Site-archief

Jarig

Jana Beranova

.

Alle dichters die op dit blog aan de orde komen zijn ooit geboren en hebben dus een geboortedag. Wanneer een dichter nog leeft heeft deze dus ook een verjaardag. Nou is het niet mijn gewoonte om bij elke verjaardag van elke dichter die nog leeft een blog aan die dichter te wijden maar vandaag maak ik een uitzondering.

Vandaag is dichter Jana Beranová (1932) jarig en ze wordt 94 jaar. Omdat ik Jana als dichter en mens goed heb leren kennen in de afgelopen bijna 20 jaar en omdat ik al twee keer in de jury van de prijs die naar haar vernoemd is heb mogen plaats nemen, leek het me niet meer dan goed en rechtvaardig hier even stil te staan bij deze bijzondere vrouw.

Jana Beranová is Tsjechische van geboorte, maar moest na 1948 met haar ouders vluchten en kwam in Nederland terecht. Zij studeerde in Rotterdam af in de economie. Zij werd bekend met haar vertalingen van Tsjechische schrijvers en dichters, onder wie Milan Kundera (onder andere zijn klassieker ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’) en de Tsjechische schrijver, dichter en journalist en Nobelprijswinnaar (1984) Jaroslav Seifert (1901-1986).

In 2008 verscheen ‘De geboorte van Sisyphus‘: de verzamelde in het Nederlands vertaalde poëzie van een oud-stadgenoot van Jana, de Tsjechische dichter en immunoloog Miroslav Holub (1923-1998). Inmiddels was haar naam als dichter en vertaler gevestigd en van 2009 tot 2010 was ze stadsdichter van Rotterdam. Jana was docente poëzie aan de Amsterdamse schrijversvakschool en politiek actief binnen de schrijversorganisatie PEN International, dat zich inzet voor vervolgde schrijvers. Landelijke beroemdheid kreeg zij met een tekst die ze maakte voor Amnesty International: ‘Als niemand luistert naar niemand vallen er doden in plaats van woorden’.

Voor haar inspanningen voor de Tsjechische literatuur kreeg Jana Beranová in 2005 van de Tsjechische staat een hoge onderscheiding. In 2024 ontving ze de prestigieuze Gratias Agit Prijs, voor haar bijdrage aan de promotie van Tsjechië in het buitenland. Voor haar inzet voor de Rotterdamse letteren kreeg Beranová in 2008 de Erasmusspeld. In 2025 werd de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs aan haar toegekend voor haar gehele oeuvre.

Sinds 2019 wordt de Jana Beranováprijs uitgereikt aan een Nederlandstalige auteur die de artistieke vrijheid en integriteit vooropstelt, zonder te hechten aan waardering op grond van conventionele, modieuze of morele criteria. Ik voel mij vereerd dat ik al tweemaal in de jury ben gevraagd voor deze bijzondere prijs.

Zoals ik hierboven al schreef heb ik mooie herinneringen aan de momenten dat ik samen met Jana mocht voordragen (zoals bij de begrafenis van wederzijdse vriend en dichter Hvroje Pero Senda (1945-2013), dat ze in de jury zat van de poëziewedstrijd van poëziestichting Ongehoord! en de malen dat ik haar sprak en naar haar mocht luisteren zoals bijvoorbeeld bij de uitreiking van de naar haar genoemde prijs in 2023 toen de prijs werd uitgereikt aan Wim T. Schippers. Bij deze van harte gefeliciteerd Jana en op naar de 100!

Uit de bundel ‘Tussentonen’ uit 2004 haar gedicht ‘Jasje’.

.

Jasje

.

Alle seizoenen waren harde winters.
Zou ze zich verborgen hebben in dit bontjasje
dat hij ooit met liefde gewatteerd
om haar smalle schouders had gelegd?

Zou zij zo de kou hebben kunnen weren
van al die landverhuizingen en andere doden,
van de angst en de grimmige wortels
zodat ze zacht zou vallen als ze zou vallen?

Zou ze op een dag
in dit jasje
de oneindige koude
zijn ingedoken?

Je bewaart het, bladert het door: de mouwen,
het haast onvindbare sluitinkje, de kraag;
het ding slijt, rafelt, vervaalt als een veelgelezen boek.

