Site-archief

Domburg in mei

Willem Gussekloo

.

Van mijn broer kreeg ik vijf bundeltjes in stemmig groen/grijs, van dichter en marketingman (voor strategie en konsept) Willem Gussekloo (1939-1992). De bundeltjes dragen titels als ‘jargon’, ‘merkwaardig’, ‘verstild’, ‘bewogen’ en ‘geflest’ en werden uitgegeven tussen 1980 en 1985 in eigen beheer. In een van de bundeltjes zat een brief van Gussekloo aan zijn klanten (vermoed ik) met een nieuwjaarsgroet voor 1985 en een adreswijziging.

In deze brief schrijft hij onder andere: “O ja. Waar heb ik in 1984 mijn halve brilletje in bordeauxrood etui laten liggen? En waar m’n zilveren Pelikan-vulpen waar zonder ik gans hulpeloos ben? Ik verlies m’n verstand nog eens. Zo zie je maar, het leven van een kleine zelfstandige is vreselijk. Ook heb ik mijn hele – fantastisch gesorteerde – adressenbestand letterlijk uit handen laten vallen zodat het mogelijk is dat sommigen dit bundeltje niet ontvangen.”

Geschreven met een typmachine door wat we nu een ZZP-er zouden noemen. Heel veel is er niet over Gussekloo als dichter te vinden. Hij schreef bundeltjes waarin marketingterminologie en het dagelijks leven op een ironische of verstilde manier werden besproken. En hij was actief in de kring rondom cabaretier Ivo de Wijs, die hem omschreef als een ‘liefste vijand’ vanwege zijn voortreffelijke pen en amusante observaties binnen de reclamesector.

De dichtbundeltjes zijn gering van omvang (maximaal 36 pagina’s en de gedichten zijn kort en vaak meer slogans dan gedichten. Ik moest bij het lezen regelmatig aan de Luule denken die wij (van MUGzine) als vorm hebben bedacht; kort, puntig, poëtisch, grappig. Een paar voorbeelden:

.

sos

.

na de breinstorm

van gistermiddag

worden

nog steeds

twee deelnemers

vermist

.

84

.

bijna iedereen

en alles

heeft dus

1984

gehaald:

nu kunnen

we weergaan zeuren

en somberen

over

het jaar

1990

.

Maar niet alle gedichten bestaan uit een reeks van 1 of 2 woorden onder elkaar gerangschikt. Er zijn gedichten waarin de dichter het van de marketing en reclameman wint. Zoals in het gedicht ‘domburg in mei’.

.

domburg in mei

.

te vroege badgasten

zoeken warmte

bij sterke drank

en open haard.

ik koop een oude zomerschouw

en probeer

me in te denken

wat het ding

vroeger beleefd heeft

op kille avonden

in het zeeuwse voorjaar:

als de vrouw zich wat eerder

ontpopte uit de klederdracht

en de man

dan ook maar

wat eerder

uit de broeken stapte

om samen

weer warm te worden

met de bedstee-deuren

dicht

.

Liefdesgedicht

Luuk Gruwez

.

Lezend in de bloemlezing ‘Geen dag zonder liefde’ kwam ik bij het gedicht ‘Estetika’ van Luuk Gruwez (1953) uit, een bijzonder liefdesgedicht dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel ‘De feestelijke verliezer‘ uit 1985. Met dit gedicht stuur ik jullie de dag in, geen beter begin mogelijk lijkt me. Mocht je meer over dit gedicht willen lezen dan kun je terecht bij dbnl.org

.

Estetika

.

het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water

waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt

en de rimpeling van vriendelijke huiver

die zij door haar stil bewegen weeft.

.

het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel

waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt

(en rimpels toont als rimpelingen in water)

en hoe een hand ontastbaar haast

verschuift over je huid,

en hoe een streling dan,

als een omhelzing van zichzelf,

op jouw lichaam liggen gaat.

.

terwijl mijn blik die dat niet blijvend

vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd,

zoals wie ééns genodigd tot genot,

daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

.

 

Korte break

Remco Campert

.

Omdat ik even een paar dagen een korte break heb zal ik de komende drie dagen, hier wat kortere blogberichten plaatsen. Altijd een gedicht, zoals je gewend bent van me maar zonder heel veel duiding, context of informatie. Zie het als een minivakantie. Vandaag het eerste gedicht van Remco Campert (1929-2022). Het gedicht zonder titel verscheen in 1985, jaargang 3, in het tijdschrift Optima.

Optima (Cahier voor literatuur en boekwezen) verscheen als tijdschrift/jaarboek met proza, poëzie en secundaire letterkunde van 1983 t/m 2004.

