Site-archief
Randschade
Een recensie
.
Uitgeverij P, waarschijnlijk de meest actieve poëzie uitgeverij van de lage landen, heeft opnieuw een bundel van de Vlaamse dichter Johan Clarysse (1957) uitgegeven getiteld ‘Randschade’. Na ‘Het geduld van water‘ zijn debuutbundel, dus nu een opvolger. Opnieuw is de bundel voorzien van een omslag die de dichter zelf schilderde. Ook op de achterflap is een schilderij geplaatst van Johan. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, Clarysse is beeldend kunstenaar en de poëzie is een uitbreiding van zijn creatieve oeuvre.
De bundel is opgedeeld in vijf hoofdstukken en volgens de informatie op de binnenflap betreft het hier gedichten over lichamelijk ongemak, vitaliteit, aanvaarding en verzet. Zaken waar de gemiddelde mens mee te maken krijgt na zijn pensionering. Om de toon helemaal goed te zetten begint de bundel met een citaat van Lieke Marsman:
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen
Ik wil het vanille van een oud boek
Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer.
De bundel vangt aan met zestal gedichten in het hoofdstuk ‘Lijfspraak’. De dichter worstelt met een ziekte, met een ziekenhuisopname, en in soms hallucinerende zinnen neemt hij je mee, maakt hij je deelgenoot. Van zijn angsten, zijn twijfels, zijn hoop op beter tijden. Zonder te lamenteren wordt het proces beschreven waar je je als ziekenhuispatiënt aan hebt te onderwerpen, in zinnen waar je op kunt kauwen, die je tot je neemt en nog eens herkauwt. Zoals voorin de bundel al staat geschreven: Goede gedichten bestaan uit regels die je wilt vasthouden als je heel gewone dingen doet. Zinnen als ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig schermstaart / vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan’.
In het hoofdstuk ‘Baken’ wordt gezocht naar antwoorden op vragen die gesteld worden, verondersteld worden, de dichter die zich verhoudt tot de ander, die de dichter ‘even niet wil begrijpen’ maar zich ook ‘verstopt in zijn vel’ waarbij ‘vingers zich een weg voorbij de taal vinden’. De dichter heeft een lijfelijke verhouding tot de zaken. Zoals Marc ’s morgens de dingen begroet in het gedicht van Paul van Ostaijen maar dan in hele andere bewoordingen. De dichter is een plattegrond, de avond heeft een manuscript, maakt muziek in de aders van de ander, breekt de ochtend open, danst op het koord tussen tuin en wereld, hart en getal. Je zou kunnen spreken van zintuigelijke poëzie maar het is meer, het is een totaalbeleving van de dagelijkse dingen, de ervaringen en de ontmoetingen.
In ‘Tussentijdse berichten’ zijn een aantal gedichten opgenomen die opgedragen zijn aan Peter, de grootmoeder Cecile van de dichter, oproeper A, oproeper J., oproeper Z. en P. Bonnard. gedichten die op zichzelf staan, die gericht geschreven zijn en waar je als lezer even een pauze wordt gegund in de woordenstroom waarin Clarysse je heeft meegelokt. De gedichten die opgedragen zijn staan los en wie de mensen niet kent waarvoor ze geschreven zijn, zoals ik en de meeste lezers vermoed ik, zijn het losse gedichten met hun eigen lading en gewicht.
Want in het laatste hoofdstuk ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ wordt je weer aan de hand genomen in het universum van de dichter, dit keer met een positievere toon, een nieuw elan waarin het leven aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. En dan eindigt de bundel met het gedicht ‘Nomadisch’ dat eindigt met de regel ‘Je bereidt je voor’ alsof de dichter de lezer een laatste aanbeveling wil doen, alsof de dichter aan wil geven dat je in het leven nooit de dingen voor vanzelfsprekend mag aannemen. De aanvaarding van het leven en het verzet tegen datzelfde leven en wat het je brengt. Hoe zinloos ook, bereidt je voor.