Je schudt met de mot de tijd eruit
en vult het op met je eigen lijf
al durf je zo de straat niet op.

Niemand weet dat het jasje
van geverfd konijn is
en niet van nerts.

.

Kantoortuin 10

Angelika Geronymaki

 

In de nieuwste uitgave van het literaire magazine Deus Ex Machina, nummer 195 uit 2025 lees ik poëzie van Angelika Geronymaki (1986). Ik kende haar niet maar op haar website lees ik dat ze redacteur is bij Hard//hoofd en in 2022, na het winnen van de Poetry slam van Rotterdam in 2021, was ze finaliste van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam (waar ze vierde werd). Ze publiceerde al in meerdere literaire bladen zoals Kluger Hans, Het Liegend Konijn, Hollands Maandblad, DW B en Samplekanon. Ze werkt op dit moment aan haar debuutbundel en maakt jongeren- en educatieprogramma bij Theater aan de Schie in Schiedam.

Het gedicht dat ik overnam uit Deus Ex Machina is geschreven naar ‘Onder de appelboom‘ van Rutger Kopland.

.

Kantoortuin 10

.

Ik kwam laat en nat aan,

het was al avond

en zeldzaam zacht voor de tijd van het jaar.

.

Ik zat te kijken hoe mijn collega

zich door dossiers aan het spitten was

de nacht kwam uit zijn laptop

een blauwer wordende schijn hing

zich op in de tl-verlichting.

.

Er was geen appelboom

om ons samen onder te plaatsen.

Dit is een cirkel dacht ik,

een neerwaartse spiraal zonder eind.

.

Ik ben verloren, als een ridder

in tijden van droneoorlogen.

Wat moet ik met dit zwaard op mijn rug.

.

 

Mijn moeder droomt over mij

Valentijn Hoogenkamp

.

Al eerder schreef ik over Valentijn Hoogenkamp (1986) omdat ik zijn roman ‘Het aanbidden van Louis Claus‘ aan het lezen was (toen nog Helena Hoogenkamp maar hij identificeert zich als nu als non-binair).  De roman werd in 2022 genomineerd voor de Anton Wachterprijs. Dat Valentijn ook dichter was (en essayist) wist ik niet tot ik op de website raadgedicht.nl het gedicht ‘Mijn moeder droomt over mij’ tegenkwam. In het raadgedicht is het de bedoeling dat een woord wordt weggelaten waarvan de lezer mag raden welk woord dit is.

Valentijn Hoogenkamp schreef het gedicht in 2023 en noteerde hierbij: Dit gedicht schreef ik nadat ik van mijn moeder had gedroomd. Ze was toen nog maar net overleden. Elke keer dat ik over haar droom voelt het alsof ze bij me thuis langs is geweest. Dan word ik wakker en denk ‘o ja, zo was ze.’ Toen vroeg ik me hoe af het zou zijn als mijn leven eigenlijk haar droom is. Dus achtervolg ik haar in dit gedicht door een droomlandschap. Het is een metrostation, omdat ik vaak op de metro stond te wachten als ik haar in het ziekenhuis had bezocht. In dit gedicht kan ik met haar meereizen als ze voor het laatst vertrekt.

.

Mijn moeder droomt over mij

.

Mijn moeder droomt over mij.

Ik achtervolg haar een betonnen trap op.

Ze wacht op de metro met een blanco gezicht.

Er is dat liedje waar ze graag op danst.

Niet vergeten het te draaien op haar begrafenis.

Ze droomt  van haar kind dat vlak achter haar loopt,

maar omdraaien gaat al jaren niet.

Op de stationsmuur heeft iemand met zijn vingers geschreven:

Ik weet het geheim, ik weet van de baby’s. Geef ze terug (aan mij).

Tussen rails en tegels wuift het water.

Zacht zingt ze het liedje niet, het sterven niet.

Mijn moeder droomt dat ik een jongen ben.

Ze weet het zeker, voel maar aan haar buik.

Ik toon mijn kale kop in een ondergelopen landschap.

Voor de metro moet ik betalen met een afgeknipte paardenstaart.

Hakken kleven aan de vloer van het treinstel dat ons wegdraagt.

We banen ons een weg door krakende wolken.

Door het raam is het ziekenhuis krimpend zichtbaar.

