Site-archief
Absint of ascese
Een recensie
.
Van dichter Odile Schmidt (1965) verscheen eerder dit jaar de bundel ‘Absint of ascese’ bij uitgeefhuis De Manke God. In 2023 schreef ik al over haar bundel ‘Op falende furiën, mieren en ander leven’ en nu ik die recensie teruglees herken ik veel van wat ik geschreven heb na het lezen van deze nieuwe bundel. Op de achterkant van de, opnieuw net uitgegeven, bundel is een brief afgedrukt aan Theodoor (Brumming) de uitgever van deze bundel (en haar vorige bundel). Ze spreekt hierin over ‘een vleugje lyriek die haar overviel in post-infarct euforie bij het wandelen langs het wad’ en ‘Echter het overgrote deel is verhalend van stijl’. Ze schrijft over ‘verkenning van twee bronnen van moed, verdraaide werkelijkheid en vergrote expressieve symbolen’. Nogal wat bijzondere kenmerken die nieuwsgierig maken en die ik herken uit haar vorige bundel.
Maar liefst 150 pagina’s telt deze bundel, waar voor je geld mag ik wel zeggen, zonder hoofdstukindeling maar wel met willekeurig (zo lijkt het toch, ik heb geen oorzaak gevolg kunnen ontdekken) cursief gedrukte stukjes. Het eerste dat me opviel is de titel. Voor degene die niet weten wat absint en/of ascese is, absint is een anijsachtige hoog alcoholhoudende (45%-75%) drank, ascese is het streven naar of het beoefenen van een reine levenswandel door de eigen hartstocht en begeerten te beteugelen en zelftucht toe te passen). Twee tegenovergestelde begrippen eigenlijk, het reine (ascese) tegenover het ‘onreine, de zware alcohol.
Het volgende dat me opviel is dat elke zin met een hoofdletter begint (hier en daar toch niet helemaal volledig doorgetrokken) en het ontbreken van elke vorm van interpunctie. Nu weet ik, uit ervaring, ik schrijf al heel lang en veel over poëzie, dat er periodes geweest zijn in de poëzie, dat elke regel met een hoofdletter begint, het ontbreken van de interpunctie echter maakt dat dit wel effect op mij heeft als lezer. Elke zin lees ik als een opzichzelfstaande zin terwijl, als ik de zinnen zonder pauze achter elkaar hard oplees, dit toch niet het geval lijkt te zijn. Waarom de dichter deze stijl hanteert is me niet duidelijk. Persoonlijk vind ik het jammer want dit zorgt ervoor dat ik de gedichten in een soort staccato lees. Nogmaals, het kan zijn dat de dichter dit met opzet gedaan heeft maar ik ben er niet achter wat het toevoegt aan de leeservaring.
In de gedichten vallen me een paar zaken op. Zowel absint als ascese (de begrippen) komen regelmatig voor in de gedichten, net als jurken en jurkjes en dan meestal groene jurken. De stijl die Odile hanteert is vrij en soms onnavolgbaar. Neem een gedicht als ‘Stilte’.
.
Stilte
.
Alleen en radiostilte
Wachten wachten
Op de absintfontein
.
Gezonken gemodder
Druppels koel water
De wil ergens in de boekenkast vastgelegd
.
Aan de schoten aan de kade
Och jij lasser van schepen
Waarom ging je op reis
.
Wanneer ik dat leg naast een cursief stukje waarvan, zoals gezegd, er verschillende zijn opgenomen tussen de gedichten (maar misschien zijn dit ook wel gedichten?) dan vraag ik me af waarom cursief? Ik heb gezocht naar een rode lijn of reden dat deze stukjes cursief zijn afgedrukt maar ik kom niet verder dan dat dit persoonlijke overpeinzingen zijn van de dichter. Maar zijn gedichten dit niet ook? Een voorbeeld is: ‘In deze tuin woekert een goed idee’.
De bundel leest als een stroom van woorden, gedachten, en beelden die lenig aan elkaar gesmeed zijn en pas na zorgvuldige lezing enige samenhang vertonen. De dichter lijkt haar gedichten los van de werkelijkheid te hebben geschreven, waarbij in elk gedicht een ding of situatie is gekozen waaromheen haar woorden zijn geboetseerd. De terugkerende elementen doen een samenhang vermoeden maar dit wordt voor mij nergens bevestigd.
Maakt dat deze bundel minder leesbaar? Ik vind van niet. De beeldtaal van de dichter is rijk en fantasievol, de poëtische stijlmiddelen zijn karig in de zin dat er vanuit de voorraadkast van middelen voor het schrijven van poëzie weinig gesnoept is. Toch vind ik dit niet echt een bezwaar, veel poëzie is tegenwoordig prozaïsch of verhalend, dat laatste zijn deze gedichten ook maar niet in vorm waardoor je elke keer opnieuw aan het denken wordt gezet. Odile Schmidt weet met andere middelen de lezer aan zich te binden al blijf ik het jammer vinden van het hoofdlettergebruik en het ontbreken van interpunctie.