Voor wie van poëzie met diepgang houdt, voor wie de twijfelaar in zichzelf de ruimte gunt, voor wie van fraaie poëtische zinnen en gedachten houdt, voor die persoon is de poëzie van Johan Clarysse een geschenk.
.
Uitzicht
.
De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.
.
Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind
dat hem vergezelt.
.
In hun voetafdruk hangt randschade.
.
De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.
.
Pompejaans rood en nachtzwart
rollen erdoor heen. Feest
op de rand van een vulkaan.
.
Lieke Marsman (1990-2026)
Bericht van overlijden
.
Vandaag, op de dag dat Poetry International van start gaat in Rotterdam, werd bekend gemaakt dat schrijver, dichter, essayist, filosoof en voormalig Dichter des Vaderlands (2021-2023) Lieke Marsman is overleden aan de gevolgen van kraakbeenkanker. Hoewel bekend was dat ze ongeneeslijk ziek was kwam dit bericht toch onverwacht. Met haar overlijden verdwijnt opnieuw een bijzondere stem uit de poëzie in Nederland.
Ze debuteerde als dichter in 2010 met de bundel ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ maar eigenlijk werd al een gedicht van haar gepubliceerd toen ze nog maar 12 jaar oud was. In 2010 werd ook een gedicht van haar opgenomen in de jubileumbundel ‘Nog een lente‘ van Meander waar ze haar poëzie ook al deelde voor haar officiële debuut. Haar werk werd meerdere malen bekroond, de laatste maal in 2025 toen ze de Constantijn Huygens-prijs kreeg voor haar gehele oeuvre, en ze was een graag geziene gast op vele poëziepodia en in de media.
In 2022 verscheen in de groep Het mooiste gedicht, een gedicht van Lieke Marsman dat ze schreef als dichter des Vaderlands met de titel ‘Ter gelegenheid van poëzie’. Ik ben ervan overtuigd dat de poëzie van Lieke Marsman nog vele generaties gelezen zal worden. In haar te korte leven heeft ze zoveel moois geschreven (niet alleen poëzie). In het gedicht ‘Ter gelegenheid van poëzie’ zullen veel mensen troost vinden om het verdriet van een te jong gestorven vrouw en dichter.
.
Foto: VPRO
Dit kan beter
Pim Lammers
.
Zoals elk jaar stuurde het CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek) ook dit jaar als kerstgroet een gedicht. Vorige jaren ontving ik al gedichten van Toon Tellegen, Judith Herzberg, Alfred Schaffer, Lieke Marsman en Charlotte Van den Broeck. En nu dus van dichter en schrijver Pim Lammers (1993). Los van wat er rond Lammers speelde in 2023 en hoe CPNB daar destijds mee omging (waarvoor hulde) is de keuze voor een dichter die speciaal voor jeugd en jongeren dicht interessant. tenslotte zijn er zoveel goede dichters die zich toeleggen op het schrijven van poëzie voor kinderen en jongeren. En het is goed dat de CPNB ook deze groep vertegenwoordigd en in het zonnetje zet middels dit gedicht en deze kerstgroet. En omdat de CPNB deze kerstgroet alleen naar haar relaties stuurt, en ik het mooi vind om zo’n initiatief wat verder te brengen, deel ik het gedicht hier met jullie.
.
De nacht, de prachtige nacht
Nacht van de Poëzie
.
Afgelopen zaterdag was ik op de 42ste editie van de Nacht van de poëzie in Utrecht georganiseerd door het ILFU. Voor de derde keer alweer en het was weer een feest om tussen de poëzieliefhebbers naar bijzondere, mooie en interessante poëzie te luisteren. Een avond en nacht waar je nooit helemaal iedereen kan bekijken en beluisteren. Zo heb ik helaas Lin An Phoa gemist. Omdat de programmering nooit bekend is (wel wie er komt maar niet wanneer en hoe laat) en ik om half drie weg moest in verband met mijn terugreis, en omdat Lin An als laatste was (wat ik al had verwacht) heb ik haar optreden dus gemist. Het goede nieuws is dat zij volgend jaar de Nacht van de poëzie mag openen.
