan ben ik niet zeker of het poëzie was en in 1971 verscheen, onder auspiciën van de Culturele Raad van Vlaardingen, ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de dichter ‘Archief 70 gedichten’.  In 2001 verscheen ten slotte postuum nog, in beperkte oplage, in Vlaardingen een bundeltje ‘Heimwee’.

In ‘Vlaardingen vooruit’ is zijn sonnet ‘Gelijk de Phoenix’ opgenomen, een gedicht dat vlak na de oorlog, nog duidelijk de oorlog als onderwerp heeft.

.

Gelijk de Phoenix

.

Ik hoor de lichte golfslag breken tegen

De sterke kademuren waar voorheen

Je vissersvloot zo dikwijls heeft gelegen

Maar ach, dat is al weer zo lang geleên

.

Toen is de oorlog over ons gekomen,

De vijand nam je schepen één voor één.

Zullen wij van ’t verleden blijven dromen

Of onze blik der toekomst richten heen?

.

Nu loop ik langs je lege kaden, zoekend,

Vergeefs misschien, ’t verloren paradijs.

Maar een legende die ik eenmaal las

.

Spookt door mijn hoofd, en in mijzelve vloekend

Den ik; mijn oude Vlaardingen herrijs,

Gelijk de Phoenix uit zijn eigen as.

.

 

Wij hebben niets te willen

Elmar Kuiper

.

Als bezoeker van de Nacht van de Poëzie kun je een gratis Nachtbundel ophalen in Tivoli/Vredenburg. Ik was er dit jaar en ook ik heb zo’n leuk klein aandenken aan deze nacht opgehaald. Opgenomen in de bundel ’40ste Nacht van de Poëzie’ zijn gedichten van de deelnemende dichters. Een van die dichters is Elmar Kuiper. Voor mij een nieuwe naam. Kuiper (1969) schrijft naast poëzie ook korte verhalen en toneelwerken en is daarnaast ook nog eens beeldend kunstenaar, performer en filmmaker.

Kuiper maakt deel uit van het improvisatiecollectief (mooi Scrabblewoord) Tsjinlûd en is ook nog eens zanger van Tigers fan Greonterp. Naast zes Friestalige bundels schreef hij drie Nederlandstalige bundels waarvan de meest recente ‘Blauwe Hanen’ is uit 2023. Ik lees in de Nachtbundel dat Rob Schouten hem in Trouw ‘een onmiskenbaar dynamische dichter’ noemt en ‘zangerig en ruwhartig’. Kuiper publiceerde naast zijn bundels ook gedichten in poëzietijdschrift Awater en in De Revisor.

In de Nachtbundel is het gedicht ‘Wij hebben niets te willen’ opgenomen.

.

Wij hebben niets te willen

.

je verzoekt hem vriendelijk

te vertrekken

.

dit was de afspraak niet

wij hebben geen afspraak zegt hij

je moet de spitskool in partjes snijden

ma staat er alleen voor

.

het is niet echt

maar je wilt

dit niet

.

je wilt het laten rusten

maar hij grijpt je hand beet en

neemt je mee naar het koehuis

.

de kippen leggen best zegt hij

.

je moet de zak met fijn-

gemalen schelpen opensnijden

anders worden de doppen te dun

goed sul ook voor hun maagjes

.

dat weet ik heus wel pa

.

wil je nu weggaan

wij hebben niets te willen zegt hij

.

Vluchtstofgoud, een recensie

Dien L. de Boer

.

Na haar poëziedebuut in 2014 ‘niet het moment maar het nagonzen’ verscheen in 2022 de nieuwe bundel van Dien L. de Boer (1957) bij uitgeverij Palmslag getiteld ‘Vluchtstofgoud’. Toen Dien L. de Boer vanuit Amsterdam verhuisde naar Friesland, werd bij haar het idee geboren om een poëziepodium te creëren. Dat werd Dichter op de Deel in Exmorra. Vanaf 2008 hebben dichters uit vele windstreken hun stem laten horen, zowel gevestigde als aanstormende talenten. Dien L. de Boer programmeert, organiseert, en presenteert dit podium.
Haar nieuwe bundel bestaat uit 5 hoofdstukken die haar leven volgen vanuit haar jeugdjaren, plekken waar ze gewoond heeft, naar Amsterdam, familie en vervolgens Friesland waar ze zich heeft gevestigd en is geworteld. Een reis van het platteland naar de grote stad en weer terug naar het platteland.

De poëzie van de Boer is verfijnd, persoonlijk en biedt ons een kijkje in haar innerlijke wereld. Van haar jeugd waarin de traditionele rollen in het gezin waar ze opgroeide vastgeroest zaten, het niet gezien worden ‘ver achter de komma haast verwaarloosbaar’, maar ook de man/vrouw verhoudingen ‘iedere stap die wij meisjes zetten / voor een beeldscherm kan leiden / tot een sneer’ en opnieuw een moeder die haar niet ziet ‘op de schaal / van haar stem praat mijn moeder / met meer gewicht over de jongens’.