Als gedicht uit de bundel koos ik ‘Geniet je van anticlimax’ waarin alle genoemde terugkerende dingen voorkomen, toch een komma staat (per ongeluk?) en de tegenstelling van de twee genoemde zaken in de titel duidelijk naar voren komen.
.
Geniet je van anticlimax
.
Je zit op je relaxstoel na een dag vol nut
De absint nog in de fles
Ongedragen jurken in de kast
Overvolle laden met handige hulpmiddelen
losse schroeven
Je valt in de stilte van vervulling
.
Je kijkt naar de wijn
Laat het bij verlangen
Vandaag twee stoplichten
Een schip, een trein
Je geniet bij het stilstaan
.
Ja je keert terug naar het ascetisme
Bent opgelucht
Dat het stil is
Dat je alleen bent
Tevreden
,
Bestelt een zelfafnametest
Geeft feedback
Grut
Belt een opgeluchte dochter
.
Het gezin
Dubbelgedicht
.
Vandaag een dubbelgedicht over het gezin, de hoeksteen van de samenleving zoals sommige mensen ernaar kijken. Tegenwoordig vaker een samengesteld gezin of een mozaïekgezin (met plusouders, Vlaams voor stiefouders zo leerde ik afgelopen weekend in Leuven) maar de boodschap is duidelijk. Ik koos voor twee gedichten met toevallig exact dezelfde titel namelijk ‘Het gezin’.
Het eerste gedicht is van Anthonie Donker (1902-1965) en is genomen uit ‘De grondtoon’ Een keuze uit de gedichten, uit 1963. Het tweede gedicht is van Charles Ducal (1952) en is genomen uit de bundel ‘Het huwelijk’ uit 1996.
.
Het gezin
.
Het was zo vreemd weemoedig het te weten,
ons samenzijn, de zomeravond buiten,
dit vredige – en toch niet te vergeten
dat vrede noch geluk de tijd kan stuiten.
.
De rode schemering zonk op de ruiten.
Toen zwegen wij, alsof we elkaar verweten
wat niemand wist. Wij hoorden afgemeten
klokslagen de stilte trillend omsluiten.
.
Zouden wij lang nog bij elkander wezen?
Angstig van liefde ontvluchtte ik hun ogen,
eenzaam en naar mijzelve afgewezen.
.
Had mij de rode schemering bedrogen
of rees in allen een onmeetlijk vrezen?
De donkre takken langs het raam bewogen.
.
Het gezin
.
Vader, moeder, hun eenvoudig leven.
Vingers om het mes, de smakeloze plicht.
Zijn kaken malen vreedzaam. Kouwe kip.
Haar lichaam heeft niets mee te delen
.
tenzij: dat zij met elkaar een tafel delen
zonder brekend glas en zonder gif.
Het kind scheurt een toevallig moordbericht
uit oude kranten, inkt in sombere vegen
.
als een teken op zijn wang.
Want alles kan in een eenvoudig leven:
vader, moeder, mes geslepen,
en een kind uit zelfbedwang.
.
Dorpsbibliotheek
Geert van Istendael en Wim van den Abeele
.
Ik kreeg de bundel ‘Dorpsbibliotheek’ in handen, een bundel met poëzie van twee Vlamingen te weten prozaschrijver, dichter, essayist, publicist en vertaler Geert van Istendael (1947) en dichter en leraar Nederlands Wim van den Abeele (1940-2023).
Van den Abeele publiceerde onder andere gedichten in Dietsche Warande & Belfort, Poëziekrant en De Brakke Hond. Van hem verschenen vier dichtbundels: ‘Archetypen’ (1963), ‘Poëzie in 300 lijnen’ (1965), ‘Archetypen II’ (1968), ‘Archetypen III’ (1983) en ‘Ingeblikt’ (1993).
Van Istendael debuteerde in 1978 met de bundel ‘Bomen wijzen niet maar wuiven’ en publiceerde hierna nog vele dichtbundels, essays, romans en zelfs een thriller. Hij schrijft bewust een heel toegankelijke poëzie met een thematische voorkeur voor het alledaagse eigentijdse en met een duidelijk humanitair engagement. Zijn poëzie breekt met een maatschappij die zichzelf verliest in “de desastreuze modernisering” van een geïndustrialiseerde en technologische wereld waar de mens en de menselijkheid dreigen verdrukt te worden.
Deze twee dichters hebben dus een bundel samen uitgegeven bij uitgeverij P. De bundel ‘Dorpsbibliotheek’ kwam tot stand omdat beide dichters in Oud-Heverlee wonen nabij Leuven. Zeer verschillende poëzie in één bundel maar alle gedichten hebben iets gemeenschappelijks. Ze gaan over de vijf dorpen van Oud-Heverlee; Vaalbeek, Weert. Oud-Heverlee, Rode en Blanden. Of zoals de uitgeverij op de achterflap liet noteren: Lokaal. Mondiaal. Bezorgd en zorgend, maar evengoed recht voor zijn raap. Voeten op de grond, letterlijk, allesbehalve gladjes of weggestopt in een ivoren toren.