Wie ik in ieder geval wel gezien heb was Judith Herzberg, al flink op leeftijd maar een uitnodiging van de Nacht liet ze niet aan haar voorbij gaan, Marc Reugebrink, die speciaal voor de Nacht een lang gedicht uit zijn hoofd had geleerd, tijdens zijn dagelijkse wandeling met zijn hond over de begraafplaats in de plaats waar hij woont, Charlotte Van den Broeck, die nog eens in Utrecht het gedicht ‘Plakboel’ deed, net zo indrukweekend en mooi als eerder, en dat nadat ze 9 weken geleden was bevallen van een zoon, Neeltje Maria Min, die me toch weer verraste met haar bijzondere (en vaak ook grappige) poëzie, Lieke Marsman, als altijd met prachtige poëzie, Bob Vanden Broeck (geen familie van) met een heerlijk surrealistisch aandoend gedicht waarin observatie een belangrijke rol speelde en Pim Lammers die maar weer eens bewees dat poëzie voor alle leeftijden belangrijk en inspirerend is.
Dit is maar een selectie van de dichters die ik zag en hoorde maar wel mijn favorieten. Tel daarbij de grappige, puntige, liefdevolle en zeer adequate inleidingen van elke dichter door Ester Naomi Perquin en Piet Piryns toe, alsmede de bijzondere entre-actes van bijvoorbeeld De Niemanders en de bizar geweldige dansers van Panama Pictures en de vele stands van poëzie-uitgevers en -organisaties en je hebt het recept te pakken van een geweldige en inspirerende Nacht van de Poëzie.
Een gedicht dat me erg is bijgebleven is het gedicht ‘Notendop’ van Neeltje Maria Min. In de bundel opgenomen die elk jaar wordt uitgedeeld en waarin gedichten van alle dichters terug te vinden zijn.
.
Notedop
.
Mijn favoriete programma begint om 7 uur ’s avonds.
Ik zit aan tafel met zicht op de digitale klok van het fornuis.
.
Kijk: 19.00, het geboortejaar van mijn vader.
Achttien minuten pauze voor koffie en krant en dan
verschijnt mijn moeders geboortejaar.
Een tweede kop koffie, het laatste stuk krant,
]10 over half 8: de oorlog nadert, mijn ouders gaan trouwen.
Na 1 minuut wordt A. geboren, na 3 minuten J.
Dan komt het ho0ogtepunt van de avond: 19.44, mijn
eigen jaar. Nog 6 minuten en het gezin is compleet.
.
M. werd om 3 voor half 8 geborenen stierf om 6 over 8.
Oogwenk na oogwenk verdwijnen wij van het scherm.
Onze leventjes niets dan notedopjes.
.
.
Marc Reugenbrink
Judith Herzberg
Lieke Marsman
Neeltje Maria Min
Charlotte Van den Broeck
Gouden Flits-reeks
Lotte Dodion
.
In een winkeltje op de Veluwe vond ik een bijzonder boekje. Ik dacht eerst dat het een Gouden Boekje was van vroeger, die ik nog ken uit mijn jeugd (Wim is weg) maar alleen de uiterlijke vorm doet er erg aan denken. De inhoud is helemaal anders. Het is een bundeltje uitgegeven en samengesteld door Jeugd en Poëzie, Doe Maar Dicht Maar en stichting Kinderen en Poëzie in Mechelen in 2005.