Mijn moeders vleugels zijn van winddicht dons.

Met twee armen omhels ik het licht.

.

Het betekend zelf | een reis

Albert Schaalma

.

In een kringloopwinkel in Assen kocht ik de bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ uitgegeven door De Beuk in 1986. Nu zal de naam Albert Schaalma weinigen beklend in de oren klinken. En toch is hij sinds 2000 een der 1300 leden der Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Schaalma (1943) was tot 1986 vooral actief als klarinettist en saxofonist in de jazz muziek, hij speelde zelfs op het North Sea Jazzfestival in Scheveningen. Vanaf 1986 verschijnen zijn gedichtencycli in tijdschriften, in bundels zoals bijvoorbeeld het boek Rondreis (2000) en in bloemlezingen. In 1992 verkreeg hij de tweejaarlijkse Masereelprijs voor Poëzie voor zijn cyclus ‘Het gindse’.

Albert Schaalma was bevriend met de bibliofiele drukker Menno Wielinga uit Bedum, die aldaar uitgeverij Exponent runde. Samen initieerden ze de serie Koppelteken-edities, waarbij eigentijdse Groninger grafiek gekoppeld werd aan moderne poëzie. Schaalma emigreerde in het begin van de 21ste eeuw naar Frankrijk. Hij woont in Aigurande in Midden-Frankrijk. Schaalma was medewerker aan onder meer DW&B en De Revisor. In 1988 verscheen ‘Op mijn schreden terug | naar huis’ in 1989 ‘De woorden zelf | de dingen’ en in 1992 ‘Een reis in de spiegel | de expeditie’.

Over de dubbele titels van zijn bundels zegt Schaalma in een interview in de Poëziekrant jaargang 17 in 1993: “In die dubbele titels zit wat mij bij het schrijven altijd bezighoudt: de dualiteit die een eenheid moet worden, omdat ze dat altijd al is: ruimte | tijd, binnenkant | buitenkant, gedicht | ding, dichtheid | openheid enzovoort.” De bundel ‘Het betekend zelf | een reis’ kent een cyclisch verloop, van ochtend tot avond, van heenreis tot afscheid. Het is een structurele dichtbundel in de letterlijke zin van het woord. Hierover zegt hij: “Ik schrijf ‘als vanzelf structurerend, dat geldt voor bijna al mijn bundels.”

Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Museum’ omdat de aankoop van de bundel meteen na mijn bezoek aan het (Drents) museum was.

.

Museum

.

Ziehier, uw in zichzelf gekeerd domein.

Temidden van uw stille coniferen

moet ik dit alles transformeren

zo, dat dit letterlijk  mijn paradijs zal zijn.

.

Daartoe dien ik dit helder pad te gaan,

beschroomd, met open handen,

om aan het einde klaar te staan

voor het beloofde uit aller landen.

.

En ziet, zoals ik alles vond.

Ik wandel heilig in u rond

van eeuwigheid in eeuwigheid.

En ben verloren en gebenedijd. Altijd.

.

Het kind en de boodschappentas

Henk Puister

.

Literaire en/of poëzietijdschriften zijn een mooie bron van informatie als je wil weten hoe het er met het literaire- of poëzielandschap voorstaat in Nederland en Vlaanderen. Ik schreef hier al eens een uitgebreid stuk over op dit blog en in een ander stuk ging ik in op een scriptie over de functie van het literaire tijdschrift in de literaire wereld. Voor wie geïnteresseerd is in poëzie zeker de moeite waard.

Net als het regelmatig inzien van literaire en of poëziemagazines. En dat heb ik de afgelopen week weer eens gedaan. Mijn bevindingen zijn dubbel. Ja er worden door verschillende poëziemagazines en -kranten prachtige gedichten geplaatst. En daar staat naast dat ik in een aantal gevallen vooral proza lees waar men het verkoopt als poëzie. Noem me een ouwe lul maar een gedicht is voor mij de verdichting van taal, het terug brengen van een verhaal naar de poëtische essentie. In de ‘gedichten’ die ik las was dat verdichtende element volledig verdwenen. Ellenlange teksten werden mij daar verkocht voor poëzie terwijl ik alleen maar kon denken:  Welk stuk van welke roman zit ik hier te lezen?