.

We vliegen de nacht uit,
krankzinnige vogels, snavels vol lach
en vleugels die de ronde warme weelde dragen
van alle menselijke adem.
Lopen lopen legendarisch lopen
in Parijs, Barcelona, Amsterdam,
dwars door Brussel heen over Gent naar Knokke,
en ook in Praag, in Salzburg, witte wa, wit nirwana
waar ik Amerika bestudeer en Amerika mij
als ik bijna van een berg val
omdat de cognac er zo goedkoop is.
Ochtenden morsig van liefde,
we bevlekken elkaar opnieuw
in treinen op stranden in tweedehandsauto’s –
onder de zon is alles nieuw.
.

Vergeten dichters

Erika Dedinszky

.

Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002,  gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.

Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.

Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en  János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.

In 1981  kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend,  voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze  onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.

In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl  vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.

.

dagenboek

.

je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg

je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert

je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt

onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt

je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op

je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat

je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na

haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg

.

Sneldichter

Salomon Cohen.

 

Van mijn broer kreeg ik het boekje ‘De sneldichter van Delfshaven’ over Salomon Cohen (1908-1985) uitgegeven door het Historisch Museum Rotterdam geschreven door Jan Oudenaarden en Rien Vroegindeweij. Het fenomeen sneldichter ken ik al heel lang, vroeger had je Willy Alfredo (1898-1976) pseudoniem van Willem Jue die tijdens feesten en ook wel op de radio het vak van sneldichter op de kaart zette. Hij deed dat door ‘Roept u maar!’ naar de zaal te roepen en dan gaven de toehoorders hem een thema of onderwerp of naam. Zonder blikken of blozen maakte hij dan een (rijmend) gedicht.

Er zijn door de tijden meer sneldichters gekomen (waaronder dus Salomon Cohen) zoals bijvoorbeeld David Mulder die onder andere op Lowlands stond als sneldichter. Salomon Cohen was een sigarenwinkelier en boekhandelaar uit Rotterdam die in 1954 begon met sneldichten. “Komt U ooit in Rotterdam, U bent hartelijk welkom bij sneldichter Sam!” was een slagzin waarmee Cohen zijn sigarenhandeltje trachtte te promoten. Cohen werd de ‘Sneldichter van Delfshaven’ genoemd.

Omdat Cohen in 2008 100 jaar zou worden werd er een tentoonstelling aan hem gewijd in De Dubbelde Palmboom, die behoort tot het Historisch Museum Rotterdam. Dit was ook de aanleiding tot het maken van het boekje. In het boekje staan verschillende voorbeelden van zijn sneldichten en de aanleiding van de gedichten. Zo hing in de Havenstraat in Delfshaven in de huisartsenpraktijk, waar hij patient was, tien jaar lang op de deur van de praktijk een gedicht dat hij voor de artsen en assistente had geschreven. En hoewel Cohen toen al aan een ernstige vorm van suikerziekte werd behandeld, eindigde het gedicht met de optimistische strofe:

.

De dokter komt ook steeds ter sprake

als je – overal – gesprekken hoort

de dokter kan ons beter maken –

en steeds weer klinkt een schoon

accoord –

als wij de spreekkamer betreden –

dan voelen wij ons gans verlicht –

voor dankbaarheid is alle reden –

je komt en gaat – met blij gezicht –

.

Achterin het boekje is een hoofdstuk opgenomen waar de gedicht staan. Dit gedicht schreef hij op 25 oktober 1968. Uit dit gedicht blijkt dat hij ook een serieuze kant had, als joodse man had hij ondergedoken in de oorlog en uit dit gedicht blijkt dat hij daar nog erg mee bezig was.

.

Pikzwart is de lucht

van de mij omringende

landen

.

benedendijks zijn ze

bezig een weg te

graven – die loopt

naar een diepe put

.

het laatste teken

van leven is

verdwenen –

sedert ik een jongetje

was – heb ik niets

meer vernomen –

.

het koude zweet

breekt mij uit

als ik denk aan

vroeger. –

.

.

Toen.

.

 

Legpuzzel

Elfie Tromp

De Rotterdamse dichter, theatermaker, zangeres en columniste Elfie Tromp (1985) ken ik al sinds zij voordroeg bij het podium van toen nog Ongehoord Rotterdam in 2011, later poëziepodium Ongehoord! In 2012 begon ze samen met Jeroen Aalbers het literaire tijdschrift Strak. In 2013 stond ze opnieuw op het podium van Ongehoord! toen als dichter en schrijver (ze was gedebuteerd met de roman Goeroe in 2013 en was in het proces van het schrijven van haar volgende roman Alfateef).