Onder leiding van Juryvoorzitter Jos van Hest koos een jury bestaande uit Daniël Dee, Joris Denoo, Christina Guirlande, Coen van Peppelenbos, Frank Pollet, Jaap Robben, Jan Smeekens, Mieke Vanpol en Francis Verdoodt, de winnaars van de Gouden, Zilveren en Bronzen Flits. De Flitsen (projzen voor een poëziewedstrijd) werden uitgereikt aan Kinderen tot 12 jaar en Jongeren tot 20 jaar.
Winnaars waren bij de Kinderen de 11 jarige Kathleen Van Gucht (goud), de 10 jarige Mitchel Lindhout (zilver) en de 7 jarige Kiki de Klerk. Bij de jongeren tot 20 jaar gingen de prijzen naar 17 jarige Gillis De Troyer (goud), de 20 jarige Saar Deroo (zilver) en de 18 jarige Erik Thijs Wedershoven. Eerlijk gezegd voor mij allemaal onbekende namen.
In de bundel staan echter alle gedichten die bijna hebben gewonnen zoals Jos van Hest het zo mooi opschreef in het juryrapport. Tegen de bijna-winnaars zegt hij daar: blijf schrijven en laat je niet op je kop zitten door zo’n stelletje juryleden.
Dat een paar van de dichters die bijna wonnen dit niet hebben laten gebeuren blijkt uit de namen die ik wel ken en in dit bundeltje staan: Anne van den Dool (toen 12 jaar), Lieke Marsman (toen 14 jaar) en Lotte Dodion (toen 17 jaar). Heel leuk om gedichten van deze dichters te lezen toen ze nog jong, onbekend en veelbelovend waren.
Ik heb van deze drie dichters in de dop het gedicht ‘lijkbleekje’ van Lotte Dodion gekozen.
.
lijkbleekje
.
hij heeft haar glazen kist besteld
en kijkt met een kabouterhartje toe
hoe slaap als een oud wijf op haar ligt en
adem uit haar duwt tot de laatste zucht
dan pas beseft hij welk vergif ze heeft gekregen
want hij kust haar
en het helpt niet
.
Poëzie en rouw
Dromen dromen
.
In de Volkskrant van zaterdag viel me weer eens op hoe vaak poëzie wordt gebruikt in rouwadvertenties. Dat zal bij andere kranten overigens niet anders zijn. Ik las strofen uit gedichten van Hans Faverey (1933-1990) : ‘Zo begint het, en moet zo lang. / Te lang begonnen blijven’, van Lieke Marsman (1990) ‘Als je eigen dood aan je deur staat en ongeduldig je naam door de brievenbus roept, zie dan maar eens open te doen met een onbewogen, “ach ja, jij hoort er nu eenmaal bij”.’ en van George Harrison (1943-2001) ‘Here comes the sun, and I say, it’s all right’. En er was een uitspraak van de Duitse kerkleider, schrijver en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) met een grote poëtische zeggingskracht ‘Afscheid nemen / is met zachte vingers / wat voorbij is dichtdoen / en verpakken / in goede gedachten / der herinnering…’.
Ik moest na het lezen van deze stukken meteen denken aan poëziedoctor Kila van der Starre (1988). In haar onvolprezen proefschrift uit 2017 ‘Poëzie buiten het boek‘ de circulatie en het gebruik van poëzie, heeft ze een hoofdstuk gewijd aan Rouwpoëzie, poëzie in rouwadvertenties. Daarnaast was ik nieuwsgierig naar het meest gebruikte gedicht in Nederlandse rouwadvertenties. Daar heb je tegenwoordig een prima AI app voor Perplexity en die geeft als antwoord dat ‘Sub Finem‘ van Vasalis (1909-1998) een van de meest populaire rouwgedichten is, naast ‘De Steen‘ van Bram Vermeulen (1946-2004) en de tekst van Psalm 39 (in meer Christelijke kringen) volgens een onderzoek van het Reformatorisch Dagblad.