Gelukkig zijn er ook nog wel degelijk magazines en tijdschriften die een duidelijk onderscheid maken. En één van de leukste (de leukste is uiteraard MUGzine) is het kleine tijdschrift Weirdo’s  uit Vlaanderen. Weirdo’s bestaat sinds 1986 en de geschiedenis van dit eigenzinnige blad kun je hier lezen. Zoals de auteur van het stuk het schrijft: “Het tijdschrift heeft géén veranderingen teweeg gebracht in onze literatuur. Het heeft slechts enkele rimpelingen op de vijver van de Vlaamse literaire wereld veroorzaakt en kreeg hier en daar zelfs enkele voetnoten op Wikipedia of enkele eindverhandelingen.” Een fraai resultaat me dunkt en voor de liefhebbers (en die zijn er genoeg) elke keer weer een plezier om te lezen.

Ik las de laatste editie (nummer 151) en daarin staat een gedicht van Henk Puister (1953). Hij schrijft verhalen, gedichten en liedteksten in het Gronings en in het Nederlands. Hij is medewerker van de literaire tijdschriften ‘Krödde’, ‘Toal en Taiken’ en ‘Noachs Kat’. Zijn gedicht in Weirdo’s ‘Het kind en de boodschappentas’ is een fijne aanklacht tegen social media.

.

Het kind en de boodschappentas

.

Het kind stuit op een boodschappentas

uitpuilend in de verse sneeuw.

Onwetend van de witte neerslag

tracht ze de uitgegleden hoogbejaarde heer

uit al haar fragiele macht overeind te helpen.

Een lachende man maakt een filmpje.

Filmpjes zijn belangrijk voor sociale media

en voor het nageslacht.

.

De beste poëzie, slamdichters en rapteksten

André Sollie

.

Op nieuw kocht ik voor een habbekrats een verzamelwerkje uit de Rainbow pockets; Dit keer ‘Dicht! De beste Poëzie, Slamdichters en Rapteksten’. uit 2009. Samengesteld door Henk van Zuiden. Op zichzelf is de combinatie van slampoëzie, rapteksten en poëzie (en wat mij betreft aangevuld met Spoken Word) een heel logische, het zijn eigenlijk allemaal loten aan dezelfde stam van deze hoek van de literatuur, waarbij ik de poëzie dat leidend vind. Slampoëzie is vooral een manier van voordracht en eigenlijk zijn Rapteksten dat ook, maar dan veelal rijmend en daarbij worden de grenzen van het rijm behoorlijk opgerekt, en Spoken Word is eigenlijk meer een vorm van voordracht die niet perse poëzie is, het is eigenlijk een mengvorm van proza en poëzie is en vooral draait om storytelling.

Bijzonder dus dat er een bundeling van zoveel verschillende soorten van uitdrukking (laten we het zo maar even noemen) is samengesteld. De tekst op de achterkant van de bundel biedt uitkomst. Henk van Zuiden verzamelde gedichten en teksten die geschikt zijn voor iedereen – maar toch vooral voor jongeren werden gekozen. Aan de inhoud, de verschillende dichters en rappers in de bundel, kun je zien dat die inderdaad sterk op jongeren leunt. Zo is er werk van Huub van der Lubbe, Brainpower, Ali B. (toen dat nog kon), Lange Frans (voordat ie volledig doordraaide) en Yes-R opgenomen maar grappig genoeg ook werk van Alexander Pola (1914-1992), Ida Vos (1931-2006) en Jana Beranová (1932). Maar ook namen die je juist verwacht; Upperfloor, Gijs ter Haar, Daniël Dee, Bart FM Droog, Ruben van Gogh en Jeroen Naaktgeboren.

Maar ook een naam die ik niet kende namelijk André Sollie (1947-2025) was een Vlaams auteur en illustrator van kinder- en jeugdboeken en dichtbundels (er zijn ook een paar dichters van jeugdpoëzie opgenomen als Ted van Lieshout en Edward van de Vendel). Sollie debuteerde in 1986 met zijn eerste dichtbundel voor de jeugd ‘Soms, dan heb ik flink de pest in’, gevolgd in 1991 door ‘Zeg maar niks’ en in 1997 de autobiografische dichtbundel ‘Het ijzelt in juni’. In 2008 verscheen een dichtbundel voor jonge kinderen ‘Altijd heb ik wat te vieren’. Van Sollie koos ik het gedicht uit ‘Altijd heb ik wat te vieren’ getiteld ‘Toen’.