Ik koos voor het gedicht ‘Nevel op de Doode Bemde’ van Geert van Istendael, omdat ik daar gewandeld heb en hoewel een negatieve naam (Doode Beemde) een zeer mooi natuurgebied.
.
Nevel op de Doode Beemde
.
Is dit wit? Of grijs? Het kruipt, het glijdt,
nee hangt, het vlijt zich neer op geel en groen,
wat rest van bramen en spirea. Verspreidt
het zich? Het lijkt ochtend zijn te verdoen
in zon en stilte. Kilte. Wolligheid.
,
Zuigt struikgewas het in? Heft het zichzelf op?
Een paar uur duurt een veelbelovend waas.
Voorbij nu. Onverschillig. Wijs en dwaas.
.
Zachtheid
Sylvia Plath
.
Met enige regelmaat pak ik dichtbundels uit mijn kast. Om een gedicht te zoeken, om te genieten van wat een dichter heeft geschreven, om inspiratie op te doen of om in de categorie Uit mijn boekenkast verrassende gedichten te delen. Een van de bundels die ik met enige regelmaat ter hand neem is ‘Ariel‘ uitgegeven in 1965 van Sylvia Plath (1932-1963). Plath neemt een bijzondere plaats in in het poëtisch landschap wat mij betreft; een leven met een biploaire stoornis, een romance met Ted Hughes (prachtig beschreven in de roman ‘Jij zegt het‘ van Connie Palmen) en natuurlijk haar zelfmoord.
Lezend in de bundel bleef ik ‘hangen’ bij het gedicht ‘Zachtheid’. Allereerst omdat het (in de vertaling van Anneke Brassinga) zo’n prachtig gedicht is maar ook omdat het gedicht me doet denken aan alle ellende in de wereld, de oorlogen, de onverdraagzaamheid, de polarisatie. Dan is een gedicht als ‘Zachtheid’ een fluwelen pleister voor de ziel.
.
Zachtheid
.
Zachtheid schuifelt door mijn huis.
Vrouwe Zachtheid, zij is zo lief!
De blauwe en rode stenen van haar ringen
Doen de ramen beslaan, de spiegels
Zijn vol van haar glimlach.
.
Wat is echter dan de kreet van een kind?
Het krijsen van konijnen mag dan wilder zijn,
Maar een ziel heeft het niet.
Suiker geneest alles, zegt Zachtheid.
Suiker, broodnodige vloeistof,
.
De kristallen een klein compres.
O zachtheid, zachtheid,
zo zoetjes raapt zij de scherven!
Mijn Japans zijden gewaden, wanhopige vlinders,
Kunnen ieder moment worden opgeprikt, bedwelmd.
.
En daar kom jij, met een kop thee
In sluiers van stoom.
De bloedfontein is poëzie,
Niet te stelpen.
Twee kinderen reik je mij, twee rozen.
.
Dichter bij Achterberg
Simon Vinkenoog
.
Over de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) heb ik al vele malen geschreven op dit blog. In de categorie Dichter over dichter schreven al verschillende dichters een gedicht over deze toch wel omstreden dichter (hij kreeg 16 jaar TBS voor de moord op zijn hospita en de aanranding van haar dochter en hij verbleef meer dan vijf jaar in diverse forensisch psychiatrische inrichtingen), kwam hij in de categorie Dubbelgedicht terug en ook over zijn werk schreef ik meerdere malen.
In 1965 verscheen voor de eerste keer de bundel ‘Dichter bij Achterberg’ samengesteld door Wim Hazeu bij Nijgh & Van Ditmar. Mijn editie is een tweede gewijzigde druk uit 1981. In deze bundel staan maar liefst meer dan vijftig gedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters, gewijd aan Gerrit Achterberg. Dat Achterberg niet alleen door tijdgenoten bewonderd werd als dichter (hij ontving onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie) maar ook door dichters uit latere generaties blijkt uit de bijdragen in deze bundel; van Roland Holst, Mok, Vroman en Polet tot Lucebert, Büch en Vinkenoog. Allemaal schreven ze een gedicht over deze bijzondere dichter.
Achterin de bundel staan vele pagina’s noten met verwijzingen naar artikelen die geschreven zijn over Gerrit Achterger en informatie over de deelnemende dichters.
Volledig willekeurig en alleen maar omdat het vandaag zondag is, koos ik voor het gedicht ‘Zondag’ van Simon Vinkenoog (1928-2009) dat eerder verscheen in zijn bundel ‘Wondkoorts’ uit 1950.
.
Zondag
Voor Gerrit Achterberg
zesmaal de reis om het vers
in evenveel dagen
wakkerworden en de pijn
niet langer kunnen verdragen
.
zandloper woestijn
leeg – het glas gebroken
.
rijmpijn woordenwijn
vrij van de rust der zondagen
te zijn
en voortijds op jacht
naar het laatste woord
.
geen letter gelezen
geen bede verhoord
.