En wanneer ook haar broers zich gaan verzetten tegen de ‘getrimde slapen van mijn vader’ met hun sliertharen, volgt het gedicht ‘ondertussen’ dat een volgend hoofdstuk inleid. In dit gedicht neemt ze afscheid van haar kinderjaren en de plek waar ze opgroeit.

.

ondertussen

.

van het kleine perron tussen de akkers

werd ik opgepikt door een rode dieselboemel

die mij naar een intercity bracht

.

huizen bekeek ik van hun rommelige

achterkant, randwijken strekten hun bakstenen

tenen uit naar bedrijfsterreinen – ik doezelde

.

op de aandrijving, hoorde ondertussen

de noordelijke tongval veranderen in hollands

zag slootjes snakken naar adem, reed tussen

.

de passagiers met ieder een andere bestemming

als vanzelf de geur binnen van een stedelijke

stationshandel, stapte uit naar het onbekende

.

Hoeveel jongeren die gaan studeren in de grote steden of werk gaan zoeken daar hebben deze reis wel niet gemaakt. In dit gedicht is een ervaring beschreven die voor heel veel mensen herkenbaar is denk ik. In het hoofdstuk ‘volgende huizen’ reist de dichter naar Berlijn waar ze zichzelf vindt in een totaal andere omgeving, ‘ik ontdekte, leefde ’s nachts / voor het eerst te midden van miljoenen / de huurkazerne omsloot meisjesogen / misschien konden in mij onbekenden / hier bloeien’. Maar ook daar is een omslagpunt. In het gedicht ‘zwart is tijdloos’ wordt dat heel indringend beschreven.

Uiteindelijk belandt de dichter in de hoofdstad. In het gelijknamige hoofdstuk beschrijft de Boer de opwinding van het wonen in die grote stad maar komen ook de twijfels, de irritaties, het ergeren aan ‘feesten op andere etages, het telefoongepraat / in de achtertuin’ en ‘het bonkend / de trap op stormen van buren naast mijn bed / de machines van doe-het-zelforkesten’.

Na het hoofstuk ‘hoofdstad’ volgt ‘nachtelijk netwerk’ waarin persoonlijke relaties aan bod komen en waarin de vereniging met de familie aan bod komt, de moeder van negentig, het kranteneiland van haar vader en de dichter die een persoonlijke veerdienst onderhoud met ‘hen in wie ik uiteenval / in een kleine of grote betekenis’.

Tot slot is er de terugkeer naar de plaats waar ze afscheid van had genomen in het hoofdstuk ‘friesland’. In het gedicht ‘vleugelvlug’ beschrijft ze aan de hand van de vlucht die zwakuwen maken haar eigen reis: ‘het is een tocht geweest van duizenden kilometers / waarna de vleugelvlugge zwaluwen hier aankomen’ en ook ‘wij zijn teruggevonden’ in de laatste strofe.

Maar ook terug in Friesland blijft de dichter kritisch, nu niet op haar afkomst, haar jeugd en familie maar op hoe er omgegaan wordt met het land en de natuur, in het gedicht ‘friesland’ heel mooi beschreven in de eerste strofe: waar de wind altijd werkt / en de voorraad vogels zowat / is teruggebracht tot meeuwen / zwalkend boven de mestdrap / van geïnjecteerde landerijen’.

‘Vluchtstofgoud’ heb ik met veel plezier gelezen, de reis die de dichter maakt en waarin ze je meeneemt in haar gedichten verrast en boeit, je voelt in de gedichten de strijd die de dichter voert, de opluchting, de frustratie, de blijdschap en de vooruitgang die ze in haar ontwikkeling boekt. ‘Vluchtstofgoud’ is een prachtig ego document dat door veel mensen herkenbaar zal zijn. Haar taal is uitnodigend, het ontbreken van hoofdletters of punten heeft me geen enkel moment in de weg gezeten. Deze bundel heeft me nieuwsgierig gemaakt naar haar debuut uit 2014.

.

Friesland

Dien L. de Boer

.

Bij vakanties denken de meeste mensen aan verre reizen, of de camping in Frankrijk, stedentripjes of een dagje aan het strand. Je kunt natuurlijk ook naar Friesland afreizen. Meren, watersport, natuur, genoeg te doen en te zien. Dien L. de Boer, initiatiefneemster van Dichter op de Deel, schreef in haar bundel ‘Vluchtstofgoud’ dat pas geleden uit kwam een gedicht over wat Friesland ook is.