.

Toen

.

Vroeger vond ik alles leuker.

Toen mijn penvriend me nog schreef,

ik nog niet op internaat was.

Veilig bij mijn ouders bleef.

.

Toen mijn cavia nog leefde,

ik mijn blindedarm nog had.

Hoefde ik nog niet die beugel.

Woonden we nog in de stad.

.

Poes was nog niet weggelopen

en ik had nog geen acne.

En mijn pa nog geen verkering

met die slet uit Merendree.

.

Kortom. álles was toen beter;

elke zondag krentenbrood.

Was mijn fiets nog niet gestolen.

En mijn moeder nog niet dood.

.

Gedichten uit de gevangenis

Etheridge Knight

.

Gevangenissen zijn plaatsen waar veel poëzie gelezen en geschreven wordt. Blijkbaar zijn het plekken waar aan retrospectie gedaan wordt en tijd is er in veel gevallen zeker. In het land waar de gevangenissen boordevol zitten (volgens het Reformatorisch Dagblad bevinden zich in de Verenigde Staten ongeveer 25% van alle gevangenissen wereldwijd en herbergen ze het hoogste aantal gevangenen ter wereld) en waar (en misschien wel omdat) gevangenissen een verdienmodel zijn, zijn er verschillende dichters onder gevangenen opgestaan.

Een van de bekendste is de Afro-Amerikaanse dichter Etheridge Knight (1931 -1991). Hij maakte in 1968 naam met zijn debuutbundel ‘Poems from Prison’. Het boek herinnert in versvorm aan zijn acht jaar durende gevangenisstraf na zijn arrestatie voor een overval die hij in 1960 pleegde. Tegen de tijd dat hij de gevangenis verliet, had Knight een tweede deel voorbereid met zijn eigen geschriften en werk van zijn medegevangenen. Dit tweede boek, voor het eerst gepubliceerd in Italië onder de titel ‘Voce negre dal carcere’ verscheen in 1970 in het Engels als ‘Black Voices from Prison’.

Met deze twee bundels werd Knight één van de belangrijkste dichters van de Black Arts Movement , die bloeide van begin jaren 1960 tot midden jaren 1970. Met wortels in de burgerrechtenbeweging , Malcolm X en de Nation of Islam en de Black Power-beweging, probeerden Etheridge Knight en andere Amerikaanse kunstenaars binnen de beweging politiek geëngageerd werk te creëren dat de Afro-Amerikaanse culturele en historische ervaring onderzocht.

Maar Knight wordt ook beschouwd als een belangrijke dichter in de mainstream Amerikaanse traditie. Na zijn gevangenschap behaalde hij in 1990 een bachelor in Amerikaanse poëzie en strafrecht aan de Martin Center University in Indianapolis. Ook doceerde hij aan de Universiteit van Pittsburgh, de Universiteit van Hartford en de Universiteit van Lincoln.

In de bundel ‘The Essential Etheridge Knight’ uit 1986 staat het gedicht dat hij schreef voor Malcolm X, getiteld ‘For Malcolm, a Year After’. 

.

For Malcolm, a Year After

Compose for Red a proper verse;
Adhere to foot and strict iamb;
Control the burst of angry words
Or they might boil and break the dam.
Or they might boil and overflow
And drench me, drown me, drive me mad.
So swear no oath, so shed no tear,
And sing no song blue Baptist sad.
Evoke no image, stir no flame,
And spin no yarn across the air.
Make empty anglo tea lace words—
Make them dead white and dry bone bare.
Compose a verse for Malcolm man,
And make it rime and make it prim.
The verse will die—as all men do—
but not the memory of him!
Death might come singing sweet like C,
Or knocking like the old folk say,
The moon and stars may pass away,
But not the anger of that day.

.

