Site-archief
Dorpsbibliotheek
Geert van Istendael en Wim van den Abeele
.
Ik kreeg de bundel ‘Dorpsbibliotheek’ in handen, een bundel met poëzie van twee Vlamingen te weten prozaschrijver, dichter, essayist, publicist en vertaler Geert van Istendael (1947) en dichter en leraar Nederlands Wim van den Abeele (1940-2023).
Van den Abeele publiceerde onder andere gedichten in Dietsche Warande & Belfort, Poëziekrant en De Brakke Hond. Van hem verschenen vier dichtbundels: ‘Archetypen’ (1963), ‘Poëzie in 300 lijnen’ (1965), ‘Archetypen II’ (1968), ‘Archetypen III’ (1983) en ‘Ingeblikt’ (1993).
Van Istendael debuteerde in 1978 met de bundel ‘Bomen wijzen niet maar wuiven’ en publiceerde hierna nog vele dichtbundels, essays, romans en zelfs een thriller. Hij schrijft bewust een heel toegankelijke poëzie met een thematische voorkeur voor het alledaagse eigentijdse en met een duidelijk humanitair engagement. Zijn poëzie breekt met een maatschappij die zichzelf verliest in “de desastreuze modernisering” van een geïndustrialiseerde en technologische wereld waar de mens en de menselijkheid dreigen verdrukt te worden.
Deze twee dichters hebben dus een bundel samen uitgegeven bij uitgeverij P. De bundel ‘Dorpsbibliotheek’ kwam tot stand omdat beide dichters in Oud-Heverlee wonen nabij Leuven. Zeer verschillende poëzie in één bundel maar alle gedichten hebben iets gemeenschappelijks. Ze gaan over de vijf dorpen van Oud-Heverlee; Vaalbeek, Weert. Oud-Heverlee, Rode en Blanden. Of zoals de uitgeverij op de achterflap liet noteren: Lokaal. Mondiaal. Bezorgd en zorgend, maar evengoed recht voor zijn raap. Voeten op de grond, letterlijk, allesbehalve gladjes of weggestopt in een ivoren toren.
Ik koos voor het gedicht ‘Nevel op de Doode Bemde’ van Geert van Istendael, omdat ik daar gewandeld heb en hoewel een negatieve naam (Doode Beemde) een zeer mooi natuurgebied.
.
Nevel op de Doode Beemde
.
Is dit wit? Of grijs? Het kruipt, het glijdt,
nee hangt, het vlijt zich neer op geel en groen,
wat rest van bramen en spirea. Verspreidt
het zich? Het lijkt ochtend zijn te verdoen
in zon en stilte. Kilte. Wolligheid.
,
Zuigt struikgewas het in? Heft het zichzelf op?
Een paar uur duurt een veelbelovend waas.
Voorbij nu. Onverschillig. Wijs en dwaas.
.
Satie
Henk Romijn Meijer
.
Het gebeurt me nog wel eens. lezend in een dichtbundel (meestal een verzamelbundel) dat ik een gedicht tegen kom van een dichter die ik alleen als schrijver van romans of verhalen, of als columnist ken. Meestal betreft het hier éénmalige gedichten en heeft de schrijver in kwestie nooit een dichtbundel uitgebracht. En soms word ik verrast zoals in het geval van schrijver, taalkundige, vertaler en essayist Henk Romijn Meijer.
Henk Romijn Meijer (1929-2008) ken ik als schrijver vanaf 1983, toen een docent Nederlandse Letterkunde aan de P.A. Tiele Academie, waar ik mijn opleiding deed, ons studenten wees op Romijn Meijers roman ‘Mijn naam is Carrigue’. Henk Romijn Meijer brak in dat jaar door naar het grote publiek met deze roman, een boek dat een nieuw genre in de Nederlandse literatuur zou inluiden: de faction. Het is naar vorm en stijl een psychologische roman, naar intrige een thriller, maar gebaseerd op ware feiten.
Toen ik in de bundel ‘De vier jaargetijden’ een gedicht van zijn hand tegen kwam was ik dan ook verrast. Op zoek naar zijn oeuvre kwam ik via Wikipedia een enorme lijst van romans, verhalen, novelles en kritieken tegen én één poëziebundel uit 1986, getiteld ‘Resten van jou’. Destijds uitgegeven in een oplage van 750 stuks, voorafgegaan in een speciale druk van 250 exemplaren als relatiegeschenk in 1985.
Uit deze bundel is in ‘De vier jaargetijden’ een keuze uit poëzie over klassieke muziek uit 1991 het gedicht ‘Satie’ opgenomen.
.
Satie
.
De spotzieke lentevogel
klauwt aan zijn vingers vast.
.
nu zijn er bijna uitgesproken woorden
die aarzelen, dan wemelen als sneeuw,
dan dichtvallen als ogen, verschrikt verlegen.
.
eenzaamheid glimpt als de weerschijn
van een kaarslantaarn, bescheiden
en voorzichtig klinkt de eenzaamheid.
.