.

friesland

.

waar de wind altijd werkt

en de voorraad vogels zowat

is teruggebracht tot meeuwen

zwalkend boven de mestdrap

van geïnjecteerde landerijen

.

het waaien bolt fietsers-

jassen en zeilen, rolt golven

tegen het basalt van dijken

wordt in turbines getemd

tot stroom, helpt de zaden

.

zich ritselend te verplaatsen

het leeft diep in het riet

in eieren van de kiekendief

of eend om deuntjes

in hen te blazen

.

Boekwinkel

Martin Veltman

.

In 1996 bracht uitgeverij De Arbeiderspers ‘De Veltman-verzameling’ uit. Een verzamelbundel van de werken van Martinus Antonius (Martin) Veltman (1928 – 1995). Veltman was een Fries dichter en tekstschrijver. Hij schreef poëzie die vanaf 1953 gepubliceerd werd (onder de naam Martin A. Veltman).

Zijn reclameteksten zijn echter bekender geworden dan zijn gedichten. Tot deze teksten horen Heerlijk, helder, Heineken (ook door anderen geclaimd, bijvoorbeeld door Alfred Heineken) en ‘s Lands grootste kruidenier blijft op de kleintjes letten (voor Albert Heijn). In 1962 was hij samen met Giep Franzen en Nico Hey oprichter van het reclamebureau FHV.

In ‘De Veltman-verzameling’ is ook de bundel ‘Zout’ opgenomen uit 1988 en daaruit komt het gedicht zonder titel over de boekhandel. Dit gedicht werd ook opgenomen in de Poëziekrant jaargang 20 (1996) in de rubriek ‘Het sienjaal’ waarin Yves T’Sjoen middels een gedicht bundels die te weinig opgemerkt dreigen te blijven signaleert.

.

De boekwinkel bracht dagen
van weemoed naar mij terug:
hoe de jongen het waagde
poëzie te verstaan,
en danste op de brug.
En hoe hij had gelezen
zo ver de woorden gaan.
En nooit meer zou genezen.
.

In het raam

Roelof ten Napel

.

De in Friesland geboren Roelof ten Napel (1993) is schrijver, dichter, en essayist. In 2014 debuteerde hij met de verhalenbundel ‘Constellaties’ waarvoor hij het C.C.S. Crone-Stipendium kreeg uitgereikt. In 2018 debuteerde hij in de poëzie met de bundel ‘Het woedeboek’ waarvoor hij enkele malen genomineerd werd voor poëzieprijzen en waarvoor hij in 2019 de  School der Poëzie Jongerenprijs kreeg. In 2020 verscheen de bundel ‘In het vlees’ en in 2021 de bundel ‘Dagen in huis’. In de pers werd hij al omschreven als een van de grootste jonge schrijvers van het moment en een van de meest interessante auteurs van de nieuwe generatie.

In ‘Dagen in huis’ gaan de gedichten over precies dat wat de titel belooft; dagen in huis. Hij beschrijft zaken die zich in zijn kamer bevinden en gebruikt die om gedichten in algemenere zin te schrijven. Zelf vind ik het gedicht ‘In het raam’ heel bijzonder omdat het me doet terug denken aan mijn eigen jeugd. Ik kon als geen ander, hangend uit het raam, mij urenlang ‘vervelen’ zonder er erg in te hebben zoals ten Napel schrijft.

.

In het raam

.

Om gelukkig te zijn, zei iemand,

hoef je andermans geluk maar

in te beelden. Je beeldt het je in

en het zwelt in je op,

alsof die voorstelling binnenglipt langs de rand

van het halfdoorzichtige gordijn

waarmee je de verbeelding best kan vergelijken.

En als je nog een voorstelling zocht:

.

een jongen in een open raam, hangend

in zijn eigen armen, kin op zijn pols.

Hij verveelt zich, maar heeft er geen erg in.

het is nog niet zo laat.

.

De Etruskische weduwe

Albertina Soepboer

.

Op 27 augustus heb ik een bezoek gebracht aan een nieuw poëziepodium ‘Unica’, een initiatief van Irene Siekman (onder andere directeur van stichting de Poëziebus) en Gilbert van Drunen in Koffie & Ambacht (Rotterdam zuid). Het idee van dit nieuwe poëziepodium is dat er 1 dichter te gast is die een hele avond vult onder het motto ‘One poet, one show’. Geen muziek, geen andere dichters of gasten maar een podium voor 1 dichter. Op deze manier leer je een dichter veel beter en ook van een andere kant kennen.