Na lezing van deze gedichten voerden mijn gedachten mij vervolgens naar een bundel die ik sinds kort in mijn bezit heb ‘De gedichtenapotheek‘ samengesteld door Philip Huff (1984). In het hoofdstuk ‘Leven met verlies’ is bij ‘de dood van een geliefde’ het gedicht ‘Dromen dromen’ opgenomen van Judith Herzberg (1934).
.
Dromen dromen
.
Ik droomde dat je thuis was lief
je kwam licht uit de auto, ik sliep,
ik hoorde vogels, rook seringen,
jij draaide aan de knop van de radio
die aan mijn hoofdeind stond.
Uit elk station kwamen verwonderlijk
belangwekkende fragmenten.
Ik droomde ook dat ik gedroomd had
dat ik in de keuken stond
en dat het aanrecht in stukken brak –
marmeren brokken. Ik nam in elke hand
een scherf want dacht ik, misschien
is dit een droom, en bracht mijn handen
langzaam bij elkaar, om het marmer
te horen ketsen, maar het ketste niet.
Ik vond het prettig datje thuis was
kon je de droom vertellen. Ja zei jij,
ja dat doet een droom, je voelt iets in je hand
dat er niet is, dat is bekend.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik
dat jij thuis bent, ik slaap nog even door.
.Jij neemt wel op. Ik hoorde je spreken.
Hij rinkelde en rinkelde totdat ik wakker werd
en rende. Verdriet om sterven is bekend
verdriet van scheiden niet geacht. En
doden weten niet hoe ze ontbreken.
.
Lieke Marsman
Natalya Gorbanevskaya
.
Afgelopen vrijdag liep ik in de boekenwinkel op zoek naar een cadeautje voor mezelf (van mijn moeder) en daar zag ik ‘Op een andere planeet kunnen ze me redden’ van Lieke Marsman liggen. Ik kocht het en thuis gekomen las ik dat dit boek op die dag pas was uitgekomen. Spiksplinternieuw dus. En hoewel het geen dichtbundel is, werd ik toch aangetrokken door de inhoud. “dit boek is een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit.”
Waarschijnlijk niet helemaal toevallig stond er gisteren in het Volkskrant Magazine een interview met Lieke Marsman (1990) over dit boek en haar situatie. In dit interview wordt geschreven over hoe Marsman op haar 17e een gedicht van Natalya Gorbanevskaya vertaalde (Het gedicht was vanuit het Russisch naar het Engels vertaald en zij vertaalde het naar het Nederlands). Een prima manier, zo vertaalde ik ooit begin deze eeuw het gedicht van Juhasz Gyula naar het Nederlands nadat het door een Hongaarse voor mij naar het Engels was vertaald. Mijn derde bundel kreeg zelfs als titel een zin uit dat gedicht.
Nieuwsgierig als ik ben wanneer ik dit sort verwijzingen lees ging ik op zoek. Natalya Yevgenyevna Gorbanevskaya (1936 – 2013) was een Russische dichter, vertaler van Poolse literatuur en burgerrechtenactiviste. Ze was een van de oprichters en de eerste redacteur van A Chronicle of Current Events (1968–1982) een van de langstlopende samizdat– periodieken van de post-stalinistische Sovjet-Unie. In 1968 nam ze samen met zeven anderen deel aan de demonstratie op het Rode Plein in 1968 tegen de Sovjetinvasie van Tsjecho-Slowakije. In 1970 veroordeelde een Sovjetrechtbank Gorbanevskaja tot opsluiting in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werd in 1972 vrijgelaten en emigreerde in 1975 uit de USSR en vestigde zich in Frankrijk. In 2005 werd ze staatsburger van Polen. Slechts negen van haar gedichten waren gepubliceerd in officiële tijdschriften toen ze in 1975 de USSR verliet; de rest circuleerde privé ( samizdat ) of werd in het buitenland gepubliceerd (tamizdat).
Ook het gedicht dat Lieke Marsman vertaalde heb ik kunnen achterhalen.
.