De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) benoemde haar tot zomerdichter van 2020 en in 2023-2024 was ze stadsdichter van Rotterdam. Ze was vanaf 2013 vaste columnist voor het dagblad Metro en schreef onder andere voor de Volkskrant, Joop.nl en Passionate. In 2016 nam Tromp deel aan de televisiequiz De Slimste Mens en ze maakt webcasts voor onder andere de VPRO. In 2021 was ze columnist bij Vroege Vogels. Haar laatste wapenfeit is haar theatershow Van de gekken! waarin ze in de huid van cabaretlegende Adèle Bloemendaal kroop.

Elfie is kortom een zeer veelzijdige vrouw en artiest. In 2020 stonden een aantal van haar gedichten in MUGzine #4 en hoezeer ik van haar romans genoten heb, als dichter is Elfie me toch het liefst. In 2018 verscheen haar tot nog toe, enige dichtbundel ‘Victorieverdriet’. Uit die bundel die ze schreef nadat ze door haar vriend was verlaten en waarin je als lezer in drie afdelingen door Tromp door de verschillende fasen van haar rouwproces wordt meegenomen: de schok, de reactie, het herstel, nam ik het gedicht ‘Legpuzzel’ uit het eerste deel.

.

Legpuzzel

.

Ik leg graag

puzzels

maar krijg jou nooit

af

.

je was zo veel losse stukken

ik kwam een eind

dat moet je met me eens zijn

met gevoel, geduld en een portie

beginnersgeluk

.

de randen kloppen

.

ik had je bijna

opgelost

.

ik ben van buiten naar binnen toe begonnen

voor het hart

kreeg ik de kans niet

.

je bent andermans legpuzzel nu

met in het midden een gekarteld gat

.

Dochter

Judith Mok

.

Ik sta weer voor mijn boekenkast en pak daar een willekeurige dichtbundel uit zonder te kijken wat het is. Het is ‘Vrouwen dichten anders’ samengesteld en ingeleid door Cox Habbema, uit 2000. Ik open de bundel op een willekeurige pagina (72) en daar staat het gedicht ‘Dochter’ van Judith Mok dat is genomen uit haar bundel ‘Het Feestmaal’ uit 1997.

Judith Mok (1954-2024) is een voor mij onbekende dichter, ik schreef nog nooit over haar en haar naam werd zelfs niet terloops in een blogbericht genoemd. Mok was een multi-talent. Ze was een Nederlandse sopraan, schrijfster en dichteres. Ze verhuisde in haar veertiger jaren naar Ierland en publiceerde romans en andere werken in het Engels. Ze publiceerde fictieve memoires, drie romans en vier dichtbundels. In 1985 debuteerde ze als schrijver en dichter met de dichtbundel ‘Sterkwater’. Hierna volgde nog ‘Materiaal’ in 1991, ‘Het Feestmaal’ in 1997 en ‘Goden van Babel’ in het Engels in 2011.

.

Dochter

.

Ik sta naast je bed

Er zingt iets in mijn oren

alsof je slaap de melodie kent

van toen. Kind, je huid

laat een bloemengeur toe

je bent je vaders gedicht

mijn Ierse roos

je rijdt op wilde paarden

en spreekt je wijze taal.

Ik luisterde naar het sterven

van mijn moeder, terwijl de dood

aan jouw masker begon te kerven.

.

Villon vervolgd

Rondeel

.

Vandaag sta ik voor mij boekenkast en pakte ik, zonder te kijken, de bundel ‘Villon vervolgd’ Bargoense en apocriefe verzen van François Villon Nederlands van Ernst van Altena, uitgegeven 1985. Voor de oorspronkelijke vertaling van de ‘Verzamelde gedichten’ van François Villon ontving Ernst van Altena in 1965 de Martinus Nijhoffprijs voor de beste vertaling. In deze heruitgave uit 1985 zijn ook de 12 balladen in het Bargoens of roverlatijn toegevoegd.

Ik opende de bundel zonder te kijken en kwam op pagina 119 uit en daar staat het gedicht ‘VI. Rondeel’ waarin François Villon (1431/1432 – na 1463)  zijn liefde (en de daarbij behorende frustratie wanneer die liefde niet wordt beantwoord) voor een onbereikbare vrouw beschrijft.

.

VI. Rondeel

.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren;

Ik dien een vrouw die hoogst welgeboren

bevredigen zou aan hof of kanselarij.

En ik bemin haar zeer, maar niet zij mij.

Dies roem ik haar hier niet met rode oren.

.