De avond die ik bezocht had Albertina Soepboer (1969) als gast. De Friese Soepboer is schrijfster, dichteres, vertaler en beeldend kunstenaar. Ze publiceert zowel in het Nederlands als in het Fries. In haar verhaal kwamen de verschillen tussen de Nederlandse taal en de Friese taal ter sprake, legde ze verbanden tussen mensen die Fries als thuistaal hebben en Marokkaanse of Turkse leerlingen van haar die het Berbers of Turks als thuistaal hebben. Ze droeg voor uit de verschillende dichtbundels die ze publiceerde en vertelde over haar leven, haar werk en haar dichterschap. Een bijzondere avond in een bijzondere setting. Het is duidelijk dat Irene en Gilbert hiermee iets moois neerzetten.

In 2005 publiceerde Soepboer de bundel ‘Zone’ een bundel die ontstond naar aanleiding van de reizen die zij maakte door het nieuwe en vaak nog chaotische Europa. Zone gaat over grenzen: over oude en nieuwe grenzen tussen noord en zuid, tussen man en vrouw en tussen toen en nu. Zone gaat ook over geweld: wie grenzen trekt of openbreekt, lijkt daar niet aan te kunnen ontkomen. Uit deze bundel komt het gedicht ‘De Etruskische weduwe’.

.

De Etruskische weduwe

.

Je sterft gewoon, sprak ze

uit de binnentuin kwam ze op stamelende voeten

en die nacht was het niet de wind in de oleanders.

.

Later leunde ze tegen een zuil

in de villa arriveerde de herfst als eenzame bijslaap

en iemand anders zou de jurk op het gras leggen.

.

Geen woord van de keizer

dan de gescheurde beloftes, het te hgete waterbad

en zijn schroeiende woestijn in weer andere zuiden.

.

De rotte appels rolden

zo van de bomen, rijpten nog een hele zomer na

en haar polsen bleven de drempels over glijden.

.

Dichter fan Fryslân

Nyk de Vries

.

Wanneer ik thuis aan tafel zit met mijn laptop kijk ik uit op een deel van mijn boekenkast. Wanneer ik zit te mijmeren (ja dat doe ik weleens) of zit na te denken helpt het me om naar mijn boeken te kijken, naar de schrijvers, dichters, en de titels van bundels. Vandaag gebeurde dat en mijn oog bleef hangen bij de bundel ‘De dingen gebeuren omdat ze rijmen’ een dichtbundel met prozagedichten van Nyk de Vries uit 2011.

Nyk de Vries (1971) is schrijver en dichter van prozagedichten in het Nederlands en het Fries. Samen met Meindert Talma (met wie hij ook in een band speelde) was Nyk de Vries redacteur van het tijdschrift De Blauwe Fedde. In 2001 kwam hieruit een boek met interviews voort, getiteld ‘De Blauwe Fedde Yn Petear’ (De Blauwe Fedde in gesprek): een bundeling van vijftien levensverhalen van eigenzinnige Friezen.

Naast dat Nyk als Dichter fan Fryslân gedichten schrijft hebben we op (proza)poëziegebied al een tijd niets gehoord van hem ((als in een nieuwe bundel). Zijn twee bundels ‘Motorman’ uit 2007 en ‘De dingen gebeuren omdat ze rijmen’ uit 2011 zijn slechts gevolgd door een roman in 2015. En dat is toch jammer want de prozapoëzie van Nyk de Vries is niet alleen erg fijn om te lezen maar is daarnaast grappig, spitsvondig en het zet je aan het denken.

Uit de bundel ‘De dingen gebeuren omdat ze rijmen’ nam ik het gedicht ‘Reis’. En daaronder deel ik met jullie een Fries gedicht van Nyk ‘Fekânsje’  dat hij dit jaar schreef als Dichter fan Fryslân. In die hoedanigheid schrijft hij 6 tot 10 gedichten per jaar.

.

Reis

.

Wat is in godsnaam een Arabesk? Met die vraag vertrok ik

met het schip en de halve reis dacht ik er niet aan terug.

Tot ik ergens benedendeks een vrouw ontmoette die een

T-shirt droeg met daarop het woord Arabesk. Wat een

ontzettend toeval. Het had zo moeten zijn, juichte ik in

stilte en nog tijdens de reis werden we een stel, hoewel

ik bij aankomst zag dat het niet helemaal klopte. De

sierlijke lijnen vormden het woord Arabien in plaats van

Arabesk. Kortom, ik had het willen zien. Een moment was

ik erdoor van slag, maar ik besloot de onjuistheden te

negeren. Tot in de verre toekomst zal er met toeval

worden gesjoemeld. Toeval is de smeerolie

van de verbeelding.

.

Fekânsje

.

Wy fleane net dizze simmer, wy

bliuwe ticht by it eigen hiem

Dat fielt eins hiel logys, myn âlden

foarhinne ha it net oars dien

Wy strike del yn Bakkefean

mei in âlderwets potsje bier

En witst wat – hiel nuver en

tafallich eins

Ik hie der krekt nocht

oan krigen

.