Sterven is – de globe omkeren en leven aan de ommezijde,
tegenvoeter worden van de aardbodem en van het kind,
geen berouw meer kennen en verharden in bewusteloosheid,
het verschil vergeten tussen zuster, kind en minnaar.
Sterven is – van een brug af vallen als een lucifer,
die de oceaan op drijft en aanspoelt in het binnenland…
Wie niet gestorven is, weet niets en begrijpt niets,
hij zet een gebarsten glas aan zijn mond, of een gammele fluit.
.
Een nieuw jaar
Toon Tellegen
.
Zoals elk jaar stuurt de CPNB (Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek) ook dit jaar weer rond de kerstdagen een geprint gedicht toe aan haar relaties. In 2024 was dit een gedicht van Judith Herzberg, in 2022 een gedicht van Alfred Schaffer, in 2021 een gedicht van Lieke Marsman en in 2020 een gedicht van Charlotte Van den Broeck. Dit begint een mooie traditie te worden.
Dit jaar is het eindejaarsgedicht geschreven door Toon Tellegen (1941) getiteld ‘Een nieuw jaar’.
.
Een nieuw jaar
.
Het is bijna zover
en een man dacht dat er iets ging beginnen,
iets wat niet kon beginnen, niet mocht beginnen,
iets met lente.
met water,
met vrijheid
.
en een engel sloeg hem neer
en zei:
er is geen beginnen,
er is nooit een begin geweest
.
en vrijheid werd aan een stuk hout gebonden
en losgelaten,
zodat iedereen haar kon zien,
ze hing hoog in de lucht tussen de wolken,
dreef langzaam weg
.
en de man kroop over de grond,
stilstand klemde zich aan hem vast,
en hij kromp ineen
tot hij een stofje was
en met zijn stoffigheid pronkte, lonkte
.
en het werd zomer, water werd vuur.
.
Vrouw in de ruit
Ingrid de Kok
.
De Zuid Afrikaanse dichter Ingrid de Kok (1951) is niet zo bekend in Nederland. Naast auteur en dichter is ze verbonden aan de Universiteit van Kaapstad als universitair hoofddocent extramurale studies. Ze is vooral bekend als de schrijfster van het gedicht ‘woman and children first‘, een gedicht over vrouwen en kinderen die als eerste gewond raken, maar altijd als laatste worden verzorgd. Daarnaast is ze lid van PEN International, een wereldwijde vereniging van schrijvers, opgericht in Londen in 1921 om vriendschap en intellectuele samenwerking tussen schrijvers overal te bevorderen, met autonome International PEN-centra in meer dan 100 landen.
Ze debuteerde in 1988 met de bundel ‘Familiar Ground’ en tussen 1977 en 2006 werden de gedichten van De Kok gepubliceerd in talloze Zuid-Afrikaanse literaire tijdschriften, waaronder Upstream , Sesame , Staffrider , Contrast , New Contrast , New Coin en Carapace . Af en toe verschenen er ook gedichten, vertaald in het Afrikaans , in verschillende Zuid-Afrikaanse Afrikaanse kranten. In 2005 was ze als dichter te gast op het 36ste Poetry International festival in Rotterdam. Op de website van Poetry International zijn een aantal van haar gedichten vertaald door Robert Dorsman te lezen.
In de nieuwe bundel ‘Breuk in de horizon’ een bloemlezing over verzet, samengesteld door Antjie Krog, is een gedicht van haar opgenomen getiteld ‘Vrouw in de ruit’. Naast dit gedicht zijn er gedichten opgenomen van onder andere Alfred Schaffer, Koleka Putuma, Adrienne Rich, Yehouda Amichai, Nathan Trantraal, Wislawa Szymborska, Remco Campert, Lieke Marsman, Adam Zagajewski, Derek Walcott, Ingrid Jonker en Radna Fabias. Het gedicht ‘Vrouw in de ruit’ verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Seasonal Fires’ selected poems uit 2006. De vertaling is van Anneke Brassinga.
.