Hoezeer haar lijf in schoonheid ook mag gloren,

mijn ode aan haar dien ik hier nu te smoren,

neem ’t me niet kwalijk, maar het is voorbij:

als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

Als ik haar zeg, dat ik slechts naar behoren

met hart en ziel aan haar wil toebehoren,

wijst ze me af en zonder medelij.

Dus weet ik wat te doen nu met die prij:

ze raakt mijn spel en erewoord verloren.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

De doos

Irene Wiersma

.

In 2016 kwam uitgeverij Passage met een Doos van Passage. In deze doos zaten 10 bundels van dichters die door deze uitgeverij worden uitgegeven. De doos is nog altijd te koop voor een fractie van de nieuwprijs (voor maar € 49,99 dat is 4,99 per bundel) via de website van de uitgeverij. Dichters van wie er een bundel in de doos zit zijn onder andere Daniël Dee, Diana Ozon, Karel ten Haaf en Pauline Sparreboom. En er zit een bundel met hekeldichten bij. Ik had al een paar bundels uit deze doos in bezit maar nu is er een nieuwe titel aan toegevoegd ‘Kraanstaren’ van Irene Wiersma (1985).

Wiersma, die ik in 2012 leerde kennen toen ze voordroeg op het podium van poëziestichting Ongehoord! en later dat jaar op de middelbare school van mijn dochter, toen nog als Flux, wist mij toen al te imponeren met haar bijzondere gedichten. Lang hoorde ik niets van haar tot ze dit jaar met haar eerste roman ‘Prooidier’ kwam. En nu heb ik dus haar bundel ‘Kraanstaren’ in handen.

De bundel heeft als overkoepelend thema ‘mens’, in relatie tot de ander, als eenling en als soort. Dat lees ik op de achterkant van de bundel. Dat gaat zeker voor veel gedichten op maar hoe ik dat terugvind in het gedicht ‘Radiowekker’ is me nog niet helemaal duidelijk.

.

Radiowekker

.

De tijd tikt lege uren weg

alsof het niets is

.

het speelt overduidelijk

en toch niet met hamerslagen

maar juist oerzachtjes

.

zengende stroomtrillingen

sturen cijfers hard en rood

de peilloze pupillen in

.

series verzachten

troostend de avond

na een minimale dag

.

en toch, het blijft zo lam

als het drinken van negen bier

.

en onderhuids kropt het tam

als een ingeslapen dier

.

Foto: Nienke Maat

 

Een groot schrijver

Kees Ouwens

.

Ondanks dat ik op dit blog richting de 6000 berichten ga, kom ik er toch nog regelmatig achter dat ik over bepaalde dichters nog nooit iets geschreven heb. Dat kan allerlei oorzaken hebben maar in het geval van dichter en schrijver Kees Ouwens weet ik eerlijk gezegd niet waarom dit niet zo is. Misschien omdat hij als hermetisch dichter te boek staat (maar dit heeft mij er nooit van weerhouden daarover te schrijven) of dat ik zijn naam misschien niet vaak tegenkom. Hoe dan ook, vandaag gaat dat veranderen.

Kees Ouwens (1944-2004) debuteerde in 1968 met de dichtbundel ‘Arcadia’ en er zouden tot na zijn dood 10 poëziebundels van hem verschijnen. Ouwens schreef ook proza maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Op zijn Wikipediapagina lees ik: “Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij weleens als ‘hermetisch’ dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.”

Ondanks, of misschien wel dankzij zijn zoektocht kreeg hij bij leven verschillende literaire prijzen toegekend zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1976), de Jan Campert-prijs (1985), de Herman Gorterprijs (1998), de VSB Poëzieprijs (2001) en de Constantijn Huygens-prijs (2002), voorwaar een indrukwekkende reeks prijzen.

Uit de bundel ‘Alle gedichten tot dusver’ uit 2002 nam ik het gedicht ‘Een groot schrijver’ waarin de dichter zichzelf kritisch bekijkt en de lezer achterblijft met de vraag ‘ziet de dichter zichzelf hier nu als groot schrijver of juist niet?’ En waarin de dichter speelt met verwijzingen naar de christelijke religie (stille nacht, schrift, de sterren). Op het eerste oog een kort en bondig gedicht waar heel veel uit te halen valt. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Intieme handelingen’ uit 1973.

.

Een groot schrijver

.

Ik legde mijn pen neer en begaf mij

naar buiten.

Daar keek ik omhoog en zag de sterren.

Het was een stille nacht.

Ik ben een groot schrijver,

dacht ik.

.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,

om die regel op te schrijven

en er schoot mij een traan te

binnen, die op mijn schrift viel.

Ik huilde om de waarheid.

.