Inzicht

Intriges

 

Nadat de val van het kabinet werd aangekondigd op de nieuwskanalen, moest ik denken aan een gedicht van Albert Hagenaars (1955). Dit gedicht is getiteld ‘Inzicht’ en vooral de laatste paar zinnen deden mijn gedachten naar dit gedicht gaan. ‘Inzicht’ staat in zijn bundel ‘Intriges’ uit 1986. Dat de naam van de dichter een grappige verwijzing is naar de plek waar het kabinet is gevallen, of moet ik zeggen is opgeblazen door de man waaraan ik moest denken bij die laatste regels (de Hagenaars) is slechts toeval.

.

Inzicht

.

Verwijder ik me allengs minder over

hermetisch oude sloten, door verglaasd riet,

vaststrompelend ook soms in ruwe akkers

.

van papieren steden binnen houtwallen,

waarop gedurig en pal en ongemeen felle

hagel staat, die gaten slaat en verblindt.

.

Bereik ik dan zienderogen de laatste,

de enige dijk van waaraf het zicht door-

breekt op een zee van zout en kalk,

.

die, aldus ontdaan van wat hier niet meer

ter zake doet, verstuift in een symboliek

die zelfs hij niet meer in de hand heeft.

.

Ouderen

Dubbel-gedicht

.

Terug van nooit weggeweest het dubbel-gedicht. Vandaag een dubbel-gedicht met als thema ouderen en het ongemak dat oud zijn met zich meebrengt. De twee gedichten die ik uitzocht zijn van Drs. P (1919-2015) en van Hans Dorrestijn (1940).

Het eerste gedicht is van Dorrestijn en is getiteld ‘Slaapliedje voor bejaarden’ uit zijn bundel ‘Het dierlijkste van Dorrestijn’ uit 2014.

Het tweede gedicht is van Drs. P en draagt geen titel. Het is een parodie op het gedicht V. uit 1902 van Willem Kloos (1859-1938) en ik nam het uit de bundel ‘Weelde & feestgedruis’ de beste gedichten van Drs. P uit 1986.

.

Slaapliedje voor bejaarden

.

Slaap oudje slaap

Daar buiten ligt een schaap

’t Heeft in lange niet bewogen

Er is iets met haar ogen

Er komt een nare lucht vandaan

Slaap oudje slaap

Schaapje is u voorgegaan…

.

Korte versie:

.

Slaap oudje slaap

Daarbuiten ligt een schaap

Af

 

Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten

En zit in ’t binnenste van mijn ziel ten troon

Maar verder ben ik helemaal gewoon

Met haaruitval en spijsverteringsklachten

.

 

mooi neukweer

Jan Kostwinder

.

De dichtbundel ‘Alles is er nog’  uit 2003 van de jong overleden dichter Jan Kostwinder (1960-2001) samengesteld en ingeleid door Hein Aalders en Chrétien Breukers, bevat het poëtisch oeuvre van Jan Kostwinder, en bestaat uit de twee bij leven van de auteur verschenen bundels, uitgebreid met het nooit in boekvorm gepubliceerde ‘Donkere wolken pakken zich samen boven het hoofd van Meneer De Vries’ en een ruime keuze uit zijn verspreide en nagelaten gedichten.

Kostwinder werd geboren in Oud-Pekela en studeerde in Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1989 studeert hij cum laude af op de poëzie van Wilfred Smit, waarna hij les gaat geven aan het Atlantic College in Llantwit Major in Wales. Tijdens zijn studie Nederlands richt Kostwinder samen met Marisa Groen, Stef van Dijk en Rogi Wieg het tijdschrift Adem op, dat van 1986 tot 1990 zal bestaan. Hierin publiceert hij verhalen, gedichten en essays.

In 1988 debuteerde hij met de bundel ‘Binnensmonds’. In 1994 verscheen zijn tweede bundel, ‘Een kussen van hout’. Het boek ‘Een man alleen’, uit 1995, bevat beschouwingen over Cesare Pavese (geschreven in samenwerking met Hein Aalders). Jan Kostwinder schreef naast poëzie ook polemieken, een briefroman en verhalen.

Uit de bundel ‘Alles is er nog’ komt het gedicht ‘Een ansicht uit de Ardennen’.

.

Een ansicht uit de Ardennen

.

Het is mooi

neukweer vandaag.

.

Tussen de dode bomen

die op totempalen lijken

.

zeikt het

van de regen.

.

Altijd hetzelfde.

.

Wie gelukkig wil zijn

had thuis moeten blijven.

.