Vrouw in de ruit
.
Ik ben niet de vrouw in de trein
die je hand tussen haar benen schuift
en dan uit het raam kijkt.
.
Ik ben niet de vrouw met het henna haar
op straat in de stad, die geen woord zegt
maar wenkt, je mee wenkt.
.
Evenmin ben ik de vrouw in de ruit
die kijkt naar jou die naar haar kijkt
en de ruit raakt beslagen.
.
Noch ben ik de vrouw die bij jou ligt
terwijl jij de namen roept van voorbije liefdes
zoals je ook deze roepen zult.
.
Noch ben ik de vrouw in het donker
wier stilte de meteoor is
aan de hemel van jouw gepraat.
.
Die vrouw:
voorovergebogen, jou biedend haar geslacht
als een bol knoflook, zonder te vragen;
die ene zonder vingerafdrukken,
zich verschuilend in de talisman van jouwbescherming
die ene, omstuwd door fotografen
afdrukkend haar lenige lach, haar huid:
die vrouw.
.
Ik sta aan de kant en bezie haar,
vlam, weduwmaagd, op je brandstapel.
Acrobaat vallend in een vangnet van as,
in de vlammen druipt van haar mond de was,
haar wenkbrauwen schilferen af,
uit haar geslacht laten piepkleine spiegeltjes los.
.
Jouw vrouw, nichtje, zus, tweeling.
Jij wilt dat ze brandt, veraf, stemmeloos.
Ik wil redden, en uitrukken, haar tong.
.
Poetry International
Alfred Schaffer
.
Afgelopen donderdag was ik bij de opening van het Poetry International 2024 festival. Een keur aan boeiende, interessante, verrassende en prachtige dichters gaf daar acte de présence. In tegenstelling tot vorig jaar was er dit keer niet een dichter die er meteen uitsprong voor me al vond ik de IJslandse schrijver, dichter en theatermaker Eva Rún Snorradóttir (1982) wel bijzonder.
Naast vele buitenlandse dichters waren ook een aantal Nederlandse dichters aanwezig zoals de dichter des vaderlands Babs Gons, Lieke Marsman, Neeltje Maria Min en Alfred Schaffer (1973). Die laatste dichter kwam ik al bladerend tegen in ‘Het liegend konijn’ oktober 2005 met het gedicht ‘Waar is iedereen gebleven?’. Een vraag die hij zeker afgelopen donderdag niet hoefde te stellen, de grote zaal van het Zuidpleintheater in Rotterdam zat vol.
Poetry International is vandaag voor het laatst dus grijp je kans en laat je onderdompelen in een zee van internationale dichters en poëzie. En als je er dan toch bent neem dan een kijkje bij boekhandel Bosch & de Jong. Voor een dichtbundel of editie 21 of 22 van MUGzine.
Van Alfred Schaffer hier het gedicht ‘Waar is iedereen gebleven?’.
.
Waar is iedereen gebleven?
.
Ik ben direct gekomen, op een scooter reed ik langs zee,
nu wil ik weten of ik blijven mag, of je kan overleven in het wild.
.
Antwoord is uitgesloten, geen gezellige middagen hier
in de zevende hemel – een vette streep door je authenticiteit.
Waar waterijsjes smelten, waar gangsters nog op gangsters lijken.
.
Dit riekt naar hoogmoed maar medelijden klinkt beter.
Alles gereduceerd tot een luchtfoto hoor ik je zachtjes zingen,
hoe je geheugen een model bouwt van de wereld.
.
Wie ben jij nog, hoe slik ik mijn woorden in?
Je komt nergens meer vandaan, van je nabijheid weet ik niets,
hoe zou ik je dan kunnen missen?
.
Altijd moeilijk zo’n gedicht, je hebt ruim baan zolang je in het
ongewisse blijft.
Print de hele handel uit en trots aan mammie laten zien.
.



















